Verslag

van 2002 11 29

VERSLAG INTERNE VERGADERING


Aanwezig:

U-Raad:

KPS/Cabaal/UTemp: Becht, Brinkman, Bulter, Van Doorn, Houweling, Meijer, Schrama (vz),

Wormeester, Van Rijn

UReka: Beeker, Berends, Hazebroek, Holkers, Huisman, Hummel

DD: Van Benthem, Wallinga-de Jonge

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)


Afwezig m.k.:

De Olde




1.Opening en vaststelling van de agenda

Schrama opent om 13.40 uur de vergadering.


Agenda:

Pt. 2a wordt op verzoek van UReka ondergebracht bij pt. 5.


2.Mededelingen

Instellen instituutsraden

Meijer meldt dat het aanvankelijk het plan was met betrekking tot het instellen van instituutsraden de gang van zaken bij CTIT als voorbeeld voor andere instituten te gebruiken. De verslaglegging hierover laat echter op zich wachten, wellicht is het nu beter om de verkiezingen van de faculteitsraden af te wachten en overleg met WD’s te voeren over nadere invulling van zo’n raad – Meijer zal proberen alsnog verslag van CTIT te krijgen en dan in een mail naar alle voorzitters van de faculteitsraden dit voorbeeld noemen – vervolgens contact zoeken met WD’s om nadere afspraken te maken. Afspraak ter vergadering: indien er geen reactie komt zal het presidium binnen twee weken de brief de deur uit doen.


Voortgang reorganisatie

Op 31 oktober a.s. is er een bijeenkomst met de faculteitsraden en dienstraden over de voortgang van de reorganisatie. Ook UR en OPUT zijn welkom.


Studentenadviescommissie VSNU

Berends meldt dat in de studentenadviescommissie van de VSNU van iedere universiteit één student zitting heeft. Dit jaar is de UT niet vertegenwoordigd. Het CvB heeft hem daarvoor voorgedragen en hij is bereid daaraan gehoor te geven. Het gaat hier om een lidmaatschap op persoonlijke titel. Als er bezwaren tegen zijn benoeming zijn wil hij die graag horen. Verder is natuurlijk iedere input welkom, aldus Berends.

Meijer stelt voor dat Berends tussentijds eens verslag doet van zijn bevindingen.


3a. Verslag van de interne vergadering van 17 september 2002 (UR-02.340)

Pag. 2 pt. 5a: Wormeester vindt de besluiten t.a.v. de samenstelling van de commissies niet terug in het verslag. Hij stelt voor in het vervolg een besluitenlijst aan het verslag toe te voegen. Ribberink merkt op dat het wachten nog is op de definitieve invulling van de commissies. (Opmerking notulist: Regel 24/25 vermeldt: Afgesproken wordt dat de definitieve afspraken, inclusief de samenstelling van de commissies, op schrift gesteld zullen worden).

Wallinga-de Jonge ondersteunt het voorstel voor een besluitenlijst, en doet de suggestie dan ook een aandachtspuntenlijst aan het verslag toe te voegen.

Pag. 2 r.18-20: “Ten aanzien van de extra 10% aan UR-vergoeding voor Van Benthem wordt …., stelt Van Benthem 5% van zijn vergoeding beschikbaar aan Meijer.”

Pag. 4 r. 1/2: “Wormeester verwacht dat gezien de uitkomsten met name de faculteiten nog wel een nieuwe bijstelling van het begrotingsbod zullen vragen.”

Pag. 4 r. 3: “Meijer meent dat het misschien nog wel zo zal zijn dat het nieuwe verdeelmodel opnieuw ter instemming moet worden voorgelegd …”.

Pag. 4 r. 43: “… (op te stellen door de commissievoorzitter ….’

Met inachtneming van het bovenstaande wordt het verslag vastgesteld.


Naar aanleiding van het verslag:

Pag. 1 pt. 4: Berends zal samen met Visser gaan kijken naar de mogelijkheden voor het plaatsen van documenten voor de UR op het net. Berends wil gaan onderzoeken of het mogelijk is te komen tot een digitale werkplaats; hij hoopt eind van het jaar een opzet te kunnen presenteren.


