Reactie van/aan de Raad

UR 11-353 Onderhandelingsstandpunt CvB RoUTe'14+


Naar aanleiding van de twee onderhandelingsgesprekken die de voorzitter van het College van Bestuur met een delegatie van uw raad de afgelopen week heeft gehad, vindt u in de voorliggende brief het standpunt van het College van Bestuur betreffende vier dossiers die de URaad als voorgenomen besluit ter instemming dan wel advies zijn voorgelegd:

1.Reorganisatieplan RoUTe’14+;

2.University College;

3.Twents onderwijsmodel;

4.Begroting 2012.


Inleiding

Vrijdag 9 december is het hoofdlijnenakkoord tussen de VSNU en het ministerie van OCW definitief vastgesteld. Dit is u inmiddels ook toegezonden. In dit akkoord zijn afspraken gemaakt om het universitair onderwijs en onderzoek toekomstbestendig te maken. De afspraken hebben betrekking op een aantal belangrijke opgaven voor de komende periode:


- Het verbeteren van de kwaliteit en de prestaties van het onderwijs, door verhoging van het rendement van het onderwijs, vermindering van uitval en investeren in onderwijsintensiteit, docentkwaliteit en excellentie.

- Verdergaande differentiatie van het onderwijs qua niveau en inhoud en herordening van het opleidingenaanbod. Meer brede bachelors en een masteraanbod met meer profiel.

- Voortgaande profilering en zwaartepuntvorming in het onderzoek om de internationale positie en de wetenschappelijke en maatschappelijke impact van het onderzoek te versterken.

- Meer aandacht voor kennisvalorisatie, door kennis beschikbaar te maken voor economische of maatschappelijke benutting en te vertalen in producten, diensten, processen en nieuwe bedrijvigheid.

- Indirecte kosten: in de prestatieafspraken wordt aangegeven wat de ambitie van elke universiteit is op het gebied van reductie van indirecte kosten en welke maatregelen de universiteit daartoe neemt.

- Instellingsaccreditatie: alle universiteiten zorgen dat ze uiterlijk 2015 de instellingstoets kwaliteitszorg van de NVAO met positief resultaat hebben doorlopen.


In het akkoord is ook een financieel kader aangegeven. Hierin is aangegeven dat de intensiveringsmiddelen (‘Veermanmiddelen’) worden toegekend als voorwaardelijke financiering. Deze middelen worden vanaf 2017 alleen gecontinueerd als we als universiteit de afgesproken prestaties hebben gerealiseerd. Hierbij gaat het om kwaliteit en excellentie, studiesucces (rendement en uitval) en maatregelen op het gebied van docentkwaliteit en onderwijsintensiteit.


De afspraken op het gebied van profilering en valorisatie worden niet meegenomen in de voorwaardelijke financiering. Wel zijn er voor onderwijsprofilering selectief te verdelen middelen beschikbaar. Die worden in 2013 selectief toegewezen op basis van plannen van de instellingen voor de periode 2013-2016, na advisering door een reviewcommissie. Deze commissie toetst de plannen op realisme en ambitie op basis van een referentiekader dat begin 2012 definitief zal worden vastgesteld.


Het Hoofdlijnenakkoord maakt nog eens de noodzaak van het pakket aan maatregelen van onze RoUTe’14+ strategie duidelijk. Om in aanmerking te komen voor de voorwaardelijke en selectieve financiering zullen we met name onze rendementen drastisch moeten verhogen en ons profiel verder aanscherpen. Niets doen betekent een verlies van een substantieel deel van de rijksbekostiging.


