verslag

van 2004 12 07

Griffie

Spiegel – kamer 500



Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 04-421

Fax


Datum

10 februari 2005

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad op dinsdag 7 december 2004


Aanwezig:

Leden UR:

Becht, Bijleveld, Bosschaart, Bouwman, Brinkman, Brugge, Van Doorn, Girisch, Houweling, IJzermans, Van der Mark, Meijer, Pol, Schrama (vz), Wormeester, Zuurbier

College van Bestuur:

Te Beest, De Jong

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)

Afwezig:

Van Vught (m.k.), Poorthuis (m.k.), Waals (z.k.)




1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent om 9.10 uur de vergadering.

De voorzitter memoreert dat dit de laatste overlegvergadering is met De Jong als CvB-lid. Dat zou ook hebben gegolden voor Van Vught, ware het niet dat hij helaas afwezig is. Aan het inhoudelijke deel van de vergadering zou Van Vught toch al niet hebben deelgenomen, maar hij had nog wel even informeel aanwezig willen zijn. Volgens de voorzitter heeft zijn afwezigheid te maken met de ingezonden brief van een van de UR-leden in UT-Nieuws.


De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld, met dien verstande dat agendapunt 12 wordt behandeld na agendapunt 8.


2.Mededelingen

UReka overhandigt aan Meijer een pakje van Sint Nicolaas, met daarbij een gedicht dat refereert aan Meijers brief in UT-Nieuws.

Meijer kondigt aan de vergadering eerder te moeten verlaten om les te geven. Hij zou het wel zo willen regelen dat hij niet zou hoeven vertrekken, maar dat moet er eerst een fatsoenlijke compensatie voor zijn UR-werk komen, aldus Meijer.


3.Verslag van de overlegvergadering van 9 november 2004 (UR 04-371)

Pag. 1 r.44: “De verdeling zal voor het betreffende deel plaatsvinden op basis van SSP’s.”

Met inachtneming van deze aanvulling wordt het verslag vastgesteld.


Naar aanleiding van het verslag:

Pag. 5, r. 22 t/m 27: De tekst is op zich juist maar komt enigszins belerend over, hetgeen niet zo bedoeld is. Wat Te Beest wilde aangeven is dat we met z’n allen het proces nog niet helemaal kennen en dat we er samen van moeten leren.


De voorzitter vraagt hoe het CvB terugkijkt op deze overlegvergadering, en dan met name op agendapunt 7 inzake de Gemeenschappelijke Regeling 3 TU’s. Het ging om een conceptversie van de GR, waarvan tijdens het gezamenlijk overleg van collegevoorzitters en medezeggenschap op 17 november jl. een nieuwe versie werd rondgedeeld, waarna er op 1 december wederom een nieuwe versie verscheen. Vindt het college nog steeds dat aan de UR een instemmingsvraag gesteld kan worden naar aanleiding van een conceptversie? Daaraan gekoppeld wil de voorzitter graag weten wat de status is van het opschorten van de instemmingsvraag.

De Jong: De versie die het CvB met instemming van de UR had willen vaststellen zou voor het college een belangrijk uitgangspunt zijn geweest voor het gesprek met de collega’s van de beide andere universiteiten. Dat is een andere benadering om het proces in te gaan dan door de raad gekozen, die ervan uitgaat dat de DB’s van de instellingen tot overeenstemming zouden zijn gekomen over een bepaalde tekst die vervolgens ter instemming zou zijn voorgelegd. Het CvB is echter van mening dat het samenwerkingsverband ook een onderhandelingssituatie is tussen de drie instellingen. Als onderdeel daarvan kon de UR ervoor kiezen aan de kant te gaan staan en later een oordeel te vellen, danwel partij te zijn in het overleg en samen met het CvB een standpunt neer te leggen waaraan het college zich dan ook sterker dan anders gebonden zou achten; daarna zou wellicht een wijziging kunnen volgen in het verdere overleg. Kennelijk is het college onvoldoende in staat geweest die insteek duidelijk te maken; het is jammer dat daarover verwarring is ontstaan. Ook in de komende periode is het belangrijk dat CvB en UR zich bewust blijven dat het gaat om een samenwerkingsverband waaraan het college zeer hecht, maar waarbij ook de belangen van de UT goed tot hun recht moeten komen – dat kan alleen als de organen binnen deze universiteit gezamenlijk optrekken.

Meijer merkt op dat, als het om onderhandelingsinzet gaat, de UR het natuurlijk zeer op prijs stelt daarin vroegtijdig gekend te worden; een adviesvraag zou dan echter meer voor de hand liggen dan een instemmingsvraag. Goed om te onthouden voor een volgende keer.

De Jong vult aan: Wat de opschorting van de instemmingsvraag betreft: in het gezamenlijk overleg op 17 november zijn nadere afspraken gemaakt over de procedure. Analoog aan wat bij de andere universiteiten gebeurt volgt nu eerst het traject waarin naar een finale versie van de GR wordt toegewerkt; vervolgens zal die finale versie – begin volgend jaar – aan de raad worden voorgelegd.


