agendapunten

3. verslag overleg 2006-12-12

logo Universiteitsraad UT

universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 500


Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 06-448

Fax


Datum

22-12-2006

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad op dinsdag 12 december 2006


Aanwezig:

Leden UR:

van Andel, Andringa, Becht, Brinkman, Fonville, Hoogveld, de Jong, Meijer (vz), van Nierop, Pol, Stek, van der Velde, Visschedijk, Visser, Wormeester

College van Bestuur:

Van Ast, Flierman, Zijm

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)

Afwezig:

Ferreira Pires (m.k.), Poorthuis (m.k.), Possel (z.k.)




1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent om 09.05 uur met een welkom aan de aanwezigen van de vergadering.

De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld.


2.Mededelingen

CvB:

Onlangs heeft er wederom een strategisch overleg UMT plaatsgevonden, waarin de verschillende deelrapportages in het kader van de reorganisatie dienstverlening besproken zijn. Er zal worden voortgegaan met de verdere uitwerking, en naar verwachting zal er rond de kerst een integraal voorstel beschikbaar komen dat in januari besproken kan worden.

Zeer binnenkort zal bekend zijn wie de vacature directeur ABZ gaat invullen. Deze functionaris is dan tevens de beoogd directeur Strategie en Coördinatie. Daarbij zij aangetekend dat van laatstgenoemde functie pas sprake kan zijn na afronding van de besluitvorming over de reorganisatie. Overigens zullen met alle functionarissen die inmiddels het etiket “beoogd” hebben nog afrondende gesprekken gevoerd worden.

De lustrumviering was buitengewoon geslaagd.


Desgevraagd bevestigt Flierman dat de dienstraad is betrokken in het proces rond de benoeming van de directeur ABZ.


3.Verslag van de overlegvergadering van 14 november 2006 (UR 06-426)

Pag. 3, r. 23: “hoogleraar” moet zijn: “leerstoelhouder”.

Pag. 3 r. 37 e.v. wijzigen in: “… Beide instituten ontlenen aan de nabijheid van technologische instituten een bijzondere positie die hen een meerwaarde geeft t.o.v. vergelijkbare instituten in Nederland. Elk onderzoeksdomein heeft daarnaast haar eigen onderzoekscultuur, en dat blijft zo.”

Met inachtneming hiervan wordt het verslag vastgesteld..


4.Vastgoed – realisatie projecten Carré en Nanolab (UR 06-393, UR 06-422)

Van Ast zegt niet direct groei te voorzien van de groepen die in Carré huizen. Er is nog geen exact zicht op de benodigde en daadwerkelijk te realiseren ruimtes voor onderwijs. Bij de afrondende adviesaanvraag in voorjaar 2007 zal daar meer duidelijkheid over zijn en zal ook bekeken worden hoe bij de herontwikkeling van Langezijds enigszins flexibel kan worden omgegaan met wisselruimtes.

Wormeester wijst erop dat er voor 2010 wel een groei voorzien wordt. Er zijn nu allerlei kleine collegezalen die door vrijwel alle faculteiten benut worden; bij sluiting zal daar dus terdege rekening mee gehouden moeten worden. Van Ast: In het herontwikkelingsplan voor Langezijds wordt uitgegaan van realisatie van de oostkant in 2009; de westkant is dan nog in tact en zou zo nodig nog even open gehouden kunnen worden – misschien komen daar in de nieuwe situatie zelfs wel blijvend wisselruimtes. Kortom: indien gewenst, zijn er mogelijkheden aanwezig. Wat de onderwijsruimtes betreft: dat zal nader geïnventariseerd en besproken moeten worden.


De UR besluit conform het conceptbesluit UR 06-422 in te stemmen met de realisatie van Carré en Nanolab.


5.Onderwijsjaarcirkel 2007-2008 (UR 06-394, UR 06-411)

Zijm legt uit dat TU Eindhoven is afgeweken van de in 3TU-verband afgesproken randvoorwaarden. TUE heeft een ander minorsysteem waar zij tot 2010 aan vast wil houden; daarnaast kent zij drie blokken per semester en dat leidt mede tot een afwijkende tentamenperiode. Afgesproken is dat een 3TU-projectgroep onder leiding van de UT jaarroosters zal gaan instellen om de convergentie beter vorm te geven. Een en ander betekent wel dat de convergentie nog tot 2010/2011 op zich zal laten wachten.


Wat betreft het uitvallen van de maandagen: dat is een probleem van alle tijden – de opleidingen zullen daar zelf een oplossing voor moeten zoeken, hetgeen zij ook al jaren doen.

