Agendapunten

UR 09-011 Managementsamenvatting Stilstand vervolgd

UR 09 011

Stilstand vervolgd

Managementsamenvatting en aanbevelingen




Actualisering van de stilstandcijfers

'Stilstandstudenten' zijn studenten die maximaal 15 studiepunten in een studiejaar behalen. Het opstellen van 'stilstandoverzichten' op opleidings- of instellingsniveau, levert voor managementdoeleinden en in het kader van kwaliteitszorg, zicht op de ernst van de problematiek, trends en aanwijzingen voor specifieke probleemgebieden en oplossingsrichtingen. Voor studieadviseurs bieden stilstandoverzichten zicht op de studenten die mogelijk problemen ondervinden en behoeften hebben aan advies en ondersteuning.

Met dit nieuwe onderzoeksproject wordt een actueel beeld geschetst van de groep stilstandstudenten van de bacheloropleidingen, sinds de invoering van de Bama-structuur.

Een van conclusies van dit onderzoeksproject is dat het beantwoorden van een schijnbaar eenvoudige vraag over de huidige stand van zaken met betrekking tot stilstand, complex is en leidt tot veel deelvragen, open eindjes en conclusies met de nodige mitsen en maren.
Om in de toekomst stilstand goed te kunnen monitoren, voor zowel de bachelor- als de master-opleidingen, wordt een werkwijze aangereikt en worden aanbevelingen gedaan. Belangrijk is dat vooraf de volgende zaken gerealiseerd zullen worden:

- expliciete streefcijfers opstellen voor stilstand en vertraging (ijkpunten);

- optimaal inrichten van Osiris (zie aanbevelingen);

- andere benaderingswijze hanteren voor het vaststellen van studievoortgang en rendement voor de masteropleidingen zolang er geen ‘harde knip’ geldt (zie aanbevelingen);

- erkende studievertragers en studenten voor wie bijzondere omstandigheden gelden labelen in Osiris.

De onderzoeksresultaten tonen aan dat studiestilstand een serieus te nemen probleem is, met name onder ouderejaarsstudenten, en dat er een relatie is met (laat) afhaken Het structureel monitoren en begeleiden van studenten gedurende de gehele studie, is een belangrijk middel ter voorkoming van ongewenste stilstand.

In deze samenvatting van het onderzoeksrapport worden de belangrijkste resultaten, conclusies en aanbevelingen weergegeven. Voor de details, tabellen en overzichten op opleidingsniveau wordt verwezen naar het eindrapport.


Resultaten voor de Bacheloropleidingen

In het onderzoek behoren de studenten van cohort 2001 tot en met 2006 tot de onderzoekspopulatie.

Enkele groepen studenten zijn uitgesloten, zoals de 'niet-september' instroom, studenten die een specifiek (kort) programma volgen, deeltijdstudenten en oud-doctoraal studenten die zijn overgestapt naar de bacheloropleiding.
Als 'stilstandcriterium' geldt: maximaal 15 EC behaald in een studiejaar. Voor de volledigheid en als check op de oorspronkelijke keuze van 15 EC, is bij de eerste onderzoeksvraag ook de groep die in de gevarenzone zit (15, 5 – 20 EC) meegenomen in de berekeningen.


A) Wat is de actuele omvang van studiestilstand?

- In studiejaar 2006-2007 stond 16% van de totale onderzoekspopulatie stil. Nemen we de studenten uit de gevarenzone erbij dan heeft bijna 1 op de 5 studenten van de onderzoekspopulatie maximaal 20 EC behaald in dit studiejaar.

