reactie van de UR

6. Ziekteverzuimbeleid UT convenant

Logo UR

universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 500




Aan het College van Bestuur,

Cc: dir. PA&O

vz OPUT




Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 05-312

Fax


Datum

30 november 2005

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

Betreft besluitvorming ziekteverzuimbeleid en convenant CvB-OPUT-UR




Geacht College,




Reeds enige tijd wacht het ziekteverzuimbeleid op definitieve vaststelling. De vertraging in de besluitvorming is niet zo zeer gelegen in de inhoud van het beleid maar eerder in de formele afhandeling ervan: dient de UR dan wel het OPUT hiermee in te stemmen?

De Universiteitraad heeft in het agendaoverleg met het college voorgesteld hier nu pragmatisch mee om te gaan door de besluitvorming ten aanzien van het ziekteverzuimbeleid nu af te ronden, maar tegelijkertijd structurele afspraken te maken om onduidelijkheden en een besluitvormingsimpasse te voorkomen.

Concreet stelt de Universiteitsraad het volgende voor:

1.Het concept-ziekteverzuimbeleid wordt door de UR uiterlijk op dinsdagmorgen 13 december (UR-overlegvergadering) van advies voorzien, zodat dinsdagmiddag 13 december de instemmingsvraag in het locaal overleg aan het OPUT kan worden voorgelegd.

2.UR, CvB en OPUT sluiten z.s.m. een convenant waarin wordt vastgelegd welke criteria bij de toedeling van bevoegdheden aan OPUT en UR worden gehanteerd. Verder omvat het convenant procedureafspraken t.b.v. de bevoegdhedentoedeling en een lijst van onderwerpen waarover op voorhand duidelijkheid kan worden gegeven in termen van de bevoegdhedentoedeling.


Betreffende het convenant is de Universiteitsraad van mening dat het ziekteverzuimbeleid tot de instemmingsbevoegdheid van de UR hoort. Het belangrijkste argument daarvoor is dat UT-beleid primair een UR-bevoegdheid is. Het ziekteverzuimbeleid past bij de UR-bevoegdheden ten aanzien van personeelsbeleid, arbo- en milieubeleid, keuze van en contract met arbodienst, beleid (en regelingen) ten aanzien van veiligheid en welzijn, zoals vastgelegd in de WHW en de Arbowet. De CAO spreekt weliswaar van “het aan de orde stellen van een goed reïntegratie- en ziekteverzuimbeleid in het locaal overleg”, maar daarmee ligt de bevoegdheidtoedeling nog niet vast. Uiteraard geldt ook voor het ziekteverzuimbeleid dat, indien daaruit (een wijziging van) rechten en plichten van werknemers voortvloeien, deze via een uitvoeringsregeling ter instemming aan het OPUT worden voorgelegd. De inzet van de UR is dus niet om ook instemming op deze bevoegdheden te claimen, zoals elders soms met succes wel wordt gedaan (bijvoorbeeld in Delft ten aanzien van de systematiek functioneringsgesprekken).


Hieronder volgen mogelijke procedureafspraken en een poging om een aantal hanteerbare criteria voor de bevoegdhedentoedeling te formuleren. Vertaling in convenantteksten is een tweede stap.

1. De bevoegdheden van de UR betreffen alle voorgenomen collegebesluiten waarbij er sprake is van het vaststellen van het algemeen beleid. De UR ziet immers toe op de algemene gang van zaken en

de samenhang en de uitvoering van het beleid. In relatie tot personele aangelegenheden gaat het daarbij vooral om het personeelsbeleid, arbo- en milieubeleid, beleid (en regelingen) ten aanzien van veiligheid en welzijn en het beleid ten aanzien van organisatie(veranderingen). In samenhang daarmee worden in het UR-overleg de consequenties van het beleid ten aanzien van de begroting besproken.

2. De bevoegdheden van het OPUT betreffen met name alle rechtspositieregelingen (alle regelingen voor -groepen van- werknemers die op tijd en geld herleidbaar zijn), de besteding van arbeidsvoorwaardengelden en sociale gevolgen ten gevolge van organisatieveranderingen. Uiteraard vloeien veel rechtspositieregelingen voort uit de wet en de CAO, maar deze geven deels ook invulling aan specifiek UT-beleid

3. Het CvB houdt bij het opstellen, de presentatie en behandelingsprocedure van stukken rekening met de verschillende bevoegdheden van de medezeggenschapsorganen. In de aanbiedingsbrief wordt duidelijk gesteld waarover van het orgaan een besluit wordt gevraagd.

4. Indien een voorgenomen besluit ter besluitvorming wordt voorgelegd aan het ene orgaan, dient het andere orgaan tijdig geïnformeerd te worden door het college om, indien gewenst, zijn standpunt (aan het college en/of het andere orgaan) hierover kenbaar te maken.

5. Indien dit relevant is, doet het college een voorstel aan beide organen met betrekking tot de behandelingsprocedure en bevoegdhedentoewijzing. Dit kan in het algemeen in de afzonderlijke agenda-overleggen worden afgehandeld. Zo nodig kunnen de voorzitters van de raden in overleg met de portefeuillehouder personeelszaken een aangepaste behandelingsprocedure overeenkomen.

6. Arbitrage is een mogelijkheid indien geen overeenstemming wordt bereikt.


Enige voorbeelden van uitwerking ten aanzien van bevoegdheden personele onderwerpen:


Bevoegdheid

Universiteitsraad

OPUT

instemming

Personeelsbeleid






Ziekteverzuimbeleid

Arbo- en milieubeleid

VGW-beleid
Plan van aanpak RIE’s (welzijn e.d.)
Reorganisaties

Systeem functiewaardering

Systematiek functioneringsgesprekken
Regelingen scholing, educatief verlof, ouderschapsverlof, senioren etc.

Besteding arbeidsvoorwaardengelden.
Keuzemodel arbeidsvoorwaarden.

Ziekteverzuimprotocol




Sociaal Plan/ Sociaal Statuut

advies

Begroting

Onderwerpen, die aan het OPUT ter instemming worden voorgelegd


Personele onderwerpen, die aan de UR ter instemming worden voorgelegd




Met vriendelijke groet,

namens de Universiteitsraad,




ir. T. M. J. Meijer

voorzitter