De uitloopweek is nadrukkelijk niet bedoeld om de vrije maandagen op te vangen, maar dient om practica en verslagen e.d. af te maken. De meeste opleidingen gebruiken die uitloopweek helemaal niet.


Naar het oordeel van het CvB is haar voorstel goed uitvoerbaar, ook kijkend naar de 3TU-roosters: er zijn nog voldoende gezamenlijke tentamenweken.


Volgens Pol hebben docenten toch wel problemen met vooral de uitvallende maandagen. Zijm zegt dat soort signalen niet te kennen.


Visschedijk wijst er nog op dat een deel van de studenten het vervelend vindt om na een tentamen nog een practicum of project te moeten afmaken – liever hebben zij het voordien klaar.


Wormeester merkt op dat er erg veel verlangd wordt van docenten door hen een standaardrooster voor te leggen met de opdracht eventuele problemen zelf maar – binnen een zeer korte tijd – op te lossen. Eigenlijk zou het zo moeten zijn dat een docent kan aangeven hoeveel uren hij nodig heeft, waarna ervoor gezorgd wordt dat die uren in het rooster terechtkomen. Brinkman zegt de ervaringen van Wormeester niet te herkennen en constateert dat er kennelijk binnen de UT verschillend mee wordt omgegaan.


De UR zal zich intern beraden over het uit te brengen advies.


6.Catering – nadere invulling cateringconcept (UR 06-343, UR 06-406)

Van Ast vertelt dat de locatie van het Grand Café nog exact bepaald moet worden. Bekeken zal nog worden hoe zo nodig het wegvallen van de inkomsten van de verenigingen gecompenseerd kan worden. Uitgangspunt is dat er bij manifestaties en andere activiteiten wel een voorziening moet zijn. Ook voor wat de Spiegel betreft zal naar de mogelijkheden gekeken worden, waarbij de haalbaarheid mede zal afhangen van de omzet.

Het is wel de bedoeling dat er – hoewel eventueel op een andere plek – werkruimte beschikbaar blijft, inclusief meubilair.

Verder neemt het college kennis van het UR-standpunt dat positief is als het gaat om een gezamenlijke exploitatie van de Boerderij en Drienerburght. Dat geeft de mogelijkheid om in eigen beheer te kijken naar toekomstige ontwikkelingen, ook in relatie tot mogelijke latere voorzieningen.


Op de vraag van de voorzitter of ook gekeken is naar de mogelijke consequenties voor het huidige personeel op de korte en langere termijn antwoordt Van Ast dat niet persoonsgericht gekeken is, maar wel naar de mogelijkheden van fasering. Er zal dan ook offerte gevraagd worden voor zowel de eindfase als de tussenfase.


De UR besluit conform het conceptbesluit UR 06-406 positief te adviseren over de voorgestelde besluitpunten.


7.Statuten en Bestuursreglement 3TU.Federatie (UR 06-397, UR 06-399, UR 06-405)

Fonville verzoekt namens Campussy om een stemming over dit onderwerp. Campussy is geen voorstander van de 3TU.Federatie, en wel om de volgende redenen:

Campussy vreest voor beperking op termijn van de vrijheid van de UT in haar beleid, niches en unieke identiteit.

Ook bestaat de angst dat de plannen zullen leiden tot fixatie op samenwerking binnen Nederland waardoor internationale samenwerking op de achtergrond komt. Er dient wel sprake te zijn van goede afstemming binnen 3TU-verband, maar niet daar alléén.

Campussy ziet het 3TU-plan als een geval van micromanagement van het ministerie en in strijd met de soevereiniteit van de universiteiten zelf.

Campussy kan dan ook niet instemmen met het voorliggende voorstel. Maar omdat de statuten de UT toch wel veel vrijheid bieden en haar plannen niet lijken te blokkeren, zullen de leden van Campussy zich onthouden van stemming.


De voorzitter legt het voorstel om positief te adviseren t.a.v. de concept-Gemeenschappelijke Regeling, de concept-statuten en het concept-bestuursreglement ter stemming voor. Uitslag:

13 stemmen vóór

0 stemmen tegen

2 onthoudingen.


De UR besluit in meerderheid positief te adviseren t.a.v. de concept-Gemeenschappelijke Regeling 3TU fase 2, de oprichting van de Stichting 3TU.Federatie Samenwerkende Universiteiten, het concept- bestuursreglement van de Stichting 3TU.Federatie en de naamswijziging in de statuten van de Stichting financieel beheer.


8.Voortgangsbespreking reorganisatie dienstverlening

8a. Tussenrapportages projectleiders (UR 06-379 t/m UR 06-384, UR 06-430)

Van Ast bevestigt dat er sprake is van overlapping tussen sommige projectresultaten. Op zich is dat niet erg, omdat het college op basis van alle projectresultaten met een samenhangend voorstel zal komen.


