Agendapunten

5. nota Onderwijsbeleid














NOTA ONDERWIJSBELEID


2006 – 2010















Februari 2007



Inhoudsopgave


Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Onderwijsvisie

1.2 Onderwijsprofiel

1.3 Onderwijsnota


Hoofdstuk 2 Flexibel onderwijsaanbod

2.1 Flexibiliteit in onderwijs door gedifferentieerde leerwegen

2.2 Flexibiliteit in de tijd

2.3 Flexibiliteit in vorm (gedifferentieerde leervormen)


Hoofdstuk 3 Kwaliteitszorg

3.1 Instellingsniveau

3.2 Opleidingsniveau

3.3 Studentniveau

3.4 Docentniveau


Hoofdstuk 4 Onderwijsorganisatie

4.1 Toegankelijkheid van het onderwijs

4.2 Efficiëntie

4.3 Randvoorwaarden


Hoofdstuk 5 Universiteit Twente en haar omgeving

5.1 Internationale samenwerking

5.2 3TU en Noord-Oost Nederland

5.3 Samenwerking HBO

5.4 Verankering met de regio


Hoofdstuk 6 Prioriteiten en implementatie 2007

6.1 Overzicht voorgenomen activiteiten onderwijsnota

6.2 Speerpunten voor 2007

6.3 Lopende activiteiten en prioriteiten middellange termijn



1. Inleiding


1.1 Onderwijsvisie

De veranderende samenleving stelt de universiteiten de komende jaren voor een groot aantal uitdagingen. De verder voortschrijdende globalisering / internationalisering, de sterke individualisering, de opkomst van nieuwe technologieën en andere verhoudingen tussen burgers, instituties en overheden stellen ook aan het functioneren van universiteiten nieuwe eisen. Kennis is de belangrijkste productiefactor geworden in moderne westerse economieën (Kennis als Vermogen).


Van een ondernemende universiteit mag worden verwacht dat zij zich steeds weer pro-actief aanpast aan verandering. Dat geldt voor alle terreinen: onderwijs, onderzoek en kennisvalorisatie. In het Instellingsplan 2005-2010 van de Universiteit Twente zijn de grote lijnen voor de komende jaren uitgezet. In het missiestatement luidt de visie op onderwijs als volgt:


“Het onderwijs wordt gekenmerkt door excellente kwaliteit, waarbij:


onderwijs zich in nauwe samenhang met onderzoek van internationaal (top-)niveau ontwikkelt

studenten in staat worden gesteld de uitdagingen te vinden die zij zoeken in programma’s die hiertoe de mogelijkheden bieden;

bachelor-programma’s breed van opzet zijn, met ruime mogelijkheden tot differentiatie en honourstracks voor excellente studenten;

master-programma’s naast de doorstroommaster ook een aantal profilerende programma’s omvatten op de zwaartepuntgebieden in het onderzoek;

de research masters waar mogelijk en wenselijk resulteren in een verkort PhD-programma;

academische vorming een centrale plaats inneemt, zowel in de bachelor- als in de master opleidingen;

zoveel mogelijk wordt gestreefd naar werkvormen die worden gekenmerkt door kleinschaligheid;

moderne onderwijskundige inzichten over de volle breedte van de opleidingen worden toegepast;

nadrukkelijk sprake is van een continue oriëntatie op de eisen die de arbeidsmarkt stelt; en

internationaal aanvaarde kwaliteitsnormen het referentiepunt vormen”.


In de Bestuurlijke Agenda, die een nadere uitwerking vormt van het Instellingsplan, staan de volgende doelen voor onderwijs aangegeven:


-Kwaliteit van onderwijs: kwaliteit waarborgen door interne beheersing met goede studentvolg- en mentorsystemen, kwaliteit aantonen door externe erkenning, exploreren van brede bachelors en honours tracks.

-Groei: diversificatie van instroom in de bacheloropleidingen, sterke samenwerking met het VWO, soepele doorstroom uit het HBO, bredere instroom in de masterfase, oriëntatie op Europa en Azië, korte programma’s, profilerende masters, life long learning onderwijs.

-Internationalisering: internationalisation at home, uitwisseling van studenten en docenten, optimale opvang en begeleiding van buitenlandse studenten, taalvaardigheid van staf en waar mogelijk internationalisering van het curriculum.

-Ondernemen en samenwerking: federatie 3 TU’s, intensivering van de banden met SAXION, aansluitingsactiviteiten met het VWO, samenwerking met het ITC,


In deze onderwijsnota wordt een nadere uitwerking gegeven aan de bovengenoemde elementen uit het Instellingsplan en de Bestuurlijke Agenda. Vanuit de omgevingsanalyse van beide beleidsnota’s benoemen we drie belangrijke ontwikkelingen die specifiek zijn voor het onderwijs en die centraal zullen staan in deze onderwijsnota. Ten eerste de toenemende behoefte aan onderwijs op maat. Ten tweede de noodzaak om te groeien naar een gezond en stabiel aantal studenten (tenminste 10.000, zie nota “Diversiteit, Kwaliteit en Groei). En tenslotte de positionering en verankering van de Universiteit Twente in verschillende netwerken en samenwerkingsverbanden


Onderwijs op maat

Sinds de invoering van het Bachelor-Master stelsel in 2002 zijn er in feite twee opleidingen gecreëerd die ieder afzonderlijk instroom genereren. In de Bacheloropleiding stromen net als bij de ongedeelde opleiding scholieren uit het voortgezet onderwijs in. Daarnaast is er voor de bacheloropleidingen van de UT in toenemende mate interesse vanuit Duitsland. De instroom van de Masteropleiding is daarentegen duidelijk gedifferentieerder. De groep bestaat uit ‘eigen’ bachelorstudenten, bachelorstudenten van andere universiteiten, HBO bachelors en internationale bachelorstudenten.


Deze verschillende doelgroepen brengen, bij de start van de studie, een verschillende intellectuele bagage met zich mee. Daarnaast hebben deze groepen ook verschillende wensen ten aanzien van het type onderwijs en de onderwijsvormen. Om deze diversiteit op een goede manier te faciliteren, moet de universiteit (nog) meer op maat gesneden onderwijs aanbieden. Het gaat daarbij om flexibilisering van het aanbod in de breedste zin van het woord. Het heeft betrekking op de toelating van het onderwijs (in Bachelor en Master), tijdstip, plaats en frequentie van het onderwijs aanbod, en de onderwijsvormen. Bekostiging van dit op maat gesneden onderwijs zal moeten komen uit een combinatie van efficiëncyverhogende maatregelen en gerichte investeringen, zowel op centraal als decentraal niveau, aangevuld met gerichte tijdelijke investeringen.


De verschuiving van aanbodgericht naar meer vraaggestuurd onderwijs zal de komende jaren moeten plaatsvinden binnen een tweetal belangrijke randvoorwaarden. De universiteit heeft immers de afgelopen jaren te maken gekregen met een afname van beschikbare (publieke) financiële middelen. Dit ondanks het feit dat de Nederlandse samenleving steeds meer belang hecht aan goede (hoger) onderwijsvoorzieningen. De verwachting is dat er ook in de toekomst niet meer geld beschikbaar komt. De universiteit staat daarbij voor het dilemma om enerzijds meer maatwerk te willen en moeten leveren en hier anderzijds geen additionele financiering voor te ontvangen. Eén belangrijk hulpmiddel om toch maatwerk aan te kunnen bieden is een grotere inzet van ICT in het onderwijs, niet alleen ter vehoging van de efficiency, maar ook als middel om het onderwijs inhoudelijk te verrijken.


Een tweede punt van aandacht bij het bieden van meer maatwerk is de kwaliteit van het onderwijs. Al jaren lang wordt de kwaliteit van het onderwijs en haar docenten op deze universiteit als goed beoordeeld. Dit geldt zowel voor de officiële visitatietrajecten als in de tevredenheidonderzoeken onder (oud)studenten. De UT wil dit kwaliteitsniveau graag behouden en waar nodig en mogelijk nog verder verbeteren. Het college staat op het standpunt dat de beoogde omslag naar het aanbieden van meer maatwerk er niet toe mag leiden dat de kwaliteit van het onderwijs afneemt. Om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen is blijvende aandacht voor kwaliteit en kwaliteitszorg vereist. Dat betekent tevens dat de universiteit meer aandacht gaat besteden aan de positie en de onderwijskwaliteiten van het wetenschappelijk personeel binnen de organisatie.


Zoals uit bovenstaande duidelijk moge zijn; goede kwaliteit van het onderwijs is van essentieel belang voor de universiteit. Studenten mogen van de UT vraag gestuurd onderwijs, maatwerk, studiebegeleiding en flexibiliteit verwachten, maar wel binnen duidelijke spelregels. De universiteit vereist 100% inzet van haar studenten. Het onderwijs kan alleen van goede kwaliteit zijn als niet alleen alle docenten maar ook alle studenten met volle overtuiging participeren. Alleen door het maken van een heldere structuur en duidelijke afspraken over de participatie, studievoortgang en prestaties kan optimaal gebruik worden gemaakt van maatwerk.


Groei

De tweede uitdaging waar de universiteit de komende periode voor staat is groei. Voor de Universiteit Twente is groei en het behoud van een stabiel aantal studenten, van “levensbelang”. Deze universiteit behoort qua omvang tot een van de kleinere spelers in het hoger onderwijsveld. En kleinere spelers zijn kwetsbaar. Daarnaast is er een toenemende concurrentie tussen instellingen in binnen- en buitenland om studenten.


Om nationaal en internationaal mee te kunnen blijven doen en om ook financieel gezien voldoende ruimte te creëren voor vernieuwende initiatieven is een stabiel aantal studenten van rond de 10000 wenselijk. Bij dat aantal worden de bestaande faciliteiten optimaal benut, is continuïteit gewaarborgd en kan het onderwijs op de universiteit nog steeds kwalitatief hoogwaardig worden aangeboden, met voldoende ruimte voor maatwerk. Een groot gedeelte van de beoogde groei zal afkomstig zijn uit het nog beter bedienen van huidige doelgroepen, maar vooral ook de nieuwe doelgroepen (HBO, internationaal en post-initieel). De Universiteit Twente zal ook aan hen moeten tonen dat wij ons op onze vakgebieden onderscheiden door het bieden van onderwijs op maat van een kwalitatief hoog niveau, blijkend uit goede beoordelingen bij accreditaties, rankings, een hoog studierendement en een stijgend marktaandeel per opleiding. De groeidoelstelling laat onverlet dat de UT de kleinschaligheid in zijn onderwijs wil handhaven.



Universiteit in netwerken

De UT participeert in verschillende strategische partnerschappen: locaal in de regio (met o.a. SAXION Hogescholen en het VWO), binnen Nederland met name in 3TU-verband en in de Oostflank met de universiteiten van Nijmegen, Wageningen en Groningen, binnen Europa in het ECIU netwerk en in de grensregio met een aantal Duitse instellingen, terwijl studenten wereldwijd stages uitvoeren of werken in instellingen waarmee een onderzoeksamenwerking bestaat. Deze samenwerkingsverbanden zullen onder invloed van de toenemende concurrentie een steeds belangrijkere rol gaan spelen.


1.2 Onderwijsprofiel

De UT wil in de toekomst dus:

1) meer studenten en cursisten bereiken met een in toenemende mate diverse achtergrond,

2) dit met behoud en waar nodig verbetering van de extern als goed beoordeelde onderwijskwaliteit en 3) een belangrijke, innovatieve speler zijn en blijven in de onderwijsketen.

Deze uitdagingen betekenen voor de identiteit en het onderwijsprofiel van de UT het volgende. De Universiteit Twente biedt:

-Een scala van opleidingen (Science en Engineering, Management en Bestuur, Gedragswetenschappen), met een ontwerpgerichte, ondernemende aanpak als gemeenschappelijk kenmerk. Naast de analyse vormt de synthese, gericht op het realiseren van oplossingen, een belangrijk kenmerk van deze ontwerpgerichte aanpak.

