Agendapunten

UR 09-051 Verslag overlegvergadering

logo Universiteitsraad UT


Universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 300/302


Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 09-051

Fax


Datum

28 januari 2009

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl


Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad op dinsdag 28 januari 2009

Aanwezig:

Leden UR:

van Alsté, van Benthem, Bijkerk, Dam, Dierkes, Franco Garcia, Hoogerdijk, van der Kooij, Lagendijk (vz), van der Meer, Oudalov, Poorthuis, Pouw, Stekkinger, Telgenkamp, Veenendaal, Ziehmer

College van Bestuur:

Van Ast, Flierman

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)

Afwezig:

Brinksma (m.k.), Kuin (m.k.)



1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent om 9.00 uur de vergadering en heet de aanwezigen welkom.


Flierman laat weten dat de rector zich laat verontschuldigen. Hij vindt het heel vervelend niet bij deze – voor hem eerste – UR-vergadering aanwezig te kunnen zijn.


Ten aanzien van agendapunt 5 merkt Van Alsté op dat er de nodige discussie is over het Instellingskwaliteitszorgsysteem voor UT-opleidingen. Het IKS behoort tot de portefeuille van de rector; nu deze niet aanwezig is stelt Van Alsté voor met de behandeling van dit agendapunt te wachten tot hij er wel bij is.

Flierman wijst erop dat het IKS inderdaad tot de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de rector behoort. Maar omdat het CvB uit één mond spreekt stelt hij voor in deze vergadering wel een aantal punten te bespreken en de discussie in de volgende overlegvergadering voort te zetten.

Besloten wordt een oriënterende bespreking te hebben bij agendapunt 5, en dus niet een bespreking die leidt tot een instemmingsbesluit.

Met inachtneming hiervan wordt de agenda vastgesteld.


2.Mededelingen

UR:

ITC:

Binnenkort vindt er een gesprek plaats tussen de UR en het medezeggenschapsorgaan van ITC.


College:

ITC:

Op bestuurlijk niveau lijken de laatste hobbels te zijn opgeruimd. Inmiddels is er ook een gesprek geweest tussen afdelingshoofd/dienstdirecteuren over operationele zaken als de plaatsing van medewerkers e.d.

In formele zin zal t.z.t. ten aanzien van een aantal aspecten nog een instemmingsverzoek aan de UR worden voorgelegd.


Korting 1e geldstroom:

De colleges van de UT en de Universiteit Nijmegen hebben gezamenlijk formeel bezwaar gemaakt bij de minister tegen de korting op de eerste geldstroom in het kader van de Smart Mix. Het bezwaar wordt medio februari behandeld voor de geschillencommissie van het ministerie.


Personele zaken:

-Dhr. Clemens van Blitterswijk is benoemd tot wetenschappelijk directeur van het BMTI.

-Dhr. Ron Mazier wordt de nieuwe directeur Strategie & Communicatie.

-De benoemingsprocedure voor de opvolging van dhr. Hilco Klomp als directeur FEZ (hij gaat in de loop van dit jaar gebruik maken van de FPU) is gaande en verloopt voorspoedig.

-Zowel IBR als IGS hebben momenteel een wetenschappelijk directeur. Een van hen, dhr. Jacques Thomassen, heeft aangegeven dat er op korte termijn helderheid moet komen over de instituten, zodat aan een definitieve invulling van functies kan worden gewerkt. Het college is het daarmee eens. De nieuwe rector is als portefeuillehouder gevraagd zich in de situatie te verdiepen. Naar verwachting zullen er in februari/maart conclusies kunnen worden getrokken.


Essent-gelden:

Provincie Overijssel is een van de overheden die haar aandelenbezit in Essent wil verkopen. Het college is met de Provincie in gesprek om te bezien hoe de UT met bijvoorbeeld haar valorisatie en onderzoeksagenda kan aansluiten bij gedachten die er leven om tot inzet van de vrijkomende financiële middelen te komen.


Agendaproblemen:

Flierman’s agenda kent dit jaar – onder meer i.v.m. zijn voorzitterschap van de ECIU – een aantal conflicterende data, daar waar het gaat om UR-vergaderingen. Hij zal met de voorzitter en de griffier bekijken hoe daarmee om te gaan – wellicht kan hij wat meer tijd vrijmaken voor commissievergaderingen van de raad.