De voorzitter wijst er voor de goede orde op dat niet de projectresultaten door de UR in de discussie betrokken zijn, maar de tussenrapportages van een maand geleden.


8b. Voornemen tot reorganisatie bedrijfsvoering (UR 06-400, UR 06-404)

Flierman naar aanleiding van UR 06-404:

Pt. 1 – Organisatieverandering FB: Flierman kan zich de redenering van de UR wel voorstellen. Maar ook als inderdaad besloten wordt bepaalde sectoren niet aan FB toe te voegen, zal het college FB met het oog op het totaalconcept van de organisatie wel in het UT-brede reorganisatieplan willen meenemen; overigens zal op dat moment dan ook bezien moeten worden of dat betekent dat in formele zin een advies van de decentrale medezeggenschap gevraagd moet worden.

Pt. 2 – De rol van het OPUT is inmiddels ook in de planning meegenomen.

Pt. 3 – Het reorganisatieplan zal in april ter instemming (personeelsgeleding) c.q. ter advisering (studentgeleding) aan de UR worden voorgelegd ook zal de wijziging van het BBR ter instemming worden voorgelegd.

Pt. 4 – Er zal een integraal reorganisatieplan worden gepresenteerd. In het onverhoopte geval dat zou blijken dat de UR bezwaren heeft tegen onderdelen van het plan zal pas de vraag aan de orde zijn of het al of niet om een reorganisatie volgens de CAO gaat.

Bespreking in het UMT zal in twee instanties plaatsvinden (dus zowel voor als na de consultatieronde met de decentrale raden).

Op 6 februari 2007 vindt de bespreking in eerste termijn met de UR plaats. De uitkomst daarvan wordt meegenomen in de adviesaanvraag die het college zo snel mogelijk daarna aan de UR zal doen toekomen, zodat in de volgende fase de formele behandeling kan plaatsvinden. Hetzelfde geldt t.a.v. de instemmingsvraag.

Overigens vertrouwt Flierman er wel op dat na het toesturen van de formele adviesaanvraag op 12 februari, de UR dan ook op 3 maart 2007 daadwerkelijk advies uitbrengt. De voorzitter verwijst naar de geldende wettelijke termijnen, maar stelt daarbij tevens dat de raad alleen bij zwaarwegende argumenten die termijnen ook daadwerkelijk zal hanteren.


De Jong verwijst nog naar de open brief van een aantal TW-medewerkers over de naar hun mening niet correcte gang van zaken rond de reorganisatie van EWI. Is het college niet bang dat een dergelijke brief in UT-Nieuws leidt tot afname van het draagvlak elders in de organisatie? Flierman zegt geen uitspraken te willen doen over de afzonderlijke reorganisatie bij EWI of TNW; wel stelt hij dat:

-het college het proces heel nauw zal blijven volgen, omdat het zich mede verantwoordelijk voelt voor dat proces en de personele belangen;

-er ongetwijfeld na april nog een tijdlang een projectorganisatie zal zijn voor de begeleiding van het proces;

-de UR er zelf bij is om de vinger aan de pols te houden bij de implementatie van afspraken.


De UR besluit, conform het conceptbesluit UR 06-40 en met inachtneming van de gemaakte opmerkingen, positief te adviseren over het aanmerken van de voorgenomen organisatieverandering als een eenheidsoverstijgende reorganisatie, m.u.v. de organisatieverandering bij FB als de verandering bij FB slechts een reorganisatie van deze dienst betreft.


9.Algemene gang van zaken

9a. Bestuurlijke agenda CvB (UR 06-402)

9b. Medezeggenschapsagenda UR (UR 06-428)

Als basis voor de discussie worden de punten en volgorde van de medezeggenschapsagenda UR als uitgangspunt genomen.

Reactie van het CvB op UR 06-428):


Onderwijs

Kwaliteitszorg: Belangrijk aandachtspunt, vindt ook het CvB.

Studievoortgangsrapportages: Dit onderwerp is opgenomen in de Onderwijsnota.

Investeren in onderwijs en studentbegeleiding: Op zich is het CvB het eens met wat de UR hier schrijft.

Beschikbaarheid collegezalen en werkplekken voor studenten: Is inderdaad aandachtspunt, met de kanttekening dat het inschatten van de capaciteit extra moeilijk is omdat ook het onderwijs verandert evenals de vorm waarin dat wordt gegeven.

Flexibele doorstroming van bachelor naar master: Zoals bekend gaan UT en TUE nog niet over op een harde knip; TUD gaat dat vanaf 2010 wel doen. Op korte termijn is flexibele doorstroming een belangrijk punt. Hoe het op langere termijn zal zijn, zeker als er sprake is van meerdere instroommomenten, zal nog moeten blijken. Voor de eenjarige masters zal inderdaad naar de consequenties gekeken moeten worden.

