Agendapunten

UR 08-408 Verslag overleg vergadering 2008-11-12

logo Universiteitsraad UT


universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 300/302


Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 8-408

Fax


Datum

12 november 2008

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad op woensdag 12 november 2008

Aanwezig:

Leden UR:

van Alsté, van Benthem, Bijkerk, Dam, Dierkes, Franco Garcia, van der Kooij, Kuin, Lagendijk (vz), van der Meer, Oudalov, Stekkinger, Veenendaal, Ziehmer

College van Bestuur:

Van Ast, Flierman

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)

Afwezig:

Poorthuis, Pouw, Telgenkamp, Zijm (allen m.k.),

Hoogerdijk (z.k.)



1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent om 9.10 uur de vergadering en heet de aanwezigen welkom.


Agendapunt 4 – European Studies – schuift door naar de volgende cyclus, omdat er na de bespreking in commissieverband en schriftelijke beantwoording van vragen door het college niet voldoende tijd overbleef om daarover binnen de UR nog overleg te hebben.


2.Mededelingen

UR:

Nota Personeelsbeleid 2008-2012 UT: De UR heeft in zijn interne vergadering ingestemd met (personeelsgeleding) dan wel positief geadviseerd (studentgeleding) t.a.v. de Nota Personeelsbeleid. Het schriftelijke besluit is onderweg naar het college.


College:

Voorlichtingsdagen: Er is een groot aantal aanmeldingen voor de voorlichtingsdagen ontvangen (ca. eenderde meer dan vorig jaar).

Instroomcijfers: In een van de volgende overlegvergaderingen (waarschijnlijk in januari) zal het CvB een analyse van de instroomcijfers voorleggen. Het lijkt erop dat per saldo het aantal ingeschreven studenten op 1 december a.s. hoger zal zijn dan vorig jaar. Waarschijnlijk ligt het aantal boven 8100, hetgeen zou betekenen dat de lichte groei van de afgelopen jaren zich doorzet.

Prognose financieel resultaat 2008: De cijfers t/m september komen dezer dagen in het bezit van de UR. Het resultaat lijkt beter te worden dan begroot, hetgeen onder meer wordt veroorzaakt door het realiseren van minder aanstellingen dan beoogd. Overigens zijn de getallen onder voorbehoud – de uitkomsten zouden er eventueel nog iets anders uit kunnen komen te zien als gevolg van systeemwijzigingen die op dit moment gaande zijn.


3.Verslag van de overlegvergadering van 8 oktober 2008 (UR 08-332)

Pag. 2 r.22: Tweede zin wijzigen in “Vanaf 1 december a.s. zijn de definitieve aanmeldingen bekend”.

Met inachtneming van deze aanpassing wordt het verslag vastgesteld.


4.European Studies (UR 08-344, UR 08-347)

Dit agendapunt schuift door naar de volgende cyclus.


5.Collegegeldtarieven UT 2009-2010 (UR 08-341, UR 08-350)

Het college in reactie op de opmerkingen van de UR in UR 08-350:

Afwijkingen collegegelden studenten niet-EER-landen, o.a. in het kader van de Honours Tracks:

Het staat niet op voorhand vast dat er alleen afwijkingen naar beneden zullen zijn, zoals de UR veronderstelt. Er zouden ook redenen voor afwijkingen naar boven kunnen zijn, bijvoorbeeld als er echt meerwaarde geboden wordt. Op dit moment is het een theoretische situatie, maar mocht er op enig moment reden zijn om een afwijkend besluit te nemen (de tarieven worden jaarlijks vastgesteld), dan zal het college dat voor advies aan de UR voorleggen.

De UR adviseert lagere collegegeldtarieven te hanteren voor partners van buitenlandse promovendi, post-docs en tenure trackers, opdat de UT zich daarmee positief kan onderscheiden van andere universiteiten in Nederland. Volgens het college gaat het hier om primair personeelsbeleid; daar kan niet zo maar van worden afgeweken. De inschrijvingsregeling voorziet niet in een dergelijke handelwijze. Het college acht het niet wenselijk die weg in te slaan. Het is ook zeer de vraag of het vanuit juridisch oogpunt mogelijk is. Daar waar het specifiek aan de orde is, is er indien nodig wel een beroep op het beurzenfonds mogelijk (mits uiteraard aan de geldende eisen wordt voldaan); een faculteit kan daar natuurlijk altijd op wijzen en waar mogelijk een stukje maatwerk leveren.