Strategie Universiteit Twente

Al eerder hadden wij met elkaar de strategie RoUTe’14 vastgesteld. In deze strategie hebben wij uitgaande van onze inhoudelijke sterktes onze ambities geformuleerd. Bij het aantreden van het huidige kabinet is een aantal maatregelen aangekondigd en inmiddels geïmplementeerd (onder andere langstudeerdersmaatregel, afbouwen FES-gelden, introductie voorwaardelijke financiering) die ons enerzijds bevestigden in de eerdere strategische keuzen en ons anderzijds noopten tot versnelde (aangescherpte) invoering van deze strategie. Dit is uitgemond in een aangescherpte strategie RoUTe’14+, waarmee u op de meeste punten in juni 2011 hebt ingestemd. Met Route’14+ voldoen wij aan de voorwaarden ten aanzien van profilering en prestatieverhoging die de overheid ons stelt. Het doorvoeren van onze strategie is van cruciaal belang voor het in aanmerking komen voor specifieke overheidsfinanciering, en voor de continuering daarvan na 2017.

Het College is vervolgens als afgeleide van deze strategie, met uw instemming, voortvarend verder gegaan met een aantal dossiers, waarvan er nu een aantal bij de URaad ter instemming is voorgelegd (Reorganisatieplan RoUTe’14+, University College en het Twents onderwijsmodel). De financiële gevolgen van deze plannen zijn verwerkt in de begroting 2012, die inmiddels ook ter advies bij de URaad voorligt.


In de tussentijd zijn er naar aanleiding van de diverse plannen vele signalen aan het College van Bestuur gegeven, door de URaad, door de Faculteitsraden, maar ook door een groep hoogleraren uit onze universiteit. Het College heeft bij alle faculteiten de plannen voor de reorganisatie gepresenteerd. Daarnaast heeft het College bij een aantal faculteitsraden nog eens aanvullend een toelichting gegeven op het reorganisatieplan en op de totstandkoming van de beoordeling van onderzoeksgroepen. Dit laatste is door de rector ook bij de URaad gedaan.

Er zijn inmiddels diverse ontwerpbijeenkomsten met opleidingsdirecteuren geweest voor het nieuwe onderwijsmodel. De URaad is frequent bijgepraat over het initiatief van een University College. En inmiddels is er ook een positief besluit ontvangen van het ministerie van OCW over de macrodoelmatigheidstoets van het University College.


In de intensieve gesprekken met diverse geledingen in de organisatie heeft het College goed kennis genomen van de bezwaren en zorgpunten die leven binnen de organisatie. Op een aantal punten heeft het College hierbij bij haar nadere keuzen rekening gehouden. Het moge echter duidelijk zijn dat gegeven de voorwaardelijkheid van financiering en de forse bezuinigingen, niets doen geen optie is. Het College van Bestuur wil in geen geval het mislopen van financiering binnenkort of in 2017 voor haar rekening nemen. Realisatie van onze plannen is voor de UT een forse opgave, die veel van de financiële en organisatorische spankracht van de organisatie vraagt; het is echter geen onmogelijke opgave. De conclusie van het College van Bestuur is dat de Universiteit Twente in staat is om de betreffende plannen op verantwoorde wijze in te voeren om daarmee zowel het onderwijs als het onderzoek toekomstbestendig te maken. Zoals besproken wordt daarbij de komende tijd een aantal ‘toetsmomenten’ ingebouwd om telkenmale te beoordelen of voortgaan op de ingeslagen weg en in het voorgenomen tempo nog steeds verantwoord is.


Dat neemt niet weg dat het College van Bestuur bereid is om daarenboven een aantal zorgpunten over het te voeren beleid weg te nemen. Hierna volgt per dossier een weergave van de standpunten van het College en van de grenzen van het beleid.


