Zie Laatste Nieuws

Rapport: Internet- en Internet of Things-vaardigheden anno 2021

Internetvaardigheden

In een recente vragenlijst onder de Nederlandse bevolking zijn internetvaardigheden en Internet-of-Things vaardigheden gemeten. De rapportage bevestigt het beeld wat we de afgelopen jaren zagen, namelijk dat operationele vaardigheden door een groot deel van de Nederlandse volwassen bevolking in voldoende mate worden beheerst. Het niveau van informatie-navigatievaardigheden blijft zorgelijk, en het zoeken, selecteren, verwerken en evalueren van informatie op internet lijkt nog steeds voor een groot deel van de bevolking beter te kunnen en moeten. De grote hoeveelheid en diversiteit aan informatie(bronnen) maakt deze vaardigheden erg belangrijk. Dit geldt zeker ook voor de kritische informatievaardigheidscomponenten, bijvoorbeeld het evalueren van informatie of het herkennen van nepnieuws.

Het niveau van communicatie-internetvaardigheden lijkt voor ruim 70% van de volwassen Nederlandse bevolking voldoende. Belangrijk, want het gebruik van sociale media en andere communicatiemiddelen is voor velen onderdeel van het dagelijks leven. Ook hier geldt dat de kritische vaardigheidscomponenten het minst ontwikkeld zijn. Denk aan het kunnen onderscheiden van gesponsorde en niet-gesponsorde informatie op een sociaal medium, begrijpen hoe berichten op sociale media worden gepresenteerd, of het kunnen inschatten welke impact een online bericht of foto kan hebben. Net als bij communicatie-internetvaardigheden is het belang van content creatie internetvaardigheden toegenomen. Het maken van attractieve en effectieve content, of dat nu in de vorm van tekst op een weblog is of in de vorm van een video op YouTube, is een belangrijk onderdeel van onze huidige samenleving. Degenen die hun meningen of creaties publiekelijk kunnen delen zijn medebepalend voor de inhoud en agenda van publieke discussies. Helaas is het percentage mensen dat deze vaardigheden voldoende beheerst met 27% laag.

Er is nog veel ruimte voor verbetering van de internetvaardigheden van de volwassen Nederlandse bevolking. Beleid kan zich ten eerste richten op de functionele componenten. Functionele vaardigheden zijn nodig voor het effectief gebruik van internet en gelden als een minimum om internet (op een veilige manier) te kunnen gebruiken. Vooral voor functionele communicatie en content creatie internetvaardigheden is weinig aandacht.

Kritische vaardigheden gaan over de ethische aspecten van internetgebruik, over het hebben van een kritische houding bij het interpreteren van online informatie en bij het gebruik van sociale media, over het herkennen en vermijden van scams en fake news, en over het begrijpen van economische en ideologische belangen die het ontwerp van internet(toepassingen) sturen. Slechts weinig mensen begrijpen hoe internet ‘werkt’ en hebben door welke mogelijke gevolgen bepaalde keuzes kunnen hebben. Ten tweede dienen in zowel onderzoek als beleid kritische vaardigheden maar aandacht te krijgen. Er is nog weinig bekend over hoe deze vaardigheden het beste kunnen worden aangeleerd (door verschillende groepen mensen). Daarnaast nemen ontwerpers niet altijd (bewust of onbewust) verantwoordelijkheid bij het creëren van inclusieve gebruikersvoorwaarden en ervaringen.

In dit rapport zijn niveauverschillen voor diverse achtergrondkenmerken gepresenteerd. Betreffende geslacht valt te concluderen dat de verschillen tussen mannen en vrouwen nog aanwezig zijn. Hierbij dient de kanttekening te worden gemaakt dat de cijfers in dit rapport op zelfinschattingen zijn gebaseerd waarvan we weten dat mannen significant hoger scoren dan vrouwen. Wel lijken de verschillen kleiner te worden. Een reden hiervoor is waarschijnlijk dat het aandeel hoogopgeleide vrouwen en mannen in Nederland nagenoeg gelijk is. Wat betreft leeftijd bevestigen de gepresenteerde cijfers dat jongeren beter presteren dan ouderen. Alle vaardigheden worden in de groep van 18 tot 30 jaar door de meeste mensen op voldoende niveau beheerst. Bij de 70-plussers is het percentage mensen dat internetvaardigheden voldoende beheert relatief laag. Ook bij de groep van 61 tot 70 is nog een grote slag te maken. De problemen die deze groepen met de inhoudelijk informatie, communicatie en content creatie vaardigheden ondervinden komen deels voort uit het gegeven dat operationele vaardigheden door hen minder goed worden beheerst, terwijl deze een voorwaarde zijn voor het presteren op inhoudelijke vaardigheden. In eerder onderzoek werd bijvoorbeeld geconstateerd dat wanneer senioren een voldoende niveau van operationele vaardigheden beheersen, zij beter scoren op informatie-navigatievaardigheden dan jongere internetgebruikers. Dit hangt waarschijnlijk samen met een kritischere houding, inzicht en levenservaring. De relatief hoge percentages bij de jongere groepen betekenen niet dat zij geen aandacht behoeven. Ook hier is nog veel ruimte voor verbetering, en laat onderzoek onder jongere internetgebruikers zien dat de verdeling van het niveau van internetvaardigheden bij hen erg groot is.

