WIL JE MEER WETEN OVER DUURZAAMHEID OP DE UT?

De Universiteit Twente streeft ernaar om in 2030 CO2-neutraal te zijn en om in 2023 een reductie van 15% van de CO2-uitstoot te realiseren (ten opzichte van 2020). Sinds 2014 publiceert de UT jaarlijks een carbon footprint report. Het meest recente rapport vindt u hier, oudere rapporten vindt u onderaan deze pagina.

De CO2-footprint berekent de uitstoot van broeikasgassen als gevolg van de activiteiten van de universiteit en van de producten en diensten die zij verwerft. De UT berekent haar CO2 footprint sinds 2014 volgens het greenhouse gas protocol dat de uitstoot in drie scopes verdeelt, afhankelijk van de herkomst van de uitstoot. Een deel van de informatie die de UT volgens het GHG-protocol moet vastleggen, wordt hier gepubliceerd om het CO2-rapport beknopt en leesbaar te houden voor een breed publiek.


TOTALE CO2-UITSTOOT 2020

Factoren die de totale footprint Beïnvloeden

De CO2-uitstoot van de Universiteit Twente daalde van 28 Kton in 2019 naar 19 Kton in 2020. Dit is echter geen reprentatief getal, omdat de COVID-maatregelen een grote impact hadden op de normale gang van zaken, zowel op als buiten de campus. Zo reisden er na maar 2020 minder mensen van en naar de campus en vlogen UT’ers nauwelijks voor hun werk. Dit vertekent ook de percentages van emissies in vergelijking met eerdere jaren: zo daalde het totale gebruik van elektriciteit in 2020 ten opzichte van 2019, maar is het electriciteitsgebruik verantwoordelijk voor 63% van de totale CO2-footprint in 2020, vergeleken met 52% in 2019.

Doordat het aantal studenten en medewerkers van de Universiteit Twente groeit neemt ook het gebruik van gebouwen toe, wat weer effect heeft op de vraag naar elektriciteit, verwarming/koeling en luchtbevochtiging in labaratoria. In de eerste weken van de COVID-pandemie, toen de campus vrijwel volledig gesloten was, waren deze systemen uitgeschakeld, maar toen al snel het advies kwam om meer te ventileren leidde dat tot een groter electriciteitsverbruik. Veiligheid staat op de eerste plaats.

Het aandeel van mobiliteit in de CO2-footprint is 15%, waarvan 12% forensverkeer. Het aantal studenten en medewerkers en de manier wij op zij reizen heeft effect op dit aandeel. De manier waarop mensen voor hun werk reizen heeft normaal een groot effect op de CO2-footrpint, met name door vliegreizen, maar in 2020 was dit slechts 3%.

Externe emissies

Het percentage indirecte CO2-uitstoot door producten en diensten die de UT bij externe bedrijven inkoopt (scope 3 emissies) is in 2020 gestegen. Dit betekent niet dat deze bedrijven meer vervuilen dan in het verleden, maar slechts dat meer informatie beschikbaar is die voor deze berekening gebruikt kunnen worden. Doel is om steeds meer en gedetailleerdere informatie van onze externe partners te verkrijgen, zelfs als dit betekent dat de totale CO2-uitstoot van de UT op papier stijgt. Het is essentieel om inzicht te hebben in de impact van alle activiteiten van de UT om de juiste beslissingen te kunnen nemen om die impact te verlagen.

CO2 FOOTPRINT

De CO2 footprint is verdeeld in drie scopes. Deze zijn gerelateerd aan de directe en indirecte uitstoot van broeikasgassen als gevolg van activiteiten bij UT.

SCOPE 1 2020

Scope 1: directe emissies - dit zijn broeikasgasemissies als gevolg van het gasverbruik voor luchtbevochtiging en verwarming, het brandstofverbruik van voertuigen die eigendom zijn van UT en het bijvullen van airconditioningsystemen met koelmiddelen.

