Verslag

van 2002 07 02


Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad


Aanwezig:

Leden UR:

Barsema (v.a. pt.9), Berkers, Bloem, Van Doorn, Van der Heijden, Houweling, Jacobs, Kluitenberg, Kwast, Mulder, Schrama, Thomasson, Wallinga-de Jonge, Weber (vz), Weijnen, Wittkampf

College van Bestuur:

Apers, Te Beest, De Jong, Van Vught

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)


Afwezig:

Meijer (vzUR), Hovenkamp



1.Opening en vaststelling agenda

vzUR opent om 13.35 uur de vergadering. De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld.


2.Mededelingen

Van Vught namens het CvB:

In het UMT is overeenstemming bereikt over het interne verdeelmodel dat in de toekomst gehanteerd zal gaan worden. De stukken zijn onderweg naar de UR en zullen in de overlegvergadering van 27 augustus 2002 besproken worden. Te Beest is graag bereid vooruitlopend daarop nadere toelichting te geven.


3.Verslag van de overlegvergadering van 11 juni 2002 (UR-02.234)

Pag. 3 r.50/51: “In de begroting was dat opgenomen als vordering op het ministerie.”

Met inachtneming hiervan wordt het verslag vastgesteld.


Naar aanleiding van het verslag:

Pag. 2 r.11: Er heeft een bijeenkomst met (vertegenwoordigers van) leerstoelhouders van de faculteiten TW, TN en CT plaatsgevonden; gesproken is over de situatie in Nederland en de wijze waarop de UT daar het beste op kan reageren. De betrokken opleidingsdirecteuren is gevraagd met een notitie te komen; deze komt eind augustus/begin september beschikbaar.

Pag. 4 r.51: Van Vught heeft nog niet nader gekeken naar de onderbrenging van de portefeuille personeelsbeleid.


4.Nieuwe opleidingen, Masteraanbod (UR-02.228, UR-02.235)

Fractiestandpunten:

KPS: Door de late ontvangst van de stukken heeft er nog geen goede afweging plaats kunnen vinden. Daar komt nog bij dat een tweetal decanen blijkens een mail aan de UR afstand neemt van het UMT-besluit. KPS meent dan ook vooralsnog een besluit over de instemmingsvraag aan te moeten houden, en stelt het CvB voor waar mogelijk een compromis te zoeken met de decanen en de masteropleidingen op eigen verantwoordelijkheid aan te vragen, echter zonder UR-standpunt.

DD wil zich houden aan de vragen die in UR-02.235 zijn gesteld.

CaBaal meent dat de aanvraag wel kan worden ingediend, en dat vervolgens naar een oplossing met de decanen gezocht moet worden.



De Jong merkt t.a.v. het laat beschikbaar komen van de stukken op dat het CvB hierin afhankelijk was van de faculteiten. Bovendien is het zo dat de criteria waaraan het masteraanbod moet voldoen nog steeds in ontwikkeling zijn. Overigens wordt niet om instemming van de UR met de gedragscode gevraagd – deze ligt voor ter informatie. Waar het hier om gaat is instemming met de lijst van masters, opdat de registratie aangevraagd kan worden.

Hij stelt verder dat het CvB zijn besluit mede genomen heeft op basis van standpunten die decentraal zijn ingenomen; vervolgens heeft overleg plaatsgevonden in het UMT met degenen die eindverantwoordelijkheid dragen voor de opleidingen.

Wat de decanen betreft: De Jong is van mening dat, indien het UMT als collectief bepaalde afspraken maakt, de leden van dat overleg zich daaraan moeten conformeren. Aangezien er in de afgelopen tijd uitvoerig van gedachten is gewisseld, heeft het CvB niet het voornemen opnieuw contact met de beide decanen in kwestie te zoeken, althans niet vanuit de gedachte om tot verandering van standpunt te komen. Er moesten nu eenmaal keuzes gemaakt worden. De doelstelling van dit alles was en is: een heldere profilering van de UT en een overzichtelijk opleidingen-aanbod. Met het oog daarop en op basis van gezamenlijk afgesproken criteria zijn de keuzes gemaakt, waarbij ook duidelijk gekeken is naar de relatie tussen de masters en het algehele onderzoeksprofiel van de UT. Uitgangspunt is geweest dat iedere opleiding zou zorgen dat er een doorstroommaster zou komen, en dat alleen op basis van dringende argumenten er een zeer beperkt aantal andere masters aangeboden zou kunnen worden.

