Agendapunten

RICHTLIJN BINDEND STUDIEADVIES UNIVERSITEIT TWENTE

§Artikel 1: Het onderwijs

§Artikel 2: Studiebegeleiding

§Artikel 3: Dossiervorming

§Artikel 4: Het studieadvies

§Artikel 5: Inschrijving en overgangsbepalingen

§Artikel 6: Beroep

§Artikel 7: Citeertitel en slotbepalingen

§Procedure

Het College van Bestuur van de Universiteit Twente, gelet op artikel 7.8b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek juncto artikel 9.2, tweede lid, van die wet alsmede op artikel 9.5 van de genoemde wet, besluit de Richtlijn bindend studieadvies Universiteit Twente vast te stellen, luidende als volgt:

Artikel 1. Het onderwijs

Deze Richtlijn is uitsluitend van toepassing op de door het instellingsbestuur aangewezen bacheloropleidingen, in voltijd- en in deeltijdvorm, die blijkens de Onderwijs- en Examenregeling het bindend studieadvies (BSA) voeren.

Artikel 2. Studiebegeleiding

2.1 De studiebegeleiding in de bacheloropleiding wordt beschreven in de Onderwijs- en Examenregeling.
2.2 In de onderhavige richtlijn wordt voor de propedeutische fase in ieder geval het volgende vastgelegd:
a het kennismakingsgesprek, dat vóór eind oktober met elke student die voor het eerst voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding wordt of is ingeschreven, wordt gehouden door de studieadviseur of in voorkomende gevallen door een aangewezen docent; 
b de brief, die door de opleiding voor 1 november aan al haar studenten wordt gestuurd en waarin de normen voor het eerste studieadvies als bedoeld in lid g, het tweede studieadvies als bedoeld in lid h en het eindadvies als bedoeld in lid j zijn vastgelegd, evenals de procedure rond de uitvoering van het bindend studieadvies;
c het mentoraat ten behoeve van eerstejaars. Daartoe aangewezen docenten zijn verantwoordelijk voor de structurering van de studieomgeving, bieden ondersteuning bij het leren studeren, en vormen voor de eerstejaarsstudenten het eerste aanspreekpunt van de bacheloropleiding;
d het - op verzoek van de student - aanbieden van een aan de omstandigheden aangepast studieplan aan studenten bij wie de studievoortgang gehinderd wordt door persoonlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 3.2; 
e ten minste twee tentamens voor medio januari; 
f het oproepen van de student voor een gesprek vóór 25 januari voor voltijdstudenten en vóór het einde van het studiejaar voor deeltijdstudenten als het advies bedoeld in artikel 2.2g, negatief is.
g het eerste studieadvies, dat voor voltijdstudenten uiterlijk op 25 januari in het eerste jaar van inschrijving en voor deeltijdstudenten in het eerste jaar van inschrijving, na het reguliere onderwijs en tentamens maar vóór de laatste ronde van hertentamens in dat desbetreffende jaar, schriftelijk aan elke student die voor het eerst voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding is ingeschreven, wordt uitgebracht; 
h het tweede studieadvies, dat voor de voltijdstudenten in het eerste jaar van inschrijving en voor de deeltijdstudenten in het tweede jaar van inschrijving, uiterlijk vóór de laatste ronde van hertentamens in dat desbetreffende jaar, schriftelijk aan elke student wordt uitgebracht; 
i het oproepen van de student voor een gesprek - vóór het uitbrengen van het studieadvies bedoeld in artikel 2.2j - als het advies bedoeld in artikel 2.2h negatief is.
j het eindadvies bedoeld in artikel 7.8b, derde lid, van de WHW dat uiterlijk 31 augustus van het eerste studiejaar aan elke voltijdstudent die voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding is ingeschreven en uiterlijk 31 augustus van het tweede studiejaar aan elke deeltijdstudent die voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding is ingeschreven, schriftelijk wordt uitgebracht. 