SCOPE 2 2020

Scope 2: indirecte emissies - dit zijn broeikasgasemissies van de opwekking van gekochte elektriciteit en stadsverwarming die door UT worden verbruikt.

SCOPE 3 2020

Scope 3: indirecte emissies - dit zijn broeikasgasemissies die indirect worden uitgestoten als gevolg van activiteiten van UT. Dit is inclusief zakenreizen, woon-werkverkeer, afval, emissies van gekochte producten en diensten en geproduceerd afval.

  • Gemaakte stappen

    Sinds 2005 maakt de UT deel uit van de Long Term Agreements on energy efficiency. De essentie van de afspraken is het realiseren van een vermindering van het energieverbruik met 30% in 15 jaar. 2020 was het laatste jaar van deze overeenkomst en de UT heeft de doelstelling ruimschoots gehaald. De aanpak is gericht op de Trias Energetica: het beperken van de vraag naar energie, het gebruik van duurzaam opgewekte energie en waar nodig, het zo efficiënt mogelijk gebruiken van energie die is opgewekt met fossiele brandstoffen. Op de pagina over energie initiatieven vindt u meer informatie over welke specifieke maatregelen zijn genomen. Ook informatie over de Energie Roadmap (ontwikkeld als onderdeel van het nationale klimaatakkoord) is daar te vinden.

    Overige initiatieven die zijn geïmplementeerd om de CO2-voetafdruk van de UT te verminderen zijn hier te vinden.

  • Veranderingen als gevolg van Corona

    De impact van de COVID-maatregelen kan het beste geanalyseerd worden aan de hand van het electriciteitsgebruik. Het gebruik van gas en stadsverwarming is meer gerelateerd aan de buitentemperatuur en luchtvochtigheid. Daardoor is het moeilijker om causuale verbanden met de maatregelen te vinden.

    Het electriciteitsgebruk op de UT is in 2020 gedaald ten opzichte van 2020. In april was het verbruik 32% lager dan een jaar eerder, maar over het hele jaar gezien was de afname 10%, doordat gebouwen later in het jaar weer (deels) in gebruik werden genomen. Ook de vereiste 24-uurs ventilatie gebruikte meer elektriciteit.

  • CO2 compensation

    De faculteit van het ITC heeft besloten om hun vliegreizen te compenseren met de Climate Neutral Group (CNG). De CO2-footprint van deze activiteit wordt berekend volgens de CNG-normen die afwijken van het GHG-protocol dat wordt gebruikt om de UT footprint te berekenen. De vluchten van ITC-personeel zijn verwijderd uit dit rapport. Het ITC heeft in 2020 352.07 ton CO2-uitstoot van hun zakelijke reizen gecompenseerd.

  • Aanvullende informatie met betrekking tot het GHG protocol

    Twee methodieken die veelvuldig worden toegepast om de CO2 footprint te berekenen zijn het GHG protocol en de ISO 14064 norm. Deze normen verzoeken om de volgende informatie te delen. Om het belangrijkste CO2 rapport beknopt en duidelijk te houden, wordt deze ondersteunende informatie alleen hier beschreven.

    Het GHG protocol is ontwikkeld door het World Resources Institute (WRI) en de World Business Council on Sustainable Development (WBCSD). Het protocol voorziet in normen en richtlijnen voor het opstellen van een broeikasgasinventarisaties. De principes die ten grondslag liggen aan dit protocol zijn: relevantie, volledigheid, consistentie, nauwkeurigheid en transparantie.

    Contact persoon UT voor de CO2 footprint: Brechje Maréchal

    Rapportageperiode: jaarlijks, laatste versie: 2020

    Basisjaar: 2014 (het eerste jaar dat de CO2 footprint rapportage werd uitgevoerd). Het basisjaar dat in de strategie Shaping 2030 wordt gebruikt is 2020.

    Organisatiegrenzen

    Alle gebouwen die de UT beheert zijn opgenomen in de organisatiegrenzen. Studentenhuisvesting en gebouwen die beheerd worden door externe bedrijven zijn niet inbegrepen; gebouwen die buiten de campus liggen, zoals het ITC faculteitsgebouw en het ITC-hotel, zijn wel inbegrepen. Bijlage I van het CO2 footprint rapport 2019 bevat een lijst van alle gebouwen die in de CO2 footprint zijn opgenomen.

