Verslag

van 2003 03 04


UNIVERSITEITSRAAD

GRIFFIE

BBgebouw – kamer 500




Agendapunt

Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad op dinsdag 4 maart 2003



UR

03-116



Vergadercyclus

15 april 2003





Aanwezig:

Leden UR:

Beeker, Van Benthem, Berends, Brinkman, Bulter, Van Doorn, Hazebroek, Holkers, Houweling, Huisman, Hummel, Meijer, Van Rijn, Schrama (vz), Wallinga-de Jonge, Wormeester

College van Bestuur:

Te Beest, De Jong, Van Vught

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)


Aanwezig bij agendapunt 4:

Vooijs


Afwezig:

Becht (m.k.), De Olde (z.k.)




1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent om 9.05 uur de vergadering.

Agenda:

Punt 2a (Vastgoed) verandert van mededeling in officieel agendapunt 8a.

Punt 5: Het college neemt de instemmingsvraag vooralsnog terug. De UR heeft veel vragen/opmerkingen. Deze zullen op schrift gezet en waar mogelijk in informele setting beantwoord worden – resterende punten schuiven door naar de volgende cyclus.


2.Mededelingen

Van Vught:

Stand van zaken ICES/KIS aanvragen

Er zijn 24 projecten ingediend t.w.v. M€ 200 (te voorzien van 50% subsidie). De UR zal schriftelijk nader geïnformeerd worden.

Decanaat faculteit Technische Natuurwetenschappen

De kandidaat heeft zich teruggetrokken. Er zal verder geworven worden, en natuurlijk wordt verlenging van de waarneming nagestreefd.


Meijer:

De UR heeft een commissie “Reorganisatie technische ondersteuning” ingesteld, waarin mensen vanuit de betrokken faculteiten en Meijer namens de UR zitting zullen nemen. De namen zullen binnenkort worden bekendgemaakt.


Berends:

Berends informeert of er nog vragen zijn naar aanleiding van de door hem rondgemailde mededeling vanuit de Studenten Advies Commissie van de VSNU. Van Vught complimenteert hem met zijn inbreng daarin.



3.Verslag en aandachtspunten van de overlegvergadering van 14 januari 2003 (UR-03-073, UR-03.075)

Pag. 1 r.12: Ook Van Benthem en Bulter waren aanwezig.

Pag. 1 r.33: “per 1.9.2003 gestart”.

Pag. 1 r.41: “internationale masteropleidingen”.

Pag. 4 r.24: “DD dringt aan op …”.

Met inachtneming hiervan wordt het verslag vastgesteld.


4.Technische Geneeskunde (UR-03.028 t/m 034, UR-03.067, UR-03.068 t/m 071, UR-03.072, UR-03.082

De voorzitter memoreert dat er tot het allerlaatste moment overleg heeft plaatsgevonden in commissieverband.


Bij de bespreking van dit agendapunt is tevens aanwezig dhr. Vooijs, oud-decaan medische faculteit KUN en voormalig bestuurder van het Nijmeegs Universitair Medisch Centrum.

Van Vught vertelt dat het departement nogmaals heeft laten weten dat de UT ervan uit kan blijven gaan dat de opleiding per 1.9.03 kan gaan beginnen. Het kabinet spreekt nog over de wijze waarop en de condities waaronder dat moet gebeuren. Wat betreft de ophoging van de numerus fixus in Nederland in den brede: het ministerie van justitie heeft de vraag opgeworpen in het kabinet of een stukje wetgeving op dit gebied voor één opleiding niet wat overdreven is; OC&W vindt dat dat niet kan, omdat dan de opleiding niet op tijd gestart kan worden. Het is een zaak die op kabinetsniveau geregeld moet worden, en naar de inschatting van het college zal dat wel lukken. En zo niet, dan zullen andere manieren gezocht worden om de opleiding per 1.9.03 te laten beginnen.

De belangstelling van studenten en ook van andere organisaties in binnen- en buitenland neemt enorm toe, aldus Van Vught.


Financiële aspecten:

Ter vergadering deelt het college op schrift gestelde antwoorden uit op schriftelijke vragen van de UR t.a.v. de financiën voor TG. Enkele korte aanvullende notities:

Uitgaven, vraag 1: Het genoemde tarief voor de wetenschappelijke staf ad 350.000 gulden is gelijk aan het bedrag dat een medisch specialist in een ziekenhuis in rekening brengt.