Besluit:

De UR besluit – met inachtneming van hetgeen ter vergadering besproken is – positief te adviseren ten aanzien van het CvB-besluit m.b.t. de collegegeldtarieven 2009-2010.


6.Gemeenschappelijk OER (UR 08-346vs2, UR 08-348)

De UR plaatst nog steeds de nodige kanttekeningen bij de wijze waarop het CvB de richtlijn voor het instellen van een gezamenlijke regeling hanteert. Daarom wil de UR op enig moment graag nader overleg over de wijze waarop door het college wordt omgegaan met het fenomeen richtlijnen. Tevens adviseert de UR het college om de decanen aan te sporen de faculteitsraden zo vroeg mogelijk bij het proces te betrekken, zodat een breder draagvlak voor een gezamenlijk OER gecreëerd kan worden.

Flierman stelt voor om, zodra er concrete ideeën worden ontwikkeld over iets dat het college in richtlijnen wil vastleggen en de inhoud in grote lijnen op papier staat, dit eerst ter bespreking aan de UR aan te bieden. Met het adagium dat verstandige inbreng zou kunnen leiden tot aanpassing van de betrokken richtlijn (zonder dat daar rechten aan verbonden zijn). Natuurlijk blijft er altijd discussie denkbaar tussen de medezeggenschap en het bestuur van de universiteit over de vraag of het college te ver gaat in zijn bevoegdheid in dit kader.

Het is de bedoeling het OER op zeer korte termijn aan de faculteiten toe te sturen, met het advies het aan de faculteitsraden voor te leggen. Daarbij zal worden aangegeven wat de bestuurlijk-juridische positie van de faculteitsraden is en welke stappen eventueel gezet kunnen worden als er problemen zouden ontstaan (kortom: de procedurele context). Een kopie van het begeleidende schrijven zal aan de UR gestuurd worden.


7.“RoUTe 14” – concept strategische visie (UR 08-334, UR 08-351)

Flierman stelt voor deze vergadering te gebruiken voor een opiniërend gesprek over het document RoUTe 14, gevolgd wellicht door een extra vergadering waarin er meer intensief over gesproken kan worden, zodat in de december-vergadering het instemmingsbesluit van de U-Raad aan de orde kan zijn. Daarna zou dan de nieuwjaarsbijeenkomst gebruikt kunnen worden als een soort markeringsmoment.

Flierman merkt op dat een instellingsplan, dat door de UR in zijn brief 08-351 genoemd wordt, heel specifieke karaktertrekken heeft, omdat het ook aan de minister moet worden voorgelegd. RoUTe 14 is vooral een toekomstvisie, die aan de UR ter instemming wordt voorgelegd. Vooralsnog op hoofdlijnen. Uiteraard zullen bepaalde onderdelen wel opnieuw in de UR aan de orde komen, want er komen nog tal van uitwerkingen.

De UR gaat akkoord met de door Flierman voorgestelde procedure.


Flierman wijst erop dat het gaat om een ambitieus plan met heel veel elementen, die uiteraard niet allemaal tegelijk aangepakt kunnen worden. Voor een aantal onderdelen zal budget vrijgemaakt moeten worden, bij andere elementen is dat veel minder aan de orde en gaat het vooral om hoe het georganiseerd wordt en met welke inzet.

In de volgende fase is prioriteitstelling aan de orde. Dan moet er een plan van aanpak gemaakt worden, evenals een financiële paragraaf, een risicoparagraaf etc. Maar eerst speelt de wat-vraag en daarna pas de hoe-vraag. Het heet niet voor niets “route”. Het is niet de bedoeling het document, als het klaar is, in de kast te leggen – er moet echt iets mee gedáán worden. Het is een reis waarvoor nu een hoofdrichting bepaald wordt. Onderweg echter zullen er ongetwijfeld wel eens omleggingen zijn, of raakt de benzine op of iets dergelijks; op dergelijke momenten zullen er beslissingen genomen moeten worden.

Het college wil graag met zoveel mogelijk mensen op de campus in gesprek gaan en blijven over RoUTe 14. Daarnaast zijn er deelonderwerpen geselecteerd waar door werkgroepen/projectgroepen mee aan de slag zal worden gegaan. Zij hebben de opdracht zich in hun deelproces niet te beperken tot de mensen die aan tafel zitten maar om nadrukkelijk interne deskundigen erbij te betrekken, evenals geïnteresseerden die zich aanmelden om mee te praten (in brainstormsessies/rondetafel-gesprekken) en in een aantal gevallen ook mensen van buiten.