- Het stilstandpercentage bij eerstejaars en tweedejaars studenten (beiden rond de 8%) ligt aanzienlijk lager dan het stilstandpercentage bij de ouderejaars (derdejaars: 16%, vierdejaars: 27%; vijfdejaars: 35%; zesdejaars 44%). Een relatief hoog stilstandpercentage bij vijfde- en zesdejaars kan verklaard worden doordat de studenten die weinig moeite hebben gehad met de studie en/of weinig studievertraging hebben opgelopen, ondertussen zijn afgestudeerd. Een ‘uitgedunde’ groep blijft over, bestaande uit studenten die in ieder geval, om welke redenen dan ook, al sterk zijn vertraagd. Aan deze vertraging kunnen studieproblemen ten grondslag liggen, hetgeen aanleiding kan zijn voor de stilstand in het studiejaar 2006-07. Juist de stilstand onder deze groep ouderejaars studenten, waarvan je zou verwachten dat ze de studie snel willen afronden, kan als zorgwekkend beschouwd worden.

- Er bestaat een groot verschil (varieert van 7% tot 25%) tussen de opleidingen wat betreft het percentage stilstandstudenten.


B) Hoe verloopt de ontwikkeling van studiestilstand sinds de invoering van Bama-structuur?

- Het aandeel stilstandstudenten onder de eerstejaarsstudenten lijkt licht maar gestaag toe te nemen. (van 4% in studiejaar 2001-02 tot 8% in studiejaar 2006-07). Dit betekent door de toename van het aantal eerstejaars, ook een toename in het absolute aantal stilstandstudenten.


C) Is er een fase (o.b.v. aantal studiepunten) in de studie waarin stilstand vooral optreedt?

- Naast stilstand in de verschillende leerjaren, is ook gekeken naar stilstand in verschillende (virtuele) fasen in de studie waarin een student zich kan bevinden (beginfase: maximaal 60 EC behaald; middenfase 61-120 EC; eindfase: > 120 EC). Van de groep stilstandstudenten studiejaar 2006-07, zit een vrijwel gelijk percentage in ieder van de fasen (rond de 33%). In verschillende studiefasen kunnen verschillende problemen een rol spelen (bijvoorbeeld: fase 0-60 à opstartproblemen; fase 120-195à problemen met het afstuderen) en zal de aanpak van de problematiek verschillen.


D) Is er een relatie tussen studiestilstand en bepaalde kenmerken van studenten?

- Het aandeel vrouwelijke UT-studenten dat tijdens de studie stilstaat, is in vergelijking met het aandeel mannelijke UT-studenten dat stilstaat, aanzienlijk en significant lager: 14% versus 25%. Dit geldt voor alle opleidingen op twee na. Dit beeld sluit aan bij een landelijk en internationaal beeld dat vrouwen minder snel de universiteit zonder diploma verlaten en sneller studeren.

- Over het algemeen blijken stilstandstudenten in vergelijking met niet-stilstandstudenten een lager gemiddeld cijfer voor de relevante vwo-vakken (criteriumvakken) te hebben. Dit geldt niet (significant) voor alle opleidingen. De verschillen zijn niet heel groot, het gaat om tienden van een punt en hooguit 0.8 verschil.

- Van de groep studenten die hun propedeuse niet in 1 jaar behaalden, blijkt 31% na het eerste jaar een keer stilgestaan te hebben. Van de groep die wel de propedeuse in 1 jaar behaalden, blijkt 12% na het eerste jaar een keer stilgestaan te hebben. Dit verschil is op UT-niveau significant. Het verschil is bij alle opleidingen herkenbaar en bij de meeste opleidingen significant. De mate waarin het behalen van de propedeuse in 1 jaar voorspellend is voor latere stilstand, verschilt wel per opleiding.

Het behalen van de propedeuse in 1 jaar, is geen garantie voor het niet stilstaan in latere jaren, maar de kans is kleiner.

- Studenten die behoren tot de stilstandgroep hebben, in vergelijking met de studenten van de niet-stilstandgroep, significant minder EC behaald in het eerste jaar. Het verschil op UT-niveau bezien, bedraagt ruim 10 EC. Met name studenten die 50% of minder van het eerste jaar behalen, lijken tot een risicogroep voor stilstand in latere jaren te behoren. Anders gesteld, de percentages lijken er op te duiden dat studenten die later stilstaan, veelal al moeite hadden met het eerste jaar.


E) Is er een relatie tussen studiestilstand en afhaken(=stoppen zonder diploma)?

