Gevaarlijke stoffen

Language:
NL

Gevaarlijke stoffen moeten volgens bepaalde normen en richtlijnen veilig gebruikt, getransporteerd, geëtiketteerd, opgeslagen en geregistreerd te worden. De UT richtlijnen voor het gebruik van verschillende categorieën gevaarlijke stoffen zijn hier weergegeven.  Er is een afspraak gemaakt om wereldwijd chemische stoffen op dezelfde manier te gaan indelen en etiketteren. Deze afspraak wordt het Globally Harmonized System genoemd, afgekort tot GHS. Op deze pagina vind je ook informatie over de ‘oude’ etikettering (WMS) in relatie tot de nieuwe etikettering (GHS).
Voor registratie heeft de UT het programma Sofos360 in gebuik. Hier is ook veiligheidsinformatie van gevaarlijke stoffen in te vinden. Iedere UT medewerker en student, met een UT account (SSO), kan inloggen in Sofos360.
Vragen over gebruik van Sofos360 kunnen via de lokale VGMc gesteld worden of per email

Browser instellingen Sofos360

Chrome

Klik op het help-icoon in SOFOS360. In de adresbalk verschijnt rechts een klein icoon met een rood kruis. Klik hierop en geef aan dat pop-ups voor het adres https://utsofos.itis.software niet geblokkeerd moeten worden.

Microsoft Edge

Klik op het help-icoon en geef aan dat pop-ups voor het adres https://utsofos.itis.software altijd moeten worden toegestaan.

Safari

Helaas is het niet mogelijk om pop-ups alleen voor SOFOS360 toe te staan. Door te klikken op het instellingen-icoon rechts boven kunt u de pop-ups voor alle websites uitzetten.

Firefox

Klik op het help-icoon en geef via ‘opties’ aan dat pop-ups voor het adres https://utsofos.itis.software altijd moeten worden toegestaan.


Tevens kan je hier toegang krijgen tot ChemWatch. Dit is een database met info over gevaarlijke stoffen.
Internet Explorer wordt niet ondersteund door Chemwat. Gebruik Edge, Firefox, Google Chrome.

Good-practices nanomaterialen

Door SoFoKleS is een handreiking Veilig werken met nanomaterialen voor onderzoeksinstellingen opgesteld. Een onderdeel van deze handreiking is een deelrapport met 17 goede praktijken, ontleend aan de (internationale) literatuur over (veilig) werken met nanomaterialen, waar mogelijk specifiek voor wetenschappelijke onderzoeksinstellingen. 
De onderwerpen die hier aan de orde komen zijn onder meer:

  • risicobeoordeling en risico-inschatting van het gebruik van nanomaterialen;
  • planning van onderzoek;
  • schoonmaak in laboratoria;
  • voorlichting en training;
  • het gebruik van standard operating procedures (SOP's).

Informatiekaart experiment (GHS)

Voor werkzaamheden waarbij met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, moet vooraf een goede, schriftelijke vastgelegde beoordeling worden uitgevoerd van de risico’s voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers/studenten. Hiervoor kan de informatiekaart experiment worden gebruikt. Deze kaart moet bij het experiment (meestal de zuurkast) duidelijk zichtbaar aanwezig zijn.

Overzicht oude en nieuwe pictogrammen gevaarlijke stoffen

Er is een nieuwe afspraak gemaakt om wereldwijd chemische stoffen op dezelfde manier te gaan indelen en etiketteren. Deze afspraak wordt het Globally Harmonized System genoemd, afgekort tot GHS. Met het GHS verdwijnen de bekende oranje gevaarsymbolen en de bijbehorende gevaarszinnen (R-zinnen) en de veiligheidsaanbevelingen (S-zinnen).

Deze worden vervangen door nieuwe pictogrammen en door nieuwe gevarenaanduidingen (H-zinnen) en voorzorgmaatregelen (P-zinnen). De handhaving van GHS is geregeld in de Wet Milieubeheer.

WMS – OUDE ETIKETTERINGSREGELS

De ‘oude’ etiketteringsregels stonden in de Wet milieugevaarlijke stoffen (WMS). Deze wet is opgeheven.

OVERGANGSPERIODE

De GHS is sinds 2009 van kracht in Europa maar er geldt een overgangstermijn tot 2015 en na juni 2017 mogen er geen chemische producten met oude etiketten meer in de handel zijn.

  • Een gesimplificeerd overzicht van de oude en nieuwe pictogrammen is hieronder opgenomen.

    oud-nieuw-tabel

    N.B.: Het gaat hier om een weergave van de bestaande en nieuwe pictogrammen. Dit impliceert niet dat de bestaande indelingen van chemische stoffen en mengsels direct omgezet kunnen worden op basis van alleen het symbool. Daarvoor is een inhoudelijke beoordeling op basis van de EU-GHS criteria nodig. Zie ook Overzicht-WMS-naar-EUGHS.

    Ten opzichte van de oude etikettering zijn er in feite drie nieuwe pictogrammen

     uitroepteken
    Dit nieuwe pictogram wordt bijvoorbeeld gebruikt voor de gezondheidsgevaren van schadelijke of irriterende stoffen en mengsels.

     jomanda
    Dit nieuwe pictogram wordt bijvoorbeeld gebruikt voor gezondheidsgevaren van stoffen en mengsels die bijvoorbeeld (verdacht) kankerverwekkend, mutageen en/of giftig voor de voortplanting (reprotoxisch) zijn.

     gasfles
    Dit pictogram wordt gebruikt voor gassen onder druk.

Veiligheidsinformatie Laboratorium

Voor een adequate hulpverlening en onderhoudswerkzaamheden moeten gegevens bekend zijn ten aanzien van de aard van de werkzaamheden in het laboratorium en/of experimenteerruimte. Het formulier Veiligheidsinformatie Laboratorium/Experimenteerruimte moet zich aan de buitenzijde van het lab bevinden in het daarvoor bestemde bakje.

AFSLUITEN DEUREN LABORATORIA EN WERKPLAATSEN

  • Uitgebreide informatie

    Binnen de UT zijn diverse laboratorium ruimten (chemisch, fysische, biologische, werktuigbouwkundige, elektrotechnische) en werkplaatsen aanwezig. Medewerkers en studenten moeten er veilig kunnen werken en in relatie met het milieu wil de UT dat zo energie efficiënt mogelijk doen.
    Op grond van de Arbowet en de omgevingswet (wet milieubeheer) hebben de lab ruimtes en werkplaatsen allerlei technische voorzieningen. 