Flierman is van mening dat de herstructurering van de onderwijsorganisatie topprioriteit moet hebben, waaronder de graduate school en de discussie over wat nu echt UT-onderwijs is (onderwijsfilosofie).


Van Alsté merkt op dat er een nieuwe rector is benoemd. Onderwijs en onderzoek horen nadrukkelijk in zijn portefeuille thuis. Zijn input is van groot belang – hoe wordt die meegenomen in de strategie?

Antwoord van Flierman: Er is sprake van bestuurlijke continuïteit. Het college spreekt uit één mond. Uiteraard is er al intensief met de nieuwe rector over de visie gesproken en is expliciet met hem afgesproken dat er geen besluiten worden genomen waar hij niet achter zou kunnen staan.


Flierman merkt op dat niet vergeten moet worden dat RoUTe 14 in zekere zin de tweede helft van een document is. Eind 2007 was er immers al de nota “Onderneem UT”, waarin al nadrukkelijk het signaal is afgegeven: “UT, let op uw saeck! Zorg dat je op de nationale en Europese kaart blijft staan”. De vraag “Waartoe is dit document nodig?” is daarmee dus al aan de orde geweest. Misschien zou het wel goed zijn in de definitieve tekst nog eens duidelijk dat verband te leggen. En misschien zou het ook goed zijn de eerste nota nog eens aan de UR te doen toekomen.


In de hierop volgende gedachtewisseling geven de fracties op hoofdlijnen hun mening ten aanzien van een aantal onderwerpen in RoUTe 14. Bij elk onderdeel wordt ook de reactie van het college weergegeven.

Pro-UT:

-Pro-UT is positief verrast. Het is een ambitieus document, waarin de fractie zich voor een groot deel in principe goed kan vinden.

-Pag. 22 – de agenda: Graag enige clustering aanbrengen.

-Financiën (verhouding tussen primair proces en overhead): De centrale overhead is aan de zeer forse kant, gezien het feit dat veel kosten worden doorgerekend aan het primaire proces. Op dit vlak zou een aantal beleidspunten geformuleerd moeten worden.

Reactie Flierman: Die discussie zou bij de begrotingsbespreking nog eens kunnen worden aangegaan. Waarbij wel bedacht dient te worden dat de overhead gerelateerd moet worden aan de totale omzet van de UT (dus niet alleen de 1e geldstroom, maar ook de 2e en 3e geldstroom). Dat komt uit op ca. 20%. Met dat percentage bevindt de UT zich op een middenpositie als het gaat om de universiteiten in Nederland.

-Er staat wel wat de UT wel gaat doen, maar er staat niet altijd wat de UT niet meer gaat doen; dat zou wat explicieter kunnen.

Reactie Flierman: Wat de UT niet meer doet, staat impliciet wel vermeld. In het undergraduate onderwijs zal de discussie gevoerd moeten worden of alle opleidingen moeten blijven bestaan of dat er sprake moet zijn van toenemende specialisatie. Dat geldt ook voor de masteropleidingen. In het algemeen is de insteek: door scherp te kiezen en een gerichte profilering ontstaat min of meer vanzelf het effect dat bepaalde “zwakkere” onderdelen geleidelijk aan worden afgebouwd.

-De UT heeft veel sportfaciliteiten. Die ontbreken een beetje in het document, terwijl ze kansen kunnen bieden in het streven het aantal studenten uit te breiden.

De UT is hier ooit gekomen omdat Twente een zieltogende regio was. Het is dan ook van belang met het primaire proces iets te doen waarmee meerwaarde wordt gecreëerd voor de omgeving.

Reactie Flierman en Van Ast: Sport zou als onderdeel van de thematiek gezondheid aan de orde kunnen komen. Er vinden ook zeker gesprekken over plaats om na te gaan in hoeverre de UT zich op dat gebied meer kan profileren en hoe sportfaciliteiten ingezet kunnen worden voor onderwijs en onderzoek.

Flierman meldt nog dat het Nationaal Innovatieplatform eigenlijk wil dat alle universiteiten zich met valorisatie gaan bezighouden.

De universiteit doet al heel veel inspanningen op maatschappelijk vlak, maar zou zich wat dat betreft wat beter kunnen presenteren – de UT moet haar licht niet onder de korenmaat zetten.