4.Wijziging regeling afstudeersteun bij collectieve aanvragen (UR 04-354, UR 04-375)

De UR stemt in met het voorgenomen CvB-besluit m.b.t. wijziging van de Regeling Afstudeersteun bij collectieve aanvragen, conform conceptbesluit UR 04-375.


5.Onderwijsjaarcirkel 2005-2006 (UR 04-360, UR 04-377)

De Jong: Het CvB neemt kennis van het advies en is bereid na te gaan of tegemoet kan worden gekomen aan de vragen van de raad. Echter de mogelijkheid om voor het komend jaar tot daadwerkelijke wijziging te komen is zeer beperkt, en het CvB vreest dat het verzoek van de raad leidt tot geïsoleerde vrijgeroosterde dagen of tot vakanties die door verschuiving in een geïsoleerde positie worden geplaatst, hetgeen – gezien vanuit het belang van het onderwijs – tot ernstige verstoring van de programmering van het onderwijs zou kunnen leiden. (Ter toelichting: Het is logisch om de voorjaarsvakantie in week 16 te plannen omdat dat direct na de toetsperiode is. En verder ligt in week 18 de eerste maandag van een nieuw blok). Het voorstel van de roosterwerkgroep is tot stand gekomen na overleg met velen en wordt ondersteund vanuit de opleidingen. Ten aanzien van het inroosteren van een tentamenvrije week 35 begrijpt De Jong de achterliggende gedachte van de UR, maar hij wijst in dat kader op het gebruik van de zomerperiode (summer campus etc.) – als de tentamens eerder in de zomerperiode zouden plaatsvinden zou dat ook consequenties voor het personeel hebben.

Wat vermelding van de feestdagen betreft: Uitgangspunt is dat de christelijke feestdagen per definitie in het rooster worden verwerkt. Er was een verzoek om ook islamitische feestdagen erin te verwerken – in reactie daarop zal expliciet in de richting van de opleidingen worden duidelijk gemaakt wanneer die feestdagen zijn, waarna het aan de opleidingen is om daarmee om te gaan.


De voorzitter constateert dat de gevraagde toezeggingen niet verworven zijn. Besloten wordt een advies uit te brengen als hieronder nader omschreven.


Het advies van de UR zal zodanig worden geformuleerd dat de tekst van het conceptbesluit UR 04-377 wordt overgenomen tot en met de overwegingen, waarna de vermelde toezeggingen worden geherformuleerd tot adviezen van de UR om wijzigingen in de jaarcirkel aan te brengen.


6.Convenant Kennispark Twente (UR 04-320, UR 04-392)

Te Beest benadrukt dat het project Kennispark Twente uitermate belangrijk is. Het loopt al een jaar of vijf en heeft een wat stroperige procedure gekend. In het Vastgoedplan is het besluit genomen om zowel Langezijds als Hogenkamp vrij te maken. Dat betekent dat op enig moment in het ontwikkelingstraject de kosten van die gebouwen door externen overgenomen zouden kunnen worden. Kennispark Twente is inmiddels een speerpuntproject van de Netwerkstad Twente en van de provincie Overijssel, en ook in de nota “Pieken in de Delta” wordt het genoemd als speerpunt. De provincie heeft M€  5 uitgetrokken om te ondersteunen bij het daadwerkelijk realiseren van de bedrijvigheid. Er is een BIRK-aanvraag ingediend en gehonoreerd, hetgeen een financiële bijdrage inhoudt ter ondersteuning van het O&O-centrum en de beeldkwaliteit van de campus – aan de nadere uitwerking wordt nu gewerkt.

Het convenant dat voorligt is een afspraak om tot afspraken te komen, niet meer en niet minder. Het gaat om een besluit over de vraag in welke rechtspersoon op welke wijze en met welke begroting het Kennispark-project zal worden voortgezet. Verder staat erin dat, als er besluiten worden genomen die geld kosten, de besluitvormingsprocedures van de betrokken organisaties (waaronder de universiteit) zullen worden gevolgd. Het college achtte het niet nodig dit convenant aan de UR voor te leggen.

Het bedrag van k€ 150 is opgenomen in de begroting voor het Kennispark. Het is nog niet gealloceerd maar er is wel rekening gehouden met een eventueel besluit over een rechtspersoon en eventuele bemensing. De UT wil proberen haar bijdrage te leveren in natura, maar heeft al wel rekening gehouden met de mogelijkheid dat dat in geld gebeurt. Als het besluit genomen is en een directeur aangesteld moet worden, zal de UT ernaar streven de nieuwe directeur HTT de rol van directeur Kennispark op zich te laten nemen (matching in natura dus).