De “afhaakdata” in het administratief systeem geeft niet altijd de werkelijke datum van afhaken weer. De onderzoeksresultaten met betrekking tot de relatie stilstand en afhaken dienen daarom vooral als indicatief te worden beschouwd. Bij de ‘afhakers’ zitten ook de interne overstappers.

- Er is een relatie gevonden tussen stilstaan (ergens in de studie) en afhaken.

- Van de studenten van cohort 2001 en 2002 die zijn afgehaakt, is 56% afgehaakt in het eerste jaar. Van de studenten die later in de studie zijn afgehaakt, haakte ruim de helft in het derde jaar of later af.

- Van de studenten die na het eerste jaar zijn afgehaakt, haakte 70% met minder dan 60 EC af.

- Het aandeel studenten dat in het 1e of 2e studiejaar vertrekt met meer dan 60 EC is gering.


Aanbevelingen Bachelor

1)In het kader van kwaliteitszorg en managementoverzichten, wordt aanbevolen in de toekomst streefcijfers en normen te hanteren aan de hand waarvan bepaald wordt of de cijfers zorgelijk zijn en actie wenselijk is.

2)Sinds 2004 is er sprake van een toenemend aandeel stilstandstudenten onder de eerste- en ouderejaarsstudenten. Wat de oorzaken hiervoor zijn is niet bekend en vergt nader onderzoek.

3)Voor een instelling die zowel kwaliteitszorg als begeleiding van haar studenten vanuit maatschappelijk en economisch oogpunt serieus neemt, is het belangrijk signalen over vertraging en stilstand vroegtijdig op te vangen, zodat in probleemsituaties actie ondernomen kan worden. Stilstandoverzichten vormen hierbij een middel, maar bij voorkeur zouden studenten met problemen al eerder dan na een jaar ‘stilstand’ gesignaleerd dienen te worden. Hierbij is een belangrijke rol weggelegd voor de studieadviseur en andere studiebegeleiders.

4)Een aanzienlijk deel van de ‘afhakers’ vertrekt in een vrij laat stadium (in het tweede jaar of later) en veelal na voorafgaande studiestilstand. Met adviesgesprekken in het eerste jaar en het goed monitoren en in contact blijven met studenten in alle studiejaren, kan dit voorkomen worden.

5)Voor het opstellen en interpreteren van stilstandoverzichten, is het van belang dat bekend is (met een kenmerk in het studenteninformatie- en volgsysteem) voor welke studenten ‘bijzondere studie-omstandigheden’ gelden (bv.deeltijdstudenten, topsporters, studenten met een functiebeperking). Deze groepen vormen een ‘afwijkende populatie’; het standaard stilstandcriterium heeft voor deze groepen een andere betekenis.

6)Wanneer in overzichten een onderscheid gemaakt kan worden tussen de groep stilstandstudenten waarvan de reden voor stilstand bekend en erkend is (te beschouwen als de “niet-problematische stilstandstudenten”) en de groep overige (“problematische”) stilstandstudenten, kunnen studiebegeleiders efficiënter en gerichter inspelen op stilstand en vertraging.

7)Ook in het kader van het opstellen van ‘zuivere’ en inzichtelijke stilstand- en rendementsoverzichten ten behoeve van kwaliteitszorg en managementoverzichten, is het respectievelijk afscheiden en onderscheiden van de bij punt 5. en 6. genoemde groepen van belang.

8)Naast studierendementen, kunnen ook gegevens over het moment waarop studenten afhaken, de vervolgkeuze (Is er sprake van interne overstap?) en de resultaten van exitgesprekken, belangrijke informatie bieden om knelpunten in het onderwijs of de onderwijsorganisatie te achterhalen en om oplossingsrichtingen te vinden. Dit vergt expliciete afspraken over de invoer van correcte vertrekdata, de invoer van de vervolgkeuze en het structureel voeren van exitgesprekken.