-Onderwijs op maat, door flexibiliteit (qua inhoudelijk vraaggestuurd aanbod, qua onderwijsvormen en qua organisatie: logistiek en timing) met behoud van efficiency en kleinschaligheid. De term “vraaggestuurd” is tweeledig: enerzijds dient het onderwijs in te spelen op de vraag van studenten, anderzijds op de wensen vanuit de arbeidsmarkt.

-Kennisoverdracht gericht op innovatie.


Een primaire doelstelling van wetenschappelijk onderwijs is het opleiden van mensen die in staat zijn nieuwe wetenschappelijke inzichten in hun vakgebied te onderkennen en die toe te passen in hun beroepspraktijk of zelfs aan de wetenschappelijke ontwikkelingen bij te dragen. Om die reden zijn wetenschappelijk onderwijs en onderzoek onlosmakelijk met elkaar verbonden en dienen studenten in hun opleiding met diverse aspecten van wetenschappelijk onderzoek te zijn geconfronteerd. De afstudeeropdracht in het master onderwijs heeft vaak een nauwe relatie met het onderzoeksprofiel van de groep waarbinnen het afstuderen plaats vindt.

Bij hun accreditatie worden de opleidingen mede beoordeeld op:

-kennisontwikkeling door studenten in interactie tussen het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek binnen relevante disciplines,

-aansluiting van het programma bij ontwikkelingen in de relevante wetenschappelijke discipline(s) door aantoonbare verbanden met actuele wetenschappelijke theorieën,

-waarborging van de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek.


Uiteraard dient ook het onderwijs zelf voortdurend te worden gevoed door nieuwe wetenschappelijke inzichten. Om die reden hecht de universiteit ook aan de koppeling onderwijs-onderzoek in personele zin, terwijl complementair aan elke opleiding voorzien dient te zijn in de mogelijkheid voor funderend onderzoek, naast meer op applicaties gericht onderzoek.


1.3 Onderwijsnota

Uit dit profiel komt een aantal mogelijk tegenstrijdig ogende eisen naar voren; én op maat gesneden én meer studenten (deels nieuwe doelgroepen met specifieke eisen) én kwaliteit behouden, en dat alles ook nog efficiënt. Het behalen van al deze doelstellingen vereist onderwijsinnovatie met waar mogelijk een vernieuwde, meer nadrukkelijke specifiek toegesneden inzet van ICT.


In vervolg van de nota zullen we in achtereenvolgende hoofdstukken antwoord geven op de volgende essentiële vragen:

-Wat voor onderwijs wil de universiteit aanbieden? (Hoofdstuk 2 flexibel onderwijsaanbod)

-Wat hebben we nodig om de kwaliteit van het onderwijs te behouden? (Hoofdstuk 3 kwaliteitzorg)

-Wat betekent onderwijs op maat voor de eigen organisatie? (Hoofdstuk 4 onderwijsorganisatie)

-Wat is de positie van de universiteit binnen de directe omgeving? (Hoofdstuk 5 Universiteit Twente en haar omgeving)

-Wat heeft er prioriteit? (Hoofdstuk 6 prioritering en aanzet plan van aanpak)


Hoofdstukken 2 t/m 5 zijn gestructureerd aan de hand van secties waarin een aantal concrete vragen wordt beantwoord:

-Waarom doen we dat? In de beantwoording van deze vraag wordt nader ingegaan op het waarom (de noodzaak) van de specifieke doelstelling.

-Wat doen we al? Oftewel welke instrumenten worden er nu al ingezet om deze doelstelling te bereiken?

-Wat gaan we nog meer doen? Welke instrumenten moeten worden versterkt dan wel welke nieuwe instrumenten zijn er nodig?

-Wat is het tijdspad? Welke pilots, worden wanneer uitgevoerd. Vooral deze laatste stap moet er voor zorgen dat deze onderwijsnota niet blijft hangen in mooie bedoelingen, maar snel een vertaling krijgt naar de praktijk. In hoofdstuk 6 komt dit uitgebreider aan de orde.







































2. Flexibel onderwijsaanbod


2.1 Flexibiliteit in onderwijsinhoud door gedifferentieerde leerwegen


2.1.1 De noodzaak

Een aantal jaren geleden bestond de instroom van een universiteit voornamelijk uit scholieren uit het voortgezet onderwijs en een aantal zij-instromers uit het HBO. In die situatie is mede onder invloed van het Bachelor Master stelsel snel verandering gekomen. De komende jaren zal ook de universiteit meerdere doelgroepen met verschillende wensen (en startposities) moeten faciliteren. Zoals we in het eerste hoofdstuk hebben gezien is meer flexibilisering essentieel om in te spelen op de toenemende diversiteit van studenten en cursisten.


Belangrijke doelgroepen voor het bachelor onderwijs zijn:

-scholieren uit het voortgezet onderwijs

-internationale studenten, vooral uit Duitsland


Belangrijke doelgroepen voor het master onderwijs zijn:

-HBO studenten

-Universitaire Bachelor studenten

-Internationale Bachelor studenten


Maar er zijn ook andere ontwikkelingen die de universiteit dwingen meer aandacht te geven aan flexibilisering van het onderwijs. Zo is de mogelijke invoering van de leerrechten, een duidelijke impuls vanuit de wetgever richting flexibiliteit en vraagsturing in het onderwijs. Het ministerie van OC&W heeft daarnaast in verschillende beleidsnota’s aangegeven meer flexibiliteit van het hoger onderwijs te verwachten. En tenslotte valt te voorzien dat er in toenemende mate concurrentie komt van (nieuwe) onderwijsaanbieders.


Het College wil inspelen op deze trend door studenten de keuze te geven om zich te verdiepen of (met behoud van de benodigde diepgang) te verbreden. In de toekomst zal er een sterkere focus zijn op deze twee verschillende typen onderwijsprogramma’s. De keuze voor een van beide ligt uiteindelijk bij de student. Hier onder lichten we de noodzaak voor beide leerwegen kort toe.


Disciplinaire leerweg

Een deel van de Bachelor studenten heeft behoefte aan een duidelijk gestructureerde leerweg, waarin van begin af aan duidelijk is welk eindcompetenties men zal verwerven. Een studie aan de universiteit betekent per definitie academische vorming, maar wil ook een duidelijk beroepsprofiel in het vooruitzicht stellen. De disciplinaire leerweg is geschikt voor studenten die bij uitstek diepgang in een specifieke discipline nastreven. Daarnaast vormt deze leerweg een goede basis voor een carrière als onderzoeker.


Brede leerweg

Capaciteiten en wensen van studenten verschillen. Sommige studenten zijn specifiek in één discipline geïnteresseerd, andere hebben een bredere interesse. Feit is dat de profielen die worden gehanteerd in het studiehuis gericht zijn op verbreding. Daarom wil de universiteit ook studenten bedienen die een sterk multidisciplinaire interesse hebben, alsmede studenten die aan het begin van de bachelor fase nog geen keuze voor een specifieke discipline willen maken. De meest geëigende vorm hiervoor is de (ver)brede bachelor. Overigens vindt veel van het baanbrekende onderzoek plaats op raakvlakken tussen disciplines. Verder vraagt de arbeidsmarkt niet alleen om specialisten, maar ook om generalisten. De verwachting is dat met het aanbieden van brede leerwegen nieuwe doelgroepen kunnen worden aangetrokken (zie ook de internationaliseringsnota “Diversiteit, Kwaliteit en Groei”). Kenmerken van (ver)brede bacheloropleidingen zijn: presentatie van vakgebieden in context, het in breder perspectief plaatsen van probleemstellingen, onderwijs waarin extra aandacht wordt geschonken aan de toepassing van kennis.


Een aanvullend motief om opleidingen te willen verbreden is de teruglopende of tegenvallende instroom bij een aantal bacheloropleidingen van de UT en de doorwerking op de daarbij behorende masteropleidingen. Tegenvallende instroom kan te maken hebben met veranderende voorkeur onder scholieren of onbekendheid met het vakgebied. Ter verhoging van de instroom zullen in de toekomst nieuwe brede(re) opleidingen nodig zijn. Advanced Technology is tot nu toe het enige gerealiseerde voorbeeld.


2.1.2 Wat doen we al?


Bachelor

Op weg naar meer keuzemogelijkheden en flexibiliteit voor de student heeft de Universiteit Twente de afgelopen jaren al een flink aantal stappen gezet. We gaan hieronder kort in op de “flexibiliseringsmogelijkheden” in de bachelorfase.


Flexibele propedeuse

Sinds jaren kent de Universiteit de flexibele propedeuse. In de eerste drie maanden van de studie kunnen studenten zonder al te veel tijdverlies van studie wisselen. Hiertoe zijn speciale overstapcoördinatoren aangesteld binnen de faculteiten. Overstappen kan zowel binnen de universiteit maar er zijn ook afspraken met de Hogeschool Saxion. Daarnaast bestaat er een garantiebeurs die inhoudt dat studenten de door hun verbruikte studiefinanciering terugbetaald krijgen als zij binnen vijf maanden tot de conclusie komen dat zij verkeerd gekozen hebben.


Major/minor

De UT was de eerste universiteit met een Major-minor opzet, die inmiddels door veel WO- en HBO-instellingen is overgenomen. De oorspronkelijke doelstelling was het bewerkstelligen van een paradigmashift tussen de eigen discipline van de student en de gekozen minor. Deze doelstelling is werkenderwijs vervangen door maximale keuzevrijheid voor de student. Studenten kunnen binnen hun bacheloropleiding door de minorkeuze en aansluitend in de masteropleiding een eigen inkleuring geven aan de inhoud van hun studie. De huidige omvang van een minor is 20 EC. Uit een evaluatieonderzoek in 2003 bleek dat het overgrote deel van de studenten de keuzemogelijkheden die Major-minor biedt waarderen. De verplichting een minor te volgen blijkt vaak een noodzakelijke maar achteraf welkome stok achter de deur te zijn en verschaft de student in veel gevallen een nieuwe kijk op de eigen toekomst. In toenemende mate wordt de minor ook gebruikt om toegang te krijgen tot een breder scala aan masteropleidingen.


Brede bachelor

Brede bachelors zijn opleidingen die interdisciplinair georiënteerd zijn en toegang geven tot verschillende masteropleidingen. Binnen de UT zijn de afgelopen jaren drie verkenningen gedaan naar (ver)brede bacheloropleidingen.


Een eerste poging was gericht op het verkrijgen van een brede sociaalwetenschappelijke bachelor. Uiteindelijk is hier geen licentie voor verworven, mede omdat het opleidingsvoorstel (dat het gehele palet van MB én GW bestreek) onvoldoende “diepte” kon aantonen om aansluiting op één of meer masteropleidingen te garanderen.


Een verkenning naar een brede bachelor Technische Wetenschappen heeft wel tot een licentie geleid. De oorspronkelijk zeer brede opzet is enigszins toegespitst tot een moderne verbrede ir-opleiding Advanced Technology. Deze opleiding lijkt inmiddels aan te slaan, hetgeen wordt geïllustreerd door de instroom van eerstejaars: 2 in 2003, 25 in 2004, 64 in 2005 en 52 in 2006.


En tenslotte heeft de faculteit MB een interessante verkenning gedaan naar de mogelijkheid tot een vrijere programmering tussen de vier bestaande bacheloropleidingen, zonder de invoering van nieuwe licenties of nieuwe vakken. Anders gezegd: het verder vullen van het palet. Het was de bedoeling om gebruik te maken van de maximaal 40% bandbreedte die opleidingsvarianten mogen hebben ten opzichte van de “mainstream” van de opleiding. Het belangrijkste motief van MB om de verkenning te staken was de zorg over te verwachten problemen bij (her)accreditatie.


