UTFaculteitenBMSCentrumLaatste NieuwsTechnologische ontwikkelen binnen de inclusieve samenleving: Interview met Alexander van Deursen

Technologische ontwikkelen binnen de inclusieve samenleving: Interview met Alexander van Deursen Passie voor thema digitale samenleving

Interview met Alexander van Deursen gepubliceerd op Movisie.nl
Alexander van Deursen is hoogleraar communicatiewetenschap aan de Universiteit van Twente. Met als specialisatie technologische ontwikkelingen binnen de inclusieve samenleving. Daar ligt zijn grootste passie. Julia Ketel en Paul van Yperen vroegen hem waarom.

Met wat voor onderzoek ben je nu precies bezig? 

‘Er lopen diverse onderzoeken gerelateerd aan digitale inclusie, bijvoorbeeld naar Internet of Things vaardigheden, de algemene status van digitale inclusie onder de Nederlandse bevolking, of naar digitale vaardigheden in nieuwe werkomgevingen. Een van de recentste projecten richt zich op digitale inclusie interventies voor mensen die in armoede leven. Dit project is niet alleen nodig om deze mensen mee te laten doen in de digitale samenleving, het is ook bedoeld om een leidraad te ontwikkelen voor succesvolle interventies. Deze stap is nu echt nodig. Er zijn meerdere uitgangspunten voor het ontwikkelen van een effectieve digitale inclusie interventie. Een ervan is het gemotiveerd krijgen van de doelgroep. Dat betekent dat we niet met een normatief of economisch uitgangspunt starten, maar juist in detail bekijken wat er speelt in de leefwereld van de doelgroep. Wat vinden zij leuk en wat is voor hen een goede reden om mee te willen doen? Dat kan bijvoorbeeld contact met vrienden of lotgenoten zijn, of ondersteuning bij moeilijke beslissingen. Het gaat zeker niet alleen over geld bij de groep in armoede. 

Over Alexander van Deursen

De passie voor de toepassingen van technologische ontwikkelen binnen de inclusieve samenleving begon tijdens zijn studies ‘Mens en Informatica’ in Eindhoven en ‘Nieuwe Media en Communicatiewetenschap’ aan de Universiteit van Twente. Daarna werd zijn interesse voor mensen en technologie in 2003 verder aangewakkerd door hoogleraar Jan van Dijk. ‘Veel van zijn werk gaat over wat het betekent om technologische ontwikkelingen niet meer bij te kunnen houden, maar geeft ook richting aan wat hiervoor dan wel nodig is.’ Sinds 2020 is Van Deursen hoogleraar bij de vakgroep Communicatiewetenschap. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor het Centrum voor Digitale Inclusie.  

Bij mensen die langdurig met een minimuminkomen kampen en een gezin moeten onderhouden, willen we een helder beeld krijgen wat er in hun dagelijkse leven speelt. Waar zijn zij het meest bij gebaat? Wat werkt voor hen motiverend? Dat moet het uitgangspunt zijn van een digitale inclusie interventie. Dat je internet zo kunt gebruiken dat het hun situatie verbetert. Verschillende factoren spelen hierbij een rol. Niet alleen zijn daar motivatie en materiële middelen zoals een computer voor nodig, maar ook een reeks aan digitale vaardigheden. Verder is aandacht voor de vele mogelijkheden en activiteiten online een vereiste. In al deze fasen is het nodig te inventariseren welke problemen deze mensen ervaren. Dit geeft veel informatie over hoe een interventie eruit moet zien.’

'Juist technologie speelt een grote rol in het versterken van bepaalde vormen van ongelijkheid'

Waarom vonden jullie dat belangrijk? Wat zagen jullie gebeuren?

‘In het ongelijkheidsdebat uit de afgelopen tien jaar gaat het veel over bijvoorbeeld inkomen en educatie. De rol van technologie wordt zelden besproken. Dat is erg jammer want juist technologie speelt een grote rol in het versterken van bepaalde vormen van ongelijkheid. We zien dat mensen die zich in een sociaal elitaire klasse bevinden, veel beter in staat zijn om technologie te gebruiken en daar sociale, economische, culturele en persoonlijke voordelen mee behalen. Dit betekent automatisch dat andere groepen verder op achterstand raken. Relatieve verschillen in bijvoorbeeld kapitaalverhogend gebruik van internetgebruik zijn de afgelopen jaren dan ook toegenomen.’  

Mee kunnen doen aan de digitale samenleving lijkt sinds de coronacrisis belangrijker dan ooit. Gaat het goed, als je kijkt naar de brede Nederlandse bevolking? 