    Om aan de arbo-en milieu-eisen te voldoen dienen de deuren van de ruimte bij normaal gebruik gesloten te zijn. Open deuren ontregelen het beheersysteem waardoor een situatie kan ontstaan waarbij niet meer aan de veiligheidseisen wordt voldaan en er een mogelijk gevaar voor de aanwezige personen en/of omgeving kan ontstaan. Het bewust open laten staan van deuren wordt vanuit de arbowet als verwijtbaar gedrag aangemerkt waarvoor betrokken verantwoordelijk zijn. Tevens is er verlies aan energie daar het systeem tracht de ontregeling van de ventilatie te compenseren.

    Onderstaande aandachtspunten zijn van belang m.b.t. het sluiten van deuren van labs en werkplaatsen.

    Er is een minimale ventilatievoud voor het garanderen van de veiligheid van toepassing voor de bovengenoemde ruimte vanwege:

    • De gevaarlijke stoffen/gassen/stofdeeltjes die kunnen vrijkomen in de ruimte en eventueel buiten de ruimte;
    • Voorkomen van verspreiding van gevaarlijke stoffen/gassen/stofdeeltjes (bijvoorbeeld houtstof);
    • De biologische aspecten aan de ruimte (GGO en biologische agentia);
    • De temperatuur regeling in de ruimte;
    • De afstemming van de zuurkast afzuiging en de ruimte ventilatie;
    • ATEX (explosieveiligheid).

    Daarnaast is/kan er sprake zijn van:

    • Toegangsautorisatie in verband met de ARBO wet.;
    • Over of onderdruk in een ruimte van wege de ruimte classificatie;
    • Gevaarlijke werkzaamheden in het lab (denk aan lasers);
    • Wettelijke classificaties eisen van labs (bijvoorbeeld een GGO- of een radionucliden lab);

    In algemene zin:

    • Brandveiligheid is van belang. Gesloten ruimten beperken de snelle verspreiding van de rookontwikkeling bij een brand. Daarnaast bepalen drukverschillen in het gebouw ook de luchtstromen in het gebouw. Dit is van belang in geval van brand de verspreiding van rook. Wanneer deze drukverschillen verstoord zijn zorgt dat voor ongewenste effecten.
    • Eenieder die gebruik maakt van een lab of werkplaats dient zich aan de regel te houden om zichzelf, maar ook anderen, niet in gevaar te brengen. De direct leidinggevende dient hierop toe te zien en zo nodig aanvullende maatregelen te treffen om te waarborgen dat aan deze regeling wordt voldaan. De lokale VGM-contactpersonen [1] hebben een rol om toe te zien op naleving.  Uiteindelijk is de decaan eindverantwoordelijkheid voor de arbo- en milieuzaken binnen de eenheid.

    Bovenstaande punten maken duidelijk dat om hier invulling aan te geven de ruimte gesloten dient te zijn.

    [1] De termen VGMc en VGM-contactpersoon worden in de aanvullende notitie taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu (blz. 11 en 12) toegelicht (zie onder).

Opslag van gevaarlijke stoffen in laboratoria (GHS)

Verkorte versie van Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS 15): UT voorschriften voor opslag en omgaan met gevaarlijke stoffen en gasflessen gebaseerd op de PGS 15

  • Uitgebreide documentatie

    De PGS 15 geeft richtlijnen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen op het gebied van brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid. De richtlijn wordt door de overheid gehanteerd bij het verlenen van de omgevingsvergunning (milieuvergunning).

    De PGS 15 gaat uit van de vervoerswetgeving, het ADR dat Europees is vastgesteld. De PGS 15 is met name opgesteld voor magazijnen en industriële opslagvoorzieningen. De verpakkingen die hier gebruikt worden zijn ook de verpakkingen (en etiketten) die bij het vervoer van gevaarlijke stoffen worden gebruikt.

    De klassen waarop de PGS 15 van toepassing is zijn:

    Klasse 2

    spuitbussen en gasflessen

    Klasse 3

    Brandbare vloeistoffen

    Klasse 4.1

    Brandbare, zelfontledende vaste stoffen en ontplofbare vaste stoffen in niet explosieve toestand

    Klasse 4.2

    voor zelfontbranding vatbare stoffen

    Klasse 4.3

    stoffen die met water brandbare gassen ontwikkelen

    Klasse 5.1

    oxiderende stoffen

    Klasse 5.2

    organische peroxiden

    Klasse 6.1

    giftige stoffen

    Klasse 6.2, cat. 13 en 14

    ziekenhuisafval UN 3291 en diagnostische monsters UN 3373

    Klasse 8

    bijtende stoffen

    Klasse 9

    milieugevaarlijke stoffen (met uitzondering van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s)

    CMR stoffen

    Carcinogene, Mutagenen, Reprotoxische stoffen (categorie 1 en 2). De verdachte stoffen (categorie 3) zijn niet opgenomen

    Gevaarlijke afvalstoffen


    Door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen op de UT kunnen risico’s bestaan of ontstaan. Gevaarlijke stoffen zijn aanwezig op verschillende plaatsen. Denk aan werkvoorraden op of nabij de werkplek, restanten of afvalchemicaliën en opslag van grotere werkvoorraden en van producten in magazijnen.

    Wanneer de opslag van gevaarlijke stoffen niet aan de regels voldoet, kan er soms o.a. door één lekkende verpakking een keten van gebeurtenissen ontstaan, die leidt tot een calamiteit. Denk bijvoorbeeld aan een corrosieve stof, waarvan de verpakking lekt en die de verpakking van een andere stof aanvreet. Als dat een vluchtige en brandgevaarlijke vloeistof is, ontstaat er brand- en explosiegevaar. Mogelijk treden er ook reacties op tussen de beide stoffen, die weer tot extra gevaar kunnen leiden. Om die reden zijn er aan de opslag van gevaarlijke stoffen allerlei eisen gesteld, bijvoorbeeld het gebruik van lekbakken.

    Laboratoria op de UT kenmerken zich door de aanwezigheid van veel diverse soorten stoffen, veelal in beperkte volumina. De verpakkingsgrootte is maximaal 2,5 liter voor vloeistoffen in flessen tot 20 liter in vaten. Bij gebruiksverpakkingen is alleen het gebruiksetiket volgens het GHS te zien. Veel flessen vormen ook de werkvoorraad van het laboratorium. Daarnaast zijn er vaten voor het vaste en vloeibare gevaarlijke afval.

