reactie van de Raad

7. Brief UR Uitgangspunten Financieel Verdeelmodel

logo Universiteitsraad UT

universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 500




Aan het College van Bestuur




Uw kenmerk

FEZ/380.127

Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 07-377

Fax


Datum

9 november 2007

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

Betreft: eerste bespreking verdeelmodel



Geacht college,



In de commissie FVA van 31 oktober heeft een eerste bespreking van het door u voorgestelde verdeelmodel plaats gevonden. Met deze brief willen wij u aangeven op welke onderdelen van dit plan wij van mening zijn dat een verdere bespreking gewenst is. Het betreft hierbij zowel punten waarvan de UR een andere invulling zou wensen, als punten waarbij een heldere definitie van parameters gewenst is. De aandachtspunten van de UR zijn:


1.Aansluiting met landelijk verdeelmodel.

Recent zijn de vier landelijke belangenpartijen het eens geworden over de vraag hoe de landelijke onderwijsbekostiging van het hoger onderwijs er uit zal komen te zien. Het ministerie heeft aangegeven deze plannen te willen overnemen. Het plan lijkt een goed uitgangspunt te vormen voor het verbeteren van het vigerende model en is onder andere gebaseerd op een student volgende bekostiging. Is er een analyse van de vraag op welke wijze met name het onderwijsdeel van het UT verdeelmodel stabiel is ten opzichte van dit nieuwe model? En in hoeverre wil het college proberen aan te sluiten bij het oude/nieuwe

landelijke verdeelmodel?


2.Toerekening overhead aan tweede en derde geldstroominkomsten.

Het college blijft kiezen voor een systeem waarin de 1e gs inkomsten de lasten dragen voor de centrale voorzieningen. Met name door 3e gs omzet niet te betrekken in de bekostiging van centrale voorzieningen vindt naar de mening van de UR een ongewenste sterke premiering plaats van in principe kostendekkende projecten. Het principe van kosten- dekkend omvat ten slotte ook het opnemen van kosten in een project dat de UT centraal, i.e. vanuit de 1e gs, betaalt. Ook omdat hierdoor de beschikbare middelen vanuit de 1e gs voor onderwijs dalen, blijft de UR dit een niet-juiste handelswijze vinden.


3.Relatieve omvang ECTS-deel en infrastructuur component

Via de ECTS component worden middelen verdeeld over de aanbieders van onderwijs, terwijl de infrastructuur component middelen toedeelt aan de diverse opleidingen. Een dergelijk systeem maakt het noodzakelijk dat er ook een heldere beschrijving is welke kosten door wie gedragen worden. Deze toewijzing dient zo te zijn dat een logische verdeling ontstaat die ook beïnvloedbaar is door de partij die de kosten draagt. Kosten voor collegezalen horen naar de mening van de UR bij infrastructurele kosten. De opleiding is op de hoogte van de benodigde zaalomvang, verroostering en gewenste onderwijsvorm en daarmee de aangewezen invuller van deze component. Ten tweede is met de EMB operatie een deel van de infrastructurele kosten ten behoeve van BOZ’s centraal komen te liggen. Een wijziging in omvang van de infrastructurele component en de relatieve verhouding tussen zwaar technisch en niet- zwaar technisch mag dan ook verwacht worden door deze operatie. Tot slot is er een slechte relatie met het ministeriële model dat een vaste voet met een behoorlijke omvang kent. Is het niet wenselijk om voor de financierbaarheid en prijs- stabiliteit ook een vaste voet in het onderwijsmodel in te voeren?


4.Grondslag infrastructurele component voor opleiding

De infrastructurele component wordt bepaald op basis van het aantal eerstejaars. Voor masteropleidingen wordt dit ook via eerstejaars gedaan. Instroomcijfers van bijvoorbeeld september laten echter vaak een schrikbarend laag aantal inschrijvingen voor master studenten zien. Dit wordt met name veroorzaakt doordat veel studenten gradueel overgaan van bachelor in master fase. Op welke wijze is het baseren op aantallen eerstejaars een voldoende goede afbeelding van het aantal studenten in zowel bachelor als masterfase? Een eenvoudige oplossing voor dit probleem is de harde knip. De UR vindt het echter onwenselijk om administratieve eenvoud leidend te laten zijn voor het onderwijsbeleid.


5.Wat bepaalt Bachelor of Master karakter van een vak

Voor het verdeelmodel is het belangrijk of een vak als bachelor dan wel als master wordt geregistreerd. Dit wordt uiteindelijk bepaald door de opname van een vak in het opleidingspakket van de individuele bachelor of master student. Bij registratie moet dan ook duidelijk zijn waar een vak thuishoort. Echter verwevenheid van studenten in bachelor en masterfase maakt zo’n toewijzing niet altijd evident, aangezien voor de student het uiteindelijke vakkenpakket vaak pas een rol speelt op het moment dat de examencommissie de uitslag van het bachelor dan wel master examen vaststelt. De mogelijkheid voor een heldere toedeling is dan ook gewenst. Ziet het college mogelijkheid om zo’n heldere invulling te maken?


6.Volumebeleid

Het college is voornemens om de uitvoering van het volumebeleid door WD’n te toetsen over drie jaar. Een dergelijke toetsing heeft echter als voorwaarde dat het volumebeleid binnen instituten vorm gekregen heeft. Inmiddels is via de budgettering van de eenheden het volumebeleid al enkele jaren in werking. Decentraal ontbreekt het nog aan de invulling van een volumebeleid. Kan het college aangeven op welke wijze zij het doorvertaalde volumebeleid op decentraal niveau wil toetsen als op dit moment een nulmeting niet realiseerbaar is?


7.Centrale stimulering

Het college stelt voor om de middelen voor centrale stimulering te verdelen volgens 1/3 strategische projecten en 2/3 beleidsrijk modelmatig toewijzen op basis van past performance met een kwalitatief hoog karakter. Hierbij speelt de bestuurlijke agenda een belangrijke rol. Kan het college aangeven wat verstaan wordt onder de term ‘beleidsrijk modelmatig’? Dit lijkt een intern tegenstrijdig begrip. De past performance met een hoog kwalitatief karakter doet vermoeden dat deze projecten vooral op onderzoek betrekking hebben. De 1/3 strategische projecten moeten dan vooral aan de onderwijskant gedacht worden? Welk beleid ziet het college voor zich om te komen tot de keuze aan met name de onderzoekskant? Wordt hier gedacht aan bijvoorbeeld profilering op het gebied van gezondheid / medische wetenschap? Bij vorige stimuleringsronden zijn er enkele negatieve effecten geweest. Wij zouden graag van het college vernemen op welke wijze het college deze negatieve effecten van de vorige wijze van inzet van de centrale stimuleringsmiddelen wil vermijden.


Tot slot hecht de UR er aan dat het college haar visie op de positie van de leerstoel duidelijk uitdraagt. Wij hechten hieraan aangezien met de introductie van het verdeelmodel in 2002 de leerstoel als business unit een kernbegrip werd. Richting de leerstoelen is deze gedachte sterk uitgedragen. Het college heeft in vorige overlegvergaderingen aangegeven dat deze invulling verlaten is / wordt. De UR onderschrijft deze verandering. Een duidelijke en herhaalde wijziging van visie op de positie van de leerstoel richting leerstoelen is sterk gewenst.


Met vriendelijke groet,

namens de Universiteitsraad,



ir. T.M.J. Meijer

voorzitter