-De UT doet onderzoek op bepaalde gebieden en dan kan ook op niveau onderwijs aangeboden worden. Maar er wordt relatief weinig gekeken waar de belangstelling van vwo-scholieren ligt en hoe daar op kan worden ingespeeld.

Reactie Flierman: Wat de eerste zin betreft: het kan ook andersom, namelijk door academisch onderwijs op bepaalde terreinen aan te bieden – het wezen daarvan is dat dat wordt gegeven door mensen die onderzoek doen. Natuurlijk moet naar de kwaliteit van het onderzoek worden gekeken. Maar vanuit het onderwijs geredeneerd kan gesteld worden dat daar ook onderzoek bij hoort en dat daarin dus ook geïnvesteerd moet worden. Onderzoek en onderwijs zijn beide belangrijk. Bij goed onderzoek hoort bijbehorend onderwijs, en bij voor de markt relevant onderwijs hoort goed onderzoek (bij de UT zijn dan ook diverse opleidingen gestart vanuit de gedachte dat ze hedendaagse studenten/middelbare scholieren aanspreken).

De voorzitter vult aan dat de campus als experimenteerplek en de sportfaciliteiten echt benut moeten worden; de UT moet daarin niet bescheiden zijn.


UReka:

-Het is een mooi document, vol ambities. Maar is het ook realistisch? Het vertrouwen daarin moet gekweekt worden.

Reactie Flierman: Ja, het is ambitieus. Het is een wezenskenmerk van een universiteit dat er ambities heersen en de competitie met de omgeving wordt aangegaan. Er moet hard aan gewerkt worden, ook aan het krijgen en houden van draagvlak.

-Sportfaciliteiten: Op dit gebied zijn er diverse knelpunten.

Reactie Flierman en Van Ast: Het kan altijd beter. Maar in Nederland zijn er maar één of twee plekken met een vergelijkbaar niveau aan sportfaciliteiten. Met de Student Union zijn afspraken gemaakt over bepaalde prioritaire investeringen.

-De studentenverenigingen lijken te ontbreken. De Student Union wordt één keer genoemd. Het is uniek dat de UT 100 verenigingen heeft, en dat mag genoemd worden.

Reactie Flierman: Er zal nog naar gekeken worden hoe studentenactivisme in het document aan de orde komt. In ieder geval hoort het absoluut bij de karakteristiek van de UT-afgestudeerden dat zij zich met activisme hebben beziggehouden. Daarmee kwalificeren zij zich voor verantwoordelijke posities.

-Er ontstaan steeds meer samenwerkingsverbanden – denk aan het Kennispark, de gemeente etc. De UT moet echter oppassen niet al te afhankelijk te worden, maar uitgaan van de eigen kracht. Het evenwicht moet behouden blijven.

Reactie Van Ast: Natuurlijk moet goed nagedacht worden over afhankelijkheid in samenwerkingsverbanden, maar verkenningen kunnen altijd gedaan worden. Wel zal bewust vastgesteld moeten worden waar de grens ligt. De UT wil “baas op eigen campus” blijven.

Wat het Kennispark betreft: Dat is in eerste instantie een economisch programma: het stimuleren van werkgelegenheid in Twente en verbetering van de infrastructuur om aantrekkelijk te zijn voor bedrijven om hun R&D-activiteiten hier onder te brengen. Daarmee wordt de universiteit niet afhankelijk. Juist de UT neemt de taak op zich om het inhoudelijk vorm te geven. Haar rol is vernieuwing te initiëren en niet om te gaan investeren voor bedrijven.

De voorbereidingen voor het reconstrueren van Langezijds naar een gebouw voor commerciële activiteiten bieden bij uitstek een kans voor de UT om een etalage te creëren en te laten zien wat ze te bieden heeft. Een van de randvoorwaarden is dat het zichzelf moet kunnen betalen.

Het is de bedoeling daarmee de campus als faciliteit ook veel meer activiteit te geven. En dan zal geaccepteerd moeten worden dat ook anderen ven bepaalde onderdelen gebruik gaan maken, zoals van de sportfaciliteiten. Bezien zal moeten worden hoe ver dat kan gaan.

-Er wordt gesproken over het aantal contacturen, kleinere groepen. Dat klinkt meer richting HBO. Bij sommige studies is dat zelfs niet haalbaar.

Reactie Flierman: Hij zou dat zo niet willen karakteriseren – een dergelijke manier van werken kan wel degelijk adequaat zijn.

-ISO meldt dat er voor matching-gesprekken geld beschikbaar zal zijn vanuit het rijk. Misschien is het interessant voor het college om daarnaar te kijken?