Uitgaven, vraag 2: Het gaat om k€ 120 per elke instromende student.

Uitgaven, vraag 4: Volgens Te Beest moet verschil gemaakt worden tussen liquiditeit en lasten. Er wordt binnen de ruimte gebleven die genoemd is voor de huisvestingslasten. Er is niet gerekend met m2-lasten, maar met integrale kosten, juist om een helder beeld te hebben.


In de discussie die volgt komt nog een aantal zaken aan de orde:

UR: Een op de opleiding toegesneden bibliotheekvoorziening moet er over maximaal 5 jaar zijn. CvB: De eigen voorziening zal in de loop der jaren verder opgebouwd worden.

UR en CvB: De opleiding moet zo spoedig mogelijk indalen in de reguliere bekostigingsstructuur (m.i.v. van de begroting 2005).

UR: Moet een deel van de voorfinanciering (vastgoedinvesteringen) worden betaald uit de lopende begrotingen van TG? CvB: De opleiding zal inclusief de vastgoedinvesteringen een batig saldo laten zien; anders wordt niet begonnen met de opleiding, zo was en blijft het standpunt van het college. Er zal door de opleiding meer worden geïnvesteerd in het vastgoed, maar aan het eind zal de UT er daardoor beter voorstaan dan zonder de opleiding.


Inhoudelijke aspecten:

CvB: Kan zich vinden in de toezeggingen zoals vooralsnog geformuleerd in het concept-besluit van de UR dat ter vergadering aan het college wordt voorgelegd.

UReka: Toevoegen aan de toezeggingen: individuele begeleiding en individuele studieadviezen aan het einde van het eerste jaar (zoals in de commissie besproken). Met inachtneming daarvan kan UReka instemmen met de instelling van de opleiding.

DD: Moeite met de samenstelling van het totale curriculum, en met name van het eerste jaar. In het eerste jaar moet er een groter evenwicht komen tussen technologische en medische vakken. (En wellicht moet de curriculumcommissie wat meer technologen bevatten). Aanpassing ná het eerste jaar werkt door in alle volgende jaren en geeft veel extra werk. Aanpassing nú maakt betere afstemming met BMT en eventueel de brede bachelor Techniek mogelijk – m.a.w.: efficiency in het onderwijs.

Voor DD is dit een zwaarwegend punt.

Campus Coalitie: Eens met DD. En verder: een opleiding Klinische Technologie past beter bij wat de UT kan en doet dan een geneeskunde-opleiding; bovendien gaat het hier om een politiek besluit. Het ACO-advies bevat belangrijke criteria. Er wordt nu nog te veel aangeschurkt tegen de oude plannen voor een geneeskunde-opleiding, dat lijkt niet verstandig. Er moet duidelijk gekozen worden voor een opleiding Klinische Technologie, en dat moet blijken uit zowel beroepsprofiel als programma, zeker voor het eerste jaar. Vraag: wordt alsnog gestreefd naar het binnenhalen van de geneeskunde-opleiding op langere termijn?

CvB: Het streven is de functie van de propedeuse gestalte te geven en dus wordt gestreefd naar een evenwichtig curriculum in zijn totaliteit, en ook in het eerste jaar. De curriculumcommissie heeft daartoe opdracht gekregen. In die commissie zitten ook enkele technologisch geschoolde experts.

T.a.v. de afstemming met BMT en eventueel de brede bachelor Techniek: ook het CvB vindt dat de onderwijs-efficiency van belang is en dat de afstemming dus zo maximaal mogelijk moet zijn; onder de voorwaarde dat elk van beide opleidingen een eigen profiel moet kunnen handhaven.

Studiebegeleiding inclusief individueel studieadvies aan het eind van het eerste jaar: akkoord, zij het dat over de exacte formulering nog even gesproken moet worden.

Vooijs: Het is geen geneeskunde-opleiding en dat mag het ook niet worden. Evenwicht in de vakken moet er zijn. In de te geven geneeskundevakken zullen belangrijke selecties aangebracht moeten worden zodat relevante vakken voor geneeskundige technologie ontstaan. Bij het ontwerpen van het curriculum moet gedacht worden in de toekomst en hoe dit vak zich in de toekomst gaat ontwikkelen, hetgeen overigens niet gemakkelijk is. Een beroepsprofiel is er inderdaad nog niet, want het gaat immers om iets nieuws; maar dat komt wel, dat is een logische ontwikkeling. In het medische bedrijf zit men te springen om “specialisten in het veld” – er zijn tientallen voorbeelden te noemen als het gaat om de acceptatie van bepaalde expertises.

