reacties UR

7. Reactie UR wijzigingen financieel verdeelmodel

Griffie

Spiegel – kamer 500



Aan het College van Bestuur



Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 05-116

Fax


Datum

12 mei 2005

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

Betreft: Wijziging Financieel Verdeelmodel



Geacht college,



In de commissie Financiën en Vastgoed zijn de hoofdlijnen van de wijzigingen van het financiële verdeelmodel door u geschetst. Ter voorbereiding op het overleg van 17 mei 2005 over dit onderwerp is de toegezegde schriftelijke verslaglegging van het CvB - UMT overleg en de reactie op onze brief van 17 februari 2005 (km. UR 05-041) gewenst.

Voor de UR is duidelijk dat instemming met de wijzigingen van het financiële verdeelmodel in deze cyclus nog niet aan de orde is. Uiteraard hecht de raad aan zorgvuldige besluitvorming hierover in het UMT. Tegelijkertijd moet de raad constateren dat bij behandeling in de overlegvergadering van juni de begrotingsrichtlijnen 2006 al gereed moeten zijn. Wezenlijke bijstellingen op basis van het overleg zijn op dat moment waarschijnlijk niet meer goed mogelijk. Daarom wil de UR vooruitlopend op de besluitvorming vroegtijdig aangeven welke voor hem de belangrijkste knelpunten zijn op basis van de voornemens zoals die tot nu toe mondeling zijn toegelicht.


1.De UR heeft in de afgelopen jaren herhaaldelijk gewezen op problemen rond de financierbaarheid van onderwijs- en onderzoeksactiviteiten en de prijsstabiliteit in het vigerende verdeelmodel. De combinatie van deze problemen zijn met name te herleiden op het premiecompartiment onderzoek. Dit is bij uitstek het financieel zwakke punt in het model. De nu gekozen oplossing van vastzetten van de premieprijs en het verdelen van trekkingsrechten in de drie compartimenten maatschappijwetenschappen, technisch en zwaar technisch, biedt de mogelijkheid voor leerstoelen om een meerjaren financieel beleid te voeren aangezien de link tussen prestatie en vergoeding duidelijk is. Om het aantal premieplaatsen in met name de zware techniek ten gevolge van een hogere prijs niet in één keer drastisch omlaag te brengen wordt gekeken naar bezuinigingen en zullen gevonden middelen exclusief aan het premiecompartiment worden toegevoegd. De UR erkent dat dit gezien de financiële situatie decentraal op dit moment wellicht onontkoombaar is. Hij is echter ook van mening dat op de kortst mogelijke termijn de omvang van dit premiecompartiment en de compartimenten decentrale en centrale stimulering onderzoek weer gezamenlijk 70% van de te verdelen onderzoeksmiddelen moeten zijn. Een groter aantal premieplaatsen wordt dan via een natuurlijke weg automatisch uit de stimuleringsmiddelen gefinancierd. Ons inziens dient dus binnen het UMT afgesproken te worden dat het aanwenden van centrale stimuleringsmiddelen voor tijdelijke onderzoeksplaatsen, zoals 1ste geldstroom promotieplaatsen, zo spoedig mogelijk wordt afgebouwd waardoor deze middelen vrijkomen voor matching van extern gefinancierde plaatsen. Alleen als hier een uiterste inspanning voor wordt gepleegd, is een tijdelijke ophoging van het premiecompartiment onderzoek voor de UR aanvaardbaar. Ook de verdeelsystematiek voor de compartimenten voor stimulering van het onderzoek kan hierbij ter discussie worden gesteld.

2.In de nieuwe situatie zal de invulling van het aantal premieplaatsen per leerstoel en de mogelijkheid om leerstoelen al dan niet overeind te houden de resultante zijn van het overleg tussen decanen en wetenschappelijk directeuren. De medezeggenschap in zowel faculteiten en instituten komt als gevolg van dit eenheidsoverstijgende overleg vrijwel automatisch voor voldongen feiten te staan. Graag verneemt de UR van het CvB hoe het de rol van de medezeggenschap in deze bij uitstek strategische discussie ziet. Met name hoe een voor de besluitvorming tijdig moment voor medezeggenschap gerealiseerd wordt.

3.Ten aanzien van derde-geldstroompromotieplaatsen zal een stapeling van premies ontstaan (jaarpremie, promotiepremie, geen bijdrage aan overhead). De randvoorwaarde van kostendekkende contracten, met uitzondering van projecten binnen raamcontracten, is een belangrijk uitgangspunt. Het premiëren van deze plaatsen is echter een bestuurlijke keuze, die naar mening van de UR alleen te rechtvaardigen is als alle geldstromen hun bijdrage leveren aan de infrastructuur van de UT. Bij de nu nog afzonderlijke lopende financiering van de opleiding TG is dit duidelijk geregeld. Door alleen de 1ste geldstroom voor deze infrastructuur aan te slaan wordt een onevenredig deel van deze lasten voor rekening van het onderwijs gebracht. Ten aanzien van 2de gs en met name 3de gs projecten is de evenredige bijdrage aan de infrastructuur van de UT en de eenheden gewenst. Op deze wijze komen kosten voor UT-voorzieningen (personeel, financiën, bestuur, bibliotheek etc.) ook ten laste van deze projecten. De UR verwacht van het CvB bij de herziening van het verdeelmodel en de begrotingsrichtlijnen 2006 duidelijkheid over de wijze waarop deze lasten ook in rekening worden gebracht en worden doorberekend in de tarieven. Een belangrijk uitgangspunt dient te zijn dat activiteiten op het gebied van onderwijs en onderzoek binnen het verdeelmodel op gelijke wijze worden behandeld.

4.De wijze van toerekening van de infrastructurele component onderwijs is vele malen onderwerp van discussie geweest. De UR dringt er bij het college op aan de huidige wijziging te gebruiken om de grondslag van SSP / ECTS te realiseren, voor deze component en voor de decentrale stimulering onderwijs.

5.Het uitkeren van de promotiepremie aan de leerstoelen voordat deze is ontvangen van het ministerie, mogelijk zelfs in de vorm van jaarlijkse tranches gedurende de looptijd van het project, kan een elegante oplossing vormen voor met name startende leerstoelen. Bij een dergelijke stelselwijziging is een overgangsregeling echter van het grootste belang. Deze overgangsregeling moet er voor zorgen dat recent geleverde of in een ver stadium verkerende promoties ook met een volle premie worden gehonoreerd. Dit vergt een tijdelijke verhoging van uitgaven waarvan de mogelijkheid mede afhankelijk is van de huidige liquiditeitspositie van de UT.



Met vriendelijke groeten,

namens de Universiteitsraad,





dr. G.J.I. Schrama

voorzitter