Artikel 3. Dossiervorming

3.1 Namens de examencommissie van de opleiding houdt de studieadviseur van iedere student die voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding is ingeschreven een dossier bij. In dit dossier worden opgenomen: een beknopte schriftelijke weergave van elk formeel contact van de bacheloropleiding met de student, waaronder in ieder geval het kennismakingsgesprek, de brief als bedoeld in artikel 2.2b en de adviesmomenten.
3.2 Elke student dient terstond bij de studieadviseur van de opleiding (en desgewenst in verband met eventueel mogelijke financiële compensatie tevens bij de studentendecaan) melding te maken van de persoonlijke omstandigheden die aanleiding zouden kunnen vormen om van het verbinden van een afwijzing aan het advies, bedoeld in artikel 7.8b, eerste lid, van de WHW, af te zien.
3.3 In het dossier als bedoeld in het eerste lid wordt een aanduiding van de persoonlijke omstandigheden van de student, als bedoeld in art. 7.8b, derde lid, van de WHW opgenomen, alsmede indien van toepassing het aan de persoonlijke omstandigheden aangepaste studieplan dat de bacheloropleiding met de student heeft vastgelegd.
3.4 Elke student heeft het recht zijn dossier, bedoeld onder 3.1, in te zien en daaraan desgewenst zijn bezwaren tegen de inhoud van hetgeen daarin is opgenomen toe te voegen.

Artikel 4. Het studieadvies

4.1 Het advies, bedoeld in artikel 2.2j, is positief als op het moment dat het advies wordt uitgebracht de propedeuse van de desbetreffende bacheloropleiding is afgerond.
a Het advies, bedoeld in artikel 2.2j, is negatief en afwijzend indien op het moment dat het advies van de desbetreffende bacheloropleiding wordt uitgebracht de BSA-norm als bedoeld in artikel 2.2b niet is behaald.
b In de Onderwijs- en Examenregeling kunnen aanvullende eisen worden gesteld over het afronden van onderdelen van de propedeuse. Het advies, bedoeld in artikel 2.2j, is negatief en afwijzend indien de student niet heeft voldaan aan de voor de desbetreffende bacheloropleiding vastgestelde aanvullende eisen over af te ronden onderdelen van de propedeuse zoals deze zijn opgenomen in de Onderwijs- en Examenregeling.
4.2 Aan het advies, bedoeld in artikel 2.2j wordt geen afwijzing verbonden indien persoonlijke omstandigheden van de student, opgenomen in het dossier bedoeld onder 3.2, de oorzaak zijn geweest van het niet behalen van de norm als bedoeld in artikel 2.2b. Indien een persoonlijk studieplan zoals bedoeld in artikel 3.3 aanwezig is, wordt het al dan niet verbinden van een afwijzing aan de bedoelde adviezen in bedoelde situatie bepaald door de behaalde studieresultaten te vergelijken met het persoonlijke studieplan.
4.3 De verdere procedure rond persoonlijke omstandigheden is uitgewerkt in de bijlage bij deze richtlijn en maakt daar onderdeel van uit.
4.4 De afwijzing geldt gedurende de drie studiejaren na het studiejaar waarin het advies is uitgebracht.
4.5 Indien een afgewezen student zich na drie of meer studiejaren opnieuw voor de propedeutische fase van de desbetreffende bacheloropleiding inschrijft, wordt deze inschrijving aangemerkt als diens eerste inschrijving.
4.6 De afwijzing geldt tevens voor die bacheloropleiding waarmee de bacheloropleiding de gehele propedeuse gemeen heeft.
4.7 Indien aan het advies een afwijzing wordt verbonden, wordt de betrokken student in dat advies tevens gewezen op andere opleidingsmogelijkheden.
4.8 Het eerste en het tweede studieadvies als bedoeld in artikel 2.2g en h en het eindadvies als bedoeld in artikel 2.2j worden uitgebracht door de examencommissie die daartoe gemandateerd is door de decaan. De studieadviseur ondersteunt hierin de examencommissie.

Artikel 5. Inschrijving en overgangsbepalingen

5.1 Aan een student van wie vóór 31 januari van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een bacheloropleiding, het schriftelijke verzoek tot uitschrijving van de opleiding is ontvangen – en die feitelijk per 1 maart wordt uitgeschreven – wordt geen advies als bedoeld in artikel 2.2j uitgebracht. Indien bedoelde student zich opnieuw voor de propedeutische fase van de desbetreffende bacheloropleiding inschrijft, wordt deze inschrijving aangemerkt als diens eerste inschrijving.
5.2. Een student die vóór 1 februari van het eerste jaar van inschrijving voor de propedeuse zijn inschrijving wijzigt van voltijd naar deeltijd, wordt voor de uitvoering van deze richtlijn als deeltijdstudent beschouwd.
5.2a Een student die na 1 februari van het eerste jaar van inschrijving voor de propedeuse zijn inschrijving wijzigt van voltijd naar deeltijd, wordt voor de uitvoering van deze richtlijn beschouwd als voltijdstudent.
5.2b Een student die op enig moment van inschrijving voor de propedeutische fase zijn inschrijving van deeltijd student wijzigt in voltijd, wordt voor de uitvoering van deze richtlijn verder beschouwd als voltijdstudent.
5.3 De inschrijving van een student die zich vanaf 1 september 2009 voor de propedeutische fase van een bacheloropleiding inschrijft en die eerder dan die datum voor dezelfde bacheloropleiding was ingeschreven als voltijdstudent en eerder een negatief studieadvies als bedoeld in artikel 7.8b, eerste lid, van de WHW, ontving waar op grond van persoonlijke omstandigheden geen afwijzing aan was verbonden, wordt voor de uitvoering van deze richtlijn als eerste inschrijving beschouwd.
5.4 Voor studenten die in de periode 1 september 1997 – 1 september 2009 ten minste twaalf maanden aaneengesloten als deeltijdstudent ingeschreven zijn geweest, is deze richtlijn niet van toepassing.
5.5 De examencommissie van een bacheloropleiding kan artikel 4 buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze richtlijn beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 6. Beroep