Vanuit de UR wordt opgemerkt dat ook in het convenant te lezen valt dat derden in de gelegenheid worden gesteld te bouwen op de campus. Daarover werd in het Vastgoedplan ook al gesproken en toen is vastgesteld dat het belangrijk is gezamenlijk vestigingscriteria vast te stellen.

Te Beest zegt dat het college aan de volgende procedure denkt: een voorstel om het Kennispark onder te brengen in een stichting, zodat het beter vindbaar is, waarna de vorming van een publiek-private samenwerking volgt (en de rest ontwikkeld kan worden in een periode van ca. twintig jaar). Op dat moment zal er een programma van eisen gemaakt worden, waarop de UR doelt (dus ook de vaststelling van vestigingscriteria). Uitgangspunt voor de UT is dat er bedrijven komen die in interactie werken met de onderzoeksgroepen en die vooral bijdragen aan facility sharing.

T.z.t. komt een en ander ook bij de UR terecht.


De UR neemt de toelichting door het college voor kennisgeving aan, accepteert op grond daarvan dat het convenant zonder UR-advies tot stand is gekomen en stelt vast dat de UR te zijner tijd inhoudelijk bij het geheel betrokken zal worden.


7.Collegegeldtarieven Joint Master Programmes 2005-2006 (UR 04-330, UR 04-348)

Het kabinet zal de bekostiging voor niet-EER-studenten niet handhaven, dat is volstrekt duidelijk aldus De Jong. Maar de formele besluitvorming heeft nog niet plaatsgevonden en ook is nog niet specifiek aangegeven hoe een eventueel beurzenstelsel eruit zal zien. Dat moet dus worden afgewacht, waarna het college zijn standpunt zal bepalen, de raad zal informeren en er overleg zal plaatsvinden over het verdere verloop van de besluitvorming. Aldus de interpretatie door het CvB van de geformuleerde toezegging in UR 04-348.


De UR adviseert conform het conceptbesluit UR 04-348.


8.MBA-opleiding Hunan (UR 04-304, UR 04-346, UR 04-380)

De UR heeft geconstateerd dat de samenwerkingsovereenkomst met de Hunan-universiteit inmiddels getekend is, ondanks het feit dat het CvB wist dat de UR in dit verband adviesrecht claimt.

De Jong wijst erop dat het hier gaat om een samenwerking en om afspraken die al een jaar lang bestaan. De nieuwe samenwerkingsovereenkomst betreft slechts een nadere specificering van eerder gemaakte afspraken.


Wat de formele positie van de UR in dezen betreft stelt De Jong dat het college is uitgegaan van de normale gang van zaken rond post-initieel onderwijs. M.a.w.: dit valt niet onder de bepalingen van het UR-reglement, maar is een facultaire aangelegenheid en valt onder de facultaire medezeggenschap.

De Jong betreurt de toonzetting van de UR-brief 04-380, waarin gesproken wordt over een geschil, maar stelt vast dat dat de keuze van de raad is. Wat het college betreft gaat het hier om de vraag of de gevolgde weg (d.w.z. de verhouding tussen decentrale en centrale medezeggenschap) ook in de toekomst de wenselijke gang van zaken is.

De voorzitter merkt op dat de UR niet eerder besluitvorming heeft gepleegd over post-initiële opleidingen, maar dat daar tegenover staat dat in de nu geldende Nota Onderwijs een route wordt uitgestippeld waarin post-initiële opleidingen steeds meer worden gezien als reguliere opleidingen. En met Hunan is afgesproken dat deze opleiding op reguliere wijze geaccrediteerd moet worden – dan gaat het dus om de instelling van een opleiding en daarop is geen facultaire maar universitaire besluitvorming van toepassing en dus ook UR-instemmingsrecht. Hetzelfde geldt ten aanzien van de samenwerkingsovereenkomst: de nadruk ligt op wat de decaan doet, maar formeel gaat het om een CvB-besluit; het is heel vriendelijk van de decaan om een en ander met de faculteitsraad te bespreken, maar het is de UR die op dit punt bevoegd is en niet de FR. Samenwerkingsovereenkomsten worden sinds jaar en dag aan de UR voorgelegd. Het college wist dat de raad zich erover zou buigen, ruim voordat de nieuwe samenwerkingsovereenkomst werd getekend, dus er was alle tijd om het stuk ter advisering voor te leggen. De UR is zelfs formeel niet eens geïnformeerd over het tot stand komen ervan. De UR wil niet allerlei processen frustreren, maar er lijkt nu geconstateerd te moeten worden dat de standpunten van raad en college zodanig opponerend zijn dat de volgende stap helaas moet zijn: een geschil. Uiteraard is de UR altijd bereid tot het zoeken naar een compromis, maar dan wel met inachtneming van zijn bevoegdheden.


De Jong herhaalt dat de start van post-initieel onderwijs nooit eerder aan de UR is voorgelegd. Het college is bereid met de UR nadere afspraken te maken over hoe in de toekomst om te gaan met dit soort aangelegenheden, maar de samenwerkingsovereenkomst met Hunan is inmiddels een vaststaand feit.