Reorganisatieplan RoUTe’14+:
Het College van Bestuur is van mening dat er nu tempo gemaakt moet worden met de reorganisatie. Het signaal is duidelijk dat medewerkers willen weten waar zij aan toe zijn. Het standpunt van het College van Bestuur is dat het voorliggende reorganisatieplan wordt gehandhaafd. Gestreefd wordt naar besluitvorming eind december 2011. Hierna worden de standpunten van het College weergegeven


In gesprek met de faculteitsraden GW en MB:

Het door de URaad gedane verzoek om de faculteitsraden van de gammafaculteiten Gedragswetenschappen (GW) en Management en Bestuur (MB) nog de gelegenheid te geven om met het College van Bestuur te overleggen over aanpassing van het reorganisatieplan wordt van de hand gewezen. De vertraging en onduidelijkheid die dit oplevert vindt het College niet aanvaardbaar. De scenario’s in het reorganisatieplan zijn door decanen en wetenschappelijk directeuren weloverwogen gekozen en uitgewerkt. Bovendien laat de financiële situatie binnen deze faculteiten geen uitstel toe. Wel is het College bereid om de komende weken met deze raden nog eens in gesprek te gaan om een en ander toe te lichten en verder draagvlak te verwerven. Uiteraard kunnen Decaan en Faculteitsraad in de uitvoering eventuele bescheiden aanpassingen binnen de kaders van het reorganisatieplan bespreken en doorvoeren.

Onderscheid technische en niet-technische faculteiten niet aan de orde:

Het standpunt van het College betekent ook dat het reorganisatieplan voor alle eenheden blijft staan en dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen de bèta- en de gammafaculteiten, zoals de URaad heeft verzocht. Wel is het zo dat voor twee van de drie technische faculteiten geen sprake (meer) is van gedwongen ontslagen. In totaal spreken we nu van 16 medewerkers die met ontslag zijn bedreigd, waarvan de meerderheid bij de faculteit MB en GW en een aantal bij CTW (Construerende Technische Wetenschappen). Op deze medewerkers en hun eventuele remplaçanten is het sociaal plan van toepassing.


Trekkingsrechten arbeidsvoorwaardengelden OPUT alleen voor met ontslag bedreigden:

Met het OPUT is een onderhandelaarsakkoord tot stand gekomen voor een sociaal plan. Dit akkoord staat en het College van Bestuur houdt zich daaraan. In dit sociaal plan is een regeling opgenomen voor de medewerkers van wie de functie wordt opgeheven en die met ontslag bedreigd zijn. Het College is van mening dat de arbeidsvoorwaardengelden van het OPUT, die bedoeld zijn voor begeleiding van werk-naar-werk, alleen van toepassing moeten zijn voor de groep medewerkers die met ontslag bedreigd zijn en voor hun remplaçanten.

Medewerkers waarvan de functie wordt opgeheven zodra zij met pensioen gaan (natuurlijk verloop) en die aangeven eerder uit dienst te willen treden, maken hierover afzonderlijke afspraken met hun leidinggevende. Zij kunnen geen aanspraak doen op de arbeidsvoorwaardengelden van het OPUT. Dit geldt ook voor medewerkers die vooruitlopend op hun vertrek nog enige tijd ingezet worden voor andere activiteiten, zoals de uitwerking van het onderwijsmodel.


Leerstoelenplan:

De URaad heeft het College van Bestuur verzocht de Decanen te vragen voor de zomer 2012 een op de nieuwe situatie aangepast leerstoelenplan op te stellen en met hun Faculteitsraden te bespreken. Het College stemt met dit verzoek in en heeft e.e.a.  in het UMT van 8 december als zodanig met de Decanen afgesproken.


Middelen terug in het primaire proces:
Het College van Bestuur begrijpt dat het korten op de promotiepremies een gevoelige snaar raakt bij de onderzoeksgroepen.  Het is echter ook belangrijk dat er ruimte blijft om te kunnen investeren, onder meer om, juist bij het wegvallen van financiering uit Den Haag, te kunnen inspelen op nieuwe kansen en (financiële) mogelijkheden.  