Hier en daar verwijst de UR naar het verdeelmodel. De voorzitter legt uit dat het hier gaat om de verdeling van de onderwijsgelden. De UR wil graag meer flexibiliteit voor de faculteiten en opleidingen om de middelen in te zetten waar ze het hardst nodig zijn. Reactie van Flierman: hoe de faculteiten omgaan met de hun ter beschikking staande middelen, is aan hen.


Onderzoek

Hoofddoelstelling: Daar kan Zijm mee leven.

Matchingproblematiek: In algemene zin wordt volumebeleid afgesproken

Verdeling onderzoeksmiddelen en leerstoelenplannen: In eerdere instantie is al meer informatie over de koppeling tussen onderwijs en onderzoek toegezegd.

Kwaliteit promotietrajecten: Het gaat hier om meer dan alleen personeelsbeleid.


ICT en Digitale Werk- en Leeromgeving (DWLO)

Volgens Zijm moeten de letters omgedraaid worden en moet gesproken worden van DWLO.

ICT is wat meer algemeen en DWLO wat meer specifiek, aldus Zijm. Bij DWLO kan gedacht worden aan online onderwijs maar ook aan het inzetten van ICT-middelen in de eigen UT-onderwijsomgeving. DWLO is een integratie van middelen waarbij het onderwijs een andere vorm krijgt. Een ander belangrijk hoofdpunt wordt gevormd door de systemen waarop een beroep wordt gedaan om te meten, te evalueren etc. Een toekomstige informatiemanager zal daarover ook uitspraken moeten doen. Of er een discussienota komt zoals de UR stelt, kan Zijm niet zeggen, maar wel wordt in 3TU-verband nagedacht over het totale framewerk dat nodig zal zijn. De UT focust bijvoorbeeld sterk op internationalisering en van daaruit zullen specifieke eisen aan de eigen DWLO gesteld moeten worden.

Kortom: Met de overwegingen zoals die door de UR zijn geformuleerd heeft Zijm geen moeite. Het voorstel om te komen tot een discussienota “Ontwerpeisen ICT Universiteit Twente (inclusief DWLO)” zal hij meenemen voor collegeoverleg.


Wat Brinkman is opgevallen in 3TU- en in UT-verband is dat met name de ICT-mensen in den brede als opvatting hebben dat een deel van de problematiek inhoudelijk niet goed beschouwd wordt, waarmee het probleem heel snel in hun richting geschoven kan worden. De aansturing wordt niet altijd als sterk aanwezig gevoeld. Vanuit die gedachte stelt de UR voor een nota op te stellen waarin dat wat duidelijker wordt aangegeven.

Zijm antwoordt dat hij zich een document met daarin een zekere kaderstelling en randvoorwaarden wel kan voorstellen. Maar dat laat onverlet dat niet een specifieke invulling op opleidingsniveau moet worden voorgeschreven. Hij stelt overigens vast dat er erg weinig gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheden die DWLO biedt

Brinkman reageert met de opmerking dat het niet zo moet zijn dat de keuze uiteindelijk gemaakt wordt door de mensen die tot opdracht hebben DWLO te ontwikkelen. Want dan worden systemen gecreëerd die weliswaar prachtig zijn maar niet gebruikt worden. In die zin zal er dus wel sturing moeten zijn. Met dat laatste is Zijm het eens. Van Ast wijst erop dat dat precies de reden is om informatiemanagement in te stellen en een scheiding aan te brengen.

De voorzitter benadrukt dat de keuze voor systemen niet los gezien kan worden van de organisatie zoals die vorm krijgt in de reorganisatie van de dienstverlening. De aanbeveling van de UR om meer helderheid te scheppen blijft dan ook overeind.


Personeelsbeleid

Flierman constateert dat er geen wezenlijke verschillen van opvatting zijn tussen UR en CvB als het gaat om de aandachtspunten. Wel zal nog eens over het promovendibeleid en de daarmee samenhangende ontwikkelingen gesproken moeten worden.

Wat de doelstelling betreft: Wat daar genoemd wordt geldt wel binnen het belang van de UT; de ontwikkeling van medewerkers op zich is geen doelstelling.


Internationalisering

Uit de doelstelling zou gelezen kunnen worden dat er vooral van binnen naar buiten geredeneerd wordt, dus voor eigen studenten en medewerkers. Maar het hier naar toe halen van studenten en medewerkers is ook van belang. Binnen dat geheel is inderdaad een aandachtspunt de beheersing van de Engelse taal en het kweken van vaardigheden in andere talen om in het buitenland een deel van de studietijd te kunnen doorbrengen. T.a.v. de taalvaardigheid Engels is al veel geregeld. Of er nog meer aanbod aan vreemde talen moet zijn moet de komende tijd nog eens tegen het licht gehouden worden.