Betrokkene kan beroep instellen bij het College van Beroep voor de Examens tegen een negatief bindend studieadvies als bedoeld in artikel 4. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na dagtekening van het besluit.

Artikel 7. Citeertitel en slotbepalingen

7.1 Deze richtlijn wordt aangehaald als: Richtlijn bindend studieadvies Universiteit Twente.
7.2 Deze richtlijn treedt in werking de dag na vaststelling daarvan door het College van Bestuur.

Door het CvB vastgesteld op 24 november 2008.


Procedure rond persoonlijke omstandigheden van de student in het kader van het bindend studieadvies (in samenhang met de regeling "financiële ondersteuning studenten").

1. Inleiding

In het uitvoeringsbesluit WHW is uitvoering gegeven aan lid 3 van artikel 7.8b. In het besluit wordt aangegeven met welke persoonlijke omstandigheden bij het geven van het advies aan het eind van het jaar rekening moet worden gehouden.

ziekte/handicap;
bijzondere familieomstandigheden;
zwangerschap;
bestuurslidmaatschap.

Namens het CvB beoordeelt de BSA-commissie of en in welke mate er sprake is van persoonlijke omstandigheden. De BSA-commissie wordt gevormd door het hoofd van de studentenpsychologen, een studentendecaan, de voorzitter van de CVA, een niet-betrokken studieadviseur en een niet-betrokken opleidingsdirecteur.

De basisprocedure is als volgt:

De student meldt bij de studieadviseur dat de studie hinder ondervindt door persoonlijke/ bijzondere omstandigheden.

De studieadviseur en student maken samen een studieplan dat recht doet aan de omstandigheden. Het studieplan wordt opgenomen in het BSA-dossier van de student.

De student stuurt een persoonlijke verklaring over de ernst, de duur en de aard van de omstandigheden met bewijsstuk naar de Rode Balie in de Bastille: Universiteit Twente, secretaris BSA-commissie, De Rode Balie, Postbus 217, 7500 AE Enschede.

De BSA-commissie beoordeelt de geldigheid, de verwachte duur en de ernst van de persoonlijke omstandigheden. Hierover wordt verslag uitgebracht aan de examencommissie (door tussenkomst van de studieadviseur).

De examencommissie houdt in haar studieadvies rekening met de gevolgen van de persoonlijke omstandigheden voor de studievoortgang - zover die door de BSA-commissie erkend worden - en beoordeelt de geleverde studieprestatie in het licht van het aangepaste studieplan.

2. Procedure per categorie persoonlijke omstandigheid in het kader van het BSA

2.1. Ziekte

Indien door ziekte de studievoortgang wordt gehinderd moet de student dit terstond melden bij de studieadviseur en desgewenst in verband met eventueel mogelijke financiële compensatie tevens bij de studentendecaan. De student moet in overleg treden met de studieadviseur over mogelijke aanpassingen in het studieprogramma opdat de studievoortgang zo min mogelijk wordt belemmerd. Dit aangepaste studieplan wordt opgenomen in het BSA-dossier van de student als bedoeld in artikel 3.1 en 3.3. Indien ten gevolge van ziekte studievertraging optreedt, kan de student contact opnemen met de studentendecaan in verband met de eventuele toepassing van de Regeling afstudeersteun. De student stuurt daartoe een persoonlijke verklaring over de ernst, de duur en de aard van de omstandigheden – binnen drie maanden en in ieder geval vóór 1 augustus van het betreffende studiejaar naar: Universiteit Twente, Secretaris BSA-commissie, De Rode Balie, Postbus 217, 7500 AE Enschede. De BSA-commissie beoordeelt de geldigheid, de duur en de ernst van de persoonlijke omstandigheden. De student moet een verklaring van een arts of psycholoog meesturen. De verklaring dient aan te geven in welke mate de studievoortgang is belemmerd door de ziekte en een inschatting van de ziekteperiode te geven. De student kan voor het verkrijgen van een deskundigenverklaring contact opnemen met een campusarts. Aan de hand van de verklaring van de deskundige, de eventuele schriftelijke rapportage van de studieadviseur en de verklaring van de student maakt de BSA-commissie een verklaring t.b.v. de examencommissie. In deze verklaring staat vermeld gedurende welke periode en in welke mate de studievoortgang door persoonlijke omstandigheden is belemmerd. De examencommissie houdt in haar studieadvies rekening met de in de verklaring genoemde gevolgen van de persoonlijke omstandigheden voor de studievoortgang en beoordeelt de geleverde studieprestatie in het licht van het aangepaste studieplan.