Ten slotte wijst De Jong er nog op dat door een misverstand de CvB-brief aan de UR met het verzoek om instemming gedateerd is op 18 juni, terwijl het gesprek met het UMT op 19 juni heeft plaatsgevonden.

Van Vught memoreert nog dat enige tijd geleden door de minister is aangegeven dat hij een moratorium op nieuwe opleidingen wenselijk acht; met het oog daarop zou het dus niet verstandig zijn als de UT dan met een aanvraag voor een te groot aantal masters zou komen. Bovendien is het zo dat, als een universiteit een profiel kiest, ze dat nadrukkelijk moet doen aan de hand van diploma’s die worden uitgereikt – de faculteiten worden absoluut niet beperkt in het ontwikkelen van aanbod, mits dat aanbod maar valt onder die (28) masterdiploma’s.


Schrama merkt op dat KPS het beleid steunt om restrictief te zijn in het aantal masters. Er moet echter ook voldoende steun zijn binnen de héle universiteit. De faculteitsraden hebben hun eerdere standpunt ingenomen in de veronderstelling dat alle door hun decanen aangedragen verzoeken om masters gehonoreerd zouden worden; nu dat niet het geval is moeten zij ook verder door hun decanen geïnformeerd worden. De Jong wijst erop dat er met sommige FR-en een afspraak ligt om in augustus nader te spreken.


De Jong zegt toe de UR na de zomervakantie via de commissie O&O dan wel schriftelijk te zullen informeren over het verdere verloop van het proces. Over de gedragscode voertalen kan wellicht in het vooroverleg voor de volgende overlegvergadering nader gesproken worden.


Op enkele detailvragen antwoordt De Jong als volgt:

Het is de bedoeling de opleiding Milieutechnologie onder een andere licentie dan voorheen aan te bieden; daar wordt momenteel aan gewerkt.

Er is voor gekozen van European studies wel een aparte master te maken en van de CTW-variant niet, omdat de eerste van groot strategisch belang is voor de UT en het gaat om het breed beschikbaar stellen van kennis. Alleen het feit dat wordt samengewerkt met een andere instelling (bijvoorbeeld in het buitenland) betekent niet per definitie dat de opleiding ook als afzonderlijke master moet worden neergezet.


Op de vraag van Bloem wat het CvB zou doen als de UR onverhoopt zou besluiten niet in te stemmen antwoordt De Jong dat het ondenkbaar is dat de aanvraag niet doorgezet wordt; want dan zou immers het onderwijs stilgelegd worden. Hij wijst erop dat de UR medeverantwoordelijkheid draagt, en verzoekt de raad dan ook die verantwoordelijkheid te nemen en in te stemmen.


De UR zal aansluitend aan deze vergadering in een intern overleg een beslissing ten aanzien van de instemmingsvraag nemen.


5.Afstudeersteun (UR-02.210)

Na een korte schorsing stelt het CvB voor kennis te nemen van het ingediende amendement en volgens de formeel juiste procedure een nieuw CvB-besluit te maken, dat vrijwel zeker in overeenstemming zal zijn met hetgeen in het amendement is voorgesteld.


De UR zal aansluitend aan deze vergadering in een intern overleg een beslissing ten aanzien van de instemmingsvraag nemen, met dien verstande dat zal worden ingestemd met het nieuw op te stellen CvB-besluit indien dit geheel overeenkomstig het amendement is.


6.Garantiebeurzen (UR-02.211, UR-02.236)

De UR stemt in overeenkomstig het conceptbesluit, zoals dat verwoord is in UR-02.211.


7a. Analyse financiële situatie UT (UR-02.223)

Afgesproken wordt dat over de financiële situatie vóór de overlegvergadering van 27 augustus a.s. een uitgebreide gedachtewisseling zal plaatsvinden tussen Te Beest en de commissie F&V.