Financiën

Stabiliteit: Ook het CvB kijkt daar zo naar. Het gaat dan met name om de vraag wat, in financiële zin, aangepast moet worden om een meer voorspelbare situatie te creëren. Overigens is niet alles een verdeelmodel-vraag. Volumebeleid in het algemeen is hier wel een middel voor en daar moeten duidelijke afspraken over gemaakt worden.

Financierbaarheid en integrale kosten: Dit is een interessant punt. Het college neemt kennis van wat de UR hier schrijft. Sommige onderzoeksgroepen dienen full cost offreren maar dat lukt niet altijd, en dat is de reden waarom Van Ast voorzichtig is om derde geldstroomprojecten te belasten.

M.b.t. de integrale kosten benadrukt Wormeester dat het goed is om helder te zijn. Nu is er met name bij 3e geldstroomprojecten sprake van een drieslag: door full cost te moeten rekenen worden alle kosten in rekening gebracht. Men hoeft deze kosten zoals voor personeel en financiële ondersteuning echter niet binnen de UT af te dragen, er is geen afdracht voor algemene UT kosten en bovendien is er nog een premie voor 3e geldstroompromotieplaatsen, i.e. vooral kostendekkende projecten. Dat is wel wat veel – daar moet meer eenheid in komen. De ratio is nu niet duidelijk te maken. Hier tegenover staan bijvoorbeeld de collegegelden, wat ook als inkoop van een UT dienst te zien is, vergelijkbaar met de 2e geldstroomconstructie. Over collegegelden wordt wel zo’n 30% centrale bijdrage geheven. Dit alles is een historisch gegeven, en daar moeten we van af. Het gaat om wat de juiste wijze is om het te doen. Aan de ene kant gelijkvormigheid (bijv. door naar integrale kosten te gaan) en aan de andere kant moet duidelijk zijn waarom er uitzonderingen zijn.

Van Ast: In feite gaat het om het evenwichtig formuleren van de uitgangspunten. Ook het CvB wil meer toe naar budgetstimulering, en daarmee is dit probleem opgelost.

Op de vraag wat het college voor heeft als het gaat om de besluitvorming op dit punt en hoe de UR een en ander krijgt aangeboden, antwoordt Flierman dat het college daar nog geen uitspraak over doet. Er zal gekeken worden naar de manier waarop het model vormgegeven wordt. Naar verwachting zal begin volgend jaar tot een voorstel gekomen kunnen worden, dat ook met de UR besproken zal gaan worden.

Centrale stimulering en faciliteren van groei en verandering: Als collegegelden niet belast zouden worden is dat probleem opgelost. Dus met het oog op groei is de huidige situatie misschien nog niet zo gek.

Begroting versus realisatie: Er moet inderdaad meer helderheid gecreëerd worden. Er dient minder afstand te zijn; wellicht kan met de aanpassing van het verdeelmodel daarin een stap gemaakt worden. Overigens hangt het ook af van de mate waarin de overhead wordt omgeslagen – daar zal dus een uitspraak over gedaan moeten worden.


Bestuurlijk

Hoofddoelstelling: “De UT dient open, consistent en vertrouwenwekkend bestuurd te worden”: dat vindt ook het CvB. De rest van de zin dient volgens het college te luiden: “met oog voor alle belangen en sterk rekening houdend met sociale gevolgen van besluiten.”

Uitbesteden: Het college is het ermee eens dat uitbesteding geen doel in zichzelf moet zijn. Het gaan om het afwegen van de belangen van mensen en organisatie. Er zijn ook uitbestedingsprocessen waarbij medewerkers uiteindelijk constateren dat ze in de nieuwe setting “beter af zijn”.

Verminderen onrust door voortdurende reorganisaties: Met de nu voorliggende reorganisaties zal naar verwachting het schip financieel weer op koers zijn. Bijzondere omstandigheden voorbehouden zal een en ander afgerond kunnen worden en kan er weer energie gestoken worden in de inhoudelijke discussie over onderwijs etc. Aan de andere kant zijn verandering en dynamiek een permanent gegeven in organisaties als de UT. Het college hoopt dat de grote slagen achter de rug zijn, maar er zal permanent nagedacht moeten worden over ontwikkelingen.

De voorzitter wijst erop dat ook drie jaar geleden de constatering gedaan werd dat de grote veranderingen achter de rug waren.