3b. Verslag van de interne vergadering van 26 september 2002 (UR-02.341)

Van Rijn merkt op dat de discussie over het quorum niet in het verslag is opgenomen. Berends stelt dat er wat betreft het aantal aanwezigen naar de letter van het UR-reglement correct is gehandeld.

Het verslag wordt vastgesteld.


4.Ingekomen/uitgegane post (UR-02.337)

Het overzicht wordt voor kennisgeving aangenomen.


5.Werkwijze UR

5a. Lidmaatschappen op persoonlijke titel (UR-02.355)

Op de door de voorzitter geformuleerde richtlijn t.a.v. lidmaatschappen op persoonlijke titel (UR-02.355) is door UReka een amendement ingebracht (gedateerd 26 oktober 2002). De overige fracties kunnen zich in dit amendement vinden.

Het amendement van UReka wordt aangenomen.


5b. Werkwijze UR (UR-02.343)

Op de notitie inzake de werkwijze van de UR (UR-02.343) worden door UReka twee amendementen voorgesteld (gedateerd 26 oktober 2002), en wel inzake machtiging van een raadslid en inzake het stellen van een extra rondvraag. Reactie van de overige fracties op deze beide amendementen:


Machtiging:

KCU is principieel tegen, omdat ter vergadering gezichtspunten naar voren gebracht kunnen worden die tot een andere mening zouden kunnen leiden – degene die een machtiging heeft afgegeven kan die gezichtspunten niet meewegen.

DD voelt niet voor het amendement, omdat het als het ware een uitnodiging is om niet aanwezig te zijn, en omdat het moeilijk is te bepalen wanneer de kwestie waar het ter vergadering om gaat “bekend” dan wel “nieuw” is.

De voorzitter constateert een principieel verschil van inzicht t.a.v. het onderwerp “machtiging”. Besloten wordt tot een stemming over de vetgedrukte tekst in het amendement (beginnende met “Maximaal tweemaal per raadsjaar” en eindigende met “dus niet ingezet worden”). De stemming wijst uit:

8x vóór overneming van de tekst

7x tegen

2x onthouding.

Hiermee is het amendement van UReka aangenomen.


Rondvraag:

KCU vindt dit geen noodzakelijke toevoeging.

DD gaat akkoord met de toevoeging.

Besloten wordt het amendement van UReka aan te nemen.


Vervolgens stelt de voorzitter nog enkele andere punten in het kader van de werkwijze UR aan de orde:

Het CvB stelt voor bij de commissievergaderingen onderscheid te maken tussen inhoudelijke vragen en bestuurlijk-strategische vragen. Dit met het oog op de al dan niet noodzakelijke aanwezigheid van de portefeuillehouder. De UR meent dat bij F&V een onderscheid wellicht mogelijk zou zijn, bij bijvoorbeeld P&S zou dat veel moeilijker zijn.

De UR constateert dat het met het oog op efficiency en voortgang in de besluitvorming toch het beste lijkt dat de collegeleden zich op het moment van een commissievergadering beschikbaar houden. Dit zal aan het CvB voorgesteld worden in een gesprek tussen de UR (voorzitter, vice-voorzitter en griffier) en (een vertegenwoordiging van) het college.

Elektronisch aanleveren van stukken: Gezien de bekende problemen bij aanlevering van omvangrijke documenten wordt besloten vooralsnog de stukken naar aanleiding van de commissievergaderingen via de mail te versturen en de stukken voor de interne en overlegvergaderingen in fysieke vorm te verspreiden.


Tenslotte stelt de voorzitter vast dat de vergadering instemt met de werkwijze zoals verwoord in UR-02.343, met inachtneming van de twee aangenomen UReka-amendementen d.d. 26.10.2002.


Afgesproken wordt dat de voorzitter en Berends zullen bezien wat de consequenties van het hiervoor besprokene zijn voor het huishoudelijk reglement van de UR.