Van Alsté merkt op dat er nog niet, zoals de bedoeling was, een gesprek is geweest tussen de WD van het BMTI en de UR (nu er nog geen instituutsraad is).

Verder wijst Van Alsté erop dat het vastgoedplan een stevig beslag legt op de financiële middelen van de UT. Wellicht zou dit ook in het gesprek met de Provincie meegenomen kunnen worden?


3.Verslag van de overlegvergadering van 17 december 2008 (UR 09-002)

Pag. 2 r.1: Hier moet staan: “Dierkes vervangen door Dam”.

Pag. 6 r.42: “Het zou dus kunnen voorkomen dat … ’s avonds georganiseerd wordt” vervangen door: “Het zou dus kunnen zijn dat in bepaalde curricula keuzemomenten bestaan. Ten minste één zal er vóór 18.00 uur aangeboden worden, en voor het overige zullen studenten soms eigen keuzes moeten maken.”

Pag. 8 r.1 en 2 – Verdeling beurzengeld tussen technische en niet-technische masters: Toevoegen na de tweede regel: “Veenendaal verzoekt in dit kader rekening te houden met de tweejarige masterprogramma’s binnen MB zoals TBK en BIT.”

Met inachtneming van deze aanpassing wordt het verslag vastgesteld.


Naar aanleiding van het verslag:

Pag. 1 r.39 – Aantal inschrijvingen: Flierman zal zorgen dat op korte termijn de cijfers per 1 december 2008 (inclusief diploma’s e.d.) op de internetsite worden geplaatst. In de volgende UR-vergadering zal de instroom nader aan de orde komen.

Pag. 2 ag.pt. 4 – Ontwerpbegroting 2009: De begroting is inmiddels goedgekeurd. Van Ast meldt dat als aandachtspunt is toegevoegd dat de Voorjaarsnota van de regering hier of daar een nog wat ander licht zou kunnen werpen.


4.Richtlijn BSA (UR 08-374, UR 9-025)

Naar het oordeel van de UR is een aantal antwoorden van het college op schriftelijk gestelde vragen (UR 09-014) niet duidelijk of incompleet. De raad wil graag nog de volgende vragen beantwoord zien:

TN en ST gaan een puntennorm hanteren van 40 EC. Voor CW wordt genoemd een norm van 30/35 – Wat wordt de exacte norm?

Antwoord Flierman: Juist in de pilotfase is het goed enige differentiatie in de norm te hebben. De uiteindelijke norm voor CW wordt 35 EC.

Ziehmer benadrukt dat het van groot belang is goed te kijken naar de verschillen in (studie)cultuur bij de diverse faculteiten. Ook wijst hij erop dat bij GW grote behoefte is aan meer contacturen. Flierman is best bereid over de verschillen nog eens te discussiëren. En wat de begeleiding betreft: dat is naar zijn mening een onderwerp dat thuishoort bij de instellingskwaliteitszorg.

Afgesproken wordt een gesprek over de verschillen in faciliteiten te combineren met de bespreking van de evaluatiecriteria. Als er een bredere discussie gewenst is (onderwijskwaliteit, didactisch concept e.d.) zou Flierman zich kunnen voorstellen dat daarover aan de hand van een aantal discussiepunten gesproken wordt door de rector en de UR-commissie – bijvoorbeeld in juni.

Wordt in artikel 2.2.b “1 november” vervangen door “1 september”?

Antwoord: Ja.

Wordt artikel 5.3 herschreven, zodat duidelijk is dat de richtlijn BSA niet met terugwerkende kracht geldt voor studenten?

Antwoord: Iedereen die aan de studie gaat beginnen zal daarover duidelijkheid hebben. De richtlijn BSA geldt alleen voor studenten die zich inschrijven voor een studie vanaf 1 september 2010.

Kan de evaluatie specifieker uitgewerkt worden, d.w.z. dat de doelen op hoofdlijnen, waarop men wil gaan evalueren, duidelijk op een rij worden gezet? De precieze uitwerking van de evaluatie volgt later.