Reactie Flierman: Uiteraard wordt gekeken naar ondersteuningsmogelijkheden vanuit de overheid en naar andere mogelijkheden van donaties.

-Geld uit donaties wordt als interessant omschreven. Op zich is dat waar, maar in hoeverre is dat haalbaar? Het klinkt als een Amerikaans model, en dat lijkt alleen maar goed te functioneren bij de UvA.

-Zowel bij de 24/7-campus als bij onderwerpen als internationalisering speelt natuurlijk het punt van huisvesting. UReka zal daar binnenkort op terugkomen.

-Campusmanager: Zoiets had de UT eerder ook, maar die is weer afgeschaft. Waarom dan nu weer invoeren?

Reactie Flierman: Er was vroeger, maar dat is al heel lang geleden, een campusdecaan. Die zag toen vooral toe op de goede zeden op de campus. In het document wordt meer iemand bedoeld die stimuleert, aanjaagt, organiseert etc. Daarnaast moet ook de Student Union zeker doorgaan met wat ze doet, maar dat is alleen bedoeld voor studenten. En natuurlijk doet ook het Studium Generale al veel. Maar het gaat erom dat alles gemanaged wordt.

-Misschien zou het handig zijn om in het kader van een nieuw internationaal onderzoeksnetwerk partners te zoeken.

Reactie Flierman: Er wordt inderdaad gekeken naar mogelijkheden in dat kader op onderzoeksgebied.


CC:

-De achterliggende redenen lijken vaak te ontbreken.

Reactie Flierman: Daar wordt nog iets aan gedaan.

-Er zijn geluiden over het niet invullen van vacatures en over langere werktijden, Summerschool etc. Ook daarbij kan de vraag gesteld worden: Hoe wordt dat aangepakt?

Reactie Flierman: Op zichzelf is het waar dat het invullen van vacatures moeizaam verloopt. Maar dat heeft ook te maken met het niet zo herkenbaar zijn van de UT.

-Er wordt nog steeds gestuurd op input. Maar er moet zeker ook gestuurd worden op output.

Reactie Flierman: Uiteraard moet niet direct gestuurd worden op het aantal studenten dat de UT wil binnenhalen, maar op de diploma’s die zij halen. Overigens moeten die studenten wel eerst binnen zijn. Vervolgens hoort studiebegeleiding e.d. zeker ook hierin thuis – dat zit allemaal in het hoofdstuk “Echt UT-onderwijs”.

Wat betreft het sturen op output en diploma’s: dat zou een goede argumentatie zijn voor de zgn. harde knip, want die dwingt studenten om hun bachelordiploma te halen.

-Uit het document blijkt niet direct dat gestreefd wordt naar hoge kwaliteit.

Reactie Flierman: Dat staat er wel degelijk een aantal keren in.


Afgesproken wordt dat de UR-fracties alles waar zij het nog met het college over willen hebben op schrift zullen zetten, zodat het college zich daar voorafgaand aan het eerstvolgende overleg over dit onderwerp over kan buigen.


8.ECIU – invulling voorzitterschap UT (UR 08-345)

In de overlegvergadering van 25 juni jl. is afgesproken dat Flierman wat meer toelichting zou geven op de ECIU en haar plannen voor de toekomst.

Hij vertelt dat de UT al 11 jaar (vanaf het begin) deelneemt in ECIU. Sinds medio 2008 is Flierman voorzitter. Het consortium heeft in de achterliggende periode veel goede dingen gedaan, maar sommige dingen kunnen ook beter en er zou ook naar vernieuwing gekeken kunnen worden. Goede dingen zijn:

-Best practices op het gebied van management en t.a.v. het bedrijfsleven.

-HRM: leadership development program.

-Er is een aantal joint masterprogramma’s.

Wat beter zou moeten:

-Veel meer studentenuitwisseling, waarbij een ECIU-lid preferred partner zou kunnen zijn. Zo’n uitwisseling moet goed gefaciliteerd worden.

-Tot op heden is ECIU in beperkte kring goed bekend, maar dat zou breder moeten.

Nieuwe activiteiten zouden kunnen zijn:

-Kijken naar interessante researchpartners in het consortium.

-Begeleiding van promovendi.

-Accreditatie en benchmarking meer gezamenlijk doen.

-Komen tot een strategiedocument.