Daarnaast is er een trend zichtbaar waarbij nieuwe opleidingen worden opgezet op multidisciplinaire onderwerpen zodat studenten een slimme combinatie kunnen maken van disciplines in een samenhangend programma. Een voorbeeld daarvan is de in 2005 gestarte bachelorvariant “European Studies” binnen Bestuurskunde. Deze opleiding wordt in het Engels aangeboden. Een verdere uitbreiding van het Engelstalige bacheloraanbod zou tegemoet komen aan de vraag naar internationaal onderwijs en bovendien een heterogene instroom (Nederlandse en buitenlandse studenten) in de bachelorfase genereren.


Disciplinaire bachelors

Alle overige bacheloropleidingen zijn tot nu toe “disciplinair” van aard, met de kanttekening dat ook veel van deze opleidingen vakken bevatten uit andere disciplines. “Breedte” is dus een relatief begrip.


Master

De afgelopen tijd is vanuit verschillende kanten een oproep gedaan om helderheid te scheppen in de benaming van de verschillende soorten masters. De Universiteit Twente heeft een tweetal masters: de doorstroommaster en de profilerende master. Tot deze laatste categorie behoren ook de gezamenlijke 3TU Masters en de researchmasters, in de terminologie van OC&W en NVAO.

Doorstroommasters

De Universiteit Twente kent ongeveer 25 masters die direct aansluiten op een disciplinaire bacheloropleiding. Daarnaast worden binnen de verschillende masteropleidingen een aantal tracks aangeboden. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van alle masters per faculteit.


Faculteit 

Bacheloropleiding

Aantal studenten 2005

Masteropleiding

aantal tracks

Aantal studenten

2005

MB

Bestuurskunde

312

European Studies


30

 

 


Public Administration

5

58

 

Bedrijfskunde

308

Business Administration

5

127

 

Gezondheidswetenschappen

85

Health Care Management


10

 

Technische Bedrijfskunde

421

Industrial Engineering & Management

4

68

CTW

Civiele Techniek

316

Civil Engineering and Management

3

103

 

Industrieel Ontwerpen

344

Industrial Design Engineering

4

60

 

Werktuigbouwkunde

409

Mechanical Engineering

9

111

EWI

Elektrotechniek

208

Electrical Engineering

5

50

 

 


Mechatronics


7

 

Toegepaste Wiskunde

99

Applied Mathematics

4

20


Bedrijfsinformatietechnologie

118

Business Information Technology

3

57

 

Informatica

328

Computer Science

4

86

 

Telematica

68

Telematics

3

22

GW

Educational Design, Management en Media

133

Educational Science & Technology


4

86

 

 


Human Media Interaction


56

 

 


Science Education


12

 

 


Social Science Education


5

 

Toegepaste Communicatiewetenschap

412

Communication Studies

5

140

 

Psychologie

431

Psychology

4

62

 

 


Philosophy of Science, Technology and Society


22

 

 


Social Systems Evaluation and Survey Research

 

 1

TNW

Advanced Technology

79



 

 

Biomedische Technologie

274

Biomedical Engineering

2

62

 

Chemische Technologie

109

Chemical Engineering

2

27

 

Technische Geneeskunde

187

Technical Medicine


18


Technische Natuurkunde

203

Applied Physics

3

36

 



Nanotechnology

 

9


Bij de getallen in deze tabel passen nog twee opmerkingen: de in afbouw verkerende ongedeelde opleidingen (samen nog 1149 studenten) en de studenten in een premaster traject (samen 536 studenten) zijn niet in de getallen verwerkt.


Profilerende masters

Vooral in de masterfase bestaat behoefte aan het tijdig kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen. De UT legt daarbij thans de prioriteit bij de ontwikkeling van een vijftal 3 TU Masters die in het verlengde liggen van maatschappelijk relevante speerpuntgebieden op het terrein van onderzoek. Het verwerven van licenties voor nieuwe (master)opleidingen is een zwaar traject. De feitelijke start is vanuit het oogpunt van efficiency een risicovolle onderneming, zeker waar het gebieden betreft die voorheen een wezenlijk bestanddeel uitmaakten van één of meer doorstroommasters (kannibalisatie). Het gaat om de opleidingen Embedded Systems, Sustainable Energy Technology, Construction management and engineering, Systems and Control, en Science Education and Communication.


Naast de vijf gezamenlijke 3TU masters heeft de UT momenteel nog een profilerende master Social Systems Evaluation and Survey Research. Binnen deze tweejarige researchmaster ligt de nadruk vooral op het doen van wetenschappelijk onderzoek. Het volgen van de researchmaster vormt een ideale basis voor een Phd-traject (opleiding). Ook kent de UT verschillende eigenstandige profilerende masters, zoals bijvoorbeeld Nanotechnologie, Mechatronica en verschillende ICT opleidingen.


2.1.3 Hoe verder?

Er is in het verleden al veel in gang gezet op het gebied van flexibilisering. Daarnaast heeft de organisatie van het onderwijs een groot aantal veranderingen te verwerken gehad (major-minor, bachelor-master, reorganisaties en nieuwe vorming faculteiten). Daarom wil het College zich vooral richten op maatregelen ter verbreding die naast de bestaande arrangementen functioneren.

De initiatieven die in het vervolg van deze paragraaf aan de orde komen richten zich bij uitstek op de actieve, lerende student die zelf zijn verantwoordelijkheid neemt en raad weet met een toegenomen keuzevrijheid in opleidingen en vakken, zowel binnen de UT als in samenwerking met andere instellingen in binnen- en buitenland. Studenten kunnen bijvoorbeeld een nationale keuzevakkengids raadplegen, delen van een opleidingsprogramma elders volgen, en hun credits (EC) verwerven. Dat vergt van de faculteiten en opleidingen een verruiming van de keuzemogelijkheden in samenwerking met andere universiteiten: over en weer de student betere toegang verschaffen tot losse vakken en minoren. Zie ook de - inmiddels door de UT geaccepteerde – keuzevakkengids: www.keuzevakkengids.nl. Primaire doelgroep zijn studenten van elders; het aanbod betreft vooral minoren en masters. Omgekeerd dienen ook onze eigen studenten meer ruimte te krijgen om modules/minoren elders te volgen.



Bachelor


(Ver)brede bachelor

De nieuwe verbrede opleidingen zullen nieuwe doelgroepen moeten gaan aantrekken en de bestaande doelgroepen beter gaan bedienen. Er zijn meerdere wegen mogelijk tot verbreding van het huidige aanbod van bacheloropleidingen. De mate van verbreding varieert elders van “Liberal Arts & Sciences” (University College model; inbreng vanuit tenminste drie sectoren in het CROHO), sectoroverschrijdende opleidingen (met min of meer gelijkwaardige inbreng vanuit twee sectoren in het CROHO) en opleidingen die zich hoofdzakelijk binnen één sector verbreden. Van de drie initiatieven binnen de UT die wij in paragraaf 2.1.1 noemden vallen de opleiding Advanced Technology en de verkenning van MB binnen de laatste categorie.

De mogelijkheden die een faculteit heeft om zijn bacheloraanbod te verbreden, worden beïnvloed door:

a)De leeftijd van de bestaande opleidingen. Zolang bestaande opleidingen nog geen of onvoldoende ervaring hebben opgedaan met ervaringen van alumni op de arbeidsmarkt en de terugkoppeling naar de huidige opbouw van het curriculum kan het verbreden of samenvoegen van opleidingen een sprong in het duister zijn.

b)De instroom van de bestaande opleidingen. Elke faculteit dient het voortbestaan van zijn huidige bachelor opleidingen kritisch te bezien vanuit een oogpunt van efficiency.

c)De mate van verwantschap en gemeenschappelijkheid tussen de bestaande opleidingen. Bij een grotere verwantschap zijn de mogelijkheden om met behoud van de bestaande licenties zinvolle wegen tussen opleidingen toe te staan groter dan bij een geringere verwantschap.


In principe dient elke faculteit zijn bachelorstudenten een ruime mogelijkheid te bieden van een “vrij” programma met bestaande bachelorvakken vanuit zijn gelicentieërde opleidingen. Die mogelijkheid verbreedt de bestaande “entree” van opleidingen voor vwo-ers, en biedt voor a.s. studenten het voordeel om flexibele leerpaden te volgen (geleidelijke keuze). In geen geval mag de vrijheid ten koste gaan van de diepgang en focus die nodig zijn om toegang te verwerven tot één of meer master opleidingen. Dit geldt in het bijzonder voor opleidingen waarbinnen de “stapeling” van vakken vanwege vereiste voorkennis een belangrijke rol speelt. De bestaande stapeling van vakken zal kritisch worden beschouwd zodat onnodig rigide eisen vanuit stapeling kunnen worden geëlimineerd.


Het College van Bestuur is van mening dat de opzet van een University College (naast de bestaande opleiding) met een beperkt aantal brede bacheloropleidingen die aansluiten op de verschillende masters in overweging moet worden genomen. Een University College moet in eerste instantie uitsluitend worden gezien als een verzameling brede (Engelstalige) bachelors. Hiertoe zal een behoefteonderzoek worden uitgevoerd onder aspirant-studenten naar de belangstelling voor nieuwe brede bacheloropleidingen rond een breder thema of domein, zoals “natuur en gezondheid”, “maatschappij en economie”, “natuur en maatschappij” en “intelligente systemen”. Het college denkt hierbij nadrukkelijk niet aan het opzetten van nieuwe opleidingen, maar aan het zoveel mogelijk gebruik maken van de bestaande licentie. Hiervoor kunnen bijvoorbeeld bestaande bacheloropleidingen worden gebruikt die nu te weinig instroom genereren. Uiteraard mag de vrijheid van zulke programma’s niet strijdig zijn met de eisen die vanuit (her)accreditatie aan de betreffende opleidingen worden gesteld. Indien door het oprekken van de 40% bandbreedtes onvoldoende ruimte ontstaat voor nieuwe brede bacheloropleidingen dan sluit het College niet uit dat geprobeerd zal worden om een klein aantal nieuwe licenties te verwerven.


Disciplinaire bachelor

Naast een beperkt aantal brede bachelors zal er in de toekomst ook vooral aandacht blijven voor de traditionelere disciplinaire bachelors. Van deze disciplinaire bachelors wordt wel geëist dat zij voldoende studenten trekken. In deze opleidingen is een expliciet aangebrachte, voor beginnende studenten herkenbare, rode draad door het curriculum essentieel. Deze rode draad dient vanuit de te verwerven eindcompetenties van de student te worden geconstrueerd en vervolgens zichtbaar gemaakt. Een inleidend vak dat de samenhang van de onderdelen aantoont, kan hiertoe bijdragen. Verder blijkt uit onderzoek dat aankomende studenten hun studie mede kiezen aan de hand van het beroepsperspectief. Opleidingen zullen hier bij hun werving blijvend aandacht aan moeten besteden.


Daarnaast kan een explicitering aan het begin van elk vak, wat leerdoelen, verwachtingen, positie in het opleidingsprogramma en de bijdrage aan de eindcompetenties van de opleiding zijn, motiverend werken. Het is noodzakelijk dat alle opleidingen zichzelf kritisch op deze punten toetsen. De disciplinaire bachelor zal in ieder geval drempelloos toegang moeten (blijven) verlenen aan minimaal 1 doorstroommaster en aan 1 of 2 profilerende masters. Hieronder gaan we verder in op een drietal initiatieven die vooral bedoeld zijn voor de flexibilisering van de disciplinaire bachelor.


Major/minor en vrije keuzeruimte

De minor aan de UT heeft een omvang van 20 EC, maar de minor aan veel andere universiteiten in binnen- en buitenland bedraagt 30 EC. De bacheloropleidingen aan de UT hebben naast de minor twee vrije keuzevakken (samen 10 ECTS), maar deze zijn veelal niet in het semester 3.1 verroosterd. Het gevolg is dat studenten die een externe minor willen volgen, vertraging oplopen omdat zij 10 ECTS verplichte vakken moeten volgen in het semester 3.1. Het College dringt er sterk op aan, de opleidingen zodanig te herstructureren dat de minor en de vrije keuzeruimte in semester 3.1 kunnen worden geprogrammeerd.