2.2. Handicap

Een student die eventueel studievertraging gaat oplopen vanwege een functiestoornis dient in overleg te treden met de studieadviseur over mogelijke aanpassingen in het studieprogramma, opdat de studie met zo min mogelijk vertraging kan worden gevolgd. Als er ten gevolge van de handicap toch vertraging optreedt of dreigt op te treden, moet de student terstond contact opnemen met een studentendecaan. De student dient te beschikken over een medische verklaring waaruit blijkt in welke mate de student in het functioneren wordt gehinderd. De student kan voor het verkrijgen van bedoelde verklaring contact opnemen met een campusarts. De desbetreffende gegevens en de uitkomsten van een eventueel gesprek tussen de studentendecaan en de student leiden tot een verklaring van de BSA-commissie t.b.v. de examencommissie. Hierin vermeldt de BSA-commissie in ieder geval in welke mate de studie door persoonlijke omstandigheden wordt beïnvloed. Het aangepaste studieplan wordt opgenomen in het BSA-dossier van de student. De examencommissie houdt in haar studieadvies rekening met de in de verklaring genoemde gevolgen van de persoonlijke omstandigheden voor de studievoortgang en beoordeelt de geleverde studieprestatie in het licht van het aangepaste studieplan.

2.3. Zwangerschap/bevalling

Bij zwangerschap wordt een studente vier maanden rond de bevalling niet of nauwelijks in staat geacht studievoortgang te boeken. De studente kan met de studieadviseur in overleg treden over mogelijke aanpassingen in het studieprogramma opdat de studie met zo min mogelijk vertraging kan worden voortgezet. Dit studieplan wordt opgenomen in het BSA-dossier van de studente. De studente stuurt voor augustus van het betreffende studiejaar een eigen verklaring plus bewijsstuk van de uitgerekende datum naar Universiteit Twente, Secretaris BSA-commissie, De Rode Balie, Postbus 217, 7500 AE Enschede. De BSA-commissie schrijft een verklaring t.b.v. de examencommissie. Als de bevalling plaatsvindt tijdens het studiejaar, of maximaal twee maanden daarvoor of twee maanden daarna, dient de examencommissie bij het uitbrengen van het studieadvies rekening te houden met deze persoonlijke omstandigheid. De examencommissie houdt in haar studieadvies rekening met de in de verklaring genoemde gevolgen van de persoonlijke omstandigheden voor de studievoortgang en beoordeelt de geleverde studieprestatie in het licht van het aangepaste studieplan.

Indien de studievertraging meer bedraagt dan de genoemde vier maanden moet er, voor de periode dat de vertraging langer duurt, een andere grond dan zwangerschap/bevalling zijn.

 2.4. Bijzondere familieomstandigheden

Indien het door ernstige familieomstandigheden niet mogelijk is voldoende concentratie voor de studie op te brengen of voldoende tijd aan de studie te besteden, kan de student in overleg treden met de studieadviseur over mogelijke aanpassingen in het studieprogramma opdat de studievoortgang zo min mogelijk wordt belemmerd door deze omstandigheden. Dit studieplan wordt opgenomen in het BSA-dossier van de student. Indien toch studievertraging optreedt ten gevolge van deze omstandigheden dient de student voor augustus van het betreffende studiejaar een eigen verklaring omtrent de aard, de duur en de ernst van de omstandigheden en een bewijsstuk te sturen naar Universiteit Twente, Secretaris BSA-commissie, De Rode Balie, Postbus 217, 7500 AE Enschede. De student moet een verklaring van een arts of psycholoog meesturen. De verklaring dient aan te geven in welke mate de studievoortgang is belemmerd door de bijzondere familieomstandigheden en een inschatting te geven van de periode waarin de vertraging zich zal voordoen of heeft voorgedaan. De BSA-commissie schrijft een verklaring t.b.v. de examencommissie. In die verklaring vermeldt de BSA-commissie in ieder geval over welke periode en in welke mate de studieresultaten door persoonlijke omstandigheden negatief zijn beïnvloed. De examencommissie houdt in haar studieadvies rekening met de in de verklaring genoemde gevolgen van de persoonlijke omstandigheden voor de studievoortgang en beoordeelt de geleverde studieprestatie in het licht van het aangepaste studieplan.