Technische Geneeskunde is een breed vak en kent vele mogelijkheden. Vooijs heeft geen enkele twijfel dat zich in de toekomst een heel breed scala aan beroepsmogelijkheden zal aandienen – dat ontwikkelt zich in de praktijk nu al. Maatschappelijke weerstanden zijn op dit moment nog niet weg, maar dat geldt ook t.a.v. artsen. Vooijs heeft daar niet veel zorg over. In de academische ziekenhuizen zijn er veel minder statusniveaus dan in de grote opleidingsklinieken; maar ook daar is een ontwikkeling gaande. De technisch geneeskundige in de toekomst heeft wettelijk een eigenstandige geneeskundige behandel- en diagnostiekbevoegdheid en is daarbij niet afhankelijk van een arts – daar is iedereen het over eens. De voorzitter merkt op dat het kabinet niet denkt over een wijziging van de Wet BIG, maar over het aanleggen van een register. Vooijs: Het heeft 30 jaar geduurd voordat de Wet BIG er was – een register is al een belangrijke opening.

Hij is ervan overtuigd dat de studenten die worden opgeleid in de toekomst zullen slagen in de praktijk. De huidige geneeskundige opleiding is inadequaat als het gaat om het geven van antwoorden op specifieke vragen die aan de orde zijn.

Het curriculum zal op tijd klaar en voldoende evenwichtig zijn, en ook docenten zullen tijdig zijn binnengehaald en voorbereid. Het is niet zo dat er nieuwe vakken moeten worden ontwikkeld; het gaat om vakken waarin componenten van bestaande vakken worden ingebracht. Uit de invulling zal blijken dat de verhouding geneeskunde/technologie minder scheef is dan hij lijkt te zijn.

Vooijs stáát erop dat de opleiding Technische Geneeskunde gaat heten; hij acht dat vitaal, ook al ligt het politiek niet zo gemakkelijk. Want het ís technische geneeskunde. Klinisch Technologie is slechts een verzamelnaam.

Van Vught over de naamgeving: er is nogmaals met de ambtenaren van de ministeries over gesproken; het is absoluut geen probleem dat de naamgeving Technische Geneeskunde gevoerd gaat worden. Voorwaarde is wel dat degene die afstudeert Klinisch Technoloog gaat heten (dat heeft o.a. te maken met de Wet BIG). Internationaal gezien heeft de vertaling van technisch – technical – wellicht een wat denigrerende bijsmaak en is clinical technologist waarschijnlijk een goede naam. En verder: Op de lange termijn wordt niet gestreefd naar een opleiding geneeskunde.

De begeleidingscommissie moet nog worden samengesteld. Ze zal voorlopig niet veel hoeven te doen. Haar taak zal zijn het proces te begeleiden en toe te zien op de inbedding van de ontwikkeling van deze opleiding in het kader van de zorginfrastructuur in Nederland.


Gevraagd naar hun standpunt na de gevoerde discussie antwoorden de UR-fracties als volgt:

UReka: Na de gedane toezeggingen bereid tot instemming.

DD: De volgende overwegingen dienen te worden opgenomen in het instemmingsbesluit: (1) dat het curriculum van het eerste jaar nog onvoldoende technologisch van karakter is, en (2) dat het streven naar onderwijs efficiency tot uitdrukking gebracht gaat worden.

Campus Coalitie: Eens met voorstel DD. Er is in principe voldoende informatie om een besluit te kunnen nemen, maar of dat wat CC betreft positief zal zijn is nog de vraag – binnen de fractie worden grote risico’s gezien, en nader fractieoverleg is dan ook nog nodig.

De voorzitter concludeert dat in deze overlegvergadering nog niet tot een definitieve afronding van de besluitvorming kan worden gekomen; op 6 maart a.s. zal de UR bijeenkomen voor de interne besluitvorming. Van Vught zegt dit zeer teleurstellend te vinden en roept CC op niet terug te deinzen voor het nemen van bestuurlijke verantwoordelijkheid in dezen; hij dringt aan op snelle besluitvorming.