Antwoord: Hoewel dit vooraf niet besproken is in het college meent Flierman dat het zal gaan om hoofdlijnen als: -Hoeveel studenten krijgen uiteindelijk een BSA? -Hoe zijn de scores? -Vergelijking met voorgaande jaren. -Kijken hoe studenten het in hun verdere studiecarrière doen. -En wellicht ook informeren wat de studenten vinden van de faciliteiten, de begeleiding e.d. -Kortom: Kijken of de randvoorwaarden op orde zijn.

Mocht het college van oordeel zijn dat in het bovenstaande belangrijke criteria zijn vergeten, dan kan de rector dat naar aanleiding van het vergaderverslag in het volgende overleg nog aangeven.

Zal minstens één student deel uitmaken van de in te stellen werkgroep die de evaluatiecriteria opstelt voor de pilot?

Antwoord: Ja.

Worden de evaluatiecriteria voorgelegd aan de UR alvorens de evaluatie uitgevoerd wordt?

Antwoord: Ja. Afgesproken wordt dit onderwerp over 6 maanden (wellicht met enige marge) te agenderen voor de UR.

Wordt de richtlijn BSA na de evaluatie van de pilot opnieuw ter instemming aan de UR voorgelegd?

Antwoord: Ja. Waarbij wel opgemerkt dient te worden dat de wereld om ons heen niet stilstaat; er zal in dit kader dus ook gekeken worden naar wat er bij de andere TU’s gaande is – dit zou ertoe kunnen leiden dat een en ander in een stroomversnelling terechtkomt.

Van Alsté informeert wat er gebeurt als studenten die een negatief BSA krijgen zich bij een van de andere 3TU-universiteiten aanmelden. Voor zover Flierman weet is een negatief BSA geen grond om een student op een andere universiteit te weigeren; hierover is echter nog niet inhoudelijk gesproken.


Besluit:

De UR besluit, met inachtneming van de door het college gedane toezeggingen, in te stemmen met de Richtlijn bindend studieadvies.


De voorzitter wil niet nalaten op te merken dat het hier om een voor de UR erg belangrijk onderwerp gaat, en dat de raad zich in de schriftelijke beantwoording van de gestelde vragen niet altijd serieus genomen voelde – met name op het punt van de faciliteiten.

Flierman merkt op dat de faciliteiten een onderwerp vormen dat juist ook in de faculteitsraden en studentgeledingen goed aan de orde moet komen – hij gaat ervan uit dat ook zij wat dat betreft scherp de vinger aan de pols houden.

Verder benadrukt hij nogmaals dat hier een één-op-één relatie ligt met het instellingskwaliteitszorgsysteem.


5.Instellingskwaliteitszorgsysteem (IKS) (UR 08-375, UR 08-373)

De voorzitter merkt op dat vanuit de UR met college en staf uitvoerig is gesproken over het IKS. In de interne UR-vergadering is vervolgens de conclusie getrokken dat er vooralsnog niet tot een eensluidend concept-besluit gekomen kan worden. Daarom vindt er nu, zoals aan het begin van de vergadering afgesproken, alleen een oriënterend gesprek plaats – de besluitvorming wordt doorgeschoven naar een volgende vergadercyclus.


Flierman maakt vooraf enkele algemene opmerkingen: Hij onderstreept dat ook het college vindt dat de kwaliteit van het onderwijs onderwerp van voortdurende aandacht van het CvB moet zijn. Wat landelijk speelt is de instellingsaccreditatie (de wetswijziging waarin dat mogelijk wordt ligt nu bij de Tweede Kamer). De UT wil die instellingsaccreditatie per se hebben. Dat kan alleen als aangetoond kan worden dat het CvB boven het niveau van de opleidingen in kan grijpen en toezicht kan houden op wat er gaat gebeuren.

T.a.v. het advies van de UCO stelt Flierman dat het college de daarin gebezigde toonzetting niet tot de zijne zal maken. Een instellingsaccreditatie wordt alleen verkregen als het college laat zien zelf heel actief betrokken te zijn. Op het niveau van het college moet bijvoorbeeld gekeken worden of er goede faciliteiten zijn, of de begeleiding op orde is etc. In dat kader is een Mid Term Review van groot belang.