Nieuwe doelgroepen

De faculteit CTW is voornemens om binnen de bacheloropleidingen Werktuigbouwkunde en Civiele Techniek een apart traject vorm te geven voor vrouwelijke spijtoptanten met een E&M of G&M VWO-eindexamenprofiel. Omdat dit wettelijk nog niet mogelijk is, heeft de UT hiertoe aan de minister van OC&W een verzoek ingediend.


Honours programme binnen de bachelor

Er is tot nu toe weinig structurele aandacht geweest voor studenten die willen excelleren. Een Honours programma is bij uitstek geschikt voor zeer gemotiveerde én getalenteerde studenten die binnen opleidingen toe zijn aan een extra uitdaging bovenop het eigen bachelorprogramma. Het Honours programma kan bovendien internationale studenten naar de UT trekken. In een dergelijk traject wordt aandacht besteed aan academische vorming, onderzoeksvaardigheden, relatie tussen studenten en docenten buiten de UT, vernieuwende werkvormen en inhoudelijke thematiek.

Het Honours Programma is in februari 2007 van start gegaan, met de volgende afspraken:

-Het honours programma wordt geëvalueerd, met een “quick scan” na 1 jaar,en na twee jaar (einde pilotfase) een uitgebreide evaluatie die moet leiden tot besluitvorming over het structureel aanbieden van het programma.

-Gedurende de pilot periode wordt overwogen of de wens/mogelijkheid bestaat om een tweede honours programma (al dan niet gecombineerd met het eerste) te starten op het gebied van engineering/ontwerpen, waarin studenten, samen met andere excellente studenten, in multidisciplinaire teams samenwerken aan reële onderzoek-/ontwerpvraagstukken ter versterking van de dwarsverbanden tussen Gamma- en Beta onderwijs en onderzoek. Een enquête onder potentiële studenten vormt mede input.


Tijdens de pilotfase, waarin het programma wordt gesitueerd binnen de faculteit EWI., staat het de faculteiten vrij om binnen de eigen disciplines aanvullende topprogramma’s aan te bieden die in het diplomasupplement opgenomen kunnen worden. Ook kunnen uitmuntende studenten in de gelegenheid worden gesteld om extra vakken te volgen (binnen of buiten de UT), een tweede minor te volgen, een verlengde/verzwaarde bacheloropdracht of een andere bijzondere verrichting te doen (publicatie/studiereis). Het College nodigt de faculteiten uit om per domein (bijv. Science) aan excellente studenten additioneel een gestructureerd verdiepingsprogramma aan te bieden van bestaande vakken. De naam Honours Programma blijft in de pilot fase echter voorbehouden aan het in februari gestarte programma omdat dit bij uitstek is gericht op het vanuit een veel bredere context nadenken over het vakgebied van de student.


Skills certificate

In het studiejaar 2006/2007 is op instigatie van de Student Union een pilot van start gegaan op het gebied van de “skills certificates”. Het belangrijkste doel is een verdere versterking van de kansen van afstudeerders op de arbeidsmarkt. In feite gaat het om een verdere profilering van wat reeds als een relatief sterk punt van de UT wordt beschouwd. De essentie van dit facultatieve, extracurriculaire onderwijspakket is dat studenten zelfstandiger, vaardiger en ondernemender worden. De onderwerpen die onder het skills certifcate vallen hebben betrekking op communicatieve vaardigheden (presentatietechnieken), ondernemerschap en dergelijke. Het op vaardigheden gerichte onderwijs ten behoeve van het skills certificate is complementair aan de academische vaardigheden die de student opdoet in het reguliere onderwijs.


Master


Doorstroommaster

De masteropleiding wordt van nature al gekenmerkt door een zekere flexibiliteit en een grote variatie in leervormen door de binding met het afstudeerprofiel. In navolging van het proces dat heeft geleid tot de verkenning naar vijf 3TU masters dienen opleidingsstrategieën en -concepten te worden ontwikkeld waarmee snel ingespeeld kan worden op de mastermarkt. Wij denken daarbij aan een zekere standaardisering middels een vast format en een aantal algemeen geldende tekstdelen (uiteraard met behoud van de eigen “content” per masteropleiding) zodat een faculteit of opleiding niet elke keer het wiel opnieuw hoeft uit te vinden.





Profilerende master

De UT heeft ondanks een vanuit efficiëncy overwegingen aanvankelijk tamelijk restrictief beleid inzake de proliferatie van eigenstandige masteropleidingen inmiddels een tiental proliferende masteropleidingen ingesteld. Naast de in 2002 (invoering Bachelor Master structuur) ingestelde masteropleidingen Nanotechnologie, Mechatronica en Human Media Interaction, de reeds verworven 3 TU masters Embedded Systems en Sustainable Energy Technology, en de 3 TU masters die in voorbereiding zijn (Construction Management & Engineering, Systems and Control) heeft de UT ook enkele joint masters ontwikkeld in ECIU verband, zoals een master op het gebied van Entrepreneurship in samenwerking met de universiteit van Aalborg. Het doel is om in de komende jaren nog enkele profilerende masteropleidingen in te stellen, mits deze een voldoende eigenstandige positie op de wetenschappelijke landkaart innemen en de vooruitzichten qua instroom veelbelovend zijn. Een ander criterium is dat een profilerende masteropleiding altijd dient te worden gesteund door een goed draagvlak vanuit het onderzoek. Bedoeling is dat de profilerende masteropleidingen tevens een bijdrage zullen leveren aan internationale studentmobiliteit door studenten de kans te bieden om een gedeelte van het programma aan een buitenlandse ECIU partneruniversiteit te volgen.

Momenteel heeft de universiteit één tweejarige onderzoeksmaster. De verwachting is dat zodra het Phd onderwijs (zie paragraaf 4.2.3) beter vorm gaat krijgen, de onderzoeksmasters vooral voor de alfa en gamma opleidingen een mogelijkheid wordt om een 2 jarige master aan te bieden. Momenteel biedt de universiteit verder een aantal onbekostigde professionele masters aan die vooral gericht zijn op de bijscholing van professionals. Voor de verdere invulling van het post-initiële onderwijs en initiatieven richting levenslang leren verwijzen wij naar paragraaf 5.1.3



2.2 Flexibiliteit in tijd en plaats


2.2.1 De noodzaak

Naast flexibiliteit van de inhoud van het onderwijs is er ook veel behoefte aan logistieke flexibiliteit van het onderwijs waar het gaat om tijd en plaats. Het onderwijs is nu zodanig ingericht dat de student een optimale schakeling van vak naar vak wordt aangeboden. Het nadeel is dat de student in een tamelijk schools keurslijf wordt gedwongen. Wie daar om welke reden dan ook een onderdeel mist, geraakt veelal in logistieke problemen. Dat leidt tot demotivatie wat leidt tot studievertraging en soms uitval.


Verder vragen zij-instromers vanuit het HBO, internationale studenten en oudere (werkende) studenten in het kader van Life Long Learning in toenemende mate om een meer flexibele houding ten aanzien van de formele in- en uitstroommomenten van de opleidingen. Daarnaast is er ook op vakniveau behoefte aan meer flexibiliteit ten aanzien van het tijdstip, de plaats en de frequentie waarop de vakken kunnen worden gevolgd.


Daarnaast stimuleert de universiteit studenten om activiteiten naast de studie te ondernemen op terreinen van internationalisering (mobiliteit), sport, cultuur, studentactivisme en ondernemerschap. In de praktijk blijkt vaak dat de hierdoor opgelopen studievertraging onnodig wordt vergroot door de weinig flexibele wijze waarop het onderwijs momenteel wordt aangeboden en getoetst.


En tenslotte blijkt meer in het algemeen dat studenten de voorkeur hebben om zo efficiënt mogelijk met hun eigen tijd om te gaan. Ze zoeken een ideale balans tussen studie, werk en vrije tijd. Daarom willen ze ook op vakniveau zelf bepalen op welk moment (bijvoorbeeld in de avonduren en de weekenden) en op welke plaats onderwijs wordt gevolgd.


Op elk moment kunnen starten met een vak, het volgen van pre-mastertrajecten op locatie, op elk moment een mogelijkheid tot toetsing en uiteindelijk ook begeleiding op maat, dit alles vereist een bij voorkeur digitale leer en werkomgeving (DLWO) die dit mede mogelijk maakt. Om aan bovenstaande wensen tegemoet te komen is een digitale infrastructuur onmisbaar. Het gaat daarbij om meer dan een digitale portal; contact met docenten onafhankelijk van tijd en plaats, de mogelijkheid verdiepend (verrijkend) additioneel materiaal aan te bieden en de mogelijkheden voor diagnostische toetsen maken deel uit van zo’n infrastructuur. De wens voor meer flexibilisering moet echter niet worden gezien als een vrijbrief voor studenten om verder af te zien van regulier contactonderwijs. De universiteit streeft juist naar een goede balans tussen digitaal en contactonderwijs (blended learning). Belangrijke delen van de curricula vereisen face-to-face onderwijs teneinde een optimale overdracht te bevorderen. Ook studenten zijn onderling verschillend: voor de één kan digitaal leren een prima alternatief vormen, anderen zijn juist sterk gebaat bij meer klassieke vormen van kennisoverdracht.


2.2.2 Wat doen we al?

Recentelijk heeft de Adviescommissie Electronische Leeromgeving (ELO) onder leiding van Prof. Van der Wende een onderzoek uitgevoerd naar de ICT systemen die op dit moment op de UT worden gebruikt voor het domein Student en Onderwijs. De commissie is tot de conclusie gekomen dat de verschillende instellingsystemen (VIST, TAST, TOST, Mycampus etc) en TeleTop onvoldoende in staat zijn om te voldoen aan de toenemende vraag naar een integrale, flexibele digitale leer en werkomgeving (DLWO). De commissie constateert verder dat de huidige ICT voorzieningen in eerste instantie ontworpen zijn vanuit een administratieve doelstelling, en niet vanuit een eindgebruikersperspectief. De eindgebruiker, de student, constateert mede hierdoor een groot gebrek aan integratie tussen de systemen en applicaties. Dit heeft grote nadelige gevolgen voor

de flexibiliteit, zoals bijvoorbeeld de wens tot vakoverstijgende functies


Verschillende faculteiten bieden momenteel al modules aan via het bestaande ELO systeem, TeleTop. In het collegejaar 2005-2006 ondersteunt TeleTOP ruim 1000 vakken. De inzet van TeleTop is vaak beperkt tot logistiek, dat wil zeggen roosterzaken, huiswerkafhandeling en het online zetten van hand-outs en literatuur. Onderwijsvernieuwing met behulp van ICT, zoals bijvoorbeeld streaming media, outline communities of simulaties worden sporadisch ingezet. Er zijn nog betrekkelijk weinig mogelijkheden voor (interactief) onderwijs op afstand. De flexibiliteitsmogelijkheden die ICT biedt, worden daarmee bij lange na niet optimaal benut.


Met de huidige ICT ondersteuning van het onderwijs is het volgen van vakken op de UT over het algemeen dus nog tamelijk plaats- en tijdgebonden (inflexibel). Zowel de bachelor- als de masteropleidingen starten éénmaal per jaar. De vakken worden in de regel ook één maal per jaar aangeboden, en ook de tentamens worden op vaststaande momenten afgenomen.


In beperkte mate wordt voor werkenden die bijvoorbeeld een lesbevoegdheid halen, en voor studenten die nog slechts een enkele verplichting hebben voor ze kunnen afstuderen, de gelegenheid gecreëerd om vakken op een ander moment in zelfstudie of anderszins af te ronden. Dit zijn uitzonderingen, die eerder regel zouden moeten worden.