2.5. Bestuurslidmaatschap

De student die zitting wil nemen in het bestuur van een studie- of studentenvereniging of in een universitair bestuursorgaan kan in overleg treden met de studieadviseur over eventueel mogelijke aanpassingen in het studieprogramma. Dit studieplan wordt opgenomen in het BSA-dossier van de student. Indien na dit overleg blijkt dat er studievertraging zal optreden als gevolg van genoemde werkzaamheden, neemt de student contact op met de BSA-commissie. Dit dient te geschieden vóórdat de bestuurswerkzaamheden een aanvang nemen. De BSA-commissie maakt een verklaring t.b.v. de examencommissie. In die verklaring vermeldt de studieadviseur of het om werkzaamheden gaat die worden erkend in het kader van deze richtlijn en de mate waarin de bedoelde werkzaamheden de studie hinderen. De BSA-commissie laat zich hierbij leiden door de WHW en door de in het studentenstatuut opgenomen lijst erkende studentenorganisatie (Studentenstatuut bijlage 5.1.b) en laat zich daarbij zonodig adviseren. De examencommissie houdt in haar studieadvies rekening met de in de verklaring genoemde gevolgen van de persoonlijke omstandigheden voor de studievoortgang en beoordeelt de geleverde studieprestatie in het licht van het aangepaste studieplan.

3. Overige bepalingen

3.1. Negatief studieadvies

Indien de examencommissie in kennis is gebracht van erkende persoonlijke omstandigheden en toch een negatief eindadvies uitbrengt, wordt in het advies vermeld in hoeverre rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden. 

3.2. Studie staken

-         Studenten die ná 1 februari van het eerste jaar van inschrijving voor betreffende studie een verzoek tot uitschrijving hebben ingediend en daarvoor naar het oordeel van de BSA-commissie geen aannemelijke reden aanvoeren, dienen een negatief advies te krijgen als zij niet aan de norm als bedoeld in artikel 2.2b hebben voldaan.

-         Aan studenten die vóór 1 februari een verzoek tot uitschrijving hebben ingediend (en op grond daarvan uiterlijk per 1 maart zijn uitgeschreven voor de betreffende opleiding) wordt dat studiejaar géén (bindend) studieadvies gegeven. Bij inschrijving in een volgend studiejaar wordt die inschrijving in het kader van deze richtlijn als eerste inschrijving beschouwd.

3.3. Studieonderbreking

Indien de studie na 1 februari van het eerste jaar van inschrijving voor betreffende studie wordt onderbroken ten gevolge van één van de persoonlijke omstandigheden, wordt het definitieve advies zo mogelijk bepaald door het laatst uitgebrachte studieadvies voordat de omstandigheden een aanvang namen. In het geval dat dit advies niet negatief was en de student kan aantonen dat de studie in overleg met de studentendecaan op grond van de desbetreffende omstandigheden is onderbroken kan het advies aan het einde van het betreffende studiejaar niet bindend zijn.

Bijvoorbeeld als een student in april ziek wordt en zijn studie onderbreekt terwijl uit de studieresultaten t/m maart blijkt dat hij geschikt is voor de opleiding, dan zijn er voldoende gronden om deze student geen bindend advies te geven. Bleven de resultaten tot het moment waarop hij ziek werd onder de norm voor die periode dan dient de student een negatief advies te ontvangen.

3.4 Hardheidsclausule

De examencommissie heeft tevens de beschikking over een hardheidsclausule: indien de studieresultaten van een student niet voldoen aan de norm, kan zij besluiten om geen afwijzend studieadvies uit te brengen op grond van "onbillijkheden van overwegende aard". Anders gezegd: indien de examencommissie op basis van de wel behaalde studieresultaten, de gebleken studiehouding en -motivatie overtuigd is van de geschiktheid van een student om de opleiding met succes te volgen, kan zij beslissen géén bindend negatief advies uit te brengen.