Discussie Student Union: Volgens de UR wordt vanaf begin 2007 door de SU een nieuw strategisch plan voor de komende vijf jaar geschreven. Flierman: Er vindt nu een gesprek plaats over de verlenging van het convenant tussen college en SU. Voor zover hij weet wordt er nog niet aan een nieuw strategisch plan gewerkt. Het convenant zal ook zeker met de UR besproken worden, en daarbij zou de SU dan ook wat breder aan de orde gesteld kunnen worden.


Ten aanzien van de bestuurlijke agenda merkt Wormeester op dat hij zich kan voorstellen dat het college vindt dat het in een handig format gegoten is. Maar de tekst is zo beperkt dat het moeilijk is een beeld te vormen, en ook moeilijk is om aan de hand daarvan een discussie in de overlegvergadering te hebben. Flierman wijst erop dat de bestuurlijke agenda in de vorm van het “blauwe boekje” als integraal onderdeel van de discussie gezien mag worden. Hij vindt het wel het overwegen waard om voor een volgende ronde na te denken over een wat gemakkelijker te hanteren document.


9c. Inbreng UR HRM-beleid (UR 06-407, UR 06-408)

Net als de UR wil het college het graag over de inhoud hebben. Daarmee stelt Flierman UR 06-408 aan de orde.

Het college vindt UR 06-408 een buitengewoon lezenswaard en goed stuk, en zal hier zeker uitvoeriger over willen spreken.

Naast de nota “Focus in HRM-beleid” is er al het nodige aan personeelsbeleid dat als staand beleid en dus als onderdeel van het HRM-beleid beschouwd kan worden. Maar als de UR die informatie graag bijeen gebracht wil zien, kan het college zich daarin vinden. Kortom: afgesproken wordt om hetgeen er is nog eens op een rij te zetten, samen met de accenten die het college wil leggen; en daar zullen de accenten van de UR naast gelegd worden – vervolgens kan een integrale beleidsnota ontstaan, die aan de UR ter bespreking voorgelegd kan worden.


Flierman constateert dat de UR ook hier weer veel aandacht vraagt voor het daadwerkelijk uitvoeren van hetgeen er in beleid wordt opgeschreven. Volgens het college zit dat in de jaargesprekken van hoog naar laag, in planning & control gesprekken etc. En natuurlijk is het mooi dat er het een en ander op papier staat, maar waar het om gaat is de uitvoering, evenals de mate en de wijze van controle en sturing daarop.


Wat professionaliteit betreft: ook veel OBP-ers worden wel degelijk als professional beschouwd. Natuurlijk zijn er ook mensen voor wie dat minder vanzelfsprekend is en natuurlijk moet er aandacht zijn voor hoe zij zich kunnen blijven ontwikkelen (waarbij er zowel sprake is van eigen verantwoordelijkheid als verantwoordelijkheid van de werkgever).


Ten aanzien van het promotiebeleid laait er op landelijk niveau een discussie op waarbij er naast de promovendus/aio en de zgn. buitenpromovendus ook sprake is van een student-promovendus. Vragen daarbij zijn onder meer: Willen we in Nederland ruimte daarvoor maken? Moeten zij zelf in hun levensonderhoud voorzien of moet dat via een beurs o.i.d.? Flierman verwacht hierover in de loop van volgend jaar meer duidelijkheid, en dan kan er ook met de UR wel eens over gesproken worden.

Wormeester meent dat er, alvorens naar een andere fase te gaan (zoals bijvoorbeeld beurspromovendi), gekeken moet worden naar de kwaliteit van promotietrajecten, de wijze van monitoren, certificering e.d. Flierman stelt dat in alle discussies over verruiming van de promotiemogelijkeden buiten kijf staat dat aan de kwaliteit van de promoties die we in Nederland kennen niet getornd moet worden. De bewaking van die kwaliteit is momenteel ook zeker geregeld. We moeten ook zorgen dat we de discussie over vernieuwing van het promotiestelsel niet opzadelen met een compleet proces van accreditatie etc.

Afgesproken wordt dat UR en college in februari/maart 2007 wat specifieker in zullen gaan op de vraag hoe zij aankijken tegen promotietrajecten e.d. en de richtlijnen die er zouden moeten gelden.


10.Ontwerpbegroting 2007, inclusief deelbegroting TG en BMTI (UR 06-398, UR 06-424,

UR 06-432)

Ter vergadering gaat het college in op de “Overlegpunten” in UR 06-432. De “Verduidelijkingspunten” zullen binnen een week schriftelijk beantwoord worden.

Ad 12 – Alternatieve promotietrajecten:

Hierover is bij agendapunt 9 al gesproken.