6.Motie i.v.m. manifestatie op 12 november 2002 (UR-02.352, UR-02.353, UR-02.354)

Berends merkt op dat hem gemeld is dat het CvB de motie van harte onderschrijft en mogelijkheden voor deelname wil bieden. De motie zal op 31 oktober a.s. aan het UMT voorgelegd worden. Over PR-aspecten wil het college nog even nadenken. Overigens probeert men in VSNU-verband tot een gezamenlijk standpunt te komen.

Verder meldt Berends dat de Student Union de motie ondersteunt.


De UR besluit unaniem de motie, verwoord in UR-02.353, over te nemen, met inachtneming van de volgende tekstwijziging:

“wil hierbij haar steun betuigen aan een landelijke demonstratie op 12 november en roept het CvB op om deze motie over te nemen, aan alle eenheden te verzoeken om deelname door zowel studenten als personeelsleden mogelijk te maken en aan medewerkers die willen deelnemen buitengewoon verlof te verlenen.”


Tevens wordt vastgesteld dat de UR in dezen als geheel optreedt.


Besloten wordt vanuit de UR in klein comité (Meijer, Van Doorn en een vertegenwoordiger van UReka) de uitvoering en organisatie ter hand te nemen, in overleg met andere relevante organisaties.


7.Nota Onderzoeksbeleid (UR-02.339, UR-02.357, UR-02.363)

Hazebroek stelt namens de commissie O&O voor een concept-instemmingsbesluit te formuleren met het voorbehoud dat de beloofde laatste kleine wijzigingen nog worden verwerkt in de nota.


KCU betreurt het dat er nog geen inzicht is gegeven in het beleid universitaire stimulering onderzoek en verder vindt een deel van de fractie het onoverkomelijk dat in onderdeel 6.4 de categorieën universitaire leerstoel en teaching professor staan opgenomen.

DD: Met de algemene opzet die er ligt is een beperkt resultaat te bereiken; voor een werkelijk goede nota had de opzet anders moeten zijn, maar dat is nu helaas niet meer haalbaar. Verder hoort detailinformatie over het leerstoelenbeleid er niet in thuis.

UReka kan zich vinden in de voorliggende nota en betreurt het dat nu weer punten worden aangedragen, waarvoor ook al eerder meerdere keren gelegenheid is geweest. UReka acht het van groot belang dat nu wordt ingestemd.


Er vindt discussie plaats over hoe moet worden omgegaan met de onderdelen leerstoelenbeleid en teaching professors, en in relatie daarmee met het aio-beleid en het personeelsbeleid. KCU en DD vinden dat de desbetreffende paragrafen geschrapt zouden moeten worden. Schrappen zou echter ook gevolgen hebben voor de informatie m.b.t. de geformuleerde doelen. Hazebroek wijst erop dat er slechts hoofdlijnen genoemd worden.


Afgesproken wordt dat het presidium een concept-instemmingsbesluit zal formuleren.

Ter vergadering volgt een stemming over het daarin opnemen van een voorbehoud dat aangeeft dat de instemming van de UR niet van toepassing is op paragraaf 6.4 voor wat betreft de universitaire leerstoelen en de teaching professors:

9x vóór

6x tegen

2x onthouding.

T.a.v. de paragrafen 6.5 (universitair leerstoelenbeleid), 6.6 (aio-beleid) en 6.7 (personeelsbeleid) wordt dus geen voorbehoud gemaakt.


Uiteindelijk wordt besloten als volgt:

Het presidium zal een concept-instemmingsbesluit formuleren, waarin wordt vermeld dat de instemming niet van toepassing is op paragraaf 6.4 van de nota.

Met betrekking tot het onderdeel “beleid universitaire stimulering onderzoek” wordt geen voorbehoud gemaakt, wel zal de KCU-fractie in de overlegvergadering informeren wanneer op dat punt inhoudelijk beleid wordt gemaakt en hoe naar het oordeel van het college de invulling zal zijn.


8.Nieuwe opleidingen

8a. Instelling Gezondheidswetenschappen (UR-02.338)

Hazebroek meldt dat namens de commissie O&O via de mail nog extra informatie naar de UR-leden is gestuurd. Niet alle UR-leden blijken die informatie al te hebben gezien.

