Agendapunten

UR 09-247 Nieuwe uitgangspunten Hooglerarenbeleid 2009


Nieuwe Uitgangspunten Hooglerarenbeleid 2009



I Inleiding


De UT heeft op dit moment geen actueel hooglerarenbeleid op papier. De laatste nota stamt uit 2002, te weten de ‘Nota Leerstoelenbeleid 2002-2006’ (laatstelijk gewijzigd in oktober 2003). Daarnaast verschenen in 2004 losse notities over persoonsgebonden leerstoelen, typen leerstoelen, richtlijnen over structuurrapporten en werd de toetsingscommissie hooglerarenbenoemingen en –bevorderingen ingesteld.

Voorts werd UFO (Universitair Functie Ordenen) ingevoerd. Dit nieuwe systeem bevat functieprofielen o.a. van de hoogleraar. De UFO-methode kenmerkt zich door de resultaat gerichte benadering, het vastleggen van rollen (in plaats van taken) en verantwoordelijkheden/bevoegdheden. In 2007 ten slotte werden de procedures voor de benoeming van verschillende typen hoogleraren geactualiseerd.


Voordat een nieuwe nota hooglerarenbeleid wordt ontworpen is het goed een aantal uitgangspunten te formuleren. Daartoe dient deze notitie. Een aantal uitgangspunten staat echter vast. Deze vloeien voort uit onder meer de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek(WHW), het hierboven genoemde UFO-systeem (criteria) en Route 14.


Deze notitie is als volgt opgebouwd. Elk uitgangspunt is voorzien van een vraag gevolgd door het standpunt van het CvB. De vragen zijn eerder aan de orde geweest in de zgn. Startnotitie Hooglerarenbeleid 2009 (maart 2009) en in het college behandeld, alsmede in de Werkgroep Talentontwikkeling.


II Uitgangspunten



(1) Tenure Track (TT)


In 2008 verscheen de Uitwerking van de Notitie Tenure Track (zie bijlage 1: 382.933/PA&O). Het TT-systeem biedt loopbaanperspectief voor excellent jong wp. Het aantrekken, ontwikkelen en ook het behoud van talent is van strategisch belang voor de UT. Faculteiten kunnen nu nog een eigen nadere invulling geven aan het systeem. Het systeem is bedoeld om een UD versneld door te laten stromen naar de functie UHD. Bij die benoeming wordt gelijktijdig vaste dienst verleend (na maximaal zes jaar). Vervolgens is het mogelijk na een aantal jaren als UHD te hebben gefunctioneerd een persoonsgebonden leerstoel (Hoogleraar 2) te gaan bekleden. Als het systeem vaak wordt ingezet ontstaan veel kleine organisatorische eenheden met HL 2 naast de grotere met HL 1. Belangrijke beslissingen tijdens de track worden genomen bij de selectie en de doorstroommomenten. Om die reden dienen selectie- en doorstroomcriteria binnen de faculteit scherp te worden geformuleerd.


Vraag:

Als de UT voor talent gaat moet dan niet elke UD-vacature onder het TT-systeem vallen en moeten tenure trackers dan ook doorgroeien naar een HL-positie?




Standpunt CvB

De UT wil talentvol WP binnenhalen. In beginsel valt dan ook elke UD-vacature onder het TT-systeem en moeten tenure trackers doorgroeien naar een hoogleraarpositie.

Dit laat onverlet dat binnen de UT ook UD’s en UHD’s functioneren zonder tenure track. Goed personeelsbeleid impliceert ook dat dat personeel niet te lang dezelfde positie inneemt. Actief uitstroom/doorstroombeleid is dan ook hier wenselijk, gelijk elders binnen onze organisatie.

Beschikbare financiële middelen vormen het kader voor het aantal tenure trackers en dus uiteindelijk het aantal hoogleraren. De kwaliteit van een tenure tracker en de resultaten die hij/zij laat zien zijn echter beslissend voor een volgende stap in het TT-systeem.