Echter, gehoord de bezwaren is het College bereid – in samenhang met het gehele pakket aan maatregelen - de korting op de promotiepremies in te trekken. Echter wel met de uitdrukkelijke toevoeging dat voor de jaren na 2012 ruimte moet worden gevonden om weer te kunnen investeren, mede om alternatieve financiering (EU, provincie, derden) aan te trekken (matching). Deze ruimte zouden we vooral willen halen uit de vermindering van overhead door het samenvoegen van organisatieonderdelen en uit het kritisch beoordelen van centrale middelen (USow en USoz) waarvan zaken kunnen worden stopgezet dan wel de financiering via de faculteiten te laten verlopen in plaats van vanuit de centrale middelen. Dit voornemen is op 8 december jl. besproken met het UMT, dat met alle voorgaande facetten van het voorstel heeft ingestemd. Het College hoopt dat ook de URaad zich hier in kan vinden, zoals gezegd, als onderdeel van een geheel pakket


De URaad geeft aan moeite te hebben met de vermindering van de onderwijsmiddelen.  Het College van Bestuur is bereid de geoormerkte “Veermanmiddelen” weer in het onderwijs terug te laten vloeien. Op deze middelen kan de UT echter alleen aanspraak maken wanneer voldaan wordt aan de prestatieafspraken (verhoging kwaliteit en rendement) met OCW.

De geoormerkte Veermanmiddelen zouden dan ook eerst weer in het primaire proces van het onderwijs kunnen terugvloeien na het tot stand komen van zo’n afspraak en onder voorbehoud van de hoogte en van de werkelijke uitbetaling.

Het terugvloeien van de middelen kan dus alleen gebeuren indien:

1.Het CvB en de UR een akkoord bereiken over de korte termijn maatregelen om tot hogere studierendementen te komen, langstudeerders te voorkomen etc. (BSA etc.) Dit volgt in de februaricyclus én;

2.De UR instemt met de, door het CvB voorgestelde, lange termijn maatregelen, zijnde het kader van het Twentse Onderwijsmodel: clustering opleidingen, kwartielen bestaande uit 15 EC-modules, mate van uniformiteit (ter voorkoming problemen Osiris, eenduidige marketing), met een mate van vrijheid voor clusters om ook zelf in te kleuren (zie hierna Twente Onderwijsmodel)


University College:

Het College van Bestuur ziet het University College als een aanjager voor de rest van ons onderwijs. Het is een profilerend element in onze organisatie en het biedt talentvolle studenten een uitgelezen kans om hun talenten te benutten en verder te ontwikkelen. De positieve macrodoelmatigheidstoets geeft aan dat een dergelijk University College bij de UT een aanvulling is op het onderwijsaanbod in Nederland. Het CvB wil dit initiatief dan ook verder ontwikkelen en realiseren vanaf september 2013.

Het CvB begrijpt ook een aantal zorgen dat de URaad heeft geuit en wil hieraan tegemoet komen. Dat wil zeggen dat er met de URaad op een aantal cruciale momenten wordt besproken of het University College wel of niet moet starten en/of moet doorgaan. Dit zijn de volgende momenten: zomer 2012 (n.a.v. accreditatierapport NVAO), mei 2013 (beoordelen of er voldoende instroom is) en eind 2015/begin 2016 (evaluatie eerste jaren).


Twents onderwijsmodel: 

In het voorgaande onderhandelingsgesprek heeft de URaad aangegeven de gedachten van de clustering (waarmee verbreding in het keuzepalet), en de kwartielen met specifieke thema’s aanbevelenswaardig te vinden. Het belangrijkste bezwaar dat de URaad uitte tegen het nieuwe onderwijsmodel was het generiek voor alle opleidingen toepassen van het vaste aantal van 15 EC voor een module. Hierover is ook binnen het UMT van 8 december jl. uitvoerig gesproken. Het standpunt van zowel het CvB als het gehele UMT is dat het hanteren van een module van 15 EC voor alle opleidingen juist een essentieel criterium is dat we niet kunnen verlaten. Dat zou alle voordelen en winst die we met dit model kunnen behalen te niet doen. Dit is dus een hard en vaststaand gegeven. Daar staat echter het volgende tegenover:

-De ontwerpteams voor de verschillende opleidingen en modules krijgen een ontwerpopdracht voor een module, waarin naast die 15 EC als kader ook een kader wordt gegeven om te kijken naar:

omaximale flexibiliteit,

onaar compensatiemogelijkheden van behaalde cijfers binnen de module,

onaar een herkansingsmogelijkheid aan het eind van de module.