Uit de resultaten in dit rapport kunnen we concluderen dat voor alle internetvaardigheden geldt dat het niveau bij hoogopgeleiden aanzienlijk hoger is dan bij midden en laagopgeleiden. Dit betekent dat de toch al zwakkere positie van het laaggeschoolde deel van de bevolking onder druk staat. Zij werken dikwijls in banen waar ze in de praktijk beperkt internetvaardigheden ontwikkelen, terwijl deze ook voor hen steeds belangrijker zijn: Digitale inclusie is een voorwaarde voor burgerschap. Eenzelfde beeld zien we bij geletterdheid, of het kunnen lezen, schrijven en begrijpen van tekst en numerieke gegevens.

Geletterdheid is een primaire voorwaarde voor het presteren op internetvaardigheden. Dit betekent dat initiatieven om internetvaardigheden te verbeteren zich simultaan richten op het kunnen lezen, schrijven en begrijpen van tekst en numerieke gegevens. Het is echter nog onduidelijk wat de samenhang precies is en hoe de ene vorm van geletterdheid de andere versterkt.

Net als bij opleidingsniveau zijn de verschillen over drie inkomensgroepen aanzienlijk. Het percentage mensen met een voldoende niveau van alle vier de internetvaardigheden is het grootst bij de hogere-inkomensgroep. Uit onderzoek blijkt dat mensen met een hoog niveau van internetvaardigheden een zogenaamde skills premium verdienen hetgeen de verschillen verder vergroot. Wat werksituatie betreft doen mensen met een fulltimebaan en studenten het op alle vaardigheden beter, vooral in vergelijking met gepensioneerden, mensen met een handicap en huismannen/vrouwen.

Ten slotte is er gekeken naar de aanwezige hulp en naar de kwaliteit van hulp bij het internetten. Bij degene die hulp het hardst nodig hebben, zij met het laagste niveau van internetvaardigheden, geldt helaas dat er thuis minder hulp aanwezig is, en vooral ook dat de kwaliteit van de hulp lager is. Het blijft de vraag wat de precieze rol van de verkregen hulp is. In eerder onderzoek werd geconcludeerd dat de kwaliteit van de hulp die mensen krijgen ongelijk verdeeld is en past bij bestaande vormen van ongelijkheid. Met andere woorden, degenen die de meeste problemen ervaren bij het internetten zijn ook degene die het minst toegang hebben tot hoogwaardige ondersteuning.

Kwantitatieve evaluaties geven een indicatie welke factoren een rol spelen bij het verwerven en bezitten van internetvaardigheden. Een aanvulling met diepgaandere kwalitatieve analyses is noodzakelijk om de gevonden verschillen te kunnen interpreteren. Waarom speelt leeftijd bijvoorbeeld zo’n belangrijke rol? Heeft dit te maken met cognitieve beperkingen, met motorische problemen, met een gebrek aan individuele vaardigheid, met een gebrek aan ondersteuning vanuit de sociale omgeving of met een bepaalde socialisering die met culturele factoren te maken heeft? Voor doelgerichte beleidsvoering is een beter begrip nodig van wie in welke context bepaalde vaardigheden ontbeert. Dit betekent dat zowel kwantitatieve als kwalitatieve onderzoeken meer rekening houden met de context waarin iemand bepaalde vaardigheden nodig heeft. In veruit het meeste onderzoek ligt de nadruk vooral op het identificeren van socio-demografische en socio-economische variabelen (net als de huidige uiteenzetting), zonder de context in beschouwing te nemen om verklaringen te vinden voor gevonden verschillen.