    Afhankelijk van de gevarenklasse moeten stoffen worden opgeslagen in een brandveiligheidskast, giftkast of zuur/base-kast. Algemene uitgangspunten voor de opslag van gevaarlijke stoffen zijn:

    • Giftige stoffen in een afsluitbare (chemicaliën)kast;
    • Zuren en basen - gescheiden - opgeslagen in lekbakken in geventileerde kasten;
    • Brandbare stoffen in geventileerde brandwerende kasten (die voldoen aan NEN –EN-14470-1: bij voorkeur 90 minuten brandwerend). Brandbare stoffen in de koelkast alleen als deze ‘explosieveilig' is uitgevoerd en het kleine hoeveelheden (< 100 ml) betreft die goed afgesloten zijn. Op de koelkast dient duidelijk te worden aangegeven of deze explosieveilig is uitgevoerd. Indien koelkast niet explosieveilig is uitgevoerd dient op de koelkast duidelijk te worden aangegeven dat de koelkast niet geschikt is voor het bewaren van brandbare stoffen. Zie voor nadere informatie: 
    • Informatie over (geventileerde) brandwerende koelkasten is te verkrijgen bij de VGMc.
    • Oxiderende stoffen alleen in kleine hoeveelheden bij andere stoffen (bijv. geconcentreerde zuren) en anders in aparte kasten;

    Met elkaar reagerende stoffen waarbij gevaarlijke gassen of dampen kunnen vrijkomen of gevaarlijke situaties zoals explosies of warmteontwikkeling kunnen ontstaan, moeten gecompartimenteerd worden opgeslagen. Raadpleeg het chemiekaartenboek of het veiligheidsinformatieblad van elke stof ten aanzien van mogelijke gevaarlijke combinaties van chemicaliën. Gezamenlijke opslag in één compartiment is verboden voor o.a. de volgende combinaties:

    • Zuren en logen;
    • Zuren en chloriet- en hypochlorietoplossingen;
    • Salpeterzuur bij mierezuur, azijnzuur of formaldehydeoplossingen;
    • Zuren en cyaniden;
    • Zuren en sulfiden.

    Deze stoffen moeten gescheiden worden opgeslagen in lekbakken in een daarvoor bestemde opslagvoorziening. Bij de opslag in brandveiligheidsopslagkasten moet er gezorgd worden voor een stoffenscheiding van onverenigbare combinaties. Dit kan plaatsvinden door het plaatsen van de verschillende categorieën stoffen in afzonderlijke lekbakken. Voor iedere te compartimenteren categorie moet er een lekbak aanwezig zijn.

    Onderstaande tabel geeft aan welke klassen gezamenlijk of gescheiden moeten worden opgeslagen. Van de tabel kan gemotiveerd worden afgeweken op basis van b.v. veiligheidsinformatiebladen of indien stoffen wel kunnen reageren maar in zulke beperkte concentratie aanwezig zijn dat geen reacties hoeven te worden verwacht met bijzondere gevaren.  

    Gevaar conform de klasse zonder

    bijkomend gevaar

     

    Klasse

    3

    Klasse

    5.1

     

    Klasse

    6.1

    + CMR

     

    Klasse

    8

     

    Klasse

    9

     

    Klasse 3 (brandbare vloeistoffen)

    -

    V

    B* of V

    B

    B

    Klasse 5.1 (oxiderende stoffen)

    V

    -

    B*

    B

    B

    Klasse 6.1 (giftige stoffen)

    CMR-stoffen

    B* of V

    B*

    -

    B*

    B*

    Klasse 8 (bijtende stoffen)

    B

    B

    B*

    B

    B

    Klasse 9 (alleen de milieugevaarlijke

    stoffen)

    B

    B

    B*

    B

    -

    Toelichting:

    V:            Opslag van te scheiden stoffen in aparte vakken. Indien geen aparte vakken kunnen worden gerealiseerd, moet opslag in een apart brandcompartiment plaatsvinden, m.a.w. een aparte opslagvoorziening.

    B:            Gescheiden opslag tenzij is beoordeeld dat de stoffen niet met elkaar reageren of dat beide stoffen als vaste stof zijn ingedeeld. Voor de beoordeling (B) wordt in principe uitgegaan van de informatie zoals die in de Veiligheidsinformatiebladen (VIB, SDS of MSDS) wordt vermeld;voor generieke producten kan ook gebruik worden gemaakt van informatie zoals vermeld in het Chemiekaartenboek.

    -:             Gescheiden opslag niet noodzakelijk.

    *:             Stoffen met acute toxiciteit of CMR-stoffen moeten in een apart brandcompartiment, of het vak waar deze stoffen zijn opgeslagen zodanig kenmerken dat de medewerkers zich extra bewust zijn van de gevaren. Voor de overige giftige stoffen is het gewenst om, waar mogelijk, vakscheiding aan te houden met stoffen van klasse 3.

    Een uitgebreid overzicht van gevaarlijke reacties bij combinaties van verschillende stoffen is opgenomen in bijlage 2 van de regeling afvoer bedrijfsafval en gevaarlijk afval UT.

    Op een afdeling moet de werkvoorraad zo klein mogelijk zijn maar mag deze bij voorkeur ten hoogste 1 kg of liter per m2 zijn of gelijk aan de voorraad die nodig is voor het verbruik van één dag of één batch”. De berekening van 1 kg of liter per m2 sluit aan bij de veiligheidsnormering bij brandgevaar. De werkvoorraad in een laboratorium is de hoeveelheid aan gevaarlijke stoffen die voor de uitvoering van de analyses en experimenten strikt noodzakelijk is, zoals de reagentia in de analysers en de reagensflessen voor bepalingen. Ook vanuit de arbowetgeving moet de hoeveelheid zo laag mogelijk gehouden worden en moeten maatregelen getroffen worden om blootstelling bij ongewenste gebeurtenissen te voorkomen. Plaats daarom ook de werkvoorraad van (brandbare) vloeistoffen op de laboratoriumtafel zo veel mogelijk in een lekbak. Berg de vaten en flessen aan het eind van de dag weer op in de daarvoor geschikte kast. Werkvoorraden zijn vaak te groot en blijven te lang staan. Zuurkasten mogen niet als opslagruimte voor werkvoorraden gebruikt worden. Afvalvaatjes die in gebruik zijn voor het verzamelen van gevaarlijk afval vallen niet onder een werkvoorraad: het zijn voornamelijk waterige oplossingen. Volle afvalvaten dienen zo snel mogelijk worden afgevoerd, wanneer dit niet mogelijk is vindt opslag plaats in een veiligheidskast. Wanneer gevaarlijk afval vervoerd wordt door de gangen en in de liften, dient dit in een lekbak op een kar vervoerd te worden

    Definitie en eisen aan een lekbak volgens PGS 15

    Een lekbak is een vloeistofdichte voorziening met beperkte opvangcapaciteit, waarvan de bodembeschermende werking door gericht toezicht en doelmatig ledigen wordt gewaarborgd. De lekbak moet zodanig zijn uitgevoerd dat deze bestand is tegen de inwerking van vloeistoffen die er boven worden opgeslagen. Er worden eisen gesteld aan b.v. de opvangcapaciteit en de bestandheid tegen de opgeslagen stoffen. Een lekbak moet een opvangcapaciteit hebben van tenminste 110 % van de inhoud van de grootste verpakkingseenheid, of indien dit groter is 10 % van de inhoud van alle opgeslagen stoffen. Door deze opvangcapaciteit kunnen calamiteiten niet worden voorkomen, maar de risico’s worden wel als aanvaardbaar geacht. Eventueel gelekte vloeistoffen moet uit de lekbak worden verwijderd.