Te Beest geeft ter vergadering met behulp van enkele overzichten een korte samenvatting van de informatie die in alle tot nu toe ontvangen stukken is verwerkt. Daarbij vertelt hij onder meer:

Geraamd wordt dat het exploitatieresultaat over 2002 iets negatiever zal uitvallen dan begroot (M€ 11,6 i.p.v. M€ 9,4).

De verwachting is dat er meer geld binnenkomt als gevolg van de investeringen in vernieuwingen, met name door een grotere studenteninstroom, toename van de 2e en 3e geldstroom en goede visitaties.

Als aan alle randvoorwaarden wordt voldaan zal er in 2008 een positief exploitatieresultaat van M€ 6,- kunnen zijn.

Niet alleen de UT zal hier hard voor moeten werken, maar ook het ministerie. Dat wil zeggen: de claim op het ministerie blijft overeind.


7b. Vastgoed (UR-02.177/1+2, UR-02.224, UR-02.237)

Van Vught betreurt het dat de UR zijn instemming slechts richt op een onderdeel van het geheel. Hij verwijst naar de afspraak dat de raad per project om instemming gevraagd zou worden. Wittkampf wijst erop dat Te Beest in de vorige overlegvergadering heeft toegezegd zo mogelijk een fasering aan te brengen; dat is gebeurd en op grond daarvan brengt de UR nu advies uit op de eerste fase. Te Beest stelt dat de fasering slechts dient om aan te geven wanneer het proces kan worden stopgezet als de noodzaak daartoe zich zou aandienen.

Weijnen voert aan dat het nooit de ambitie van de UR is geweest instemming te geven aan onderdelen. Afgesproken is ook dat de UR zich niet zou conformeren aan ingrijpende beslissingen zonder op de hoogte te zijn van de financiële situatie van de universiteit. Thans is de situatie zo dat diverse onderliggende stukken tamelijk laat zijn aangeleverd, zodat de UR niet de tijd heeft gehad zich te buigen over alle financiële documenten en dus op dit moment ook niet kan instemmen met een veelomvattend project waar grote bedragen mee gemoeid zijn. Om echter stagnatie te voorkomen is de UR bereid in te stemmen met de fase die minimaal gestart moet worden. Zodra de commissie F&V zich over de beschikbare informatie heeft kunnen buigen zal worden verdergegaan volgens de eerder afgesproken werkwijze. Hij adviseert het college in zijn functie van vice-voorzitter van de UR om eenmalig akkoord te gaan met deze gang van zaken.

In zijn reactie stelt Van Vught dat het de UR uiteraard vrij staat zich verder te verdiepen in de financiële informatie. Als de raad vindt dat dat ertoe moet leiden dat er slechts gedeeltelijke instemming kan worden gegeven, betreurt hij dat zeer. Hij stelt voor desnoods conditioneel instemming te geven.


De UR zal aansluitend aan deze vergadering in een intern overleg een beslissing ten aanzien van de instemmingsvraag nemen.


8.Herstructurering Dienstverlening, Reorganisatieplan (UR-02.232, UR-02.220, UR-02.238)

Het CvB gaat ervan uit dat op 27 augustus a.s. de totale besluitvorming van de UR voorligt, zoals afgesproken. Waar het immers om gaat is dat de periode van onzekerheid voor het personeel zo kort mogelijk duurt, aldus De Jong. Van Vught voegt hieraan toe dat het CvB het op prijs zal stellen dat het overleg in deze vergadering al wel leidt tot een advies van de UR – mocht dat niet zo zijn, dan neemt de raad een bijzonder grote verantwoordelijkheid op zijn schouders, zo meent hij, omdat daarmee het proces zou worden verlengd. In navolging van hetgeen reeds verwoord staat in UR-02.238 stelt de voorzitter dat er vandaag geen officieel advies door de UR wordt uitgebracht. Advies plus instemming komen op 27 augustus aan de orde, nadat de FR-en advies aan de UR hebben kunnen uitbrengen.


Voor alle duidelijkheid vermeldt De Jong nog dat het CvB-besluit is genomen op basis van het advies van de commissie Herstructurering Dienstverlening, en dat het college daarna het reorganisatieplan heeft geschreven. Dat reorganisatieplan stemt overeen met het rapport van de commissie.