De Nota Onderwijs heeft inderdaad de stellingname dat initieel en post-initieel onderwijs bij de invoering van bachelor/master-onderwijs steeds meer gaan eroderen, en in die zin ligt het ook in de rede om samen te kijken naar dit soort zaken. Dat geldt ook voor de accreditatie, die daar onlosmakelijk mee is verbonden. Accreditatie van post-initieel onderwijs was voorheen niet noodzakelijk, maar de doelstelling van de Nota Onderwijs is alle opleidingen te gaan accrediteren.

Blijft de vraag welke positie de FR en de UR innemen. In het kader van zorgvuldigheid zouden daarover afspraken moeten worden gemaakt.

Wormeester wijst erop dat accreditatie betekent dat de universiteit aan een opleiding een bepaalde kwaliteit wenst te verbinden. Als dat gebeurt is het noodzakelijk daarover uitgebreid te spreken en dan is het logisch ook de medezeggenschap daarbij te betrekken. Hunan is een heel duidelijke casus waar een opzet wordt gemaakt die veel verder gaat dan gebruikelijk is bij het huidige post-initiële onderwijs. Als het de bedoeling is daar richting accreditatie te gaan moet dus nu afgesproken worden hoe daarmee om te gaan. Aanvullend stelt de voorzitter voor hier ook in het kader van de bespreking van het Instellingsplan op terug te komen, waarbij er items spelen als kwaliteit, rechtspersoonlijkheid, rechtspositie van docenten etc.


UReka geeft aan dat de toelichting van het college voldoende ruimte geeft om in de toekomst daarmee om te gaan. Ten aanzien van de samenwerking met Hunan-universiteit is er voor UReka dan ook op dit moment geen probleem.


Brinkman stelt vast dat er sprake is van oprekking van een aantal begrippen zoals ze in de reglementen terug te vinden zijn. Dat vraagt om herdefiniëring.


Afgesproken wordt dat De Jong samen met de UR-voorzitter en Brinkman zal proberen vóór kerst 2004 een aantal kernpunten op papier te zetten die kunnen leiden tot verheldering van begrippen in het UR-reglement, met als eindresultaat meer duidelijkheid over de formele positie van de medezeggenschap in aangelegenheden als nu aan de orde zijn.


12. Concept-begroting 2005 (UR 04-378, UR 05-379, UR 04-388, UR 04-389, UR 04-390,

UR 04-391, UR 04-393)

In commissieverband heeft overleg plaatsgevonden. Op basis daarvan is een concept-advies opgesteld, dat ter vergadering wordt uitgedeeld en door Wormeester nader wordt toegelicht.

Te Beest: Bij het indienen van de begrotingen 2005 door de eenheden is een tekort van M€ 10 vastgesteld. In de begroting 2004 was het tekort ca. M€ 4,8 (dat wordt overigens iets minder). Nu het tekort is opgelopen moet er een scheiding gemaakt worden in incidenteel en structureel tekort. Het incidentele tekort kan nog worden afgedekt omdat er veel betere exploitatieresultaten zijn dan verwacht (het is namelijk mogelijk gebleken steeds het moment van lenen in het kader van huisvesting en vastgoed uit te stellen), maar oplossing van het structurele tekort moet een taakstelling zijn. Te Beest is het met Wormeester eens dat het niet verstandig is in paniek te reageren en naar een bezuiniging te streven die gepaard gaat met hoge kosten. Omdat het zou kunnen zijn dat de taakstelling niet helemaal gerealiseerd wordt is er een zekere opvang ingebouwd. Als gevolg van de taakstelling moeten drie faculteiten een saneringsplan maken, en op basis daarvan zal bezien worden wat in 2005 realiseerbaar is en wat langer gaat duren.

Door Wormeester is gesteld dat “het verdeelmodel eigenlijk tot een bijna automatische verdeling rechtstreeks naar de leerstoelen leidt”. Zo wordt het vaak geïnterpreteerd, aldus Te Beest, maar er moet ook een eigen vrije ruimte voor de decanen zijn – m.a.w. de decanen zijn vrij een heffing te doen op de leerstoelen om daarmee middelen vrij te krijgen.

Een nieuwe verdeling zal geen oplossing bieden. Wat er speelt is een daling van de prijzen door de toenemende prestaties. Er zijn bepaalde leerstoelen die – aantoonbaar – met de huidige premiehoogte absoluut niet uitkunnen. Zij zouden dus feitelijk een hogere premie moeten hebben, maar dan kunnen er minder premies verstrekt worden en dient er aftopping plaats te vinden. Minder premies betekent echter ook minder groepen; de saneringsplannen van twee faculteiten moeten dan ook een strategie bevatten die aangeeft welke groepen moeten afvallen. Hier zal op zo kort mogelijke termijn mee aan de slag worden gegaan. De overgang naar een nieuwe systematiek vergt ook wat middelen, dus waarschijnlijk zal er in die richting een financiële bijdrage zijn (mits er goede voorstellen liggen).