-Voor studenten met functiebeperkingen zullen uiteraard specifieke oplossingen worden gezocht.

-Er zijn gesprekken met de Student Union over hoe activisme kan worden ingepast in het nieuwe onderwijsmodel.

-We spreken met de URaad momenten af in het ontwerptraject, waarop er kan worden besloten om bijvoorbeeld een bepaald cluster van opleidingen niet in 2013 maar in 2014 te laten starten.

-Voor wat betreft de kosten stelt het CvB een financieel kader per module vast. Indien het Twents Onderwijsmodel binnen deze kaders niet op een goede manier kan worden vorm gegeven, is dat een moment voor heroverweging.

-Als in algemene zin de ontwerpopdracht binnen de randvoorwaarden niet haalbaar blijkt geeft dit eveneens een moment van (her)overweging.


Korte termijnmaatregelen

Naast deze lange termijnmaatregel wil het CvB met de URaad ook een akkoord bereiken over de korte termijn maatregelen om tot hogere studierendementen te komen, langstudeerders te voorkomen etc. (BSA etc.). Dit volgt in de februaricyclus in 2012.


Begroting:

De belangrijkste elementen die betrekking hebben op de begroting zijn al eerder in de voorliggende brief aan de orde gesteld (promotiepremies, onderwijsmiddelen). Daarmee wordt de vrije herinvesteringsruimte (à M€ 4) direct in het primair proces ingezet. Daarmee heeft het College van Bestuur de UR een substantiële handreiking gedaan. De in de begroting opgenomen inzet van extra middelen voor MIRA en voor het University College (à M€ 1 in totaal) willen wij echter vasthouden in de begroting.

Daarnaast heeft de URaad gepleit voor meer zeggenschap voor opleidingsdirecteuren, ook budgettair gezien. Deze wens vormt, net als de opmerkingen van de UR over de systematiek van de toewijzing van onderzoeksmiddelen aan groepen, onderdeel van de komende discussie over governance. De UR wordt daar in een vroeg stadium bij betrokken. Het College heeft overigens begrip voor de wensen van de UR op dit punt.  


Tot slot

Het College van Bestuur meent met het hele pakket aan maatregelen binnen Route’14+, mede in het licht van het Hoofdlijnenakkoord, de toekomst van de Universiteit Twente veilig te stellen. De intensieve gesprekken die wij in afvaardiging met elkaar gevoerd hebben, hebben van de kant van het College geleid tot de volgende handreikingen:

- opnemen van (her)overwegingsmomenten (University College en TOM)

- maximale flexibiliteit binnen de kaders van het Twents Onderwijsmodel

- de geoormerkte “Veermanmiddelen” onder voorwaarden van instemming met de nodige onderwijshervormingen ten gunste laten komen van het onderwijs,

- het terugdraaien van de generieke korting op promotiepremies met hiervoor in de plaats andere ombuigingsmaatregelen


Maar ook een aantal issues waar het College van Bestuur niet aan wil tornen:

- het huidige reorganisatieplan wordt ongewijzigd uitgevoerd

- modules omvatten 15 EC’s.

 


Graag zien we uw reactie op het voorgaande tegemoet en bespreken we die tijdens de overlegvergadering op 14 december 2011.



Met vriendelijke groet,

Namens het College van Bestuur,





Mr. H.J. van Keulen,

Secretaris van de Universiteit