Met de UR wordt met name gesproken over organisatievragen. Punten die betrekking hebben op personeel worden in eerste instantie besproken met OPUT en bonden.


Standpunt en vragen KPS:

Eens met de afgesproken procedure. Maar dan moet het OPUT wel de gelegenheid hebben te reageren op het advies van het medezeggenschapsorgaan.

Het verschil tussen het commissieadvies en het reorganisatieplan is verrassend groot – het is goed dat er zoveel duidelijkheid is verschaft in het plan.

De door de kwartiermakers te maken implementatieplannen behoeven de instemming van de faculteitsraden; de kwartiermakers dienen er dus nadrukkelijk op gewezen te worden dat dat vóór 1 september gebeurd moet zijn.

Bij de benoeming van de kwartiermakers is niet volgens afspraak de reguliere procedure toegepast (advies dienstraden).

Mochten UR en CvB er op 27 augustus niet uitkomen, wat gebeurt er dan met de instelling van de nieuwe faculteiten?

Aanstelling decanen: De lijst is niet compleet. En er is niet in alle gevallen van benoeming met de faculteitsraden gesproken.

Betekent een eventueel achterblijven van de groei van het aantal studenten dat er sprake is van een extra taakstelling van M€ 6,- per jaar?

Volgens KPS is de bezuinigingstaakstelling veel groter dan door het college wordt aangegeven – zal dat allemaal wel gerealiseerd kunnen worden? En moet er voor faculteiten in dat kader niet meer duidelijkheid komen hoe zij hun bezuinigingstaakstelling moeten waarmaken?

Waarom wordt bij de faculteiten een andere uitgangsdatum gehanteerd dan bij de diensten (1 september c.q. 1 januari)?

Waarom wordt m.b.t. de omvang van het CvB niet vastgelegd dat er geen nieuw collegelid komt na het vertrek van Sistermans en dat ingeval van een onverhoopt vertrek van nóg een collegelid de opengevallen plaats niet wordt ingevuld?

Er is gekozen voor een eenhoofdig faculteitsbestuur. Met andere woorden: er wordt dus geen studentenlid opgenomen, zoals eerder afgesproken?

Communicatie: Te vaak is het zo dat de adviezen van de commissie als leidraad worden gebruikt, en niet het definitieve CvB-besluit. Er zal duidelijk gemaakt moeten worden dat het CvB-besluit richtinggevend is.

Het nu voorliggende stuk van 24.6.02 is slechts een ontwerp-reorganisatieplan. Het is pas vastgesteld als er instemming verworven is.

Er bestaat nog vrij veel onduidelijkheid, bijvoorbeeld over het heen en weer schuiven van formatie van diensten naar en van faculteiten – de getallen sluiten niet altijd op elkaar aan. Ook is niet duidelijk in hoeverre de diensten elkaar onderling diensten verlenen.

Reactie CvB:

- Van Vught:

De afspraak met de minister inzake het aantal CvB-leden loopt tot 1.1.2005. Het zou voor de hand liggend zijn om vooruitlopend daarop bij het ontstaan van een vacature niet tot invulling over te gaan; het is echter aan de Raad van Toezicht om daarover een beslissing te nemen.

Decaanbenoemingen: De FR-en zijn daarin gekend. Er lopen overigens nog procedures t.a.v. twee faculteiten, zodat de raden daarover nog niet zijn gehoord. T.a.v. de waarnemingen geldt dat de FR-en daarover een standpunt hebben ingenomen.

Benoeming kwartiermakers: Hier is een andere procedure gevolgd. Het staat Van Vught niet bij dat daarover afspraken zijn gemaakt.

- Te Beest:

Hij wil niet het beeld oproepen dat er nog meer bezuinigd zou moeten worden. En wat de faculteiten betreft: zij zijn voorzien van integraal management, hetgeen betekent dat wordt gestuurd op het leveren van kwaliteit binnen het budget.

Belangrijk is dat voorzichtig wordt gecommuniceerd als het gaat om twijfels t.a.v. de hoogte van de bezuinigingen, teneinde de onzekerheid niet onnodig aan te wakkeren.