    Rekenvoorbeeld lekbak

    De volgende verpakkingen zijn aanwezig: 10 vaten met  5 liter, 10 flessen van 2,5 liter en 25 flessen van 1 liter dus in totaal een opslag van 100 liter.

    110 % van de inhoud van de grootste verpakkingseenheid = 110 % van 5 liter = 5,5 liter.

    10 % van de inhoud van alle opgeslagen stoffen = 10 % van 100 liter = 10 liter. De opvangcapaciteit van de lekbak dient derhalve minimaal 10 liter te bedragen.

    De lekbak moet bestand zijn tegen de inwerking van vloeistoffen die worden opgeslagen. Er zijn b.v. kunststof en stalen lekbakken.

    Bij het gebruik en de opslag van gevaarlijke stoffen in de gebruikersverpakking wordt de opslag in (veiligheids)kasten op laboratoriumschaal bepaald door de GHS indeling, en niet volgens ADR. In onderstaande tabel is op basis van het gevaarssymbool van een stof en de H-zin(nen) de wijze van opslag binnen een laboratorium weergegeven.

    Wijze van opslag gevaarlijke stoffen UT

    Gevarenklassen 

    Gevaarssymbool

    H-zin(nen)

    Opslag

    Fysische gevaren 




    • Ontplofbare stoffen
    • Zelfontledende stoffen en mengsels
    • Organische peroxiden


    200

    201

    202

    203

    240

    241

    I.o.m. VGMc

    Ontplofbare stoffen (subklasse 1.4)

    204

    I.o.m. VGMc

    Ontvlambare gassen, aërosolen, vloeistoffen en vaste stoffen



    220

    222

    224

    225

    228

    Brandveiligheidskast

    Ontvlambare aërosolen en vloeistoffen

    223

    226

    Brandveiligheidskast

    • Pyrofore vaste en vloeistoffen.
    • Zelfontledende stoffen en mengsels
    • Voor zelfontbranding vatbare stoffen en mengsels
    • Stoffen en mengsels die in contact met water ontvlambare gassen ontwikkelen
    • Organische peroxiden

    250

    260

    261

    241

    242

    251

    252

    Brandveiligheidskast

    • Oxiderende gassen, vloeistoffen en vaste stoffen


    270

    271

    272

    Brandveiligheidskast

    Gassen onder druk


    280

    281

    Gasflessenkast

    Bijtend voor metalen

    290

    Zuur/base-kast


    Gezondheidsgevaren




    Acute toxiciteit

    300

    310

    330

    301

    311

    331

    Brandveiligheidskast

    Giftkast


    • Mutageen in geslachtscellen
    • Kankerverwekkend
    • Giftig voor de voortplanting
    • STOT (éénmalige en herhaalde blootstelling)
    • Sensibilisatie van de luchtwegen
    • Aspiratiegevaar


    340

    350

    360

    370

    372

    334

    304

    Brandveiligheidskast

    Giftkast


    • Mutageen in geslachtscellen
    • Kankerverwekkend
    • Giftig voor de voortplanting
    • STOT (éénmalige en herhaalde blootstelling)
    • Sensibilisatie van de luchtwegen

    341

    351

    361

    371

    373

    Brandveiligheidskast

    Giftkast


    Acute toxiciteit


    302

    312

    332

    Brandveiligheidskast

    Giftkast


    • Huidcorrosie
    • Ernstig oogletsel


    314

    318

    Zuur/base-kast

    • Huidirritatie
    • Oogirritatie
    • Huidsensibilisatie
    • STOT (éénmalige blootstelling)


    315

    317

    319

    335

    336

    Brandveiligheidskast

    Milieugevaren




    Gevaar voor het aquatisch milieu


    400

    410

    411

    Afhankelijk van evt. ander gevaarssymbool doch altijd in lekbak.

SAMENVATTING REGELS OPSLAG GEVAARLIJKE STOFFEN

  • Gevaarlijke stoffen verplicht opslaan in geschikte kast voor de betreffende gevaarscategorie.
  • Gevaarlijke stoffen die met elkaar gevaarlijke reacties kunnen aangaan, moeten gescheiden van elkaar worden opgeslagen. Gebruik geschikte aparte lekbakken.
  • Een werkvoorraad gevaarlijke stoffen mag alleen gedurende een werkdag buiten de opslagkast
  • Bij vervoer gevaarlijke stof (of afval) geschikt transport gebruiken: kar met lekbak en/of draagemmer
  • Opvangcapaciteit lekbak tenminste 110 % van de inhoud van de grootste verpakking of indien dit groter is 10 % van de inhoud van alle opgeslagen stoffen samen.
  • Lekbak moet bestand zijn tegen de inwerking van vloeistoffen die worden opgeslagen.

Werken met kankerverwekkende en reprotoxische stoffen (GHS)

Gebaseerd op de etikettering volgens het Globally Harmonized System (GHS).

Voor meer informatie over de regels voor etikettering zie: Overzicht oude en nieuwe pictogrammen gevaarlijke stoffen

  • Inleiding

    Stoffen die in staat zijn kanker bij de mens te veroorzaken of te bevorderen worden beschouwd als carcinogeen (kankerverwekkend). Dit kan gebeuren door een blootstelling aan een enkelvoudige (kankerverwekkende) stof of een (kankerverwekkend) mengsel.