Verder merkt Te Beest op dat BBT haar saneringsplan voor de februaricyclus wel gereed zal hebben maar dat EWI en TNW meer tijd nodig hebben. Voor het overige kan hij leven met de formulering van de toezeggingen in het concept-advies.


Tot slot toont Te Beest een in het UMT geaccordeerde raming van de verwachte financiële situatie van de UT tot en met 2008. De raming is gebaseerd op de nu beschikbare gegevens, zoals de verwachte rijksbijdrage als gevolg van het stijgen van het aantal diploma’s en het aantal aio’s. Maar ook het bekostigingsmodel voor het onderwijs gaat veranderen (waarschijnlijk in 2007) en dat betekent: leerrechten in plaats van diploma’s financieren (de universiteit krijgt dan afgerekend per jaar dat een student er is) – daardoor zou het budget dus erg kunnen veranderen.

Een kopie van het getoonde overzicht wordt aan de UR overhandigd.


De UR adviseert positief over de ontwerp-begroting 2005 conform het ter vergadering uitgereikte conceptadvies, met dien verstande dat in de tweede toezegging “de saneringsplannen van” wordt geschrapt en in de vierde toezegging “februari 2005” wordt gewijzigd in “april 2005”.

Desgevraagd geeft de UR aan ook positief te adviseren ten aanzien van de vaststelling van het jaarplan en de begroting 2005 van BMTI. Over de begroting 2005 van TG is impliciet geadviseerd met het advies t.a.v. de UT-begroting.


9.Avantium (UR 04-349)

Te Beest: Ooit is door het CvB met de raad de afspraak gemaakt dat, als er op Avantium een afwaardering zou moeten plaatsvinden, deze ten laste van Mesa+ zou worden gebracht. Een afwaardering heeft nu plaatsgevonden en er is geen enkele reden om te veronderstellen dat er ooit nog weer een plus in de waardering komt. De vraag deed zich dus voor of dat nu in rekening gebracht zou moeten worden bij Mesa+. Op zich betekent dat niets anders dan “boekhouden” – er is immers maar één jaarrekening, namelijk die van de universiteit. Maar voor Mesa+ zou het wel grote consequenties hebben, omdat het in mindering gebracht zou moeten worden op de budgettoekenning aan Mesa+ en daarmee aan de leerstoelen die daarin werken. Voor de leerstoelen zou dat een groot tekort betekenen bovenop de tekorten die daar al zijn. Het college acht het dan ook niet verantwoord om de afwaardering bij Mesa+ in rekening te brengen en heeft besloten de last centraal te dragen, ook al is dat tegen de gemaakte afspraak.

De voorzitter wijst erop dat er meer speelt dan alleen een afspraak met de UR. Hij doelt daarmee op een schrijven van het college aan de wetenschappelijk directeur van Mesa+ d.d. 17 februari 2000 waarin de gemaakte afspraken zijn neergelegd. Alle argumenten die nu aangevoerd worden om af te zien van een doorberekening zullen ook toen al gegolden hebben.

Te Beest is het daarmee eens en merkt op dat het verstandig is dat in toekomstige gevallen vooraf al te beseffen en de afspraak te maken zoiets te zien als eenmalige stimulering aan de instituten.


Wormeester merkt op dat iets dergelijks ook al eerder gebeurd is, bijvoorbeeld bij de Digitale Universiteit. Waar het om gaat, is dat hieruit geleerd wordt.

Te Beest is bereid over een toekomstige aanpak met de UR afspraken te maken. Duidelijk is volgens hem dat de UT niet moet ondernemen met geld (afgezien van bijvoorbeeld noodzakelijke aanloopfinanciering omdat een partner dat ook doet), maar door zijn IPR – intellectual property rights – ter beschikking te stellen aan een ondernemer.


10.Voortgang 3TU-overleg (UR 04-358, UR 04-396)

Op basis van de conceptversie 011204 van de Gemeenschappelijke Regeling neemt de raad er kennis van dat anders dan eerst verondersteld werd de GR niet automatisch leidt tot een rechtspersoonlijkheid, en dringt erop aan dat de drie voorzitters toch nader bezien of het niet mogelijk is na de totstandkoming van de GR tot een publieke rechtspersoon te komen. De UR gaat er namelijk van uit dat de federatie stapsgewijs verder wordt uitgebouwd en dan zijn bij een dergelijke rechtspersoon transparantie, controleerbaarheid en de mogelijkheid tot medezeggenschap beter gegarandeerd. Bovendien is het dan waarschijnlijk ook mogelijk de oprichting achterwege te laten van een stichting voor het beheer van de aan de federatie toegekende middelen (de UR heeft zoals bekend grote bedenkingen t.a.v. zo’n stichting).