Kwartiermakers: Er is geen sprake van instemming of andere vormen van medezeggenschap van de decentrale raden. Wel is de kwartiermakers gevraagd een goed contact met de raden te onderhouden.

Het CvB weigert na te denken over een eventueel niet halen van de datum van 1 september 2002.

- De Jong:

Rol OPUT: Met het OPUT wordt uitstekend overleg gevoerd. Men is genegen dit samen met het CvB procesmatig aan te pakken.

Eenhoofdig faculteitsbestuur: Toegezegd is dat het college eraan hecht dat studenten betrokken zijn bij het bestuur van de faculteit. In de besluitvorming van het CvB is dat meegenomen, en aan de nieuwe decanen wordt de opdracht gegeven de nieuwe faculteiten in te richten.


Standpunt en vragen DD:

De opzet is geweest de business units een heel belangrijke rol te geven. Dat zie je echter niet terug in het reorganisatieplan.

In de faculteiten moet 15% bezuinigd worden. Dat is een veel te algemene benadering.

Het is jammer dat er nog geen totaal organogram naar voren is gekomen.

Voldoende overleg is noodzakelijk, maar er komen wel erg veel overlegorganen.

De taakverdeling moet bijzonder helder zijn.

En dan worden nog enkele detailpunten aangestipt: Waarom een projectenbureau? De onderwijskundige ondersteuning komt in de knel. De positie van het vastgoedgebeuren. Het doorberekeningspatroon. Gaat het personeelsbeleid niet uit de pas lopen met de invoering van de reorganisatieplannen?

Reactie CvB door De Jong:

Er zijn onderliggende nota’s m.b.t. leerstoelen, business units.

Bezuinigingen in faculteiten: Uiteraard is redelijkheid op dit punt geboden, omdat faculteiten in verschillende stadia zitten en er sprake is van diversiteit.

Een totaal organogram kan op dit moment niet gegeven worden.

Overlegorganen: Dit vraagt nog om nadere uitwerking.

Bevoegdheden zullen goed en duidelijk moeten worden omschreven, zeker ook waar het de inzet van personeel betreft.


Standpunt en vragen UReka:

T.a.v. studenten in faculteitsbesturen heeft het college een toezegging gedaan de functie in de concept-faculteitsreglementen op te nemen, zodat de uitgangssituatie is dat een studentlid in het faculteitsbestuur zit. De Jong bevestigt dit.

Positie UMT: Het is positief dat wordt gestreefd naar meer overleg binnen het UMT en naar een belangrijker rol in de strategische keuzes die voor de UT gemaakt moeten worden. Dat zal het eenheidsgevoel versterken. Maar het UMT is geen zelfstandig bestuursorgaan en functioneert tot op heden weinig transparant. Hoe zal die transparantie in de toekomst worden vergroot?

Wat zijn de argumenten om het Bureau Strategische Projecten te relateren aan het UMT?

Reactie CvB door De Jong:

UMT: Er vindt met de leden een discussie plaats hoe daar vorm aan te geven.

Het Bureau Strategische projecten is mede gekoppeld aan het definiëren van een aantal keuzes binnen de UT op basis van het Instellingsplan. De Jong stelt voor daar schriftelijk nader op in te gaan.


Standpunt CaBaal:

Een standpunt volgt schriftelijk.


Alle fracties worden uitgenodigd verdere vragen schriftelijk aan het college voor te leggen. De Jong vertelt dat ook elders binnen de UT is afgesproken dat allerlei vragen die er leven schriftelijk bij het college worden ingediend; de meest gestelde vragen zullen ook via het intranet beantwoord worden.


Schrama roept ten slotte het CvB op om de faculteitsraden de kans te geven invloed uit te oefenen op het proces. De Jong zegt die toezegging binnen de formele kaders al te hebben gedaan. Het college hecht zeer aan het horen van de mening van de raden. Daarover zijn ook afspraken gemaakt met de kwartiermakers.


Op 27 augustus 2002 komt zowel het advies als de instemmingsvraag van de UR aan de orde.


9.Algemene gang van zaken (UR-02.183/4, UR-02.127, UR-02.180)

De bespreking van de algemene gang van zaken vindt plaats in aanwezigheid van de RvT-leden Sorgdrager en Van Amerongen. De voorzitter stelt voor te discussiëren aan de hand van een drietal onderwerpen, die hieronder nader worden benoemd.