    Bepaalde stoffen bedreigen niet de gezondheid van de medewerkers zelf, maar wel de mogelijkheid tot het verwekken tot nageslacht of de gezondheid van dat nageslacht. Deze stoffen worden mutageen of reprotoxisch genoemd. Deze stoffen worden vaak als volgt ingedeeld:

    • Effecten op de voortplantingsorganen (bijvoorbeeld aantasting hormoonhuishouding);
    • Effecten op voortplantingscellen (sperma- en/of eicellen) door mutaties in het DNA of aantasting van de chromosomen;
    • Effecten op het ongeboren kind in de baarmoeder. Deze stoffen worden ook wel teratogeen genoemd;

    Kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen zijn naast het gevaarssymbool:

    jomandate herkennen door de H-zin (gevarenaanduiding):

    • H340: Kan genetische schade veroorzaken;
    • H350: Kan kanker veroorzaken;
    • H360: Kan de vruchtbaarheid of het ongeboren kind schaden.

    jomandaDaarnaast zijn er stoffen waarvan het niet bewezen is dat ze kankerverwekkend, mutageen of reprotoxisch zijn maar deze stoffen zijn wel verdacht. Deze stoffen zijn te herkennen aan het zelfde gevaarssymbool maar hebben een andere H-zin:

    • H341: Verdacht van het veroorzaken van genetische schade;
    • H351: Verdacht van het veroorzaken van kanker;
    • H361: Kan mogelijk de vruchtbaarheid of het ongeboren kind schaden.

    Voor een overzicht van kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen zie: Lijst van kankerverwekkende, mutagene, en voor de voortplanting giftige stoffen | Externe bronnen | Arboportaal

    Reprotoxische stoffen (voor de voortplanting giftige stoffen) zijn hier opgenomen vanaf pagina 9

    Indien het zeker is óf indien het waarschijnlijk is dat een medewerker werkzaamheden gaat uitvoeren waarbij kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen betrokken zijn, moeten de richtlijnen – zoals beschreven in dit document - gevolgd worden. Voordat er sprake is van zwangerschap is de invloed van belastende factoren uit het werk op de vruchtbaarheid en het erfelijk materiaal van mannen en vrouwen van belang. De regeling ten aanzien van reprotoxische stoffen geldt dus niet alleen tijdens de zwangerschap of het geven van borstvoeding maar juist ook in de periode hieraan voorafgaand voor personen (man/vrouw) met een kinderwens.

  • Wetgeving

    Werkzaamheden met kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen mogen alleen onder randvoorwaarden uitgevoerd worden. Deze voorwaarden zijn zowel verwoord in de milieu- als ook in de arbeidsomstandighedenwetgeving.

    In het Arbobesluit, artikelen 4.2 en 4.13, wordt gesteld dat in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie op elke arbeidsplaats de mogelijke blootstelling aan kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen beoordeelt en, indien nodig, gemeten dient te worden om te bepalen waar en in welke mate medewerkers aan gevaarlijke stoffen kunnen worden blootgesteld.

    Naast de algemene registratieverplichting voor gevaarlijke stoffen (zie richtlijn werken met gevaarlijke stoffen) geldt voor kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen een aanvullende registratieplicht (zie onder uitvoeren RI&E).

    In een grote organisatie met veel vrouwen zijn altijd wel zwangere werkneemsters en werkneemsters in de periode van borstvoeding aanwezig. Werkgevers moeten beleid voeren ten aanzien van zwangerschap. Een werkgever moet het werk van een zwangere medewerkster en een medewerkster tijdens de borstvoeding van het kind zodanig organiseren dat dit geen gevaren met zich mee kan brengen voor haar eigen veiligheid en gezondheid en die van haar (ongeboren) kind. Zie hiervoor de UT-regeling werken tijdens Zwangerschap en Borstvoeding.

  • Implementatie op de UT


    Op de UT zijn de meeste kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen aanwezig bij technische faculteiten. De verantwoordelijkheid om op een juiste manier met deze stoffen (de regels en voorschriften hierin) om te gaan ligt bij de leidinggevende en de gebruikers van deze stoffen.

    Uitvoeren risico-inventarisatie en evaluatie (ri&e)

    De inventarisatie moet gericht zijn op de aard, de mate en de duur van de blootstellingvan de medewerker(s) aan (verdachte) kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen. Hierbij moet rekening worden gehouden met:

    1. Identiteit van de stof of het mengsel

    • Kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stof 
      registreer de chemische naam en Einecs-nummer (evt. CAS-nummer) en eventuele (wettelijke) grenswaarden van de stof en informatie over het al dan niet bestaan van een 'veilige waarde' .
    • Kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische mengsel of preparaat
      registreren van handelsnaam/namen, de chemische naam van deze kankerverwekkende component(en) en de gewichtpercentages van deze kankerverwerkende component(en).

    2. De aard en gevaren van de stof(fen) de gebruikte stoffen zijn in vaste, vloeibare of gasvormige toestand

    • m.b.t. vaste stoffen: makkelijke verspreiding mogelijk van poeders of kristallen;
    • m.b.t. vloeistof: is er kans op spatten, wordt er snel een damp gevormd;
    • m.b.t. gassen: zwaarte van het gas (in verhouding tot lucht), vorming nevels mogelijk

    3. Motivatie voor het noodzakelijk gebruik van de stof of het proces,

    aangevuld met een verklaring waarom vervanging van stof(fen) niet mogelijk is. Belangrijk is dat gemotiveerd wordt dat het vervangen van de kankerverwekkende, mutagene of reprotoxisch stof niet mogelijk is (geen alternatief aanwezig).

    4. De afdeling waar de stoffen zich bevinden of het proces zich afspeelt

    (naam, nummer van de ruimte(n) waar met stof(fen) wordt gewerkt en waar deze worden opgeslagen).

    5. De hoeveelheid van de stof die op jaarbasis aanwezig is voor gebruik en de frequentie van toepassing van het proces.

    6. De aard van de verrichte werkzaamheden

    • vinden de handelingen met de stof handmatig, geautomatiseerd of mechanisch plaats?
    • is er sprake van een open of gesloten systeem?

    7. De manier waarop blootstelling plaats kan vinden.

    Het gaat hierbij om blootstelling die plaats zou vinden wanneer geen beschermende maatregelen getroffen zouden worden (zogenaamde potentiële blootstelling).

    • nagaan of blootstelling plaats kan vinden door inademing van damp (aërosol) of nevel via de huid of via opname door de mond;
    • rekening houden met eventuele versterkende effecten die kunnen ontstaan bij blootstelling aan meerdere stoffen (bijvoorbeeld in combinatie met oplosmiddel, makkelijke opname via huid);
    • geïnventariseerd moet worden bij welke stappen in het werkproces zich welke calamiteiten voor kunnen doen.

    8. Aan de hand van de inventarisatie van het bovengenoemde punt, kunnen de (groepen) medewerkers aangeduid worden die in aanraking kunnen komen met de stoffen.