Verder constateert de UR dat er een nieuwe tekst is over een geschillenregeling met een bepaalde rol voor de RvT. Deze lijkt de UR nogal bizar toe, immers: als drie colleges het niet eens worden is het meestal twee tegen één en dan zou die eenling door deze regeling in een heel moeilijke positie gebracht worden als men er niet uitkomt (waarbij de raad denkt dat, als de colleges geen overeenstemming bereiken, de RvT’s het waarschijnlijk ook niet eens zullen zijn). Ten aanzien van de medezeggenschap biedt de GR nu veel meer duidelijkheid. De UR is bereid de vorm van overleg met het voorzittersoverleg op een of andere manier te regelen – een commissie is bijvoorbeeld bespreekbaar, omdat de bevoegdheden uiteindelijk bij de afzonderlijke colleges liggen en de medezeggenschap op dat punt ook bij de afzonderlijke raden blijft. Het gaat dus om de manier van informatieuitwisseling, het geven van meningen, het bespreken van tussenversies van documenten etc.

Het zal voor de UR moeilijk worden vóór 3 januari a.s. met een standpunt te komen. Wel zal hij zich inspannen een eerste oordeel te geven, nadat volgende week eerst nog een overleg tussen de drie medezeggenschapsraden heeft plaatsgevonden.


De Jong neemt kennis van hetgeen door de raad is meegedeeld. Uiteraard zou hij het op prijs stellen als de UR wel vóór 3 januari a.s. een concreet standpunt zou kunnen formuleren.


11.Concept Instellingsplan (UR 04-257, UR 04-332, UR 04-386, UR 04-386a, UR 04-333,

UR 04-347, UR 04-382)

De Jong: Het voorliggende concept van het Instellingsplan wordt onderschreven door CvB en UMT. In de januari-vergadering van het UMT zullen de punten die door de UR als gesprekspunten worden aangedragen aan de orde worden gesteld.

De Jong stelt vast dat er heel goed is geluisterd naar de in de universiteit gevoerde discussie en dat dat goed is verwerkt in de tekst.


De Jong stelt voor te gaan werken met een devolutief concept en vraagt de UR buiten de vergadering om een inventarisatie van discussiepunten te maken. Er zou eindeloos kunnen worden gedebatteerd over alles wat beter kan in het Instellingsplan, maar het college wil graag vaststellen wat de discussiepunten zijn, ze achtereenvolgens aftikken en niet steeds met nieuwe discussiepunten worden geconfronteerd. Het uiteindelijke concept kan dan begin volgend jaar aan de UR worden voorgelegd.

Afgesproken wordt dat alle fracties over een week hun standpunten geïnventariseerd zullen hebben.


Ook de UR heeft geconstateerd dat de weerslag van de discussiebijeenkomsten duidelijk terug te vinden is in de gewijzigde concepttekst, waardoor de scherpe kantjes er nu af zijn.

De gewijzigde concepttekst wordt vandaag gepubliceerd op het UT-net. De UR zal op zijn eigen net ook het concept publiceren, maar dan in een versie waarin de wijzigingen gemarkeerd zijn.


De Jong wil graag het tot nu toe doorlopen proces onderstrepen en wij waardering uitspreken voor de wijze waarop de UR zich heeft opgesteld in de afgelopen periode en de discussie heeft gezocht in de UT-gemeenschap en met het CvB. Op deze wijze is het mogelijk een breed draagvlak in de instelling te bewerkstelligen voor een tekst met misschien wat minder scherpe kantjes maar wel met duidelijke keuzes.


13.Algemene gang van zaken (UR 04-394)

Afgesproken wordt dat het CvB in algemene zin reageert op de brief van de UR (04-394) en dat gedetailleerde informatie schriftelijk zal worden verstrekt – desgewenst kan de raad daarop in een later stadium dan nog terugkomen.


De Jong: In het kader van de reorganisatie zijn heel belangrijke stappen gezet. De opleiding Technische Geneeskunde bijvoorbeeld is voor de lange termijn van zeer groot belang voor de UT. De reorganisatie is zeer ingrijpend geweest. Hij was niet uitsluitend gericht op het realiseren van bezuinigingen, hoewel die natuurlijk een levensnoodzaak waren – voorop stond steeds de kwaliteit van de organisatie. Een van de belangrijkste aspecten is de kwaliteit van de governance. Uitgangspunt is dat de bestuursstructuur van de universiteit zo min mogelijk een hiërarchische moet zijn. Het meest duidelijke signaal van die structuur is het UMT, waar belangrijke bevoegdheden van het CvB in het overleg zijn ingebracht.

Een andere belangrijke structuur die gerealiseerd is: het primaire proces is leidend. De dienstverlening is daarop ingericht. De dienstdirecteuren spreken voortdurend met elkaar over de kwaliteit van de dienstverlening.