2.2.3 Hoe verder?

Nieuwe Digitale leer en werkomgeving

Uit het voorgaande mag blijken dat de huidige ICT voorzieningen onvoldoende mogelijkheden bieden voor modern, flexibel onderwijs. Inmiddels is daarom een R&D traject ingezet waarbij gezocht wordt naar mogelijkheden voor de invoering van een nieuwe digitale leer- en werkomgeving. In het bijzonder worden in samenwerking met verschillende faculteiten enkele pilots uitgevoerd om te analyseren of het product Sakai, de ICT-architectuur van Sakai en de beschikbare Sakai-componenten zich daartoe lenen, of dat andere alternatieven nader moeten worden onderzocht. In dat traject vindt afstemming plaats met de beide andere technische universiteiten. Ook de inzet in pre-master trajecten en ten behoeve van Life Long Learning programma’s vormt onderwerp van onderzoek.


Een uiteindelijke keuze voor een nieuw ICT systeem (en het omscholen van ondersteunend en wetenschappelijk personeel) en daarmee voor onderwijsinnovatie, zal een zware investering vergen. Dit traject zal waar mogelijk in 3 TU verband worden gekozen. De afnemers van het onderwijs mogen van de UT verwachten dat de er ook in het onderwijs optimaal gebruik wordt gemaakt van de aanwezige ICT infrastructuur. ICT is geen middel voor alle kwalen, maar biedt wel de mogelijkheid om op efficiënte wijze te flexibiliseren.


Meerdere instroommomenten, vakken vaker aanbieden

Zoals al eerder is aangeven zijn de mogelijkheden om met een opleiding te starten beperkt tot het begin van het collegejaar. De universiteit zal er naar streven om vanaf het studiejaar 2008/2009 twee instroommomenten voor een aantal profilerende masteropleidingen te creëren. Verder zal worden onderzocht in hoeverre het mogelijk is om vakken twee maal per jaar aan te bieden. Het ene semester kan een vak op de klassieke wijze worden gegeven. Het andere semester zou er voor daartoe geschikte vakken een zelfstudievariant kunnen worden aangeboden in het Engels, welke voornamelijk via de elektronische leeromgeving wordt ondersteund. Uitsluitend het een tweede keer “klassiek” aanbieden van de vakken uit het eerste kwartiel van de masterfase zou al bijdragen aan de dubbele doelstelling om de meerkosten beperkt te houden en toch onnodige vertraging van de studievoortgang te minimaliseren.

Meer flexibiliteit ontslaat de student niet van de inspanningsverplichting. Dat betekent dat er duidelijke regels zullen komen over herkansingen. Het maximale aantal keren zal worden beperkt tot drie keer per vak. Wie na drie kansen nog niet geslaagd is, kan (als het om een verplicht vak gaat) de studie niet voortzetten. Dit zal binnen de opleidingen moeten worden geflankeerd door extra aandacht voor de manier waarop “struikelvakken” (met behoud van de diepgang) worden aangeboden.



2.3 Flexibiliteit in vorm (gedifferentieerde leervormen)


2.3.1 De noodzaak

Behalve flexibiliteit op de inhoud, tijd en plaats is er ook behoefte aan “flexibiliteit” qua

didactiek. Uitgangspunt bij gedifferentieerde leervormen is dat studenten worden uitgedaagd om zich persoonlijk te ontwikkelen. Daarbij zij wel opgemerkt dat bij alle onderwijsvormen plaats dient te zijn voor student-docent contacten. Een geinspireerde en inspirerende docent is onmisbaar; daarnaast is onderwijs in hoge mate ook een sociaal proces, studenten leren uiteindelijk ook en vooral van elkaar.


2.3.2 Wat doen we al?

Een brede definitie van e-learning is: een leer- en werkvorm die gebruik maakt van een computer netwerk voor distributie, communicatie over en weer en facilitering. E-learning richt zich op het leerproces zelf (individueel en in groepsverband), het ontwikkelen, onderhouden en distribueren van leermateriaal, het beheersen van leerprocessen en het organiseren van leeractiviteiten. Om e-learning te ondersteunen maken organisaties veelal gebruik van een elektronische leeromgeving (ELO). De ELO moet zich daarbij aanpassen aan het gedrag van de gebruiker, zowel wat betreft de benodigde functionaliteit als inhoud.

De afgelopen jaren hebben ons ook geleerd dat pure e-learning (in de betekenis van 100% afstandsonderwijs) niet werkt. In veel situaties wordt e-learning daarom afgewisseld met vormen van contactonderwijs (blended learning).

Bij de meeste opleidingen zit de variatie in vorm verspreid over de vakken. Inleidende vakken worden veelal meer traditioneel gegeven, integrerende vakken maken gebruik van kortere of langere authentieke opdrachten. Meer in het bijzonder wordt er in de praktijk al gebruikt gemaakt van meer innovatieve leervormen vaak met behulp van ICT. In het verleden is onder andere gebruik gemaakt van interactieve videocases (TBK), de Interactieve Website Projectvaardigheden of digitale themacolleges. Ook bij de relatief jonge opleiding Industrieel Ontwerpen is het onderwijs er op gericht om studenten constant te prikkelen via het gebruik van proefondervindelijk onderwijs.


Daarnaast wordt ook bij het afnemen van toetsen lang niet altijd meer gebruik gemaakt van traditionele vraag en antwoord modellen. Zo bestaat er bijvoorbeeld voor docenten de mogelijkheid om via het web (diagnostische) toetsen af te nemen.


2.3.3 Hoe verder?

Het studierendement kan mede worden beïnvloed door een reeks maatregelen die alle te maken hebben met het aantrekkelijker maken van het onderwijs en die deels een overlap hebben met de overige paragrafen. Zo kan middels “blended learning” voor eigen studenten en studenten van elders onderwijs flexibeler maken (minder vastgelegde contactmomenten, meer via ICT). Relevant voor 3TU-vakken/masters, voor minoren, voor doorstroomprogramma’s, voor internationale studenten en voor een docentextensieve versie van vakken. Indien beschikbaar kunnen ook zelfstudiecomponenten worden ingezet bij zelfstudieonderdelen, bv onderdelen van de wiskunde en statistiek.


Om uitvoering te geven aan dit idee zal opleidingsgewijs worden gekeken of er mogelijkheden bestaan om het onderwijs flexibeler te maken middels de inzet van gevarieerde onderwijsvormen en de wijze van tentamineren.


E-learning modules

Om meer flexibiliteit te bieden aan studenten, stellen we “light-versies” van vakken voor als extra optie naast het klassieke onderwijs. Deze vakken moeten zo aangeboden worden dat de student deze onafhankelijk van tijd en plaats zou kunnen beginnen. De ondersteuning en inbreng van een docent is in deze light-vorm van een vak minimaal. Concreet betekent dit dat er meer online leermateriaal beschikbaar zou moeten zijn binnen de nieuwe Digitale Leer- en werkomgeving. Dat kan materiaal zijn dat de UT betrekt van andere instellingen of uitgevers, danwel zelf (her)ontwikkelt, bijvoorbeeld in 3 TU verband. De term “light” heeft dus niet zozeer betrekking op de inhoud van het onderwijs, maar op de keuze van de vorm van overdracht. Het kosten-baten aspect zal per vak moeten worden meegenomen: investering versus docentbesparing.


Toetsvormen

De toenemende scheiding tussen bachelor en masteropleiding heeft ook gevolgen voor de toetsing van vakken. Immers idealiter zou eerst een bacheloropleiding moeten zijn afgerond voordat aan een master kan worden begonnen. Van eigen studenten eisen we dat nu (nog) niet, aan studenten afkomstig van buiten de UT wordt meestal wel een afgeronde bachelor gevraagd. In de praktijk is dit op de UT vaak onmogelijk omdat er in bepaalde vakken slechts beperkt en op lastige termijnen (tijdens een verblijf in het buitenland of een stage) tentamen kan worden gedaan. Deze inflexibiliteit kan leiden tot vertraging. Daarom zal er worden gekeken naar mogelijkheden om de toetsmomenten (met name waar het om eenvoudige toetsvormen gaat) verder te flexibiliseren. Meer flexibiliteit ontslaat de student niet van de inspanningsverplichting. Dat betekent dat er duidelijke regels zullen komen over herkansingen. Het maximaal aantal keren zal worden beperkt tot drie keer per vak.


Daarnaast kan ICT bij toetsing worden ingezet. Op onderdelen om de beoordeling efficiënter te maken, middels diagnostische toetsen ter ondersteuning van zelfstudie Een (facultatief) digitaal portfolio dat de ontwikkeling van studenten en zijn/haar producten bijhoudt kan zowel in beoordeling als begeleiding een rol spelen.


3. Kwaliteitszorg


In het vorige hoofdstuk is gesteld dat de Universiteit Twente maatwerk wil leveren. Studenten kunnen kiezen voor een disciplinaire leerweg of voor een bredere, individuele leerweg. De Universiteit Twente staat bekend om haar uitstekende onderwijskwaliteit. Verdere flexibilisering van het aanbod mag in geen geval leiden tot een verslechtering van die kwaliteit. Om de goede kwaliteit te behouden en verder uit te bouwen zal onderwijskwaliteit nadrukkelijker onderdeel uit moeten maken van het onderwijsbeleid. In dit hoofdstuk zullen we daarom verder in gaan op de mechanismen die de kwaliteit op verschillende niveaus moeten bewaken het instellingsniveau (macro), het opleidingsniveau (meso), en het studentniveau en het docentniveau. We richten ons daarbij primair op de interne kwaliteitszorg, dus de kwaliteitszorg zoals we die binnen de UT willen ontwikkelen. Het stelsel van externe kwaliteitszorg, waarvan vooral het NVAO-accreditatiestelsel een onderdeel is, beschouwen we als een randvoorwaarde voor ons handelen.



3.1 Onderwijskwaliteit op instellingsniveau


3.1.1 De noodzaak

Een instellingskwaliteitszorgsysteem voor onderwijs is een systeem dat strategische sturing van onderwijskwaliteit als doel heeft. Kernelementen in een instellingskwaliteitszorgsysteem zijn: visie, strategie, beleid en beleidsinstrumenten, waaronder een managementinformatiesysteem, beschrijvingen van werkwijzen en in- en externe auditing. Ook het bevorderen van een kwaliteitscultuur is een belangrijk, zo niet: het belangrijkste, aspect van instellingskwaliteitszorg.

Het instellingskwaliteitszorgsysteem dient te worden gezien als een paraplu boven de kwaliteitszorgsystemen van faculteiten en/of opleidingen.


Er is een aantal redenen voor de invoering van instellingskwaliteitzorg. Ten eerste is in het licht van nieuwe onderwijswetgeving (WHOO) de universiteit in zijn geheel verantwoordelijk voor de kwaliteit van de opleidingen. In het ontwerp-WHOO wordt het voornemen geuit te komen tot onderwijs, c.q. instellingsaccreditatie. Bij een systeem van instellingsaccreditatie moeten onderwijsaanbieders aantonen dat ze de kwaliteit van hun opleidingen zelf kunnen waarborgen. Daarnaast geeft de ontwikkeling en convergentie van landelijke 3TU-masters aanleiding tot afstemming van kwaliteitszorg op instellingsniveau. En tenslotte kan een kwaliteitslabel naar aanleiding van instellingskwaliteitszorg van belang zijn bij de werving van buitenlandse studenten.


Een goed ontwikkeld instellingskwaliteitszorgsysteem maakt het mogelijk dat het universitair bestuur structureel over (uniforme) informatie beschikt over opleidingskwaliteit en kan (bij)sturen op basis van die informatie. Daarnaast heeft een dergelijk systeem andere voordelen, afhankelijk van de precieze invulling:

Het stimuleren van verbetering van het onderwijs en de onderwijskwaliteitszorg,

het verkrijgen van efficiëntie-winst voor opleidingen doordat niet elke opleiding c.q. faculteit “het wiel opnieuw hoeft uit te vinden”,

het mogelijk maken van instellings- c.q. onderwijs-accreditatie, door pro-actief inspelen op de nieuwe WHOO,

het vergroten van de mogelijkheden van het wederzijds erkennen van opleidingen en onderwijsonderdelen in 3TU-verband,

het scheppen van voorwaarden voor het implementeren van het bindend studie-advies,

het internationaal aantonen van excellente opleidingskwaliteit met andere “keurmerken” dan het NVAO-merk (zoals EAPAA voor bestuurskunde).