    Te denken valt aan: wetenschappelijk onderzoekers, studenten en technici. De namen van deze medewerkers dienen geregistreerd te worden.

    9. Plan van aanpak

    Geef aan welke maatregelen genomen worden ter voorkoming van blootstelling.

    • Als bronbestrijding redelijkerwijs niet haalbaar is: ventilatie, scheiding van mens en bron of in het uiterste geval toepassing van persoonlijke beschermingsmiddelen voor het beschermen tegen restrisico's.
    • Wat moet gedaan worden om calamiteiten (die in stap 7 onderkend zijn) te voorkomen.
  • Technische en organisatorische maatregelen

    Afbakenen van ruimte

    Werkzaamheden met kankerverwekkende, mutagenen en reprotoxische stoffen moeten plaatsvinden in een aparte werkruimte of op een aparte werkplek die gescheiden is van werkruimte(n) en werkplekken waar niet met kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen gewerkt wordt. Deze aparte plek dient duidelijk herkenbaar te zijn door het zichtbaar aanbrengen van waarschuwingssignalering (bijvoorbeeld "verboden voor onbevoegden"). Personen die niet in deze ruimte(n) werkzaam zijn, dienen zoweel mogelijk geweerd te worden. Eten en drinken in deze ruimten is uiteraard verboden.

    Etikettering, oplsag en afvoer

    Emballage met kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen moet altijd als zodanig herkenbaar zijn. Het etiket op de verpakking dient de volgende informatie te bevatten:

    Dit betekent dat ook flesjes, erlenmeyers en dergelijke voorzien moeten worden van een dergelijk etiket indien de inhoud na aanmaak of overgieten wordt bewaard (langer dan één dag). Voor werkoplossingen van één dag kan volstaan worden met de chemische naam van de gevaarlijke bestanddelen.

    De opslag van deze stoffen moet zodanig zijn dat deze overeenkomt met de milieuvergunning van de UT (conform PGS 15). Zie hiervoor de UT-richtlijn opslag van gevaarlijke stoffen in laboratoria.

    Binnen de UT bestaan uitgebreide regels met betrekking tot afvalverzameling en afvoer van gevaarlijke stoffen. Zie hiervoor de regeling afvoer bedrijfsafval en gevaarlijk afval UT.

    Bedrijfshulpverlening

    Met behulp van de bedrijfshulpverlening van het gebouw moet nagegaan worden of er een speciale calamiteitenprocedure opgezet moeten worden. Indien dit het geval is moet dit meegenomen worden in de voorlichting naar betrokken medewerkers en bedrijfshulpverleners.

    Medisch onderzoek

    Indien blootstelling aan kankerverwekkende stoffen mogelijk is en dit ook tot (waarneembare) gezondheidsrisico's kan leiden, is het nodig om de betreffende medewerker een arbeidsgezondheidskundig onderzoek (AGO) te laten ondergaan. Het onderzoek moet in ieder geval plaatsvinden voor de eerste maal dat de werkzaamheden met de kankerverwekkende stoffen worden verricht. Medewerkers die met kankerverwekkende stoffen werken kunnen op elk tijdstip kenbaar maken een vervolgonderzoek te willen ondergaan.

    Hoe het onderzoek moet plaatsvinden is geheel afhankelijk van de stof waarmee gewerkt wordt. Overleg dient hierover plaats te hebben met de Arbodienst (hier moet het onderzoek ook uitgevoerd worden). Gedacht kan worden aan het meten van de stof in bloed, urine of uitademingslucht. Aandachtspunten voor uitvoering AGO:

    • De Arbodienst moet op de hoogte zijn van de voorwaarden en omstandigheden van de blootstelling;
    • Er moet een medisch dossier opgesteld worden waarin ook het beroepsverleden van betrokken medewerker is vastgelegd;
    • De Arbodienst moet een persoonlijk gesprek met de medewerker kunnen voeren;
    • Indien dit noodzakelijk wordt geacht (zinvol is) kunnen metingen aan bloed, urine of uitademingslucht worden uitgevoerd.

    Voorlichting

    Medewerkers moeten op de hoogte gesteld worden van risico's die zij lopen door het werken met gevaarlijke stoffen. Hierbij moet de medewerker gewezen worden op:

    • de mogelijke gevaren voor de gezondheid als gevolg van blootstelling aan de stoffen en dampen waarmee gewerkt wordt;
    • aandacht is noodzakelijk voor vrouwen en mannen in de vruchtbare leeftijd wanneer gewerkt gaat worden met stoffen die schadelijk zijn voor de voortplanting; indien aanwezige stoffen schadelijk zijn voor het ongeboren kind moeten vrouwen in de vruchtbare leeftijd hierover direct geïnformeerd worden;
    • de bestaande regels, de inhoud en de betekenis van een periodiek te herhalen medisch (gezondheidskundig) onderzoek;
    • de regelgeving met betrekking tot kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen;
    • de veiligheids- en preventieve maatregelen die genomen zijn en de redenen waarom deze maatregelen genomen zijn;
    • de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen en de wijze waarop men de beschermingsmiddelen moet gebruiken en onderhouden.

    Persoonlijke beschermingsmiddelen

    Bij het werken met gevaarlijke stoffen is het dragen van een veiligheidsbril en een labjas verplicht. Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden (zie onder Uitvoeren RI&E) dienen daarnaast andere persoonlijke beschermingsmiddelen te worden gedragen. Zie hiervoor ook de richtlijn werken met persoonlijke beschermingsmiddelen.

  • Literatuur/verder lezen
    1. Arbo-informatieblad nummer 6: kankerverwekkende stoffen en processen (uitgever SDU)
    2. Arbo-informatieblad nummer 12: arbeid en zwangerschap (uitgever SDU)
    3. Arbobesluit, Hoofdstuk 4

Werken met gevaarlijke stoffen (GHS)

Op basis van de Arbowet is een werkgever verplicht een beleid te voeren dat risico’s voor de veiligheid en gezondheid voor de medewerkers zoveel mogelijk uitsluit. Dit geldt ook voor situaties waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt.

Met gevaarlijke (of toxische) stoffen worden bedoeld:

  • Enkelvoudige chemische verbindingen en elementen (b.v. tolueen, lood, zoutzuur);
  • Mengsels van gevarieerde samenstelling (b.v. benzine, verven);
  • Als verontreiniging vrijkomend mengsel waarvan de samenstelling niet altijd bekend is (b.v. lasrook, reactiemengsels, uitlaatgassen).
  • Wetgeving

    In het Arbobesluit zijn een aantal verplichtingen op het vlak van registratie, verpakking, aanduiding en verantwoorde opslag van gevaarlijke stoffen opgenomen. Ook andere wetgeving is hierbij van belang, zoals de Wet Milieubeheer (WM), de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren (WVO), de Bestrijdingsmiddelenwet en de etikettering volgens GHS.