De commissie vindt dat er nog niet voldoende financiële informatie beschikbaar is en stelt voor een concept-instemmingsbesluit te maken waarin het voorbehoud wordt gemaakt dat ten tijde van de daadwerkelijke instemming de bedoelde (concreet te omschrijven) informatie wel beschikbaar is.


De KCU-fractie geeft aan nog diverse vragen te hebben, en wel t.a.v. efficiency en profiel van de opleiding, instroom, studieduur, aanloop- en voorfinancieringskosten, tijdpad.

DD kan nu nog niet instemmen en wil eerst meer antwoorden zien.

UReka wijst erop dat een aantal antwoorden inmiddels al wel bij de commissie bekend is (zie de recent toegezonden mail), en stelt voor wel in te stemmen onder de voorwaarde dat de financiële onderbouwing nog moet komen.


Besloten wordt dat een drietal UR-leden een concept-instemmingsbesluit zal formuleren en ter beoordeling aan het presidium zal voorleggen. Daarin zal worden aangegeven dat de UR wel instemt, onder de voorwaarde dat er een deugdelijke financiële onderbouwing komt op een aantal met name te noemen punten.

Verder zal er zo nodig een aantal inhoudelijke vragen gesteld worden, die echter geen voorwaardelijk karakter hebben waar het gaat om de instemming.


8b. Stand van zaken Technische Geneeskunde (UR-02-347)

De commissie O&O heeft vragen voorbereid en zal die schriftelijk stellen aan het CvB.


8c. Stand van zaken brede Technische Bachelor

De commissie O&O heeft vragen voorbereid en zal die schriftelijk stellen aan het CvB.


9.Verslag strategisch beraad UMT (UR-02.305, UR-02.350, UR-02.356)

De commissie F&V stelt voor het college een brief te schrijven met het verzoek in de decembercyclus bij de bespreking van de algemene gang van zaken antwoord te geven op eerder in het UR-advies genoemde punten. De vergadering stemt daarmee in, met inachtneming van het verzoek van de KCU-fractie om te vragen om een schriftelijke reactie van het CvB die kan dienen als basis voor de discussie in het kader van de algemene gang van zaken.


10.Intentieverklaring drie TU’s (UR-02.342, UR-02.344)

Meijer merkt op dat zijn fractie het idee heeft dat binnenkort nader onderhandeld gaat worden met Delft en Eindhoven. Het is volgens de fractie verstandig om eerst binnen de UT een discussie te hebben over wat de UT bij die onderhandelingen wil bereiken. Dit thema past heel goed bij de te voeren strategische discussie. Hij stelt voor aan het college te vragen dit op papier te zetten en zowel met het UMT als de UR te bespreken. In het kader van de algemene gang van zaken kan daar dan verder over gesproken worden.


Afgesproken wordt dat de commissie O&O een brief voor het college zal opstellen. Daarin zal ook het door Meijer aangedragen punt meegenomen worden.


11.RSI-beleidsplan (UR-02.268/1+2, UR-02.358, UR-02.359)

Huisman meldt dat de commissie P&S graag wil weten hoe de uitvoering van het RSI-beleidsplan gecontroleerd wordt. Ook wil de commissie dat er meer duidelijkheid in het beleidsplan komt over waar studenten terecht kunnen met RSI-klachten. Ten slotte is zij van mening dat het beleidsplan ter instemming voorgelegd moet worden aan de UR (art. 11 UR-reglement) – overigens is de commissie zich bewust dat het plan al in uitvoering genomen is, maar toch vindt zij dat het plan de aandacht moet krijgen dat het verdient).

Bulter vindt er vanuit “centraal” commitment en aansturing moet komen t.a.v. het RSI-beleid. Dit zal worden meegenomen in de vragen van de commissie.

Wallinga-de Jonge doet de suggestie om te vragen naar een jaarlijkse rapportage waarin aanpassing van het RSI-beleid wordt opgenomen; de UR zou dan in het kader daarvan van zijn instemmingsrecht gebruik kunnen maken. Meijer wijst erop dat niet alleen het beleidsplan instemming had moeten hebben van de UR, maar dat er ook jaarlijks een plan op het gebied van arbo en milieu moet zijn ten aanzien waarvan de UR instemmingsrecht heeft – dit gebeurt echter momenteel niet.