Waar nog aan gewerkt wordt is het op een goede manier leren omgaan met de nieuwe structuur die is het leven is geroepen. Het gaat nu nog met horten en stoten, en heeft tijd nodig (een jaar of vijf).

Het bezuinigingsaspect is zeer ingrijpend. Doelstelling was een vermindering met 147,5 fte, met name binnen de diensten. Uiteindelijk leidde dat tot de uitkomst dat er voor maximaal 29 fte gedwongen ontslag zou moeten plaatsvinden. Maar gelukkig zijn er in het geheel geen gedwongen ontslagen nodig geweest. Dat wil overigens niet zeggen dat de reorganisatie niet ingrijpend is geweest voor veel individuen. Al met al is het gelukt belangrijke beslissingen te nemen op een verantwoorde manier, zowel vanuit managementperspectief als in financiële en sociale zin.

De stand van zaken is nu dat de UT er in belangrijke mate in geslaagd is de bezuinigingen te realiseren die voor ogen stonden, zij het misschien soms op een andere plek dan oorspronkelijk gepland. Het is weer gebleken dat een organisatie een levend organisme is, want er zijn ook nieuwe stappen gezet.

Daarmee is de reorganisatie van de dienstverlening in de eindfase terecht gekomen. Maar dat betekent niet dat de druk op de organisatie nu weg is. Ook in de komende jaren zullen nog stappen gezet moeten worden. Ook in de faculteiten zullen heel duidelijke keuzes moeten worden gemaakt.

Overigens ziet De Jong de ontwikkelingen binnen de faculteiten niet als logisch gevolg van de genomen besluiten, want die waren immers gelieerd aan de vastgoedproblematiek. De universiteit heeft ook te maken met een omgeving waarin de politiek hoog in het vaandel heeft staan dat de kennisinstituten gestimuleerd moeten worden, met als gevolg dat er een steeds verdere korting plaatsvindt op de budgetten van de universiteit. De UT zal nooit meer in een volstrekt stabiele situatie zitten – er zal steeds meer dynamiek zijn en als gevolg daarvan de nodige aanpassingen van de structuur.


Te Beest geeft een overzicht van de geplande bezuinigingen in de komende jaren voor de diensten, de faculteiten, de projecten etc. Ten aanzien van het aantal personeelsleden merkt hij op dat er nu nog 30 fte OBP meer is dan oorspronkelijk gepland; dat geldt vooral in de faculteiten, waarbij bijvoorbeeld ook de toename 2e en 3e geldstroom een rol speelt.

Te Beest zal zorgen dat de door hem genoemde getallen in een notitie aan de UR verwerkt worden.


De Jong merkt nog op dat het laatste stuk van het Instellingsplan inzake de dienstverlening is herschreven. In de stuurgroep Onderwijs is teruggekeken en vastgesteld dat bij een aantal thema’s wellicht efficiencywinst te behalen is door ICT-ontwikkelingen; de komende tijd zal daar verder naar gekeken worden. Wellicht komt er dus nog nadere besluitvorming vanuit het adagium: “het primaire proces is leidend” en “zoveel mogelijk geld naar het primaire proces”.


14.Schriftelijke rondvraagpunten (UR 04-395)

14a. Uniformiteit in uitvoering keuzemodel arbeidsvoorwaarden

De Jong: Met de decanen is afgesproken dat het keuzemodel arbeidsvoorwaarden integraal binnen de universiteit zal worden uitgevoerd.


14b. Verzoek om informatie m.b.t. “Triangle” (zie concept IP)

Afgesproken wordt dat het college zorgt voor schriftelijke informatie. Tevens zal een datum afgesproken worden voor een separaat overleg over dit onderwerp, zo mogelijk gezamenlijk met de beide andere universiteiten (actie Te Beest).


14c. Sluiting snackbar Bastille

Te Beest: De gemiddelde dagelijkse omzet was € 14,05! Extra publicaties konden daar niets aan veranderen. Overigens heeft het college zich verbaasd over de openingstijden van de snackbar (tussen 08.00 en 12.00 uur). Daarom zal bekeken worden of het mogelijk is met betere openingstijden een snackbar beter te laten draaien. Aan een extern consultant is opdracht gegeven een analyse te maken van de gehele cateringorganisatie (er zijn financiële tekorten en wisselende opvattingen over de kwaliteit van de catering). De consultant zal ook spreken met het UR-presidium. Het onderzoek start in januari/februari 2005. Omdat het college van mening is dat het aanbod op de campus meer moet aansluiten bij de bevolking op de campus wordt ook de vraag meegenomen of er ruimte is voor uitbreiding van het assortiment.


14d. Dyslexieregeling UT

Het antwoord is al gegeven in UR 04.395.


14e. Engelstaligheid Tast

Het antwoord is al gegeven in UR 04.395.