    De wetgeving met betrekking tot kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen wordt beschreven in de UT-richtlijn “werken met kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen”.

    Risico-inventarisatie en evaluatie (ri&e) met betrekking tot de blootstelling

    Voor gevaarlijke stoffen op de werkplek zijn wettelijke bepalingen van kracht, die grotendeels zijn vastgelegd in hoofdstuk 4 van het Arbobesluit. Een belangrijk artikel is artikel 2 van dit hoofdstuk. Samengevat houdt dit artikel het volgende in:

    1. Indien medewerkers kans lopen op blootstelling aan stoffen die nadelig kunnen zijn voor de veiligheid en gezondheid, dan moet de werkgever een inventarisatie uitvoeren van de risico's waarbij rekening wordt gehouden met de aard, mate en duur van de blootstelling
    2. In deze inventarisatie moet in ieder geval worden beschreven om welke stoffen het gaat, in welke situaties blootstelling kan plaatsvinden en op welke wijze dit dan kan plaatsvinden.
    3. Daarnaast moet ook vastgesteld worden wat het blootstellingsniveau tijdens de werkzaamheden is.

    Registatie

    Om de aard van de blootstelling te kunnen beoordelen geldt voor de werkgever een verplichting om een register aan te leggen waarin de aanwezige gevaarlijke stoffen worden vermeld. Binnen de UT wordt hiervoor het GROS-systeem gebruikt. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval de stoffen die op grond van GHS in een van de gevaarscategorieën moeten worden ingedeeld (zie voor de gevaarscategorieën veilig opslaan van gevaarlijke stoffen in laboratoria). De verplichting geldt voor gevaarlijke stoffen ‘die met enige regelmaat’ en ‘uit aard van de bedrijvigheid’ in het bedrijf aanwezig zijn.

    Implementatie op de ut

    Op de UT zijn de gevaarlijke stoffen met name aanwezig in de gebouwen van de ‘technische’ faculteiten.

    Uitvoering ri&e

    De inventarisatie moet volgens de wettelijke normen gericht zijn op de aard, de mate en de duur van de blootstelling van de medewerker(s) aan gevaarlijke stoffen. Dit betekent voor de UT dat het vooral van belang is om te inventariseren ‘hoe’ en ‘aan welke stof of stoffen’ een blootstelling kan plaatsvinden. Hierbij moet rekening worden gehouden met:

    I Identiteit van de stof of het mengsel waarmee wordt gewerkt (in begin-, tussen- en eindfase)

    • Identiteit van de stof 
      Registreer de chemische naam en het CAS-nummer en eventuele grenswaarden van de stof (MAC). Indien van stoffen geen CAS-nummer bekend is (bijvoorbeeld nieuw gesynthetiseerde stoffen) kan volstaan worden met de chemische naam/structuurformule
    • Identiteit van het mengsel
      Registreer per component het percentage en het CAS-nummer

    II Gegevens over de risico’s van de stof of het mengsel. Informatiebronnen zijn:

    • GROS-systeem (Systeem op de UT voor registratie van gevaarlijke stoffen);
    • Veiligheidsinformatieblad van de leverancier. Een leverancier is verplicht om een veiligheidsinformatieblad te verstrekken. Dit veiligheidsinformatieblad dient op de werkplek aanwezig te zijn.
    • Veiligheidsinformatie is ook te raadplegen via het programma Chemfix (ChemWatch) of via het chemiekaartenboek of andere chemische literatuur;

    (Indien geen/ nauwelijks informatie over de stof aanwezig is, kan gekeken worden naar gelijksoortige stoffen waarvan wel gegevens bekend zijn) of kan de VGM geraadpleegd worden.

    III De aard van de verrichte werkzaamheden. De volgende mogelijkheden kunnen van toepassing zijn:

    1. Het proces verloopt in een gesloten systeem: Onder normale omstandigheden zal blootstelling niet plaatsvinden. Uitzonderingen zijn calamiteiten, opbouw en afbraak en onderhoud van het systeem. De blootstellingskans is normaliter gering.
    2. Het proces verloopt via een half gesloten systeem (bijvoorbeeld bad met deksel, zuurkast) en er is sprake van stoffen die niet verdampen, die geen stof vormen of die niet door de intacte huid kunnen worden opgenomen: De blootstellingskans is gering.
    3. Het proces verloopt via een half gesloten systeem en er is sprake van stoffen die bij 20 °C verdampen, die stof vormen of die door de intacte huid kunnen worden opgenomen: De blootstellingskans is matig.
    4. Het proces verloopt via een open systeem en er is sprake van stoffen die niet verdampen, die geen stof vormen of die niet via de intacte huid kunnen worden opgenomen: De blootstellingskans is gering.
    5. Het proces verloopt via een open systeem en er is sprake van stoffen die bij 20 °C verdampen, die stof vormen of die door de intacte huid kunnen worden opgenomen: De blootstellingskans is groot.

    IV De manier waarop blootstelling plaats kan vinden. Het gaat hierbij om blootstelling die plaats zou vinden wanneer geen beschermende maatregelen getroffen zouden worden (zogenaamde potentiële blootstelling).

    • beschrijven van de aard van de gebruikte stof(fen) en de daaraan gerelateerde gevaren in vaste, vloeibare of gasvormige toestand:
      • m.b.t. vaste stoffen: makkelijke verspreiding mogelijk van poeders of kristallen;
      • m.b.t. vloeistof: is er kans op spatten, wordt er snel een damp (aërosol) gevormd;
      • m.b.t. gassen: zwaarte van het gas (in verhouding tot lucht), vorming nevels
    • nagaan of blootstelling plaats kan vinden door inademing van damp (aërosol) of nevel via de huid of via opname door de mond;
    • rekening houden met eventuele versterkende effecten die kunnen ontstaan bij blootstelling aan meerdere stoffen (bijvoorbeeld in combinatie met oplosmiddel, makkelijke opname via huid); rekening houden met eventuele gevaarlijke omgevingsfactoren bij het onderzoek (werken bij hoge of lage temperatuur, werken met hoge drukken en dergelijke).
    • geïnventariseerd moet worden bij welke stappen in het werkproces zich welke calamiteiten voor kunnen doen; rekening houdend met de eigen opstelling, eventuele opstellingen in hetzelfde compartiment en andere omgevingsfactoren.