9)Toekomstige dataverzameling en –analyse dienen verbeterd te worden. In het eindrapport worden hiervoor aanwijzingen gegeven. Deze betreffen: :

Ÿde te hanteren definitie voor studiestilstand;

Ÿhet vaststellen van een zo zuiver mogelijke en betekenisvolle onderzoekspopulatie;

Ÿaanvullende data die in Osiris opgenomen dienen te worden;

Ÿoplossingen voor geconstateerde administratieve vervuiling en de huidige knelpunten bij het verkrijgen van eenduidige data.

Tevens wordt ingegaan op de implicaties van het in de nieuwe OER 2009 beschreven studieplanningsysteem. Als uitgangspunt voor het vaststellen van stilstand of voortgang, kan in de toekomst ook de persoonlijke planning (aantal geplande EC) worden gehanteerd.


Resultaten voor de masteropleidingen

Het op gelijksoortige wijze vaststellen van de studiestilstand (en dit geldt ook voor studievoortgang en –rendement) voor ‘de masterstudenten’ levert om meerdere redenen problemen op:

-masteropleidingen zijn over het algemeen pas sinds 2003 van start zijn gegaan. E zijn nog slechts vier cohorten en de aantallen zijn nog vrij klein;

-mastertrajecten zijn kort (over het algemeen 1 of 2 jaar), waardoor stilstand gedurende een studiejaar bij de masteropleidingen een andere betekenis heeft dan bij de bacheloropleiding;

-een omvangrijke afstudeeropdracht van 30 EC (of meer) zorgt er voor dat het behalen van een beperkt aantal EC gedurende een jaar, niet veel zegt over de studievoortgang.

Gezien de huidige ‘zachte knip’ tussen bachelor en master (voor rechtstreekse doorstromers) en tussen premaster en master, de vele type voortrajecten (van premasters tot homologatietrajecten) en instroom-momenten, kan niet goed worden uitgegaan van cohorten studenten die op eenzelfde moment beginnen en een gelijksoortig studietraject volgen. Dit heeft tot het inzicht geleid dat voor het bepalen van studievoortgang of rendementen voor de masteropleidingen een totaal andere benaderingswijze dient te worden gehanteerd. In het kader van dit onderzoek is volstaan met aanbevelingen voor de wijze waarop in de toekomst studievoortgang en rendementen vastgesteld zouden kunnen worden.


Aanbevelingen master

Zolang de ‘zachte knip’ tussen bachelor en master (voor studenten die rechtstreeks doorstromen) er nog is, is het belangrijk een goede modus operandus vinden om bij analyses om te gaan met de effecten hiervan. Op dit moment (eind 2008) wordt er landelijke gepleit voor afschaffing van de zachte knip tussen bachelor en master, waarmee het ‘probleem’ op termijn opgelost zou zijn.
Op basis van de volgende aanbevelingen wordt met name een oplossing geboden om in de analyses geen storend effect te hebben van de zachte knip tussen premaster en master en om op een efficiënte wijze uitspraken te kunnen doen over rendementen of studievoortgang voor de gehele masterpopulatie, ongeacht de duur van de master of van master + voortraject.
Om te bepalen of cijfers zorgelijk zijn en actie wenselijk is, het belangrijk dat er in de toekomst vooraf streefcijfers en normen opgesteld worden.

Hiernavolgend worden de aanbevelingen in hoofdpunten toegelicht. Voor details en het volledige overzicht wordt verwezen naar het eindrapport.


1)Zorgdragen voor helderheid en transparantie wat betreft de instroommomenten, ingangseisen, criteria en het voortraject voor de master voor verschillende potentiële instroomgroepen voor alle masteropleidingen. Definiëring van (gestandaardiseerde) voortrajecten.

2)De voortrajecten die studenten kunnen volgen coderen en de studenten in Osiris kenmerken meegeven op basis van het gevolgde traject. Laatst gevolgde vooropleiding registreren.

3)Een begin- en einddatum voor het afstudeertraject noteren in het studenteninformatiesysteem.