Per fractie worden enkele discussiepunten besproken:


CC:

Goed dat er een IKS in oprichting is. Kwaliteitszorg is erg belangrijk. Een punt dat er uitspringt is het afdwingen van een Mid Term Review (MTR). CC is daar geen voorstander van omdat het een zeer groot tijdsbeslag op een opleiding legt. Als een opleiding goed functioneert, zal toch al duidelijk zijn of de kwaliteit al dan niet verslechtert?

Flierman: Als de instellingsaccreditatie wordt ingevoerd betekent dat een aanmerkelijke vermindering van de workload voor de instellingen. De hoeveelheid werk die voor een MTR verzet moet worden zal behoorlijk meevallen. Zeker als het systeem zo wordt ingevoerd dat het uitgaat van een soort minimum dat altijd moet worden gedaan en waarbij ook externen meekijken naar hoe het staat met de opleiding. Met andere woorden: daar waar mogelijk kan een MTR in een “lichte vorm” worden uitgevoerd.

Veenendaal wijst erop dat er toch ook een P&C-cyclus is, hetgeen door Flierman wordt bevestigd – het gaat hier echter om een review halverwege.

Het spreekt vanzelf dat het CvB een rol heeft. Maar misschien zou wat duidelijker benadrukt moeten worden dat de decaan eindverantwoordelijk is voor de kwaliteit van zijn opleiding.

Flierman: De decaan is degene die bestuurlijk aangesproken moet worden op het wel of niet op orde zijn van de opleiding en de faciliteiten eromheen; dus inderdaad is hij binnen de opleiding bestuurlijk gezien eindverantwoordelijk. Daarnaast blijft de rol van het CvB overeind.

Ziehmer merkt op dat, daar waar het gaat om kwaliteitsverhoging, het heel goed is om te kijken wat er op de werkvloer speelt – daarvoor zijn middelen nodig. Als voorbeeld noemt hij BKO/SKO. In een kwaliteitszorgsysteem zijn ruimte en kennis van binnenuit nodig opdat opleidingen tot vernieuwing kunnen komen – dat kan vervolgens in een cyclus worden ingebouwd. Kortom: wel een MTR, maar daarvóór is een uitgebreider onderzoek (door docenten en de werkvloer) nodig, zodat uiteindelijk op basis van grondig onderzoek duidelijk wordt hoe een opleiding verbeterd kan worden.

Flierman benadrukt dat de inzet voor het college is: kwaliteitsverhoging door permanente vernieuwing en ontwikkeling. Daarvoor is het een noodzakelijke voorwaarde – maar geen doel op zich – dat het college boven de opleidingen staat. Het CvB kan onmogelijk met al die honderden mensen praten die het onderwijs verzorgen. Dus moet hij spreken met bijvoorbeeld de decanen; dat gebeurt in de jaargesprekken.


UReka:

UReka is vóór een generieke MTR, en denkt dat een differentiatie in zwaarte mogelijk is.

Wel is UReka bezorgd dat de MTR als enige echt naar voren komt in het document over het IKS. Het zou beter zijn breder te kijken naar kwaliteitszorg bij de hele universiteit.

Flierman: IKS is gerelateerd aan het onderwijsgebeuren op de universiteit; voor onderzoek zijn er andere systemen, visitaties e.d. en de financiële administratie bijvoorbeeld wordt beoordeeld door een accountant.

Het document over het IKS gaat over een meetinstrument, en over wat er gemeten wordt. Flierman gaat ervan uit dat het instrument zo flexibel is dat het mogelijk is alles te meten wat wenselijk is. Daarnaast kunnen in de jaargesprekken alle mogelijke onderwerpen aan de orde komen; dat staat dit systeem niet in de weg.

De voorzitter merkt op dat in aanbiedingsbrieven bij documenten niet altijd duidelijk is wat het aangeboden document precies omvat – dat zou wellicht wat duidelijker ingekaderd moeten worden. In z’n algemeenheid is Flierman het eens met de bedoelde inkadering. In het voorliggende document echter gaat het zeker niet alleen om de MTR, maar om een veel breder instrument. UReka is dat niet met Flierman eens – er valt nog veel te verbeteren in een document als dit.