‘Er zijn twee kanten aan het verhaal. Aan de ene kant zie je dat de transitie naar de online omgeving in een stroomversnelling is gekomen. Dat heeft veel positieve aspecten, er kan veel via Teams en Zoom. Mensen blijken ook in staat om nieuwe vaardigheden te ontwikkelen. Tegelijkertijd is de ongelijkheid hier ook groter geworden. Denk bijvoorbeeld aan gezinnen waarin elk kind een tablet had om online lessen te volgen als tegenpool van gezinnen waarin drie kinderen een smartphone deelden om de beurt even naar de juf te kunnen luisteren. Dus er is duidelijk ook een keerzijde. Datzelfde zagen we bij het verspreiden van fake news, maar ook bij de manier waarop de overheid informatie naar buiten bracht. Niet iedereen is in staat online informatie te begrijpen en of juist te interpreteren. Dit heeft toch zeker een rol gespeeld in het vurige debat en de huidige polarisering.'

Daar heb je basisvaardigheden voor nodig…

‘Zeker, basisvaardigheden om internet te gebruiken, maar juist ook inhoudelijke informatie- en communicatievaardigheden. Het gaat dan ook over de kritische interpretatie en beslissingen die worden gemaakt op basis van online informatie en communicatie.’

Alexander van Deursen

Alexander van Deursen

Zie je naast deze digitale kloof bij kinderen en mensen in armoede ook nog andere digitale kloven ontstaan?

‘Mijn onderzoeken uit de afgelopen tien jaar laten zien dat er op detailniveau vele digitale ongelijkheden zijn. Ik noemde al de aspecten motivatie, materiële toegang, vaardigheden en gebruik. Op al deze aspecten wordt door verschillende mensen anders gescoord. Van invloed zijn socio-demografische en socio-economische kenmerken, maar denk ook aan de sociale context waarin iemand verkeerd of bijvoorbeeld niveaus van traditionele geletterdheid. Leeftijd en opleidingsniveau worden het meest genoemd. Jongeren zijn bijvoorbeeld sterker in de knoppenkennis, terwijl ouderen juist veel kritischer zijn in het beoordelen van informatie. Jongeren presteren hier slechter, bijvoorbeeld omdat zij informatie uit het ene lijntje halen dat google presenteert zonder door te klikken of te lezen wat hen wordt voorgeschoteld. Voor ouderen geldt dan wel dat ze de basisvaardigheden moeten beheersen. Daar speelt de sociale context weer een grote rol. Zijn er kleinkinderen die hen stimuleren? Dat kan het verschil maken. Er zijn dus vele nuances aan te brengen. Wat opleidingsniveau betreft, scoren hoogopgeleiden op alle digitale vaardigheden het hoogst. De verklaringen hiervoor zijn erg interessant, het gaat bijvoorbeeld over cognitieve vermogens, maar ook over culturalisatie en de invloed van je omgeving. Ook inkomen speelt een rol, hoe hoger het inkomen, hoe beter de gebruikte apparatuur. Dat heeft weer invloed op de vaardigheden en de toepassingen. Mensen met hogere inkomens en hoger opgeleiden komen vaak als eerste met nieuwe technologie in aanraking, zoals slimme apparaten die weer tal van voordelen kunnen opleveren.’

Welke randvoorwaarden zijn er om goed gebruik te kunnen maken van de digitale samenleving?

‘Het beheersen van digitale vaardigheden is denk ik de sleutel in het hele proces van internettoegang. Deze vaardigheden spelen een heel belangrijke rol in het vertalen van gebruik in positieve uitkomsten. Kritische vaardigheden zoals het evalueren van informatie, begrijpen waarom een toepassing werkt zoals deze werkt, of online een nette conversatie kunnen voeren worden steeds belangrijker. Maar denk ook aan het visualiseren en interpreteren van de enorme hoeveelheid data die over jou verzameld wordt. Denk aan de gevolgen van algoritmes die op de achtergrond spelen en bijvoorbeeld bepalen wat je krijgt voorgeschoteld. Of aan het nemen van besluiten die echt in jouw eigen voordeel zijn. Ik denk dat daar de nadruk op moet gaan liggen.’