3.1.2 Wat doen we al?

Het huidige centrale instellingskwaliteitszorgsysteem is beperkt tot activiteiten als het centrale personeelsbeleid, centraal voorzieningen-beheer, de planning- en controlcyclus, interne “accreditatie” van het minorenstelsel, het in standhouden van het Studentenstatuut en de procedures voor opdrachtverstrekkingen aan de visiterende en beoordelende instantie(s) en aanvragen van accreditaties bij NVAO. Daarnaast hebben alle faculteiten ieder voor zich een eigen kwaliteitszorgsysteem opgezet. Deze systemen zijn niet uniform en dat maakt het lastig om overzicht te hebben op centraal niveau. En dat is in toenemende mate een probleem, omdat de universiteit wel verantwoordelijk is voor (het toezicht op) de kwaliteit van opleidingen. Daarom zal het instellingskwaliteitszorgsysteem als kapstok gaan fungeren met daaronder uniforme “decentrale” kwaliteitszorgsystemen.


Recentelijk is er een concept plan van aanpak geschreven voor de ontwikkeling van een instellingskwaliteitszorgsysteem. Een belangrijke voorwaarde voor de invoering is dat de bureaucratische last voor opleidingen en faculteiten per saldo afneemt. Beoogd wordt, dit te bereiken door een combinatie van harmonisatie en standaardisatie van processen en van de (vak)evaluaties. Het systeem voor instellingskwaliteitszorg dient dus aan te sluiten op de opleidings- en facultaire kwaliteitszorgsystemen.


3.1.3 Hoe verder?


In 2007 dient een plan voor instellingskwaliteitszorg te worden ontwikkeld dat recht doet aan de in paragraaf 3.1 genoemde eisen. Een systeem voor instellingskwaliteitszorg zal op verschillende niveau’s consequenties hebben.

Voor de interne processen:

oMeer strategische aandacht voor kwaliteitszorg van onderwijs;

oBeter zicht op en betere sturing van kwaliteit en kwaliteitszorg van opleidingen (en faculteiten);

o((Inter)nationaal aantoonbaar) verbeteren van kwaliteit en kwaliteitszorg;

oVergroten van de samenhang tussen de verschillende kwaliteitszorg-activiteiten;

oVergroten van de efficiëntie van kwaliteit(szorg)processen van opleidingen;

oVergroten van de effectiviteit van idem.

Voor de externe accreditatieprocessen:

oVergroten van de efficiëntie en effectiviteit mede door de mogelijkheid van instellingsaccreditatie;

oVergroten van het aantal co-erkenningen met internationaal toonaangevende erkenningsorganisatie.

Voor de 3TU-federatie i.o.:

oVergroten van de gezamenlijke slagkracht;

oVergroten van de mogelijkheden van samenwerking in opleidingsverband.

Voor de UT:

oVergroten van reputatie en imago.



3.2 Onderwijskwaliteit op opleidingsniveau


3.2.1 De noodzaak

Al het initiële onderwijs van de UT is bij wet onderworpen aan het stelsel van opleidingsaccreditatie. Voor het postinitiële onderwijs geldt die wettelijke verplichting niet, maar hier worden marketingvoordelen gezien in accreditatie, en bovendien zijn in VSNU-verband afspraken gemaakt over erkenning als voorwaarde voor toelating van buitenlandse studenten. Ten opzichte van het “oude” VSNU-stelsel van opleidingsvisitatie is het nieuwe NVAO-stelsel van opleidingsaccreditatie op principiële punten anders van aard: (i) een niet-accreditering door NVAO van een opleiding leidt tot zeer forse consequenties die praktisch gezien leiden tot beëindiging, (ii) de criteria voor interne kwaliteitszorg, benchmarking en toetsing & beoordeling zijn verzwaard.



3.2.2 Wat doen we al?

De eerste ronde van dit nieuwe accreditatiestelsel loopt op dit moment nog. Voor veel opleidingen is heraccreditatie voor 31 december 2007 vereist. Vooral voor nieuwe opleidingen c.q. opleidingsdirecteuren is het verbeteren van het interne kwaliteitszorgsysteem en het schrijven van de zelfstudie een grote klus.


Alle relevante initiële opleidingen van de UT zijn volop bezig met voorbereidingen op accreditatie of zijn daar kort geleden (voor deze ronde) mee gereedgekomen. In het kader van die voorbereidingen zijn de verplichte zelfstudies gemaakt en zijn waar nodig geacht verbeteringen aangebracht in het systeem van opleidingskwaliteitszorg, van facultaire kwaliteitszorg en ook in andere gebieden, zoals toetsbeleid.

3.2.3 Hoe verder?

De eerste ronde van accreditaties loopt tot 31 december 2008 in verband met door OCW verleend uitstel voor geselecteerde opleidingen. De ULO’s uit de eerste ronde hebben uitstel tot 2010. De UT zal zorg dragen voor de accreditatie van zijn postinitiële opleidingen, maar dat zal niet in alle gevallen lukken voor de deadline van april 2007.


Opleidingen worden centraal ondersteund vanuit de Onderwijskundige Dienst van ITBE en Institutional Research. De Onderwijskundige dienst stelt daartoe een vrij omvangrijk portfolio van gereedschappen, modellen, standaardteksten-voor-zelfstudies en adviezen beschikbaar. Opleidingen worden verder gestimuleerd tot het verwerven van co-erkenningen om hun kwaliteit internationaal aan te kunnen tonen.


In het Institutional Research-project worden gereedschappen ontwikkeld voor de managementinformatie. Waar nodig zullen daarnaast, en in samenhang, specifieke managementinformatiegereedschappen worden ontwikkeld voor het rapporteren en monitoren van kwaliteits(zorg)parameters.

Recentelijk is er onderzocht of het project “Elektronische KwaliteitsZorg” van de Digitale Universiteit op de UT kan worden geadopteerd. Er bestaan (commerciële) ICT-tools die ondersteuning bieden voor kwaliteitszorg op verschillende niveaus: opleiding, faculteit en instelling. Bij het vervolmaken van kwaliteitszorg zou een dergelijke tool zijn waarde kunnen bewijzen. Om optimaal gebruik te kunnen maken van een dergelijke ICT-tool, zou deze instellingsbreed moeten worden ingevoerd. Bij het onderzoek naar instellingskwaliteitszorg zal nader worden ingegaan op de noodzaak van ICT ondersteuning.


In 3TU-verband zet de projectgroep Kwaliteitszorg en Accreditatie zijn werkzaamheden voort. Na onder andere een publicatie over 3TU-ervaringen met het nieuwe accreditatiestelsel richt de aandacht zich nu primair op wederzijdse 3TU-erkenning van instellingskwaliteitszorgsystemen en ontwikkelmatrices voor landelijke 3TU-masters.


Naast institutionele voorzieningen als kwaliteitzorg, is natuurlijk ook de inhoud en de organisatie bepalend voor de kwaliteit van het onderwijs. Zij komen verspreid in deze de nota aan de orde, maar aan twee specifieke ontwikkelingen willen we hier ook kort aandacht besteden. Ten eerste de vorm van het curriculum (zie ook 4.2.3). Bij de invulling van het bachelor curriculum is momenteel vaak nog te weinig aandacht voor de eisen die de maatschappij en het bedrijfsleven stellen aan afgestudeerden. Het College is van mening dat hier meer structurele aandacht voor zou moeten zijn. Zo valt te denken aan constructies waarbij alumni van onze universiteit systematisch feedback geven ten aanzien van de eindtermen (competenties) van de bacheloropleidingen. Daarbij moet tegelijkertijd wel rekening worden gehouden met het feit dat er ook een aantal competenties zijn, zoals academische vaardigheden en onderzoekstechnieken, die minder van belang zijn voor de maatschappij maar wel degelijk voor de kwaliteit van een wetenschappelijke opleiding.

In dit verband noemen wij de “Meijers criteria”, een operationalisering van het academisch profiel volgens de Dublin descriptoren. Deze criteria zijn ontwikkeld omdat de Dublin descriptoren onvoldoende houvast boden bij de beschrijving van specifiek ontwerpgerichte opleidingskenmerken.

De faculteit MB start in 2007 met een ontwikkelings- en implementatietraject “competentiegericht onderwijs”. Doel is om de opleidingen van de faculteit te beschrijven op basis van de Meijers criteria.

In paragraaf 4.1.3 komen de Meijers criteria nader aan de orde.


Een tweede punt van aandacht is het huidige financieringsmodel van de universiteit. Het College is van mening dat het interne bekostigingsmodel moet worden gebruikt om de eindverantwoordelijkheid voor het onderwijs nog duidelijker bij de decaan te positioneren. Dat betekent dat in het nieuwe verdeelmodel het budget voor onderwijs niet meer rechtstreeks naar de leerstoelen zal gaan, maar naar de faculteitsdecaan. Deze alloceert vervolgens naar de leerstoelen, met de mogelijkheid om daarbij eigen beleid te voeren.


Tijdspad

De eerste ronde van opleidingsaccreditaties loopt tot en met 2010.




3.3 Onderwijskwaliteit op studentniveau


3.3.1 De noodzaak

De Universiteit Twente staat garant voor goede kwaliteit van onderwijs op studentniveau met als uiteindelijke doel een zo goed mogelijke studierendement en een student die de eindcompetenties van de betreffende opleiding eigen is. In de voorgaande hoofdstukken is meerdere malen aan gegeven dat de Universiteit mag worden aangesproken op haar commitment om kwalitatief goed vraaggestuurd onderwijs aan te bieden. Andersom betekent dit dat de Universiteit ook eisen mag stellen aan de kwaliteit van studenten en niet te vergeten hun commitment om actief te participeren in het onderwijs


Een arrangement waarmee kan worden gewaarborgd dat studenten bij aanvang van de studie op de juiste plek terecht komen is de samenwerking met de hogeschool Saxion in de regio. Beide partners streven er naar om studenten een gezamenlijk sluitend systeem te bieden waarin talent uit de regio met een minimale vertraging de meest passende route binnen het HO wordt geboden. Daarbij is goede studiebegeleiding middels een geavanceerd studentenvolgsysteem uiteraard een belangrijke randvoorwaarde.


Als stok achter de deur richting de student is in het Instellingsplan besloten tot de invoering van het bindend studieadvies als laatste remedie in een keten die begint met goed onderwijs, een adequate studiebegeleiding etc. Het bindend studieadvies is dus geen doel op zichzelf, maar maakt deel uit van de doelstelling om studenten sneller en beter te verwijzen naar een andere opleiding (binnen of buiten de UT) als hun studieresultaten tegen vallen.


3.3.2 Wat doen we al?

Het verzorgen van meer onderwijs op maat mag er niet toe leiden dat de rendementen van de opleidingen afnemen. De rendementen van de opleidingen zijn al enige tijd onderwerp van discussie. Zowel in het instellingsplan als de bestuurlijke agenda staan doelstellingen geformuleerd die overeenkomen met de afspraken die in 3TU verband zijn gemaakt. In 2010 dient het rendement in de bacheloropleidingen na vier jaar 75% en in de masteropleidingen, eveneens na “nominaal studeren plus één jaar”, 90% te zijn. Randvoorwaarde hierbij is dat het niveau van de afgestudeerde en de opleiding, en de waarde van het einddiploma, niet mogen dalen als gevolg van de inspanningen om de studierendementen te verhogen. Daartoe kunnen elders in deze nota besproken acties zoals vergroting van de flexibiliteit in het onderwijs en uitbreiding (en verbetering) van de studiebegeleiding bijdragen.


De overgang naar het bachelor-mastermodel bemoeilijkt het maken van een zuivere vergelijking met voorgaande jaren. Uit onderstaande tabel wordt wel duidelijk dat de studierendementen nog niet in de buurt komen van de geformuleerde doelstellingen. Genoemde doelstellingen uit het Instellingsplan zullen overigens nog nader geoperationaliseerd worden in het kader van de discussie over de bachelor-master kengetallen.