Terugblik op de ingezette veranderingsprocessen

Van Vught begint met een korte inleiding, waarin hij terugblikt:

In de afgelopen vijf à zes jaar is de UT eerst strategisch-inhoudelijk en vervolgens bestuurlijk-organisatorisch door een groot aantal processen gegaan. M.b.t. het strategisch-inhoudelijke proces noemt hij het verhogen van het aanbod en de kwaliteit van onderwijs alsmede van de instroom van studenten; verder is gezocht naar manieren om de inkomsten uit de 2e en 3e geldstroom te vergroten door het onderzoek qua aantal onderwerpen te versmallen en in volume en diepgang te versterken. Op bestuurlijk-organisatorisch vlak is gestart met schaalvergroting, clustering en kanteling. Daar kwam bij – als gevolg van de ernstige vastgoedsituatie (buiten ieders schuld) – de noodzaak tot duidelijke financiële herbezinning en reorganisatie in de sfeer van de dienstverlening.


Namens de UR vraagt Wallinga-de Jonge waarom juist voor dit veranderingsproces gekozen is en welke lering er uit de inmiddels opgedane ervaringen getrokken kan worden, waarop Van Vught antwoordt dat het proces tot stand is gekomen nadat de eerder gekozen aanpak langs de lijn van “het Berenschot-traject” uiteindelijk bestuurlijk strandde. Daaruit is onder meer geleerd dat communicatie en betrokkenheid absoluut noodzakelijk zijn; dat zal ook gelden voor de implementatiefase die nu opgestart gaat worden. De Jong vult aan dat de betrachte openheid effectief gebleken is. Hij meent dan ook dat de waardering voor de aanpak binnen de universiteit groot is, maar realiseert zich ook dat het moeilijkste – het implementatietraject – nog moet komen.

Volgens Wallinga-de Jonge leeft binnen de universiteitsgemeenschap het gevoel dat er maar beperkt iets is gedaan met de van onderaf aangedragen ideeën. Van Vught stelt dat getracht is zoveel mogelijk ideeën in het proces te betrekken, maar dat ze het niet allemaal hebben overleefd en dat wellicht niet altijd voldoende daarover is teruggecommuniceerd.

Terugziend memoreert Van Amerongen dat er een groot probleem aangepakt moest worden, maar dat er tegelijkertijd sprake was van een bestuurscrisis en vertrouwensbreuk die hersteld moesten worden. Om zo’n ingewikkeld proces aan te sturen is gekozen voor iemand van buiten. In de vervolgfase zal die werkwijze niet gevolgd worden, omdat ervan uitgegaan wordt dat een dergelijke complexe situatie zich niet meer zal voldoen – de rijen zijn immers weer gesloten en er is weer draagvlak en eenheid ontstaan in de samenwerking tussen het CvB en de laag daaronder.


Het functioneren van de medezeggenschap

Bloem merkt namens de UR op dat hij meent dat de verhouding tussen CvB en UR sterk verbeterd is en dat ook vanuit de RvT de betrokkenheid richting UR is gegroeid. Toch zijn er nog wel wat wensen voor verdere verbetering, zoals: de aanwezigheid van de UR-voorzitter als toehoorder bij UMT-vergaderingen, het recht van voordracht voor de UR bij de benoeming van RvT-leden, een studentlid in het faculteitsbestuur, een UR-lid in gremia als CCO, CCR, CCT. De universiteit is gediend met een goed bestuur, maar ook met een goede medezeggenschapsuitoefening.

Ook Van Vught is van mening dat er de afgelopen jaren een sterke verbetering is opgetreden in de relatie CvB-UR en RvT-UR. Vergeleken met sommige andere universiteiten heeft de UR van de UT een relatief groot aantal bevoegdheden; het is goed dat zo te houden, omdat het een goede basis is om met elkaar te functioneren. In een persoonlijke reactie op de geuite wensen merkt Van Vught op dat deelname van UR-leden aan CCO, CCR en CCT niet zo voor de hand ligt omdat het bij die gremia gaat om beleidsvoorbereiding en dat de functie van de UR toch een andere is. Hetzelfde geldt eigenlijk voor de UMT-vergaderingen. Natuurlijk zou de UR wel kunnen overwegen om de openbare vergaderingen als toehoorder bij te wonen.