    Operationele grens

    De operationele grens omvat de inventarisatie van de emissies die verband houden met alle activiteiten van de UT. Deze emissies worden gecategoriseerd als directe en indirecte emissies en verdeeld in scope 1, 2 en 3. Directe emissies zijn emissies van bronnen die door het bedrijf worden veroorzaakt. Indirecte emissies zijn emissies die niet op de campus plaatsvinden, maar een gevolg zijn van de activiteiten die de UT uitvoert.

    Scope 1: directe emissies - broeikasgasemissies als gevolg van gasverbruik voor luchtbevochtiging en verwarming, brandstofverbruik van voertuigen die eigendom zijn van de UT en het bijvullen van airconditioningsystemen met koelmiddelen.

    Scope 2: indirecte emissies - broeikasgasemissies als gevolg van de opwekking van elektriciteit die door UT wordt verbruikt.

    Scope 3: indirecte emissies - broeikasgasemissies als gevolg van de activiteiten van UT die niet onder de directe invloed van de UT vallen.

    Scope 3 is optioneel. De UT streeft ernaar zoveel mogelijk gegevens op te nemen die relevant zijn en waarover betrouwbare informatie kan worden verkregen.

    Het GHG protocol heeft verschillende categorieën scope 3-emissies die moeten worden beoordeeld:

    • Winning en productie van materialen en brandstoffen
    • Transportgerelateerde activiteiten
      • Transport van aangekochte materialen of goederen
      • Transport van aangekochte brandstoffen
      • Zakenreizen van werknemers
      • Woon-werkverkeer
      • Transport van afval
    • Elektriciteit gerelateerde activiteiten
      • Brandstof en brandstofverbruik dat niet onder de scope 1 en 2 valt
    • Geleasede goederen, het uitbesteden van activiteiten
    • Gebruik van verkochte producten en diensten
    • Afvalverwijdering
      • Verwijdering van afval dat bij de werkzaamheden is ontstaan
      • Verwijdering van afval dat ontstaat bij de productie van aangekochte materialen en brandstoffen
      • Verwijdering van verkochte producten aan het einde van hun levensduur

    Om te bepalen welke scope 3 categorieën relevant zijn, stelt het protocol voor om rekening te houden met emissies die 1. groot zijn ten opzichte van de scope 1 en 2 emissies, 2. bijdragen aan de strategie van de organisatie, 3. door belanghebbenden als kritisch worden beschouwd, 4. emissies zijn die door UT kunnen worden beïnvloed.

    De UT heeft besloten om zich te richten op de categorieën die ook in de UT strategie worden genoemd: water, afval, inkoop, mobiliteit: woon-werkverkeer en zakenreizen. Mobiliteit is een belangrijke broeikasgas producerende activiteit.

    De UT heeft veel contracten, groot en klein. Sommige leveranciers hebben alle CO2-data beschikbaar, andere nog niet. Het doel is om de input van alle leveranciers te verhogen. Door een completer overzicht te hebben laat het zien waar winst te behalen valt. Door scope 3 te vergroten wordt ook duidelijker wat de invloed is van de keuzes van medewerkers en studenten op scope 3 van de CO2 footprint. Het zal bijdragen aan het vergroten van het bewustzijn van ieders impact op de CO2 footprint.

    Lijst van scope 3 categorieën

    Voor 2019 werd informatie ontvangen van de volgende waardeketenpartners: het afvalverwerkingsbedrijf, bloemist, catering, chemicaliën, drukkerijen, elektriciteit, stadsverwarming, groenvoorzieningsbedrijven, hardware, infrastructuurwerken, onderhoudsinstallaties, kantoorartikelen (papier), koelvloeistoffen, hotel/vergaderlocaties, onderhoudswerkzaamheden, uitzendbureau, openbaar vervoer, reisbureau, gehuurd vervoer, wasserette en de verhuisbedrijven. Ook gegevens over het woon-werkverkeer en de werkverplaatsingen zijn opgenomen.