Internet of Things-vaardigheden

Naast internetvaardigheid is er in dit rapport aandacht besteed aan Internet of Things-vaardigheden. Het IoT is een systeem waaraan iedereen – gewild of ongewild – deel van uitmaakt of zal gaan uitmaken. Gebruikers dienen in dit systeem om te kunnen gaan met een steeds groter wordende hoeveelheid (ambigue) data, met minder autonomie aangezien beslissingen worden genomen door het IoT, met een minder zichtbaar systeem en met grotere risico’s omtrent beveiliging en privacy. IoT-vaardigheden zijn zodoende een voorwaarde om IoT te gebruiken, ondanks de autonome werking. Uit een recente studie blijkt dat IoT-vaardigheden positief geassocieerd zijn met de intentie om slimme apparaten te gebruiken, maar ook met het gebruiksgemak van slimme apparaten en het gepercipieerd nut ervan.

De complexiteit van het IoT impliceert dat bepaalde vaardigheden belangrijker worden. De resultaten in dit rapport wijzen erop dat er nog een grote stap gemaakt moet worden om een samenleving te creëren die klaar is voor de invasie van slimme apparaten en de daaraan gekoppelde systemen. Gebruikers zijn onvoldoende uitgerust om de hoeveelheid informatie die wordt gegenereerd door IoT-apparaten te kunnen interpreteren, visualiseren of om er strategisch actie op te ondernemen. Het niveau van zowel operationele en data IoT-vaardigheden als van strategische IoT-vaardigheden is ondermaats en roept sterk de vraag op in welke mate de beheersing van deze vaardigheden haalbaar is voor verschillende groepen.

De verschillen in IoT-vaardigheden over geslacht, leeftijd, opleiding, inkomen en werksituatie zijn verder groot. Mannen, jongeren en mensen met hoger genoten opleidingen en hogere inkomens hebben een relatief hoog niveau van IoT-vaardigheden en zo meer kans om te profiteren van IoT-ontwikkelingen. In termen van ongelijkheid staan degenen in toch al bevoorrechte posities vooraan om hun positie verder te versterken door gebruik te maken van de vele mogelijkheden van IoT. Let wel, de resultaten in dit rapport duiden erop dat er ook bij bevoorrechte groepen genoeg ruimte voor verbetering is.

Bestaande en toekomstige verschillen in IoT-vaardigheden dienen te worden verkleind en het is tijd om IoT-vaardigheden mee te nemen in onderwijs en andere vormen van vaardigheidstraining.

Internetvaardigheden zijn een belangrijke voorwaarde voor de acceptatie en het gebruik van IoT en dragen positief bij aan het niveau van IoT-vaardigheden. Net als het gegeven dat traditionele geletterdheid (d.w.z. het lezen, schrijven en begrijpen van teksten en numerieke gegevens) belangrijk is voor het uitvoeren van internetvaardigheden, vergt het vaardig gebruik van IoT een voldoende niveau van internetvaardigheden.

Tot slot

Vaardigheden onderdeel van een groter proces van digitale inclusie. Zij spelen in dit proces een sleutelrol en maken het meedoen en profiteren van internet en IoT in tal van domeinen mogelijk. Dit betekent dat degene die worstelen met gebruik van internet of IoT steeds minder in staat zijn mee te draaien in de maatschappij. Net als internet is ook het IoT op deze manier in potentie een versterker van bestaande sociale ongelijkheid.

In een eerdere rapportage is beargumenteerd dat het startpunt bij beleid met als doel vaardigheden te verbeteren de verschillende uitkomstdomeinen zijn. Hierbij dient er zorg voor gedragen te worden dat de gekozen domeinen passen bij de doelen en wensen van (internet en IoT) gebruikers. Denk aan onderwijs gerelateerde uitkomsten (voor volwassenen en jongeren) door het creëren van een geïntegreerd curriculum waarin zowel traditionele geletterdheid als internetvaardigheden belangrijk zijn, of aan sociaal-culturele uitkomsten waarbij het gaat over integratie in de samenleving en het creëren van een digitaal bewustzijn dat elke individuele actie impact heeft op anderen.

Ten slotte wordt opgemerkt dat internetvaardigheden en IoT-vaardigheden in dit rapport als losse onderdelen worden beschouwd. De werkelijkheid is wat complexer. Internet, IoT (waarin Artificiële Intelligentie de drijfveer is) en andere platformen of technologieën zijn steeds meer in elkaar verweven en het is maar de vraag in hoeverre het straks nog mogelijk is de benodigde vaardigheden goed uit elkaar te kunnen trekken. Er zal wellicht steeds meer sprake zijn van een aantal generieke vaardigheden gecombineerd met specifiekere vaardigheden afhankelijk van techniek of platform (internet, data, media, IoT). In deze context is er sprake van zogenaamde ‘polymedia’ waarbij de werkelijkheid van de meeste mensen sterk gemedieerd is en er niet slechts het ene of het andere platform of technologie wordt gebruikt.

Lees het volledige rapport hier.