Wormeester vindt dat het thema arbo meegenomen moet worden in de jaarcirkel. De commissie zal dit aansnijden in het overleg met de arbodienst.


Afgesproken wordt dat de brief aan het college zal worden beperkt tot de RSI-aangelegenheden, met de opmerking dat een en ander een plek moet krijgen in de arbo-jaarcirkel.

P&S behoudt het initiatief om verder te discussiëren over het meer structureren van de arbo-jaarcirkel.


12.Voortgangsrapportage Reorganisatieproces (UR-02.360)

Meijer merkt op dat de implementatieplannen nog niet erg opschieten, dat de informatie die de medezeggenschap ontvangt niet geactualiseerd is en dat er nog niet voldoende detailniveau bereikt is. Ook moeten bepaalde onderdelen nog nader uitgewerkt worden, zoals ICT en technische ondersteuning. Het is dan ook de vraag of de raden tijdig tot een gedegen besluitvorming kunnen komen. Hierover zal met het college gesproken moeten worden. Ook kunnen vragen gesteld worden over de ontvangen informatie t.a.v. het strategisch beraad en over de keuzes voor de invulling van de bezuiniging op het centrale budget. Verder kan geïnformeerd worden of het CvB de UR wat meer gedetailleerd in kennis wil stellen van de overeenstemming die Zijm en Bakx bereikt hebben, zodra het document dat daarover aangekondigd is beschikbaar is. Ook de afspraken met Rabobank en Randstad zullen aangeroerd worden.

Meijer stelt voor een aantal hoofdpunten op papier te zetten en ter bespreking aan het college aan te bieden. Hij zal een aanzet daartoe maken en Schrama zal eventuele aanvullingen, die naar voren komen tijdens de bijeenkomst met faculteits- en dienstraden op 31 oktober, daarin opnemen.


13. Rondvraagpunten

13a. Beperking aan Keuzemodel Arbeidsvoorwaarden bij faculteit GW (UR-02.349, UR-02.362)

Meijer zal zorgen dat de vragen m.b.t. dit punt op papier gezet worden.


13b. Ericsson

De voorzitter meldt dat er allerlei initiatieven gaande zijn; de UT is daarin vertegenwoordigd, maar is – in tegenstelling tot wat de UR in eerste instantie vreesde – geen commitments aangegaan. Aan het college zal gevraagd worden bij de mededelingen even bij het thema Ericsson stil te staan.


13c. Overige punten

Tijdregistratie.

Veiligheid op de campus.

Ter vergadering wordt een motie van de studentengeleding KCU uitgedeeld. UReka onderschrijft het idee, maar stelt voor eerst met een plan van aanpak te komen en daar in de volgende cyclus nader over te spreken. Wormeester waarschuwt dat de UR niet op de stoel van het college moet gaan zitten en stelt voor het CvB te vragen een werkgroep in te stellen waarin ook een UR-lid zitting heeft.

De volgende afspraak wordt gemaakt: Van Rijn schrijft namens de hele raad een brief aan het CvB waarin hij informeert naar eventueel reeds ontplooide initiatieven en voorstelt om zo nodig en op de kortst mogelijke termijn een werkgroep (met daarin ook een UR-afvaardiging) in te stellen die tot taak heeft de veiligheidsproblematiek op de campus te inventariseren.

Naamgeving gebouwen.

Staat van onderhoud Witbreuksweg.

Decaan Gedragswetenschappen.


14.Rondvraag

Van Doorn verwijst naar een eerder gemaakte afspraak om eind dit jaar/begin volgend jaar de commissiestructuur te evalueren, en stelt voor een datum voor die evaluatie te prikken.

Afgesproken wordt dat het presidium zal bezien of zich in januari een mogelijkheid daartoe voordoet.

De voorzitter vermeldt in dit kader nog dat het presidium de gang van zaken na iedere cyclus ook telkens al informeel beziet.


15.Sluiting

Om 16.50 uur sluit de voorzitter de vergadering.



*****