14f. Poederbrief

De UR is van oordeel dat de hele UT-gemeenschap behoort te worden ingelicht over de uitkomsten van het onderzoek. De Jong neemt kennis van dat standpunt. Hij is de mening toegedaan dat in ieder geval alle direct betrokkenen op de hoogte moeten zijn en is bereid na te denken over een mogelijkheid om ook anderen (niet-“bewoners”) die in het gebouw aanwezig waren te informeren. Overigens is via UT-Nieuws wel campusbreed verslag gedaan.


14g. HTT

Te Beest legt uit dat qualitate qua het CvB-lid met valorisatie in zijn portefeuille ook statutair directeur van de holding is – hijzelf dus. Maar omdat hij dan met meerdere petten op aan dezelfde tafels zit (als CvB-lid is hij aandeelhouder, als statutair directeur moet hij verantwoording aan zichzelf afleggen en ook is hij commissaris bij een van de dochterondernemingen), is besloten op zoek te gaan naar een professional, die bovendien ook veel beter de kennisvalorisatie kan beheren en managen. Die is gevonden in dhr. De Widt, die deze functie straks naar verwachting zal gaan combineren met de functie van directeur Kennispark.

De kosten worden gedeclareerd bij de UT en hebben betrekking op secretariële ondersteuning, ruimte etc. Dit kan worden gezien als aanloopkosten. Immers, er zal vooraf moeten worden geïnvesteerd opdat er iets gebeurt – uiteindelijk zal de holding zichzelf moeten bedruipen en mogelijk zelfs een bescheiden winst maken.

Wat de aandelen Ambient betreft: Ambient is een onderneming die gestoeld is op IPR (intellectual property rights), en is opgericht door de universiteit om de subsidiestroom op gang te krijgen. Overigens nooit met de bedoeling om zelf 100% van de aandelen te houden. Een deel is inmiddels ingeruild voor IPR; de UT heeft 20% van de aandelen als tegenwaarde van het gebruik van de IPR.

Novaris is een onderneming die bestaat uit één persoon (eigendom van een UT-medewerker).

Desgevraagd vertelt Te Beest nog dat de 80% aan aandelen een bedrag van k€ 18 vertegenwoordigde.


De voorzitter is van mening dat HTT wel een punt van zorg is, omdat de onderneming een financieel wankele basis heeft. De UR zou graag wat meer inzicht willen krijgen in de situatie van de holding, het perspectief, de risico’s etc. De eerder toegezegde jaarrekening is nog niet door de UR ontvangen. Te Beest zal de statutair directeur vragen de UR nader te informeren.


15.Rondvraag

Girisch: BOZ/BBT zou op sommige momenten gesloten zijn wegens zware onderbemensing, tentamenuitslagen zouden daardoor te laat verkregen worden. Is dit bij het college bekend? Dit is De Jong niet bekend – hij zal navraag doen.


Van der Mark: Er is inmiddels gesproken over de kamerproblematiek van de studieverenigingen. Wat is daaruit gekomen? De Jong antwoordt van de Student Union gehoord te hebben dat per faculteit nadere afspraken zijn gemaakt over de ter beschikking gestelde faciliteiten.


Voorzitter: Prof. Reinhoudt is naar verluidt herbenoemd als wetenschappelijk directeur van Mesa+, maar de instituutsraad is daar niet over gehoord. De Jong meent dat dat laatste wel het geval is en zal navraag doen.


Voorzitter: De UR heeft nog steeds niet het beleidsplan TSM ontvangen.


16.Sluiting

De voorzitter richt een woord van afscheid tot De Jong, daarbij terugkijkend op een periode van intensieve samenwerking. De Jong is het type bestuurder dat een medezeggenschapsraad zich graag wenst, steeds bereid in een vroegtijdig stadium met de UR te praten over in gang zijnde ontwikkelingen. Als het niet direct lukte eruit te komen, kon er altijd doorgepraat worden. Hij wilde het gesprek het liefst inhoudelijk houden en niet in procedurele discussies verzanden. Belangrijke zaken zijn in de afgelopen vier jaren de revue gepasseerd, met als grootste onderwerp natuurlijk de reorganisatie. Graag zou de UR-voorzitter met De Jong als portefeuillehouder het proces nog een stapje verder gebracht hebben, maar tot spijt van de UR heeft de Raad van Toezicht anders beslist.

De voorzitter laat zijn woorden vergezeld gaan van enkele cadeaus.


De Jong dankt de raad voor de vriendelijke woorden, en voor de discussies die er in de afgelopen periode gevoerd zijn – soms op het scherpst van de snede. Onder andere in de totstandkoming van het reorganisatieplan hebben de discussies met de UR hun belang bewezen.

Zijn collegelidmaatschap zit erop – het is een goede tijd geweest, waarop hij graag zal terugzien.

De nieuwe rector is een voortreffelijke man die als boegbeeld van de UT een hele belangrijke rol zal kunnen spelen. De Jong wenst hem alle succes toe.


De voorzitter sluit om 13.00 uur de vergadering.


*****