'De lager sociaaleconomische klasse profiteert het minst van het internet'

Geldt dit probleem niet voor iedereen, want eerlijk gezegd snappen wij het ook niet goed

‘Ja, er zijn maar heel weinig mensen die echt weten wat het internet behelst en hoe dat op de achtergrond werkt. Je zag in de coronacrisis bijvoorbeeld dat ook hoogopgeleide mensen in de “social media fuik”, zoals Arjan Lubach dat noemde, liepen. Maar over de hele linie is het veelal de lager sociaaleconomische klasse die het minst profiteert van het internet. Zij laten bijvoorbeeld financiële gunstige regelingen liggen, of weten de weg niet naar voor hen relevante informatie op gezondheidsgebied. Ook zie je een steeds grotere groep jongeren in deze klasse dat zij voor alles alleen hun smartphone gebruiken. En niet meer hun pc, laptop of zelfs tablet. Terwijl je juist voor complexere taken voor werk of school echt een laptop nodig hebt. Maar zoals ik al aangaf, en zijn veel factoren die een rol spelen die digitale inclusie een complexe uitdaging maken. Elke groep heeft haar eigen uitdagingen. Sommigen liggen wat meer voor de hand, anderen krijgen weinig tot geen aandacht. Denk aan de 55-, 65-jarigen die in hun jeugd niet in aanraking zijn gekomen met internet maar het voor hun werk wel nodig hebben. Zij kunnen de verwachte omslag moeilijk maken en dreigen buiten de boot te vallen. Ook hier zou meer aandacht voor moeten komen, evenals begrijpelijke taal op overheidssites, of onbegrijpelijke gebruikersvoorwaarden die nodig zijn om een slim apparaat te gebruiken. Maar zo kan ik nog wel even doorgaan.’

Wat moet er gebeuren zodat echt iedereen mee kan gaan doen aan de digitale samenleving?

‘Ik hoop dat het project gericht op armoede pioniert bij het ontwikkelen van interventierichtlijnen. Zoals ik al aangaf, dient in ieder geval de belevingswereld van de groep mensen waarop je je wilt richten het uitgangspunt zijn. Wat maakt het voor hen motiverend om mee te doen? Dan pas heeft het uitdelen van een laptop of het aanbieden van een vaardigheidscursus zin. De interventie zou zich dus ook integraal moeten richten op motivatie, materiële toegang, vaardigheden en gebruiksmogelijkheden.’

Wat zouden gemeenten kunnen doen?

‘Nadenken over met welke media of platformen zij hun klant het beste kunnen bedienen. Eerder onderzoek laat zien dat de klant moet worden bediend met het kanaal dat het beste bij de vraag past, een zogenaamde integratiestrategie. Als mensen bijvoorbeeld naar een balie komen voor een eenvoudige vraag, terwijl dat ook via internet had gekund, kan de medewerker hen hierop wijzen. Maar het omgekeerde kan natuurlijk ook: voor ingewikkelde verbouwplannen kun je de klant beter naar de balie verwijzen omdat het hier om maatwerk gaat. Het gaat erom dat je mensen leidt naar het kanaal dat past bij de complexiteit van de taak. 

'De zogenaamde trapveldjes van Roger van Boxtel was een mooie manier om mensen te helpen'

Twintig jaar geleden had je de zogenaamde trapveldjes van Roger van Boxtel. Dat waren kleine buurtcentra waar je binnen kon lopen om vaardigheden op te doen over het gebruik van computer en internet. Toen iedereen in Nederland bijna verbonden was, is daar de stekker uitgetrokken. Want het was niet meer nodig was de redenatie. Helaas, want dat was een mooie manier om mensen te helpen met gebruik van internet, in een veilige laagdrempelige omgeving.’

Wat kan de rol van de sociaal professionals zijn bij het laten meedoen in de digitale samenleving?

‘Ik denk dat de sociaal werker een goede intermediair kan zijn. Die komt bij de mensen thuis en weet wat daar speelt en welke behoeften er zijn. Zij kunnen laten zien wat er allemaal mogelijk is met internet en technologie. Die kennis moeten ze dan wel hebben. Natuurlijk kunnen ze ook een rol spelen bij het inrichten van interventies die andere partijen uitvoeren, want zij kennen de belevingswereld van hun doelgroepen.’

Hoe kan dit thema bij sociaal werkers geagendeerd worden als urgent vraagstuk?

‘Bespreek het met ze. Er zijn veel voordelen. Sociaal werkers hoeven niet bang te zijn dat hun werk wordt overgenomen door technologie. Hun taken zijn niet vervangbaar. Dankzij technologie kunnen ze juist nog meer bieden. Ik weet niet of zij daar ruimte voor hebben, want ik vermoed dat ze vaak al tot over hun oren in het werk zitten. Het moet dus niet opgelegd worden, maar een gesprek van twee kanten zijn.’