Ad 10 – Studentenvoorzieningen:

Een deel van de voorzieningen is al wel op groei berekend. Bepaalde faciliteiten zullen bij een substantiële groei wel aangepast moeten worden. Dat blijft een kwestie van (tijdige) bestuurlijke beslissingen, waarbij bewust wordt gekozen voor het verfijnen of veranderen van faciliteiten. Dus niet zo maar een percentage opslag, maar bewust keuzes maken.

Ad 7 en 11 – Groei in studentenaantal:

Op korte termijn, als de groei geleidelijk doorgaat, daalt even de ECTS-vergoeding, omdat die achterloopt bij de prestatie. Het college is van mening dat er een relatie moet blijven met de prestatie, omdat dat een goede indicator is. Waar oog voor moet blijven bestaan is dat de groei extra inzet zal vragen, zeker als het om substantiële jaarlijkse groei gaat. De vraag is dan of het college daarin zal moeten bijspringen. Het kan allerlei vormen hebben, maar zoals gezegd moet het wel los gezien worden van het dalen van de ECTS-vergoeding – dat kan een kleine frictie geven, maar de bekostiging komt er wel achteraan. Als blijkt dat de groei niet duidelijk kan worden geaccommodeerd moet er iets aan gedaan worden.

Overigens heeft ook de decaan een zekere ruimte om bij te sturen waar nodig.

De voorzitter meent dat op centraal niveau de ECTS-prijs in ieder geval gemonitord zou kunnen worden. En als het gaat om lokale effecten is het inderdaad een zaak van de faculteiten. Van Ast: In globale zin wordt er wel gemonitord, maar hij heeft het gevoel dat de goede effecten van de groei ook wel een beetje overtrokken worden. Hij stelt voor de ontwikkelingen eerst eens even te volgen – als er ergens iets mis dreigt te gaan zal het college natuurlijk zijn verantwoordelijkheid nemen.

Flierman voegt hier nog aan toe dat ervan wordt uitgegaan dat de groei in de eerste plaats gerealiseerd wordt in de bestaande opleidingen, waardoor de UT uiteindelijk sterker zal worden. Dit is nog altijd een belangrijk uitgangspunt.

Volgens Wormeester zou een reserve-beleid kunnen helpen een eventuele dip op te vangen. Van Ast wil die suggestie wel meenemen – liever een reserve-beleid dan met allerlei extra budgetten te werken alleen maar om een tijdelijke situatie op te lossen.

Ad 29 – Volumebeleid:

De behoefte aan volumebeleid is onmiskenbaar aanwezig, ook bij het college, en het voornemen is dan ook dit te ondersteunen in de vorm van het toekennen van een budget. Het budget dat een WD krijgt moet worden gebaseerd op meerjarige afspraken met de decaan en achterliggende leerstoelhouders. Het loont dan niet meer om meer werk binnen te halen dan gematched kan worden, omdat er immers geen premie meer achteraan komt. In ieder geval ontstaat er dan aan de voorkant heel veel duidelijkheid.

De omvang van het budget vergt nog bestuurlijke discussie.

Ad 1, 2, 3 en 26 – Centrale Stimulering en M€ 3 beleidsreserve:

Het college begrijpt de aarzeling en overwegingen t.a.v. de M€ 5 aan nog niet ingevulde centrale ontwikkelingen. Maar besef wel: het gaat om begroten. Naar verwachting zullen er op een aantal punten, waaronder de internationalisering, plannen komen die geld gaan kosten. Natuurlijk moeten daar niet zo maar tijdelijk mensen voor aangesteld worden met het risico dat dat structureel wordt. Dat is ook de reden om het centraal te houden.

Het college stelt zich op het standpunt: als er geen goed plan is, wordt het geld niet uitgegeven. Van Ast acht het geen goed idee om het door de UR genoemde bedrag van M€ 5 te gaan verdelen als er geen besteding voor is, want dat zou betekenen dat er dan ook geen middelen meer zijn om centraal aanvullend beleid te gaan voeren.

Wormeester blijft huiverig voor het zo maar parkeren van M€ 5 zonder goede afspraken te maken hoe naar besteding van die ruimte wordt toegewerkt. Er kan wel gezegd worden: er gaat een deel naar de Onderwijsnota, maar in die nota wordt niet aangegeven waar de middelen naar toe gaan. Wellicht is het mogelijk tot een afspraak te komen over hoe wordt toegewerkt naar een traject om onbenoemde middelen in de loop van het jaar voor op te stellen plannen vrij te geven.