Verder overleg is gewenst over de uitwerking van het TT systeem, inclusief afgesproken evaluatie van de eerste ervaringen, met o.m. aandacht voor:


(1) Een speciale benoemingsprocedure, zoals die ook voor hoogleraren geldt.

(2) Een zekere centrale controle/evaluatie van de procedures en criteria die aan tenure trackers worden gesteld. Deze onderwerpen worden dan ook jaarlijks in een aparte UMT bijeenkomst expliciet besproken.

(3) Afspraken over de (gewenste) verhouding tussen het contingent tenure trackers en het contingent overig WP binnen nu en vijf jaar.




(2) Universitair leerstoelenkader


De UT heeft geen universitair leerstoelenkader. Een totaaloverzicht biedt de bundeling van bestaande facultaire leerstoelenplannen. De decaan stelt een facultair leerstoelenplan op in overleg met de betreffende WD’s en legt dit ter goedkeuring voor aan het CvB. Een universitair leerstoelenkader houdt rekening met O&O-prioriteiten die de UT zich stelt en geeft samenhang tussen wetenschapsgebieden aan (zie Route 14). Door invoering van het tenure track systeem zullen facultaire leerstoelenplannen op termijn echter meer dan tot nu toe onderhevig zijn aan wijzigingen.


Vraag:

Dient de UT een universitair leerstoelenplan op te stellen en zo ja, wat moet daar dan in komen te staan (b.v. alleen hoofdlijnen onderzoekgebieden)?



Standpunt CvB:

De UT stelt een universitair leerstoelenplan op. Daarin is een beschrijving opgenomen van de onderzoeksdomeinen binnen de UT. Voor deze domeinen zijn senior hoogleraren verantwoordelijk. De ‘Tenure Track hoogleraren’ hebben een beperkte ruimte om de eigen leerstoel uit te bouwen (=de dynamiek in het leerstoelenplan dat recht doet aan tenure track). Dit document wordt jaarlijks in de meergenoemde bijzondere UMT vergadering besproken




(3) Typen Hoogleraar (HL)


Volgens UFO draagt samengevat de hoogleraar zorg voor de ontwikkeling, samenhang en verzorging van wetenschappelijk onderwijs en voor de acquisitie en uitvoering van wetenschappelijk onderzoek. Tot nu toe hanteert de UT vier typen leerstoelen te weten de functionele-, de vrije-, de praktijk- en de bijzondere leerstoel. Binnen de vrije leerstoel kennen we nog weer drie typen: de profilerende-, de persoonsgebonden- en de universitaire leerstoel (zie bijlage 2).

Er gaan steeds meer stemmen op om ook UHD’s het promotierecht te verlenen. De WHW gaat er van uit dat dit ius promovendi uitsluitend kan worden toegekend aan hoogleraren. De RUG heeft aan een select gezelschap UHD’s het promotierecht toegekend voor de eigen promovendi van de UHD. De gekozen constructie is in zoverre simpel dat deze UHD’s ‘adjunct-hoogleraar’ zijn geworden waarbij de arbeidsvoorwaarden onveranderd zijn gebleven, dus passend bij de functie UHD.


Vraag :

Heeft de UT behoefte aan al deze typen leerstoelen en zo nee, welke hanteren we in het vervolg?


Standpunt CvB:

De UT heeft geen behoefte meer aan alle huidige typen leerstoelen/hoogleraren zoals genoemd in bijgaand overzicht. In het vervolg worden de volgende vijf hoogleraartypen gehanteerd.

Adjunct-hoogleraar (Associate Professor/UHD1 met promotierecht voor de eigen promovendi)

Hoogleraar (Full Professor/aansturen relatief kleine groep WP)

Senior Hoogleraar (aansturen relatief grote groep WP)

Bijzondere hoogleraar (niet in dienst UT, wel promotierecht)

Universiteitshoogleraar (nationaal- of internationaal toptalent)


Criteria voor benoeming dienen hier en daar mogelijk te worden aangescherpt.

Praktijkhoogleraren worden in het vervolg niet meer benoemd zodra voor deze categorie alternatief beleid is geformuleerd ( gasthoogleraar/visiting professor?).