Wat het voordragen van RvT-leden betreft wijst Van Amerongen erop dat dat aan de minister is. In de praktijk werkt het zo dat de RvT vaak zelf wel ideeën heeft; dus in dat verband zou de UR ook met eigen suggesties kunnen komen. Als de raad invloed zou willen uitoefenen moet dat schriftelijk gebeuren, ook richting de minister.

De Jong merkt op dat de wens tot deelname aan allerlei overleggen duidt op een bepaalde manier van informatie verzamelen. Informatie die zich dan maar blijft opstapelen. Zijn eigen voorkeur zou zijn de discussie over onderwerpen die van strategisch belang zijn voor de universiteit binnen de UR de intensiveren, en ook op informeel niveau.


Personeelsbeleid

De Jong memoreert dat de UT een aantal jaren voorop heeft gelopen als het ging om HRM en competence management. Helaas is dat de laatste tijd wat in de verdrukking gekomen. Het is echter nog steeds de basis waarop het personeelsbeleid in de komende periode verder vorm zal moeten krijgen. Komend najaar zal er een notitie in discussie worden gebracht met betrekking tot loopbaanbeleid e.d. Overigens liggen er ook al diverse notities, zoals t.a.v. aio-beleid en leerstoelenbeleid, die daar onderdeel van zullen gaan uitmaken.


Schrama namens de UR: Hij heeft de indruk dat competence management en HRM nog niet functioneren zoals dat bedoeld is. Met betrekking tot het loopbaanbeleid vraagt hij zich af waarom het geven van onderwijs altijd zo laag gewaardeerd wordt – in het nieuwe personeelsbeleid zal dit heel duidelijk betrokken moeten worden. Als het gaat om leerstoelenbeleid zal duidelijk aangegeven moeten worden wat er van hoogleraren verwacht wordt op het gebied van personeelsbeleid. Verder informeert hij naar het UT-privacybeleid.

De Jong, Apers en Van Vught reageren als volgt: Over het privacybeleid kan nu niets gezegd worden. Bij competence management gaat het vooral om het inrichten van een organisatie waarbij met aandacht en zorg naar individuen gekeken wordt en waarbij functionerings- en beoordelingsgesprekken een centrale rol spelen vanuit de gedachte mensen in hun loopbaan verder te brengen. Dat begint bij het opbouwen van een managementsysteem. Een cruciale factor in het geheel is, hoe jongeren (met name jonge onderzoekers) een positie met perspectief te bieden; heel belangrijk in dat kader zijn de overgang van middelbare school naar universiteit, het masteraanbod en de instroom van aio’s.

De UT probeert al jaren iets te doen aan de rol van het onderwijs ten opzichte van onderzoek. Maar het vinden van de juiste balans is moeilijk, want het is – ook internationaal – nu eenmaal zo dat academici zich in de eerste plaats blijven oriënteren op onderzoeksprestaties.


Vervolgens stelt de voorzitter de diverse UR-fracties in de gelegenheid een eigen geluid te laten horen.

UReka: Jacobs roert het onderwerp “onderwijs en activisme” aan. De UT zit op dat gebied in de kopgroep, maar het kan nog veel beter. Het doel van student-zijn zou niet moeten zijn het halen van een diploma, maar optimale zelfontplooiing voor iedere student. Velen zijn het daarmee eens, maar de praktijk is anders. Volgens UReka zou de UT zich moeten profileren als de universiteit bij uitstek waar een student zich optimaal kan ontwikkelen, en wel door excellent onderwijs, door excellent activisme dat binnen de universiteit wordt aangeboden en door de combinatie van die twee. Vooral als het gaat om de combinatie loopt het vaak spaak, met name in de communicatie naar studenten. Misschien moet er eens nagedacht worden over het vervangen van de subtitel “de ondernemende universiteit”.