Pro-UT:

Het is terecht dat de UCO geraadpleegd is. In die commissie zitten de deskundigen op dit gebied, maar het feit dat zij negatief adviseren t.a.v. de MTR wordt gemakshalve terzijde geschoven, zo constateert Van Alsté. De UT moet geen universiteit worden waarbij de centrale aansturing steeds groter wordt en de motivatie op decentraal niveau steeds kleiner. Het is heel belangrijk dat de argumenten die uit de organisatie komen serieus worden genomen – het doorgeleiden van dergelijke signalen is mede een taak van de UR.

Flierman: Als het advies van de UCO zou worden opgevolgd om “de kwaliteitszorg primair op het opleidingsniveau te leggen, met de vrijheid dit naar eigen inzicht in te richten”, verkrijgt de UT geen instellingsaccreditatie. Het tijdperk waarin er veel vrijheid was voor faculteiten is voorbij, in die zin dat de tijdgeest er echt niet meer naar is. De Nederlandse samenleving verlangt in z’n algemeenheid in toenemende mate rekenschap en verantwoording voor de manier waarop met belastinggeld wordt omgegaan – daar ontkomt ook de universiteit niet aan.

Het is begrijpelijk dat mensen die het gevoel hebben dat door invoering van een systeem vrijheden beperkt worden of extra werk ontstaat, niet direct enthousiast zijn – er zal dan ook uitvoerig nader over gesproken moeten worden. En uiteindelijk zal iemand knopen moeten doorhakken en de eindverantwoordelijkheid nemen.

Van Alsté zou zich kunnen voorstellen dat er primair gericht wordt op faculteiten waar nog echt een kwaliteitsslag gemaakt moet worden. Flierman antwoordt dat faculteiten die hun zaken goed voor elkaar hebben niet bang hoeven te zijn om dat te laten zien. Hij herhaalt dat het gaat om een instellingsaccreditatie. Dat er gedifferentieerd naar opleidingen gekeken wordt: dat kan, en dat zal ook gebeuren (er is in de MTR sprake van drie niveaus). Dat vraagt overigens wel bestuurlijke moed.

Volgens Van Alsté kijkt het college vooral naar het verleden. Als er een instellingsaccreditatie komt en de spelregels zijn vastgesteld, is er sprake van een nieuw feit. En op basis daarvan zou dan een IKS kunnen worden vastgesteld.

Uiteraard moet niet alleen naar het verleden, maar ook naar de toekomst gekeken worden, aldus Flierman.


Lijst Chairman:

Een visitatie heeft betrekking op een periode van 6 jaar, dus het risico bestaat dat een opleiding die in een visitatie goed scoort in de loop van die 6 jaar toch problemen krijgt. Dus wat dat betreft is Lagendijk vóór een MTR.

Waar hij wel moeite mee heeft is de kwestie van het draagvlak en de rol van de decanen. Het moet niet zo zijn dat anderen een afwachtende houding gaan aannemen, omdat het college het gremium is dat de besluiten neemt. De volgorde moet zijn: eerst het CvB, dan de decanen, en dan de organisatie.

Flierman benadrukt dat de decanen verantwoordelijkheid dragen voor het onderwijs in hun faculteiten. Er is met hen inmiddels een aantal malen uitvoerig over een en ander gesproken. Ook bij hen spelen gevoelens t.a.v. nut en noodzaak en een MTR. Maar uiteindelijk is het in de discussie met het college de decaan (niet de persoon, maar de faculteitsbestuurder) die een positie bepaalt die daarmee geldt voor de faculteit. Het is zaak bestuurlijk naar dit soort zaken te blijven kijken, aldus Flierman. Uiteindelijk zal het bestuur van de organisatie een keuze moeten maken, teneinde verder te komen.

Ziehmer wijst er nog op dat hij het betreurt dat in het document over het IKS de medewerkers niet meegenomen worden in het proces door heel duidelijk te maken wat de achterliggende redenen zijn. Flierman concludeert daaruit dat de UR het document vooral als een instrumenteel stuk ziet.


Tot slot:

Dit was een oriënterend gesprek. Het onderwerp komt zo mogelijk in de volgende cyclus opnieuw aan de orde.