(4) Verhoudingen


Het aantal extern gefinancierde gewone leerstoelen (niet centraal geregistreerd) en bijzondere leerstoelen (ca. 30, waarvan een derde via het Universiteitsfonds) groeit. Er zijn geluiden dat dit leidt tot versnippering van wetenschapsgebieden, aantasting van kwaliteit, onafhankelijkheid van wetenschap, imago van de instelling, bescherming van het ambt en de relatief kleine bijdrage van deze leerstoelen. Kortom deze categorie zou mogelijk enigermate moeten worden gelimiteerd.


Daarnaast worden vraagtekens gezet bij de kleine omvang van een aantal aanstellingen. Er is geen ondergrens aangegeven. Een hoogleraarbenoeming van 0,2 fte of minder is echter niet gunstig voor het bijdragen aan onderwijsactiviteiten, het begeleiden van medewerkers en het aanvragen van fondsen.


Vraag:

Dient de UT een maximum percentage van alle HL’s (bezoldigd/gewoon totaal ca. 170) te hanteren voor extern gefinancierde leerstoelen en dient een minimale aanstellingsomvang voor HL’s te worden geïntroduceerd?



Standpunt CvB:

De UT wenst geen maximum percentage van alle hoogleraren te hanteren voor extern gefinancierde leerstoelen. Voor de benoeming van een deeltijdhoogleraar is het van belang dat hij/zij productief is.

De productiviteit voor de UT heeft te maken met de context waarbinnen de hoogleraar nog meer werkzaam is. Contractueel kan worden vastgelegd welke prestaties de hoogleraar moet leveren in de daarvoor bestemde tijd.

Overigens is het CvB geen voorstander van externe financiering van gewone leerstoelen. De voorkeur gaat uit naar externe financiering van bijzondere leerstoelen via het Universiteitsfonds.




(5) Benoemingsprocedures / Toetsingscommissie


In de huidige benoemingsprocedures kan het CvB indien het gereserveerdheid ervaart t.a.v. de kwaliteit van een kandidaat de Toetsingscommissie Hooglerarenbenoemingen en –bevorderingen inschakelen voor een advies. Voorts wordt deze commissie ingeschakeld voor advies bij benoemingen op persoonsgebonden leerstoelen.


Vraag:

Dient de UT de toetsingscommissie -al dan niet in gewijzigde vorm- te handhaven en zo ja moet deze commissie dan ook een rol spelen bij b.v. het toetsen van tenure track afspraken?



Standpunt CvB:

De toetsingscommissie (adviesorgaan van het CvB) wordt slechts ingeschakeld indien het CvB twijfels ervaart bij de voordracht voor een hoogleraar. De samenstelling van de commissie wordt gewijzigd. In de commissie zitten twee externe hoogleraren. Daarnaast heeft tenminste één vrouw zitting in de commissie, alsmede een universiteitshoogleraar. De commissie speelt overigens geen rol bij het toetsen van tenure track afspraken.



(6) Benoemingsprocedures / Raadplegen zusterfaculteiten


In de huidige benoemingsprocedures is opgenomen dat de decaan zusterfaculteiten uitnodigt om de BAC te attenderen op mogelijk geschikte kandidaten. Voorts worden zusterfaculteiten om advies gevraagd over een voorgestelde kandidaat.


Vraag:

In hoeverre dienen zusterfaculteiten te worden benaderd bij de onderscheiden benoemingsprocedures voor HL’s en geldt dit ook voor diegenen die een tenure trackovereenkomst hebben?



Standpunt CvB:

Raadplegen van zusterfaculteiten kan achterwege blijven bij het nakomen van tenure track afspraken.

Bij de benoeming van een Senior Hoogleraar wordt echter altijd een BAC ingesteld en worden de zusterfaculteiten geraadpleegd. De rol van het College voor Promoties (CvP) blijft volledig in takt waar het gaat om de benoeming van Senior Hoogleraren.




-0-0-0-


Bijlagen: 2


mvd/pao/092009/4.2