Op de vraag of de UT alleen moet inzetten op de ECIU of dat er ook in meer kleinere netwerken deelgenomen zou moeten worden antwoordt Flierman dat de verschillende onderzoeksinstituten ook hun eigen netwerken hebben. Voor de zichtbaarheid van de UT op Europees niveau en voor de beïnvloeding van de Europese agenda is een consortium als de ECIU heel goed en nuttig, naast de meerwaarde op het gebied van uitwisseling van studenten.


Volgens Ziehmer moet de studentenuitwisseling beter worden; er moeten nog meer onderwijsprogramma’s op elkaar afgestemd worden, en ook joint degrees bieden mogelijkheden.

Volgens Flierman heeft een aantal van de joint masters van de UT al wel de gewenste kwaliteit.


9.Voortgang 3TU-proces

Volgens de voorzitter heeft de UR weinig aan te merken op het 3TU-evaluatierapport. Er is nu een toekomstnota van de 3TU-federatie op komst, en de UR wacht dat ontwikkelingsplan met belangstelling af.

Flierman denkt dat daar wellicht in de januari- of februaricyclus over gesproken kan worden.


10.Schriftelijke rondvraagpunten (UR 08-352)

Volgens de UR kijkt het Engelstalige buitenland bezorgd naar de groeiende markt van “goedkope” Engelstalige masters in de Bologna-landen. De vraag wordt gesteld hoe de UT een zo groot mogelijk stuk van de rendabele markt EER- en niet-EER-studenten naar Twente denkt te halen. En welke rol gaan joint degrees met ECIU-partners daarin spelen? Welke joint degrees met ECIU-partners kunnen Nederlandse en buitenlandse UT-studenten volgend collegejaar verwachten?


M.b.t. joint degrees vertelt Flierman dat de UT in een aantal van dat soort programma’s meedoet. Het college kan daarin een stimulerende en ondersteunende rol spelen, maar het vraagt ook actie van het opleidingsmanagement en de decanen. Dit thema staat in het kader van de internationalisering nadrukkelijk op de agenda.

Het aanboren van de buitenlandse markt voor masteropleidingen gebeurt door gericht in te zetten op de werving van buitenlandse studenten (uit bijvoorbeeld China en Indonesië). Daarbij hoort ook het beurzenfonds: er moet beschikt kunnen worden over de nodige middelen voor de studenten.


Joint degrees bieden echt een kans, volgens Ziehmer. Door daaraan mee te doen laat de UT zien dat ze de internationalisering serieus neemt. Wat de marketing betreft: de ISB biedt een belangrijke mogelijkheid om in het buitenland te laten zien dat het goed gaat met de internationalisering.


Flierman zegt toe schriftelijk te zullen rapporteren over wat de UT al doet t.a.v. joint degrees en aan te geven wat de ideeën voor de toekomst zijn.


11.Rondvraag

Van Alsté vraagt of het college een doorkanteling overweegt in de richting van schools & institutes. Als voorbeeld noemt hij de school of engineering: de kennis die daarvoor nodig is, is verdeeld over verschillende faculteiten. Hij zou het plezierig vinden als eens zou worden afgestapt van al die verschillende faculteiten in relatie tot de instituten (door bijvoorbeeld over te gaan naar twee faculteiten).

Flierman stelt voor dit op te pakken in het kader van de discussie over RoUTe 14.


Oudalov informeert wat het college vindt van de harde knip, en van de brief daarover van de LSVB.

Flierman zegt nog geen brief te hebben gezien. Het college vindt de harde knip op zichzelf een verstandige maatregel, mits ingevoerd met beleid en verstand en met goede spelregels.


Dierkes: In Tilburg krijgen docenten die hun tentamens niet op tijd af hebben een boete. Wordt daar ook bij de UT over gedacht?

Flierman antwoordt dat de UT dat niet van plan is. Wel vindt het college dat onderwijsprestaties, onderwijskwaliteit en een evaluatie van de verzorging van onderwijs in de jaargesprekken veel nadrukkelijker aandacht moeten krijgen dan nu het geval is.


Ziehmer attendeert erop dat het college van de Universiteit Utrecht een notitie heeft geschreven met als doelstelling meer Duitse studenten te werven.


De voorzitter wijst erop dat er zorgen zijn over de indruk die potentiële studenten van de huidige campus (bouwwerkzaamheden, rommel etc.) krijgen tijdens de voorlichtingsdagen. Van Ast verzekert hem dat daar uitgebreid aandacht voor zal zijn.


12.Sluiting

Om 11.55 uur sluit de voorzitter de vergadering.


*****