De UR zal op 6 maart 2003 een definitief besluit nemen, nadat de fracties zich intern nogmaals hebben kunnen beraden.


5.BBR (UR-03.048)

Zie bij agendapunt 1 – doorgeschoven naar de volgende cyclus.


6.Oprichting onderzoeksinstituten IMPACT en IBR (UR-03.035, UR-03.080)

Het CvB voelt niet voor een oprichting van de onderzoeksinstituten voor een periode van slechts twee jaar. Inderdaad moeten de instituutsplannen nog verder ontwikkeld worden en het college stelt voor nadere afspraken te maken daarover.

De UR stelt voor de strategische plannen die nu door de eenheden geschreven worden te gebruiken als basis voor de instituutsplannen. De instituutsplannen worden ter instemming voorgelegd aan de UR, na advisering door de instituutsraden. Om in aanmerking te komen voor decentrale stimuleringsmiddelen uit de begroting 2004 moeten de plannen voordien zijn goedgekeurd. In dat geval kan de UR zich vinden in een oprichting van IMPACT en IBR voor de volle vijf jaar. DD stelt in aanvulling hierop nog voor ook het standpunt van de medezeggenschapsraad van EWI inzake controlling mee te nemen.

Het CvB kan zich in dit voorstel vinden, met dien verstande dat het van mening is dat het instemmingsrecht t.a.v. de instituutsplannen moet liggen bij de instituutsraden. De UR wijst erop dat een instituutsraad een adviescommissie van de UR is en dat de instemmingsbevoegdheid van de UR zelfs geregeld is in de voorstellen voor het gewijzigde BBR. Overigens is het wel de intentie van de UR om het overleg over de plannen in de instituutsraden te laten plaatsvinden en is de UR bereid inhoudelijk de lijn van de raden te volgen.


Er zal een concept - instemmingsbesluit geformuleerd en aan het CvB voorgelegd worden, waarna het definitieve instemmingsbesluit op 6 maart a.s. door de UR genomen zal worden.


T.a.v. IBR vindt discussie plaats over het toelaten van onderzoekers. Volgens de UR is bij de kanteling afgesproken dat een WD overleg pleegt met de leerstoelhouder over de inbreng van zijn leerstoel en dat deze grote vrijheid heeft om te bepalen wie onderzoek doet; de criteria die nu gehanteerd worden zijn daarmee in strijd. Volgens het CvB is het zo dat een WD met een goedgekeurd instituutsplan de mogelijkheid heeft mensen toe te laten tot de onderzoeksprogramma’s van een instituut.

Meijer merkt op dat het CvB bij het kantelingsbesluit heeft gezegd het onderzoek zoveel mogelijk in instituten te willen organiseren, in speerpuntprogramma’s. Inmiddels is dat in veel gevallen al gebeurd. Wellicht zou het verstandig zijn in kaart te brengen welke substantiële groepen nog niet zijn ondergebracht in onderzoeksinstituten, of dat alsnog nodig is en hoe dat dan zou moeten gebeuren. Van Vught stelt dat ook het CvB van mening is dat de controlgroepen maximale kans moeten hebben op zo goed mogelijk onderzoek en dat het sneu is dat sommige groepen erbuiten vallen; het is echter niet aan het college om dat van bovenaf planmatig te besturen, zo vindt hij.


In een algemene opmerking voert Bulter nog aan dat er een tendens is dat elke nieuwe faculteit over minimaal één instituut beschikt; misschien is het zinnig in de toekomst een onderscheid te maken, d.w.z. dat elke faculteit recht heeft op centrale stimulering voor één instituut, waarbij dan wel de criteria voor de oude speerpuntinstituten aangepast moeten worden.


Volgens de voorzitter zijn UR en CvB het in principe eens. Er zal een concept-instemmingsbesluit geformuleerd en aan het CvB voorgelegd worden, waarna het definitieve instemmingsbesluit op 6 maart a.s. door de UR genomen zal worden.


7.Brede Bachelor Techniek

Er zijn nog geen stukken beschikbaar. Afgesproken wordt dat vooralsnog verdere bespreking in commissieverband zal plaatsvinden.


8.Begroting 2003 (UR-03.052, UR-03.058)

Er is een concept-advies van de commissie F&V richting het CvB gegaan. Te Beest geeft aan zich in de daarin vermelde toezeggingen te kunnen vinden, met dien verstande dat hij voorstelt de zinsnede “Bij deze analyse zal de CCO een rol spelen” aan het eind van de 2e toezegging te schrappen – het college kiest zijn eigen adviseurs, en zal vanzelfsprekend de opleidingsdirecteuren in de gelegenheid stellen alsnog een reactie te geven.