    V Informatie over gebruik van de stof of het mengsel (liters of microliters), de plaats van opslag, de kennis van de medewerkers die er mee werken.

    VI Aan de hand van de inventarisatie van het bovengenoemde punt, kunnen de (groepen) medewerkers aangeduid worden die risico lopen om blootgesteld te worden (te denken valt aan: wetenschappelijk onderzoekers, studenten en technici). 
    Indien de hoogte van de blootstelling niet goed is in te schatten, maar er wel kans is op schadelijke concentraties van een stof dan zou een omgevingsmeting noodzakelijk kunnen zijn. Neem hiervoor contact op met de VGM-coördinator.

    VII Plan van aanpak

    Geef aan welke maatregelen genomen worden ter voorkoming van blootstelling.

    • Als bronbestrijding redelijkerwijs niet haalbaar is: ventilatie, scheiding van mens en bron of in het uiterste geval toepassing van persoonlijke beschermingsmiddelen voor het beschermen tegen restrisico's. Geef aan welke organisatorische of technische maatregelen genomen moeten worden.
    • Wat moet gedaan worden om calamiteiten (die in stap IV onderkend zijn) te voorkomen.
  • Technische en organisatorische maatregelen

    ETIKETTERING, OPSLAG EN AFVOER

    Emballage met gevaarlijke stoffen moet als zodanig herkenbaar zijn. Het etiket op de verpakking dient de volgende informatie te bevatten:

    • Chemische naam van de gevaarlijke stoffen;
    • Eventuele gevarensymbolen en –benamingen;
    • H- en P- zinnen.

    Dit betekent dat ook flesjes, erlenmeyers en dergelijke voorzien moeten worden van een dergelijk etiket indien de inhoud na aanmaak of overgieten wordt bewaard (langer dan één dag). Voor werkoplossingen van één dag kan volstaan worden met de chemische naam van de gevaarlijke bestanddelen.

    De opslag van deze stoffen moet zodanig zijn dat deze overeenkomt met de milieuvergunning van de UT (conform PGS 15). Zie hiervoor de regeling opslag van gevaarlijke stoffen in laboratoria.

    Gemorste (afval) stoffen moeten direct opgeruimd worden. Gemorste resten van zowel organische oplosmiddelen, zuren en basen kunnen geabsorbeerd worden met een universeel absorptiemiddel (b.v. Chemizorb). Op alle laboratoria dient absorptiemiddel aanwezig te zijn.

    Binnen de UT bestaan uitgebreide regels met betrekking tot afvalverzameling en afvoer van gevaarlijke stoffen. Zie hiervoor de regeling afvoer bedrijfsafval en gevaarlijk afval UT. Naleving van deze regels is verplicht.

    BEDRIJFSHULPVERLENING

    In overleg met de bedrijfshulpverleningsorganisatie van het gebouw moet worden nagegaan of er een speciale calamiteitenprocedure opgezet moet worden. Indien dit het geval is moet dit meegenomen worden in de voorlichting naar betrokken medewerkers en bedrijfshulpverleners. In een aantal laboratoria wordt gewerkt met stoffen die, bij onbedoelde blootstelling of onbedoelde reacties, kunnen leiden tot acute vergiftigingsverschijnselen. Deze vergiftigingsverschijnselen kunnen mogelijk, indien niet adequaat en snel gehandeld wordt, de dood tot gevolg hebben. Voorbeeld van deze stoffen zijn o.a. cyanide-verbindingen en waterstoffluoride. Voor dergelijke stoffen is binnen de UT een EHBO-protocol opgesteld.

    MEDISCH ONDERZOEK

    Het nut van een medisch onderzoek gevaarlijke stoffen bij medewerkers in een laboratorium is omstreden. Indien blootstelling aan gevaarlijke stoffen mogelijk is en dit ook tot waarneembare gezondheidsrisico’s kan leiden, is het verplicht om de betreffende medewerker een arbeidsgezondheidskundig onderzoek (AGO) te laten ondergaan. Hoe het onderzoek moet plaatsvinden is geheel afhankelijk van de stof of stoffen waarmee gewerkt wordt. Overleg dient hierover plaats te hebben met de arbodienst (hier moet het onderzoek ook uitgevoerd worden). In de praktijk blijkt dat voor werknemers die werkzaam zijn in een laboratorium, het vaak lastig is om een gerichte AGO uit te voeren omdat medewerkers aan verschillende stoffen bloot staan. Bovendien zijn er niet veel stoffen waarvoor gevalideerde onderzoeksmethoden bestaan.

    Indien onderzoek zinvol is, kan gedacht worden aan het meten van de stof in bloed, urine of uitademingslucht. Aandachtspunten voor de uitvoering van een AGO zijn:

    • De arbodienst moet op de hoogte zijn van de voorwaarden en omstandigheden van de blootstelling;
    • Er moet een medisch dossier opgesteld worden waarin ook het beroepsverleden van betrokken medewerker is vastgelegd;
    • De arbodienst moet een persoonlijk gesprek met de medewerker kunnen voeren.

    VOORLICHTING

    Medewerkers, studenten en derden moeten op de hoogte gesteld worden van risico's die zij lopen door het werken met bepaalde stoffen. Hierbij moet betrokkene gewezen worden op:

    • De mogelijke gevaren voor de gezondheid als gevolg van blootstelling aan de stoffen en dampen waarmee gewerkt wordt;
    • De veiligheids- en preventieve maatregelen die genomen zijn en de redenen waarom deze maatregelen genomen zijn;
    • De ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen en de wijze waarop men de beschermingsmiddelen moet gebruiken en onderhouden;
    • Indien van toepassing: de bestaande regels, de inhoud en de betekenis van een periodiek te herhalen medisch (gezondheidskundig) onderzoek.

    PERSOONLIJKE BESCHERMINGSMIDDELEN

    Bij het werken met gevaarlijke stoffen is het dragen van een veiligheidsbril en een labjas verplicht. Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden (zie onder Uitvoeren RI&E) dienen daarnaast andere persoonlijke beschermingsmiddelen te worden gedragen. Zie hiervoor ook de richtlijn werken met persoonlijke beschermingsmiddelen.

  • Literatuur/verder lezen
    1. Arbo-informatieblad nummer 18: Laboratoria (uitgever SDU)
    2. Arbobesluit, Hoofdstuk 4
    3. Milieuvergunning Universiteit Twente

My favorites

About my favorites
Add your favorite apps to your bookmarks by using the favorite button

Please wait a moment...