2002

2003

2004

2005

Propedeuserendement na 3 jaar (%)

63

59

63

52

Doctoraalrendement na 7 jaar (%)

73

73

69

62

Studierendement na 9 jaar (%)

62

59

61

65


Onder doctoraalrendement wordt hier verstaan: het percentage studenten met een P-diploma dat ook daadwerkelijk afstudeert. Het studierendement daarentegen wordt gemeten over de totale instroom in de opleiding, inclusief overstappers en drop-outs. Dit verklaart waarom het doctoraalrendement in de tabel voor de meeste jaren hoger ligt dan het studierendement. Het percentage studenten dat meer dan twee jaar later dan nominaal alsnog afstudeert, ligt in de grootteorde van 5%.

Er is al jaren een grote discrepantie tussen de gerealiseerde studierendementen en de afgesproken streefrendementen. Bovendien vertonen vooral binnen de technische faculteiten de studierendementen van diverse opleidingen een verder dalende trend die niet alleen te verklaren is met de toenemende discrepantie tussen ingangskennis en eindtermen. Er is dus gerichte extra inzet nodig om het tij te keren. Naast het stimuleren van de student om meer tijd aan de studie te besteden gaat het concreet om studiebegeleiding en een instellingsbreed studentvolgsysteem.


Over de huidige intensiteit van de studiebegeleiding lopen de oordelen uiteen. In 2004 zijn diverse aanzetten tot nieuw beleid geformuleerd (o.a. “Stilstaan bij stilstand”). De aanbevelingen in het rapport “Stilstaan bij stilstand” hadden (in trefwoorden) betrekking op:

a)ingrepen in het universitair verdeelmodel: financiële prikkels om doorstroom te bevorderen

b)meer capaciteit beschikbaar stellen voor studiebegeleiding

c)ontwikkelen van een signalerend studentvolgsysteem

d)professionaliseringsactiviteiten t.b.v. studieadviseurs en andere studiebegeleiders

e)skills lab of korte cursussen voor studenten met studievaardigheidsproblemen

f)opzet van een databank met methoden en hulpmiddelen voor studieadviseurs

g)verbetering van informatievoorziening naar studenten over studiezaken

h)verdere scholing van studentbegeleiders

i)opstellen van een format voor een integrale aanpak van studentbegeleiding

j)ontwikkelen van een visie op studentbegeleiding

Met steun vanuit onder meer het programma WO sprint (dat gericht is op de technische opleidingen) zal een aantal van de maatregelen uit “Stilstaan uit Stilstand” worden opgepakt.

3.3.3 Hoe verder?

Het is essentieel om harde en duidelijke afspraken te maken over studiebegeleiding, studieprestaties en de kwaliteit van studenten zodat flexibilisering niet leidt tot studievertraging en tegenvallende rendementen. Het kunnen kiezen van een richting binnen een bredere opleiding mag niet leiden tot vertraging in de studie.


WO sprint

Het in december 2005 ingediende en inmiddels door het Platform Beta Techniek gehonoreerde WO Sprint voorstel stelt de studiebegeleidingsketen centraal en bevat een set concrete plannen en een beschrijving van projecten om deze keten in de drie technische faculteiten te versterken. Onderdeel in het doorstroombeleid binnen WO Sprint zijn:

a)het op landelijk (normen LSVB) peil brengen van de capaciteit met betrekking tot mentoraat en studiebegeleiders. Deze kwantitatieve uitbreiding komt tot 1/1/2009 ten laste van externe PBT-middelen en moet daarna door de faculteiten qua omvang bestendigd worden (toezegging in voorstel WO Sprint).

b)Verbetering van de kwaliteit van mentoraat en studiebegeleiding. We noemen hier enkele voorbeelden. Het Bureau Studentenpsycholoog heeft een training opgezet, waarmee studieadviseurs beter kunnen herkennen of er sprake is van een psychische problematiek bij een student. Verder is een internetsite geopend waarop studenten de regelingen op het gebied van Handicap en Studie kunnen vinden.

c)Verbetering van het studentenvolgsysteem: de bestaande studievolgsystemen per opleiding / faculteit vergelijken en best practices zoeken. De sector Studentenbegeleiding van de UT heeft met steun uit het IMPULS project van OC&W een studentenvolgsysteem voor studieadviseurs opgezet. Daarmee kunnen studenten die een aanzienlijke vertraging hebben opgelopen, makkelijker worden getraceerd. Met behulp van geavanceerde inzet van ICT moet het mogelijk worden om ook kortere vertragingen snel te signaleren.


Deze zullen onder aansturing van de in maart 2006 ingestelde Stuurgroep WO Sprint ter hand worden genomen, middels gerichte uitnodigingen aan actores binnen faculteiten en diensten om projecten op te zetten / uit te voeren die met de PBT-middelen gefinancierd zullen worden. Omdat WO Sprint alleen betrekking heeft op de technische faculteiten zal een overeenkomstige stimulering uit interne middelen moeten volgen om de faculteiten MB en GW niet achter te stellen bij de technische faculteiten.


Bindend studie advies

Het College is er van overtuigd dat het bindend studieadvies in de nieuwe onderwijswetgeving zal worden opgenomen. De ervaringen bij de opleiding Bedrijfskunde in Rotterdam (waar het BSA vier jaar bestaat) wijzen uit dat studenten begrip hebben voor de maatregel: jaarlijks gaan er slechts een paar studenten in beroep, en er is geen enkel beroep gehonoreerd. Ruim 90% van de studenten die een BSA krijgen vindt dit terecht. Meestal gaat het om motivatieproblemen die buiten de scope van de studiebegeleiding vallen. De opleiding heeft ook de studieloopbaan van studenten gevolgd die de opleiding hebben verlaten. Tweederde gaat naar het HBO, eenderde naar een andere opleiding aan de universiteit.


De meerkosten van de invoering van het BSA zijn 2 fte voor een cohort van 850 eerstejaarsstudenten, ofwel bijna 4 uur per student. Hierbij moet wel worden verdisconteerd dat invoering van het BSA binnen één massale opleiding efficiënter is dan invoering binnen een groot aantal opleidingen met een kleine instroom. Opvallend is dat de instroom van de opleiding sinds de invoering van het BSA niet is gedaald maar juist is gestegen. De algemene indruk uit de opgedane ervaringen elders is dat studenten mede dankzij het bindend studieadvies het studieritme beter oppakken in het eerste jaar.


Inzake het BSA ligt het, gegeven de belangstelling binnen de opleiding TCW voor dit instrument, in de rede om een pilot met de invoering van het BSA te starten. Afhankelijk van de eerste ervaringen in de pilot kunnen andere faculteiten zich bij het initiatief aansluiten. Het College is er overigens van overtuigd dat de invoering van BSA onafwendbaar is en op de korte of middellange termijn door de overheid zal worden opgelegd.


Tijdspad

Alle WO Sprint projecten hebben een looptijd tot 1 januari 2009. Aangezien de toewijzing van de PBT-middelen in drie jaarlijks tranches zal verlopen en middels audits wordt voorzien in een passende monitoring, zullen eerst projecten worden aangepakt die al zijn ingezet of op de plank liggen.

Voor de uitbreiding van mentoraat en studiebegeleiding heeft het Beraad Studiebegeleiders een concrete opgaaf gedaan van de huidige en de normcapaciteit.


Een pilot met de invoering van het BSA binnen GW zou in 2007 van start kunnen gaan indien de faculteit daadwerkelijk tot zo’n pilot besluit. Daarvoor dient eerst te zijn voldaan aan de eerder genoemde eisen aan de studiebegeleidingsketen, alsmede aan de studeerbaarheid van het opleidingsprogramma.



3.4 Onderwijskwaliteit op docentniveau


3.4.1 De noodzaak

Goed onderwijs staat en valt bij inhoudelijk sterke, gemotiveerde docenten, die het beste kunnen halen uit een heterogene groep studenten. Daarom staan we in deze paragraaf stil bij de huidige positie van de (universitair) docent, bij de veranderingen in de eisen die aan hen gaan worden gesteld, en bij de nieuwe maatregelen en beleidsinitiatieven die in de HRM sfeer gewenst zijn.


In zijn algemeenheid kunnen we stellen dat de onderzoeksoutput een zwaarwegende rol speelt bij de beoordeling van de wetenschappelijke staf, meer dan de mate waarin de onderwijstaak wordt vervuld. Dat is geen nieuw fenomeen, maar door de verscherpte kwaliteitseisen met betrekking tot onderzoek wordt het wel extra geaccentueerd.

In de UFO-profielen van het wetenschappelijk personeel staan de doelen en de resultaatgebieden helder omschreven. In de indelingscriteria voor benoeming tot UD en UHD zijn de onderwijstaken even zwaar ingedeeld als de onderzoekstaken. De stelling in de vorige alinea is dus niet het gevolg van het ontbreken van richtlijnen, maar van de onjuiste toepassing daarvan door benoemingsadviescommissies en hoogleraren.


Bij de onderwijstaken gaat het naast vakinhoudelijke kwaliteiten om didactische competenties zoals ontwerpen van onderwijs, uitvoeren van onderwijs, begeleiden van studenten, student-assistenten en promovendi, toetsen van onderwijs, organiseren van onderwijs, evalueren van onderwijs en didactische professionalisering. Deze elementen zijn nader uitgewerkt in de criteria “Basiskwalificaties Onderwijs”, welke door de 3 TU Graduate School zijn vastgesteld op basis van de eisen zoals geformuleerd in UFO, de kaders van de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) en de Dublin-descriptoren.


De kwaliteit van de meeste docenten aan de UT is overigens zonder meer goed te noemen. Dit blijkt uit allerlei externe beoordelingen, zoals accreditaties van opleidingen. De hierna genoemde voorstellen dienen dan ook ter actualisering en versterking van de reeds aanwezige kwaliteit.

3.4.2 Wat doen we al?

Beginnende docenten

Nieuwe docenten kunnen momenteel op grond van afspraken bij de aanstelling, maar formeel nog op

vrijwillige basis het “Didactische UT-Inwerktraject” doorlopen, waarbij zij leren hoe het eigen onderwijs het beste kan worden voorbereid, uitgevoerd en geëvalueerd. Voor indeling in een functieprofiel van Universitair Docent 2 en hoger, alsmede van Docent 3 en hoger, geldt de eis dat de medewerker de Proeven van bekwaamheid behorende bij de DUIT-cursus succesvol doorstaat. In samenwerking met PA&O wordt gewerkt aan een nieuw competentieprofiel voor docenten,, waarin de vereiste didacische vaardigheden worden vastgelegd. Daarnaast zullen separaat de benodigde Engelstalige en interculturele competenties worden vastgelegd. Ook nieuw aangestelde hoogleraren zullen een training didactische vaardigheden volgen. De bedoeling is dat alle hoogleraren, ook de reeds aangestelde hoogleraren waar nodig trainingsprogramma’s kunnen / moeten volgen.

Professionaliteit is geen statische eigenschap; de eisen de aan het (wetenschappelijk) onderwijs gesteld worden veranderen voortdurend. Het systematisch bijhouden en verder ontwikkelen van competenties vergt dan ook permanente aandacht. Met het opstellen van competentieprofielen, het onderkennen van een opleidingsnoodzaak, het ontwikkelen en aanbieden van diverse leer- en begeleidingstrajecten van docenten en de wederzijdse erkenning van de competenties van docenten van andere universiteiten, zijn we goed op weg als het gaat om docentprofessionalisering op de Universiteit Twente


Zittende docenten

Zittende docenten hebben, naast uitvoering, ook met andere onderwijstaken te maken als ontwikkeling/vernieuwing en organisatie van het onderwijs. Hiervoor is een regulier aanbod van korte didactische en onderwijskundige cursussen en modules ontwikkeld, waarin een grote reeks vaardigheden wordt getraind.Ook worden individuele docenten of docententeams op maat gecoached en begeleid bij de inrichting en samenhang van veranderingen bij onderwijsvernieuwing, bijv. als het gaat om de inzet van ICT. Daarnaast worden er themabijeenkomsten georganiseerd en bestaat er een combinatie van nieuwsbrief en website voor docenten genaamd “Venster op professionalisering”.