4)Voor studieadviseurs: om te signaleren of er vertraging of stilstand is (en actie en interventie wenselijk is), werkt het efficiënt om uit te gaan van individuele studietrajecten van iedere student, uitgedrukt in maanden of EC. D.w.z. het traject voor de master + het eventuele voortraject. Aan de hand van een norm (afwijkend van de standaard stilstandcriterium voor de bachelor) kan de signalering plaatsvinden. De volgende normen kunnen daarbij gebruikt worden:

a)tijdsoverschrijding op basis van een percentuele norm. Ter voorbeeld: een student volgt een traject (premaster 30 EC + master 60 EC) van 18 maanden; als norm is gekozen: nominale studieduur + 30%. Is deze student langer dan 24 maanden bezig, dan overschrijdt hij de norm en volgt er actie.

b) minder EC behaald in een bepaald tijdvak dan als norm geldt. Ter voorbeeld: een student volgt een traject (premaster + master) van 18 maanden; als norm is gekozen: interventie bij minder dan een derde van het aantal te behalen EC in het eerste half jaar. De student haalt minder dan 10 EC en wordt dus uitgenodigd voor een gesprek. Nb. De EC-norm is moeilijker te hanteren op het moment dat studenten aan de afstudeeropdracht begint, zie c. voor een oplossing daarvoor:

c)percentuele tijdsoverschrijding bij het afstudeertraject. Ter voorbeeld: een student is begonnen aan het afstudeertraject. Als norm geldt: 6 mnd + 50% tijdsoverschrijding. De studieadviseur onderneemt actie indien de student langer dan 9 maanden bezig is.

Voorwaarden voor deze methodieken is dat er een correcte inschrijvingsdatum voorhanden is, dat bekend is welk studietraject de student volgt (zie punt 1 en 2) en dat de begindatum voor het afstudeertraject vastgelegd is. Indien in de toekomst met studieplanningen gewerkt wordt, zullen deze gegevens op basis van de planningen voorhanden kunnen zijn.
Normen kunnen vastgelegd worden in een studentenvolgsysteem. De studieadviseur kan dan ‘automatisch’ een signaal ontvangen indien een student de norm overschrijdt.

Het structureel monitoren en begeleiden gedurende het gehele (pre)mastertraject - dus het tijdig contact opnemen met studenten wanneer de studievoortgang onder een norm komt - is een belangrijk middel ter voorkoming van ongewenste stilstand.

5)Ook voor managementinformatie en in het kader van kwaliteitzorg kan uitgegaan worden van tijdsoverschrijdingnormen, gerelateerd aan de individuele studietrajecten en hun tijdsduur. Als kwaliteitsnorm kan bijvoorbeeld gelden: 75% van de studenten haalt het masterdiploma in de nominale studieduur (wat dus voor verschillende studenten een verschillende tijdsduur kan zijn, al naar gelang zij wel/niet een voortraject hebben gevolgd) + maximaal 30% tijdsoverschrijding.
Door op deze wijze berekeningen uit te voeren, kun je UT-breed uitspraken doen over de rendementen of voortgang van ‘de masterstudenten’, ongeacht of ze een eenjarig- of tweejarig programma volgen of wel of niet een premaster doen.

6)In het kader van kwaliteitszorg (aansluitingsvraagstukken) is het relevant om nauwkeuriger naar de voortgang en rendement van specifieke doelgroepen te kijken. Door het labelen van omvangrijkere, speciale groepen die een gezamenlijk (vrij gestandaardiseerde) studietraject volgen, kunnen voor deze groepen ook cohortgewijs analyses uitgevoerd worden. Voor een dergelijke groep kunnen ook specifieke normen voor studievoortgang gelden. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om hbo-instromers die een gestandaardiseerd premasterprogramma volgen. Voor studenten die rechtstreeks doorstromen vanuit een aansluitende UT-bacheloropleiding, kan ook de bachelor- en masteropleiding tezamen als een doorlopend traject worden beschouwd.

7)Behalve zicht houden op de studenten die de studie (blijven) volgen, is het in het kader van kwaliteitszorg ook van belang zicht te krijgen op het moment van afhaken en de reden voor afhaken.

____________________________________________________________