De UR adviseert positief over de begroting 2003, en voegt daaraan toe het advies aan het college om bij evaluatie van het verdeelmodel, met name wat betreft de onderwijsbekostiging, advies te vragen aan de CCO.


8a. Vastgoed (350.461/vgd)

De voorliggende notitie bevat een visie t.a.v. de verdere ontwikkeling van het vastgoed. Volgens het CvB is er binnen de UT een grote mate van consensus over de verdere aanpak. Uiteraard zal het college per groot vastgoedproject ter bespreking nadere informatie aan de UR aanreiken.

De UR heeft per mail vragen gesteld aan het CvB. Afgesproken wordt dat daar een schriftelijke reactie op komt.


Bulter zegt het jammer te vinden dat het afgebrande gedeelte van het TW-gebouw niet herbouwd wordt; verder vraagt hij zich af of het resterende deel wel groot genoeg is. Van Vught is het met hem eens dat het vanuit architectonisch oogpunt een bijzonder gebouw was. De vastgoedvisie is er echter mee gediend dat het niet opnieuw wordt opgebouwd; bovendien is dat financieel minder aantrekkelijk. Verder stelt hij dat ernaar wordt gestreefd in het O&O-centrum een zo groot mogelijke flexibiliteit in ruimtegebruik te creëren.

Met de ministeries OCW en Financiën wordt nog volop gewerkt aan het maken van afspraken over financiële steun voor de vastgoedplannen.


Schrama betwijfelt of er wel voldoende ruimte is in het TO/KCT-complex voor huisvesting van BBT en vraagt wanneer het gebouw beschikbaar zal zijn voor de faculteit. Van Vught antwoordt dat er onderzoek plaatsvindt naar de beschikbare ruimte en dat in de planning is terug te vinden wanneer het gebouw beschikbaar komt. Overigens laat volgens hem de faculteit weten goed gehuisvest te zijn in het Ericsson-gebouw. Volgens Meijer zijn personeel en studenten niet zo blij met langdurige huisvesting buiten de campus als het gaat om de logistieke problemen. TW zal drie keer moeten verhuizen. Gedragswetenschappen kent ook huisvestingsperikelen. Is er gekeken naar alternatieven voor huisvesting en wat zijn de overwegingen om daar niet voor te kiezen? Van Vught antwoordt dat alternatieven zijn overwogen, maar in de ogen van betrokkenen minder aantrekkelijk zijn. Het belangrijkste criterium voor de keuze van het huidige onderkomen is: snelheid.


9.Onderwijsjaarcirkel 2003-2004 (UR-02.479, UR-03.077)

De UR adviseert positief, zoals verwoord in UR-03.077).


10.Overleg drie TU’s – voortgangsrapportage (UR-03.074)

Het college laat weten geen behoefte te hebben aan vertrouwelijke behandeling van dit agendapunt.


Van Vught vertelt dat er overleg gaande is in bilaterale zin tussen de drie TU’s over enerzijds de keuze van masterspecialisaties en anderzijds de concentratie van onderzoeksinspanningen op een aantal terreinen. De verwachting is dat dit overleg niet op een zodanig tijdstip zal zijn afgerond dat op 1 mei 2003 het Sectorplan Techniek aan de minister kan worden aangeboden. Er zal een procesnotitie worden aangereikt aan het departement waarin de stand van zaken wordt beschreven en waarin aangegeven zal worden welke stappen nodig zijn om tot inhoudelijke keuzes te komen. Er gebeurt dus niets onomkeerbaars. Uiteraard zal de UR op de geëigende momenten geïnformeerd worden.

Meijer wijst erop dat de faculteiten en leerstoelen graag bij de discussie betrokken willen worden. Van Vught stelt dat hij niet verwacht dat er keuzes zullen worden gemaakt t.a.v. het eventueel vervallen van leerstoelen e.d.; indicaties zullen er wellicht wel gegeven worden, en misschien zal ook iets gezegd worden over de focus van onderzoeksinspanningen tussen de drie TU’s. Het CvB heeft een volledig overzicht van de stand van zaken in de UT. Een stuurgroep is belast met de coördinatie, en er wordt op grote schaal over gesproken; de WD’s zorgen voor de inhoudelijke afstemming binnen hun eenheden.