Ook voor de RvT ziet Jacobs een rol weggelegd. Met name als het gaat om dingen die niet binnen de universiteit zelf veranderd kunnen worden maar die wel essentieel zijn voor de combinatie van onderwijs en activisme. Hij doelt daarbij op randvoorwaarden die vanuit het ministerie worden opgelegd, zoals de financiering (de outputfinanciering noopt de universiteit tot een structuur die botst met een goede combinatie van onderwijs en activisme) en de kwaliteitsbeoordeling van het onderwijs (waarin te veel nadruk wordt gelegd op allerlei rendementen).

Sorgdrager constateert dat activisme – in de betekenis die er binnen de UT aan gegeven is – voor haar een nieuwe term is. Maar inhoudelijk herkent zij veel van wat zij zelf heeft samengevat in een boekje over de geschiedenis van de universiteit dat indertijd van haar hand verschenen is. Toen zij zelf aan de UT kwam bleek alles mogelijk voor de studenten; als er iets was bedacht, werd het ook uitgevoerd – er was immers geld genoeg. Nu ligt dat wat anders. Maar zij is het ermee eens dat zelfontplooiing bijzonder belangrijk is, en dat een goede aansluiting bij de maatschappelijke behoefte ook van groot belang is. In die zin is het jammer dat een universiteit wordt afgerekend op nominaal studeren. Gelukkig blijkt steeds weer dat studenten heel creatief kunnen omgaan met hun tijd en meer doen dan alleen maar nominaal studeren. Zij vraagt zich af of er misschien mogelijkheden zijn waarbij bepaalde instellingen middelen in een fonds storten ten behoeve van studentenactivisme.


UTemp: Barsema gaat nadere in op de positie van aio’s. Om aio’s te behouden en ze te laten doorstromen is het van belang dat ze tevreden zijn. Daarin is een grote rol weggelegd voor de begeleiding en de evaluatie van de begeleiding. Bij de UT is die begeleiding nog steeds een ondergeschoven kindje. Professoren worden vaak niet geëvalueerd op hun managementtaken. Verder is het belangrijk dat het wetenschappelijk personeel wat meer bagage krijgt – in dat kader wijst Barsema erop dat de postdocs voor aio’s een belangrijke bron zijn, en dat er eigenlijk wat meer nadruk zou moeten liggen op het doorstromen van postdocs, omdat zij al beschikken over wat meer bagage.

Apers merkt op dat de begeleiding van aio’s al vaker onderwerp van gesprek is geweest, en dat de uitkomsten verwerkt zijn in de aio-beleidsnota, die zoals eerder gemeld onderdeel zal gaan uitmaken van de notitie loopbaanbeleid die dit najaar verschijnt.


De voorzitter besluit dit agendapunt met de conclusie dat een bijeenkomst als deze met CvB en RvT voor herhaling vatbaar is.


10.Rondvraag

Van der Heijden is geschrokken van streefcijfers die haar ter ore zijn gekomen m.b.t. leeftijden en dienstverbanden bij de UT. Naar haar oordeel moet niet gestreefd worden naar een gemiddelde leeftijd van 37 jaar, omdat dan de terugverdientijd nog maar heel kort is. Zij meent dat in het kader van competence management vooral gekeken moet worden hoe een looppad is ingevuld en niet naar leeftijd etc. Zij zou daar graag eens buiten de vergadering om nader over spreken; het CvB geeft aan daar graag op in te willen gaan.


Weijnen informeert naar de reden om uitgerekend in een tentamenperiode een decentrale bibliotheekvoorziening te verhuizen, zodat die niet toegankelijk is. Van Vught is hier niet van op de hoogte, maar is het ermee eens dat er sprake is van een slechte planning.


Wittkampf constateert dat de gang van zaken bij overlegvergaderingen vaak zo is, dat zowel de UR als het college voor het nemen van besluiten teruggaan naar het eigen interne overleg. Hij stelt voor er eens over na te denken of het niet mogelijk is in de toekomst tijdens de overlegvergadering als afzonderlijke partijen besluiten te nemen.


Jacobs nodigt de leden van de RvT uit voor een rondje langs uitingen van studentenactivisme in Enschede. In reactie daarop vraagt Sorgdrager om de RvT nadere informatie/documentatie toe te sturen.


11.Sluiting

De voorzitter sluit om 17.40 uur de vergadering.


*****