De voorzitter informeert of het college van zins is om een andere aanbiedingsbrief bij het document te maken – hij wil dat graag in sterke overweging geven.

Flierman laat weten dat de rector heeft aangegeven dat als niet iedereen overtuigd is, hij in het kader van draagvlakverwerving de komende tijd graag nog eens indringend wil spreken met opleidingsdirecteuren, decanen en UR-commissie. Dus of bespreking in de volgende cyclus haalbaar is, is niet zeker.


Afgesproken wordt dat het college in de komende maanden, d.w.z. vóór de zomervakantie, terugkomt op het onderwerp IKS.


6.Voortgang “RoUTe’14 (naar een nieuw instellingsplan)”

Na zowel de UR als de RvT groen licht te hebben gekregen en de met de UR afgesproken wijzigingen te hebben verwerkt, ligt het definitieve document bij de drukker.

Het document zal ook goed kunnen dienen als onderlegger voor het gesprek met de Provincie Overijssel over de Essent-gelden.

Er wordt inmiddels gewerkt aan de vertaling van de in “RoUTe’14” geformuleerde voornemens in een implementatieschema voor de komende jaren. Het zal ook vertaald worden in P&C-termen, dus concrete en meetbare doelstellingen. Beide vertalingen zullen uiteraard ook in de UR aan de orde gesteld worden.

Er is een aantal werkgroepen aan de slag gegaan. De werkgroep Graduate School werkt met man en macht aan een document dat ruim vóór de zomervakantie moet worden afgerond, teneinde een aanvraag bij de NWO te kunnen indienen voor financiële ondersteuning van de Graduate School.

Vanuit de inhoud wordt gewerkt aan een communicatiestrategie. Branding en vernieuwing van de huisstijl hangen daarmee samen – op enig moment zal een bijeenkomst worden belegd waarin deze geïntroduceerd worden.

Om draagvlak te verwerven is er binnenkort een bijeenkomst met de leidinggevenden binnen de universiteit om de stand van zaken van het proces met hen door te spreken – zij zullen immers de komende tijd daar ook verantwoordelijkheid voor moeten nemen.


Naar aanleiding van een vraag van Van der Kooij zegt Flierman toe in de volgende cyclus een overzicht van de samenstelling van de werkgroepen te zullen verstrekken.

Daar waar dat aan de orde is zullen ook studenten aan de werkgroepen worden toegevoegd. En op zeker moment zal ook met studentgeledingen de discussie worden aangegaan.


7.Voortgang 3TU-proces

De 3TU.M krijgt binnenkort het concept van het strategiedocument voor de komende jaren voorgelegd. Als het bij de 3TU.M ligt zal het ook in de UR aan de orde kunnen komen.


8.Schriftelijke rondvraagpunten (UR 09-013)

1. Opleiding Risicomanagement

In UR 09-013 staat een aantal vragen vermeld waarop door Flierman als volgt wordt ingegaan:

Er zijn geen afspraken gemaakt tussen rectoren van Nederlandse universiteiten inzake accreditaties van post-initiële (master)opleidingen. Wel is er de gedragscode internationale studenten, die inhoudt dat masters die aan hen worden aangeboden geaccrediteerd zijn. De opleiding Risicomanagement hoeft niet onder die afspraak te vallen.

De UT biedt verder geen masteropleidingen aan die niet geaccrediteerd zijn. Het gaat hier om een eenmalig incident.

Door MB wordt hard gewerkt aan de “Toets Nieuwe Opleiding”. Zodra het document er is zal het worden voorgelegd.


De instelling van de masteropleiding Risicomanagement is inderdaad niet ter instemming voorgelegd aan de UR. Dat was fout en had wel moeten gebeuren.


Volgens de UR moet elke masteropleiding waarmee de titel MSc kan worden behaald geaccrediteerd zijn, maar Flierman stelt dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen master en MSc – laatstgenoemde titel kan inderdaad alleen aan een geaccrediteerde opleiding behaald worden.