    De gegevens die door de verschillende bedrijven worden aangeleverd, variëren. Sommige leveranciers hebben geen kwantitatieve gegevens, maar nemen wel maatregelen om hun CO2-voetafdruk te verminderen en delen een certificaat. Zo heeft bloemist Thuys het Certificaat voor Duurzame Bloemist (zilver) ontvangen. De UT wil de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van deze gegevens vergroten door dit als criterium op te nemen in haar aanbestedingsprocessen. Deze bedrijven hebben alle gegevens aan de UT verstrekt.

    Het transport van ingekochte goederen en diensten zijn nu opgenomen in hun integrale CO2 rapportage, terwijl in voorgaande jaren de broeikasgasemissies van het transport en de leveringen aan de universiteit afzonderlijk werden ingeschat. Vanaf 2019 wordt dit dus niet meer apart aangegeven.

    De transportgegevens voor het woon-werkverkeer zijn afkomstig uit een onderzoek dat de UT in 2011 heeft uitgevoerd. We streven ernaar deze gegevens dit jaar te actualiseren om een nauwkeuriger cijfer in de CO2 footprint van 2020 te kunnen opnemen. Vanwege de coronamaatregelen omtrent thuiswerken moet deze update mogelijk worden uitgesteld totdat de woon-werkverkeersbewegingen zijn genormaliseerd. Zakelijke reisgegevens worden verstrekt door het reisbureau dat alle vluchten boekt. Er lijkt een verschil te zijn in de berekening van de CO2 uitstoot tussen bedrijven en dit zal verder worden geanalyseerd in de volgende CO2 footprint rapportages.

    Geleasede goederen zijn niet opgenomen in de CO2 footprint van 2019.

    Kwantificeringsmethoden

    De kwantificering van de scope 1 emissies komt van de energiemeters van de UT gebouwen en van de gasleverancier, de koelvloeistofleverancier. Voor het brandstofverbruik van de eigen voertuigen van de UT is het benzineverbruik geregistreerd. De details van de scope 2 emissies zijn afkomstig van de energiemeters van de UT gebouwen, aangevuld met de elektriciteits- en stadsverwarmingsbedrijven. Deze gegevens zijn zeer nauwkeurig en betrouwbaar.

    De kwantificering van de scope 3 emissies is afhankelijk van de door het desbetreffende bedrijf gebruikte methodologie. De gebruikte emissiefactoren zijn ontleend aan deze lijst van standaard emissiefactoren. Voor het treinverkeer wordt gebruik gemaakt van de gegevens van de NS, voor het woon-werkverkeer worden de gegevens uit de enquête 2011 over het woon-werkverkeer gecorrigeerd voor de toename van het aantal studenten en medewerkers. De gegevens over het woon-werkverkeer moeten worden geactualiseerd, maar voor 2019 is het gebruik van de beschikbare cijfers, gecorrigeerd voor de toename van het aantal studenten en personeelsleden, dit was de beste beschikbare optie.

    Veranderingen ten opzichte van voorgaande jaren

    De Nederlandse elektriciteitsmix is in 2017 veranderd. De verbruikte energie nam weliswaar niet toe, maar de emissies die daarmee samenhangen wel. Landelijke cijfers worden gebruikt als referentiecijfers voor de berekening van de emissies en liggen dus buiten onze controle.

    De gebruikte stadsverwarming van 2014 tot 2018 werd beschouwd als ~ 50% CO2 neutraal (gezien de warmte afkomstig was van de verbranding van afval). Vanaf 2018 wordt de aan de UT geleverde stadsverwarming als 100% CO2 neutraal beschouwd omdat deze afkomstig is van de biomassa-installatie.

    Referentiedocumenten

    Emissiefactoren

    Greenhouse gas protocol

    ISO 14064 norm

 

DOWNLOADS