agendapunten

8. Brief CvB beantwoording advies UR nota onderzoek

Aan de voorzitter van

de Universiteitsraad





telefoon

053-489 2020

ons kenmerk

ABZ/379.154/me

fax

053-489 4898

datum

7 juni 2007

e-mail

m.l.g.essers@utwente.nl





onderwerp

nota onderzoeksbeleid




Per brief van 10 mei jl., kenmerk UR 07-158 gaf u ons uw reactie op de nota onderzoeksbeleid. Vooruitlopend op het overleg d.d. 12 juni a.s. ontvangt u bij deze onze eerste reactie.


In uw brief kwam u tot het volgende advies:

De relatie tussen WD’n en decanen zodanig aan te passen dat deze niet alleen rust op ‘bestuurlijke redelijkheid’ maar ook voorziet van mechanismen die integraal en adequaat bestuur bevorderen.

Een adequaat medezeggenschapsplan ter instemming wordt voorgelegd waarin inspraak op de snijvlakken van onderzoek, onderwijs en personeelsbeleid wordt afgedekt.


Wij concluderen dat u in uw reactie enkele onderdelen van de organisatorische ‘kanteling’ aan de orde stelt en niet zozeer het onderzoeksbeleid dat in de nota centraal staat. Wij merken op dat de kanteling al jaren geleden is ingezet en eind vorig jaar door het UMT is afgerond met een brief van december 2006 aan alle leerstoelhouders. De Universiteitsraad heeft die brief en eerdere documentatie ook ontvangen, hetgeen overigens destijds niet tot reactie heeft geleid. Wij wijzen er ook op dat het merendeel van het onderzoek al geruime tijd in de instituten is ingebed en onder de programmatische aansturing van de WD is gebracht. In bestuurlijk-organisatorische zin is momenteel slechts sprake van voltooiing, afronding en precisering van een al lang lopend proces. De consequenties van e.e.a. krijgen binnenkort hun beslag in het BBR en in de reglementen van de afzonderlijke eenheden.


Hoe dan ook, in reactie op uw advies stellen wij het volgende. 


Overwegende dat:

-in de kantelingsbrief van december 2006 en – in vervolg daarop – in het nieuwe BBR 2007 de verantwoordelijkheden van decanen en WD’n helder zijn neergelegd;

-waarbij de WD’n verantwoordelijk zijn voor de programmering (inhoudelijke keuzes), kwaliteitsbewaking en volumebeheersing van het onderzoek en de decanen verantwoordelijk zijn voor de verzorging van het onderwijs, het leerstoelenbeleid en een bijzondere verantwoordelijkheid hebben voor het bewaken van de relatie tussen onderwijs en onderzoek en de personele en financiële beheersverantwoordelijkheid;

-bij de invulling van hun verantwoordelijkheden, de decanen en WD’n dit doen in goed overleg met de betrokken WD’n dan wel decanen,

-bovendien vereist is dat de te leveren facultaire concept-deelbegrotingen mede worden ondertekend door de betrokken WD’n en dat de concept-instituutsbegrotingen mede worden ondertekend door de betrokken decanen, waarmee een mechanisme ter bewaking van samenhang is geïntroduceerd;

-de decanen van de meest betrokken faculteiten bovendien deel uitmaken van de raad van advies van de instituten, met wie het instituutsplan en de begroting besproken worden,

-waar decanen en WD’n in onderling overleg niet tot overeenstemming komen, de kwestie aan het CvB kan worden voorgelegd ter bemiddeling en in uiterste instantie ter beslissing


Overwegende daarenboven dat:

-Met het oog op de medezeggenschap de faculteiten een faculteitsraad kennen en de instituten (met ingang van de nieuwe BBR 2007) een instituutsraad, gekozen uit personeel dat in het instituut werkzaam is;

-Deze raden de medezeggenschap uitoefenen binnen hun eenheid en daarbij zich, met het oog op de snijvlakken met andere eenheden, kunnen laten informeren door de medezeggenschapsorganen van andere eenheden;

-De faculteitsraden, via hun betrokkenheid bij het beleid van de decaan, dus ook betrokken zijn bij de relatie tussen onderwijs en personeelsbeleid enerzijds en onderzoek anderzijds;

-Faculteitsraden via hun rol t.a.v. de facultaire begroting uiteindelijk ook zicht hebben op de afstemming en samenhang binnen de faculteit en op leerstoelniveau;

-De Universiteitsraad als medezeggenschapsorgaan op centraal niveau ook het College van Bestuur kan aanspreken op zijn rol ter zake van de bewaking van de samenhang en de oplossing van eventuele problemen;


Concluderen wij:

-dat er zowel op faculteits- en instituutsniveau als op instellingsniveau afdoende mechanismen zijn gedefinieerd die integraal en adequaat bestuur bevorderen;

-dat de medezeggenschap op de snijvlakken van onderzoek, onderwijs en personeelsbeleid op adequate wijze wordt afgedekt door de faculteits- en instituutsraden, en in laatste instantie de Universiteitsraad.



Namens het College van Bestuur,






Drs. P.A. Binsbergen,

Secretaris van de Universiteit