In de intakegesprekken en de presentatie bij de startbijeenkomst is aangeduid dat het accreditatieproces nog loopt en dat de MSc-titel op dit moment nog niet door de opleiding kan worden toegekend. En ook in de voorlichtingsfolder staat dat er recht is op het voeren van de titel MSc nadat accreditatie verkregen is, zo meent Flierman. Hij zal evenwel nog eens laten nagaan wat er precies op papier staat en wat er precies gezegd is.


Veenendaal is van mening dat het zo niet kan, niet mag en misschien zelfs een belediging is voor de URaad.


Pouw vindt de opmerking van Flierman dat het hier gaat om een eenmalig incident wat merkwaardig. Er wordt volop gesproken over de kwaliteit van het onderwijs, en vervolgens wordt er met veel bombarie een opleiding gepresenteerd die nog niet eens de minimale kwaliteitstoets heeft doorstaan. Eigenlijk acht hij het onacceptabel om op deze manier een niet-geaccrediteerde opleiding naar buiten te brengen, nog los van de diskwalificatie door de UR door deze hier niet bij te betrekken.

Flierman herhaalt dat ook het college deze gang van zaken betreurt. Dit was “eens maar nooit weer”.

Hoogerdijk meent de kreet “eens maar nooit weer” al wel eens eerder gehoord te hebben, namelijk bij European Studies (al dan niet toevallig van dezelfde faculteit). Flierman beaamt dat er eens in de zoveel tijd in het verkeer tussen college en UR dingen niet goed gaan en niet de schoonheidsprijs verdienen. Dat zal niet helemaal te voorkomen zijn, al moet dat natuurlijk wel geprobeerd worden. Overigens is er wel een verschil: Bij European Studies betrof het een bestaande track en ging het erom de opleiding wat steviger te verankeren. Bij Risicomanagement gaat het om een nieuw initiatief – de kritiek is dan ook terecht.

Pouw acht het van belang dat de studenten die zich voor de opleiding Risicomanagement hebben ingeschreven een uitleg op schrift krijgen. Flierman zegt toe met de opleiding te zullen bespreken hoe die duidelijkheid kan worden verschaft. Hij zal op korte termijn de UR berichten hoe dit wordt afgehandeld.


2. Collegegeldvrij besturen

Door de LKvV en het ISO is een voorstel ingediend bij de Tweede Kamer voor collegegeldvrij besturen. De UR vraagt of het college iets in dat idee ziet, het eventueel zal ondersteunen en het principe ook op de UT in zou willen voeren.


Het college acht studentenactivisme in ieder geval van groot belang, aldus Flierman. Over het plan voor kwijtschelding van collegegeld tijdens een jaar van voltijds besturen heeft het college nog geen afgeronde mening. Afgesproken wordt dan ook dat het college zo spoedig mogelijk met een schriftelijke reactie komt.

Volgens Van Alsté zou eerst de vraag beantwoord moeten worden of het wenselijk is dat studenten een vol jaar besturen en niet studeren.

In z’n algemeenheid denkt Flierman dat, kijkend naar de UT, er enkele bestuursfuncties voor studenten zijn die een voltijds inzet vergen. Wat die groep studenten betreft zou het antwoord “ja” zijn. Maar het wordt lastiger om dat voor andere studenten ook te doen. Ook zijn er studenten die tijdens zo’n jaar besturen toch wel enkele tentamens willen doen – de vraag is of dat kan als geen collegegeld wordt betaald. Dit zal dus nader bekeken moeten worden.

Stekkinger merkt nog op dat hij zich zou kunnen voorstellen dat er voor de betrokken studenten een contract komt, zodat er voor alle partijen duidelijkheid is.


De voorzitter wijst op de kans dat er na een jaar besturen een zwart gat opdoemt voor de betreffende student; hoe kan deze zijn studie weer oppakken? Flierman meent dat het wellicht interessant zou zijn daar eens wat onderzoek naar te doen.


Op dit onderwerp zal worden teruggekomen.


9.Rondvraag

De voorzitter vertelt dat er een tweetal vragen is binnengekomen m.b.t. de geplande nieuwbouw van de Drienerburght, en wel: (a) Waarom moet er groen wijken? En (b) Was het nodig om de ludieke protestborden direct te verwijderen?

Van Ast laat weten dat er geen enkele actie of opdracht vanuit het CvB is geweest om de borden te laten weghalen. Voor zover mogelijk wordt geprobeerd uit te zoeken wie het dan wel gedaan heeft.