Het CvB streeft ernaar het concept-sectorplan, dat waarschijnlijk eerst kort voor 1 mei a.s. beschikbaar zal komen, in commissieverband met de UR te bespreken. De voorzitter vraagt de UR in ieder geval te blijven informeren over de stand van zaken, ook als er nog geen concept voorligt.


11.Nota Personeelsbeleid

Er liggen geen stukken voor. In de commissie P&S is erover gesproken, en dat zal ook verder gebeuren. Het punt zal worden geagendeerd voor de volgende cyclus.


12.Reïntegratie arbeidsgehandicapten en werklozen, Regeling compensatie personele lasten bij ziekte (UR-03.043, UR-03.78)

De Jong zegt toe dat mogelijke afschaffing van de regeling ter advies aan de UR zal worden voorgelegd. Verder stelt hij dat het ziekteverzuimbeleid is besproken in de commissie P&S, en dat nar de mening van het CvB een aanpassing niet ter instemming hoeft te worden voorgelegd aan de UR – hij verwijst in dat kader naar CAO-artikel 5.6 (bespreken met OPUT); de voorbereiding zal uiteraard in goed overleg met de UR gebeuren. T.a.v. het contract met de AMD geldt wel instemmingsrecht voor de UR.

De voorzitter stelt voor een en ander af te handelen zoals dat volgens de regels dient te gebeuren.


13.Schriftelijke rondvraagpunten (UR-03.079)

13a. Uniformering emailadressen

Te Beest: De huidige emailadressen zullen nog gedurende een aantal jaren als alias worden ondersteund. Volgens Wormeester zijn er veel adressen verdwenen van mensen die te werk gesteld zijn bij de UT via tweedegeldstroomcontacten – Te Beest zal dit laten uitzoeken.

Centralisering van de mail- en webvoorzieningen zal gebeuren zoals aangegeven in de reorganisatienota en de aanbevelingen van de decaan van EWI, aldus Te Beest. Er zal dus een aantal standaardvoorzieningen centraal en een aantal niet-centraal worden beheerd.


13b. Noordwesttangent

Van Vught: In de stuurgroep Kennispark is door de verantwoordelijk wethouder gemeld dat het college van b&w een keuze wil maken voor een van de trajecten. De UT heeft zijn verbazing en misnoegen uitgesproken dat daarover geen overleg is gevoerd. Inmiddels is gebleken dat in de gemeenteraad grote twijfel heerst. Het college gaat er nu van uit dat de Noordwesttangent op de lange baan geschoven wordt.


13c. Financiële onderbouwing RSI-beleid

Zodra de besluitvorming aan de orde is komt ook het financiële aspect boven tafel en zal dat ook in de UR aan de orde komen. Momenteel wordt nagedacht over hoe verder te gaan met wireless/laptops en binnen afzienbare tijd komt er een notitie. In ieder geval zal er vóór de zomer in het CvB over gesproken worden. Desgevraagd zegt De Jong dat studenten deel uitmaken van allerlei adviesgremia.


13d. Advies Studentengeleding m.b.t. aanvullend reorganisatieplan

De Jong merkt op dat hij in de vorige overlegvergadering al een reactie heeft gegeven op het advies van de studentengeleding.

De onderwijskundige dienstverlening in de faculteiten is primair een facultaire aangelegenheid, aldus De Jong.

Werkwijze UMT: Het CvB is zeer positief op dat punt. In de komende periode zal nog wel nader gekeken moeten worden naar de positie van de verschillende adviesinstanties op het middenniveau van de organisatie.

Integraal beleid computervoorzieningen voor studenten e.d.: Dit is in discussie en hangt sterk samen met hetgeen genoemd is onder punt 13c.


14.Rondvraag

Wallinga-de Jonge informeert naar het punt “aanvullend reorganisatieplan” op de CvB-agenda van 3.3.03. De Jong antwoordt dat naar aanleiding van de gevoerde discussie de tekst van het reorganisatieplan opnieuw zal worden bekeken en vastgesteld. Met de voorzitter UR zullen afspraken worden gemaakt m.b.t. een reactie van UR-zijde.


15.Sluiting

De voorzitter sluit om 12.45 uur de vergadering.


*****