Van Ast is het ermee eens dat de stimuleringsruimte niet te groot moet zijn. En dit jaar is dat inderdaad wel het geval. Hij stelt voor de volgende afspraak te maken: Daar waar duidelijk planuitwerking nodig is, zal gezamenlijk gesproken worden over waar geld aan wordt besteed; het wordt dus niet zo maar weggegeven aan andere dingen. Eigenlijk zijn het geoormerkte middelen. Als voorbeeld noemt hij ELO: de verwachting is dat er in het voorjaar een beslissing valt en als er dan een systeem ontwikkeld moet gaan worden zal dat geld gaan kosten. Maar er zullen ook projecten zijn waarvan de aard en omvang nog niet bekend zijn, maar die wel geld zullen gaan kosten – daarvoor kan dan een deel van de ruimte benut worden.


Aangezien de in de UR vertegenwoordigde fracties van oordeel zijn dat een compromis tussen UR en CvB m.b.t. de ontwerpbegroting tot de mogelijkheden behoort, wordt besloten in een aansluitend aan deze vergadering te beleggen intern UR-overleg tot een besluit te komen en vervolgens het presidium te mandateren om dat besluit nader vorm te geven.


11.Schriftelijke rondvraagpunten (UR 06-427)

Vr. 1 – BasisKwalificatie Onderwijs:

In tegenstelling tot wat de UR veronderstelt neemt ook de TUE deel aan de gemeenschappelijke BKO-regeling.

Het college vindt dat BKO een duidelijke plek moet vinden in het UT-personeelsbeleid. Dus ook in de jaarlijkse gesprekken. Het is echter niet zo dat er gemeenschappelijk 3TU-HRM-beleid ontwikkeld gaat worden.

De docenten 3 worden niet uitgezonderd, de docenten 4 wel omdat het daar om een tijdelijke functie gaat. In feite gaat het erom allen die onderwijs verzorgen te toetsen op hun kwalificaties, dus UD, UHD en hoogleraar voorzover dat niet gebeurt. Aan de criteria wordt op dit moment gewerkt.


Vr. 2 – Voorstel toetsing Engelse taalvaardigheid en uitvoering cursussen:

Zijm: Voor de toetsing is gekozen voor scenario 3, uitgevoerd door TCP. Voor de cursussen is scenario 2 gekozen, waarin alle medewerkers in staat gesteld worden cursussen te volgen.


Vr. 3 – Mastervoorlichting:

Het probleem dat de UR hier neerlegt is op geen enkele wijze via de lijn bij het college terechtgekomen, aldus Flierman. Het klopt niet dat Bureau Communicatie geen middelen beschikbaar heeft gesteld en er is wel degelijk in een aantal bladen geworven. De belangstelling was ongeveer even groot als vorig jaar. De prioritering tussen de verschillende activiteiten is door BC in overleg met de communicatiemedewerkers gedaan.


Vr. 4 – Pilot BSA:

Het gaat hier om een pilot voor de opleiding TCW, vertelt Zijm. Inderdaad is gezegd dat aan een aantal voorwaarden voldaan moet zijn voordat het BSA kan worden ingevoerd. TCW is zeer onlangs gevisiteerd, met positief resultaat. TCW heeft alle voorwaarden op orde, zo heeft de opleidingsdirecteur op basis van het visitatierapport geconcludeerd. Hij had dit aan de UR dienen te melden. Het visitatierapport is openbaar – er zal voor gezorgd worden dat het aan de UR wordt toegezonden.

De UR zal in commissieverband naar de te ontvangen informatie kijken en er zo nodig in de volgende overlegvergadering op terugkomen. Overigens ontbreekt dan nog wel de richtlijn, die aan de UR ter instemming gepresenteerd dient te worden alvorens het BSA wordt ingevoerd. Zijm zal zich daar nog over beraden.


Vr. 5 – Bouwwerkzaamheden tijdens tentamens:

Van Ast meldt dat inmiddels dit punt is meegenomen in de algemene bestekvoorwaarden voor aanbesteding, zodat dergelijke hinder in de toekomst voorkomen wordt.


Vr. 6 – Catering

Voor warme dranken dient Europese aanbesteding plaats te vinden. Een van de doelen was, zo vertelt Van Ast, om één aanbieder te krijgen. In het programma van eisen staat onder meer dat dan de voorziening van koffie en thee zou worden beëindigd, maar kennelijk is dat nog niet voor iedereen duidelijk. Met de chipknip kunnen de hele dag warme dranken verkregen worden. Overigens is wel afgesproken dat bij de voorzieningen en vergaderingen waarvoor de horecalocaties de catering verzorgen gewoon warme dranken geschonken worden. Ook bij promoties en oraties, hetgeen nog eens specifiek met de lokale catering is doorgesproken omdat daar wat onduidelijkheid over bleek te bestaan.


12.Rondvraag

--


13.Sluiting

Om 12.40 uur sluit de voorzitter de vergadering.


*****