Wat de plannen betreft: Drienerburght wil graag nieuw bouwen, omdat het hotel in kwalitatief opzicht niet meer is wat het zou moeten zijn. Het college staat daarachter. Een locatiestudie, in relatie tot het Masterplan, laat de nu gekozen plek (aan de overkant van het fietspad) zien als passende en beste locatie. Overigens: In het vigerende bestemmingsplan is dit een bouwlocatie.

(Ook de huidige locatie zou een mogelijkheid zijn, maar dan zou het hotel 1,5 jaar uit exploitatie zijn).

De directie en Raad van Commissarissen van de Drienerburght kijken nog naar het type nieuwbouw en naar de wenselijkheid om het huidige gebouw te blijven mede-gebruiken. Een besluit is nog niet genomen.


Van Alsté: Een van de thema’s in het verkiezingsprogramma van Pro-UT is: meer levendigheid op de campus. De fractie vindt met name de catering nogal eenzijdig, en pleit voor het plaatsen van een frites- en viskraam – bijvoorbeeld op het middenplein van de Horst. Een dergelijke voorziening brengt ook nog het voordeel met zich mee dat medewerkers wat gemakkelijker even naar buiten lopen.

Van Ast reageert met de opmerking dat hij gehoord heeft wat door Van Alsté naar voren is gebracht.


Telgenkamp: In relatie tot het aspect “aantrekkelijk werkgeverschap“ wijst zij op de slechte kwaliteit van de automatenkoffie bij de UT. Van Ast merkt op dat een discussie daarover een tijd geleden ook heeft plaatsgevonden. De meningen verschillen. Er is destijds een openbare aanbesteding geweest, met inschakeling van een smaakpanel. Misschien moet bij een volgende aanbesteding het smaakpanel nog verbreed worden. Hij zal laten nagaan hoe lang het contract nog loopt en of het mogelijk is er tussentijds iets aan te doen.


Hoogerdijk: Enkele maanden geleden was er een heel circus rond de wijziging van opleidingsnamen. Nu moet de naam “Bedrijfswetenschappen” weer terugveranderd worden in “Bedrijfskunde”. Had men dat nu niet kunnen zien aankomen?

Flierman zegt hierop het antwoord schuldig te moeten blijven.


Naar aanleiding van dit punt vertelt Flierman dat in het college een 3TU-voorstel voorligt om de naam van de opleiding Elektrotechniek te vervangen door “Elektro Engineering”. Hoe dat in een formele procedure moet worden afgehandeld moet nog bekeken worden.

Hij zegt toe naar de vraag van Hoogerdijk en de stand van zaken m.b.t. eventuele overige benamingen te zullen kijken en erop terug te zullen komen.


Veenendaal heeft begrepen dat twee gebouwen langer zullen openblijven. Naar hij aanneemt gebeurt dit onder de noemer van het levendiger maken van de campus. Hij vraagt zich echter af of het dan wel zinnig is dit bij het Capitool toe te passen.

Volgens Van Ast is daar wel behoefte aan. Hij stelt voor het te zien als een pilot en te bekijken of het in een behoefte voorziet en wat het in de praktijk betekent. Veenendaal denkt dat het Capitool niet geschikt is voor een pilot. Wel bijvoorbeeld de bibliotheek, door die op zondag open te stellen, of een langer geopende Vrijhof.


Van Ast vertelt dat de gemeenteraad van Enschede heeft ingestemd met het Masterplan Kennispark. Vooral infrastructureel zijn de grote lijnen getrokken. Een volgende fase zal zijn dat de gemeente het initiatief neemt om de vigerende bestemmingsplannen in relatie daarmee aan te passen.

Het is belangrijk dat deze beslissing er nu ligt. Het college is er blij mee. Nu kan ervan worden uitgegaan dat de lijnen die in het Masterplan staan, richtinggevend zullen zijn voor het vervolg.

Van Benthem merkt op dat het in de persberichten vooral ging over het viaduct, en dat het besluit niet unaniem was.


10.Sluiting

Om 11.20 uur sluit de voorzitter de vergadering.


*****