In de vastgestelde notitie “Indeling en Inschaling” is als beleidslijn vastgelegd dat een benoeming van UHD’s mogelijk is ook wanneer de kandidaat een relatief grotere prestatie levert in het onderwijs dan in het onderzoek. Het kan dan gaan om excellent functionerende UD’s die bij benoeming tot UHD naast het ontwikkelen en vernieuwen van het onderwijs ook onderzoekstaken opgedragen krijgen: onderwijskundig onderzoek en / of onderzoek binnen de eigen discipline. In vergelijking met de vroegere situatie is er sprake van een accentverschil, maar de kandidaat moet blijven voldoen aan de criteria voor onderwijs en onderzoek.

De UT ontwikkelt thans een nieuw verdeelmodel. Daarin zullen de middelen voor onderwijsgebonden onderzoek die de minister van OC&W aan de UT beschikbaar stelt, door het CvB worden gealloceerd aan faculteiten, naar rato van het aantal gerealiseerde studiepunten. De doorvertaling van de allocatie naar leerstoelen is in dit nieuwe verdeelmodel een taak van de decanen.


Taaleducatie

Ter bevordering van de taaleducatie is er een Taalcoördinatiepunt (TCP) ingesteld, waar zowel docenten, medewerkers als studenten terecht kunnen met al hun vragen op het gebied van talen.

Er worden cursussen Engelse taalvaardigheid aangeboden, alsmede cursussen Nederlands als tweede taal, inclusief de NT2-cursus tijdens de Summer School voor buitenlandse studenteninstroom.

Verder wordt een cursustraject en begeleidingsactiviteiten aangeboden voor docenten die te maken krijgen met Engelstalig, intercultureel onderwijs. Het is de bedoeling dat binnen enkele jaren alle docenten van de UT in staat zijn om het masteronderwijs (en een gedeelte van) het bacheloronderwijs in het Engels te verzorgen, met Engelstalig lesmateriaal.


BKO

Op het terrein van de wederzijdse erkenning van docentkwalificaties door de Nederlandse universiteiten, loopt een initiatief, dat door het ministerie van OC&W met interesse wordt gevolgd. Het gaat hierbij om de BasisKwalificatie Onderwijs (BKO). Hierbij erkennen de aangesloten universiteiten de basis competenties van elkaars docenten zonder nadere toetsing. Daarbij gaat het primair om beginnende docenten. De insteek van de Universiteit Twente is om eigen docenten die reeds goede vaardigheden kennis en ervaring op didactisch gebied bezitten op basis van een assessment vrij te stellen van cursussen. In 3 TU-verband wordt gewerkt aan een nadere toespitsing middels een 3TU-regeling BKO. De uitwerking daarvan gaat uit van een screening van alle docenten, ook de zittende, waarna de docent indien nodig wordt verplicht, een bijscholingsprogramma te doorlopen. Verder voorzien de plannen dat in het jaargesprek vervolgens de didactische kwaliteiten van elk lid van het WP systematisch zullen worden geëvalueerd.


Onderwijsprijs

Aan de UT wordt jaarlijks een onderwijsprijs uitgereikt voor de docent die zich het beste heeft gemanifesteerd.


3.4.3 Hoe verder?

Het College van Bestuur wil erop toezien dat bij het aantrekken van wetenschappelijke staf in alle rangen naast onderzoek ook onderwijsbekwaamheid in belangrijke mate meegewogen wordt. Het College wijst er daarnaast op dat er instrumenten bestaan voor de beloning van universitair docenten die excelleren in het onderwijs: uitloop naar schaal 13, gratificaties.

.

Beginnende docenten

Alle beginnende docenten dienen de “Proeven van bekwaamheid” behorende bij de DUIT-cursus succesvol te kunnen doorstaan. Daartoe kan het zijn dat hij/zij een traject rond didactische vaardigheden en/of Engelse taalvaardigheden moet gaan volgen. Na afronding hiervan krijgt de betreffende deelnemer een “BKO certificaat”.


Zittende docenten

Voor het “zittende” personeel zal voor het grootste gedeelte via “peer review door de staf uit opleidingen”, assessments en jaargesprekken worden vastgesteld of er verdere ontwikkeling gewenst/noodzakelijk is, mede aan de hand van bijvoorbeeld vakevaluaties. Ook hierbij kan het gaan om zowel onderwijskundige, didactische vaardigheden als Engelse taalvaardigheden. De eisen ten aanzien van het Engels zijn recent in 3TU verband vastgesteld. Het aanbieden van het onderwijs in de Engelse taal in de master opleidingen is een harde voorwaarde. Er kan anders geen sprake zijn van een internationale instroom met voldoende volume én studierendement. Docenten die onder de maat presteren zullen alsnog een vorm van professionalisering moeten volgen om hun competenties op peil te krijgen, analoog aan de eisen van het BKO certificaat. Op termijn zal het het hebben van een BKO certificaat mede bepalend zijn voor doorgroeimogelijkheden van de wetenschappelijke staf met een substantiële onderwijstaak.

Via het stelsel van onderwijsprijzen per opleiding wordt aandacht geschonken aan best practices van docenten. Uit deze winnaars komt ook de uiteindelijke winnaar van de universitaire onderwijsprijs voort.


Internationalisering

Het aantrekken van meer buitenlandse medewerkers bevordert de internationale cultuur van de UT en draagt bij aan de kwaliteit van het Engelstalige onderwijs waar het om native speakers gaat

Daarbij behoren acties ter bevordering van de internationale mobiliteit van docenten. Internationale mobiliteit bevordert de individuele ontwikkeling van de medewerker en draagt tevens bij aan de kwaliteit van het onderwijs: omgaan met andere culturen, taalgebruik etc.


Dit raakt aan een aspect van internationale profilering: “Internationalisation at Home”. Hieronder verstaan wij het versterken van het internatio­nale karakter van de opleiding om ook de niet-mobiele studenten gelegenheid te geven internationale ervaringen op te doen. Blijvende aandacht voor internationalisering voor de thuisblijvers is ook in de komende jaren nodig. Daarbij wordt gekozen voor de benadering via best practices. Opleidingen stellen internationale competenties vast (voor de thuisblijvers) die vervolgens meegenomen worden in de (curriculum-/vak-)ontwikkeling van de opleiding.


Regelmatig zal monitoring plaatsvinden van de stand van zaken bij de internationalisering van alle opleidingen en de ondersteunende service die de opleidingen daartoe nodig hebben. Het gaat bij de internationalisering van de opleidingen immers om alle niveaus: faculteit, opleiding, docent, student.

Van docenten wordt verwacht dat zij zorg dragen voor volledig Engelstalig studiemateriaal (ook waar nodig ten behoeve van pre-master programma’s), Engelstalige websites en Engelstalige begeleiding van studenten. Ook dit maakt deel uit van de hierboven genoemde monitoring.


4. Onderwijsorganisatie


Het kunnen aanbieden van onderwijs op maat stelt een aantal eisen aan de onderwijsorganisatie van de UT. Deze eisen variëren van de manier waarop studenten worden toegelaten tot de efficiency van de organisatie.



4.1 Toegankelijkheid van het onderwijs


4.1.1 De noodzaak

Er zijn verschillende redenen om eens kritisch te kijken naar de toegankelijkheid van het onderwijs op de UT. Een belangrijke factor, welke al in eerdere hoofdstukken aan de orde is gekomen, is de soms starre manier waarop er wordt omgegaan met de aanwezige feitelijke kennis van instromende studenten. Een heterogene markt brengt ook meer heterogene feitenkennis met zich mee. Door de onderwijsorganisatie beter in te laten spelen op de verschillende startsituaties kan uiteindelijk een beter rendement worden gegenereerd. De universiteit wil voorkomen dat potentiële studenten worden geweerd vanwege de schijnbare hoge of zelfs onoverkoombare instroomeisen. Daarom zullen we hieronder aangeven welke eisen en randvoorwaarden we aan ons onderwijs stellen


4.1.2 Wat doen we al?

Bachelor instroom VWO

De ingangseisen van de bacheloropleidingen staan vast. Afhankelijk van het gekozen VWO-profiel worden van VWO leerlingen vakken geëist als wiskunde A1-2, B1-2 (binnen enkele jaren ook daarnaast wiskunde C of D) of natuurkunde. Een aantal technische opleidingen is door het Ministerie van OC&W vrijgesteld van het vooraf opleggen van eisen. VWO-abituriënten met een N&G-profiel worden dan in het eerste jaar bijgespijkerd onder voorwaarde dat vóór het behalen van de propedeuse alsnog aan de oorspronkelijke toelatingseisen is voldaan.


Daarnaast lopen er binnen de universiteit verschillende trajecten die er op gericht zijn om de kennis van bijvoorbeeld wiskunde bij te spijkeren. Dit bijspijkeren gebeurt zowel gedurende de VO opleiding via de Twente Summercampus waar “bijspijkerkampen” en “eindexamenkampen” worden georganiseerd, als ook gedurende het eerste jaar aan de universiteit. Zodra studenten beginnen met een technische opleiding kunnen zij een instaptoets wiskunde (Mathmatch) doen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke kennis (of het ontbreken daarvan) in het curriculum nog extra aandacht behoeft.


Bachelor instroom Duitsland

Een tweede punt van aandacht is de instroomeisen van vooral Duitse studenten die een technische bacheloropleiding aan de UT willen volgen. Het Duitse voortgezet onderwijs en met name de wijze van examineren is namelijk niet zonder meer te vergelijken met het Nederlandse systeem. Dit betekent dat de ingangseisen die aan Nederlandse VWO scholieren worden gesteld niet zonder aanpassing op de Duitse instroom van toepassing kan worden verklaard. In principe zijn, de Europese regelgeving volgend, zelfs alle Duitse studenten die in het bezit zijn van een gymnasiumdiploma toelaatbaar tot een studie aan de UT. In de praktijk zal ook hier het vakkenpakket van de laatste twee jaar (maar niet in alle gevallen het geëxamineerde vakkenpakket) bepalend zijn. Van Duitse studenten die een bacheloropleiding willen volgen wordt verder geëist dat zij het Nederlands machtig zijn op het niveau NT2. Ieder jaar organiseert de UT een cursus Nederlands.


Nationale master instroom

In paragraaf 2.1.3 is al aangegeven dat iedere disciplinaire bacheloropleiding zonder deficiënties toegang moet verlenen aan minstens 1 doorstroommaster en bij voorkeur 1 of 2 profilerende masters. Voor alle masters zijn momenteel matrices in omloop die precies aangeven welke UT bacheloropleiding toegang geeft tot een masteropleiding. Daarbij worden geen uniforme instroomeisen gebruikt. In de matrix staan enkele aanvullende eisen benoemd waaraan een bachelorstudent dient te voldoen. In de praktijk betekent dit dat een student eerst contact op moet nemen met een studiebegeleider alvorens hij of zij kan kiezen voor een master. Voor bepaalde masters betekent dat verder dat er nog deficiëntie moet worden weggewerkt via een pre-mastertraject. Het kiezen voor een masteropleiding buiten de eigen instelling is nog een stuk lastiger. Deze keuze wordt vaak bemoeilijkt door het gebrek aan en ondoorzichtigheid van de informatie over de instroomeisen. Daarnaast gelden er strengere eisen voor studenten van buiten de instelling. Verder zijn er in 3TU verband afspraken gemaakt over de mogelijkheden van 3TU bachelorstudenten om een master te volgen op een andere instelling. Ook hiertoe is een doorstroommatrix opgesteld.


Momenteel geldt voor een uitstroom uit een bacheloropleiding van buiten de UT een harde knip, d.w.z. dat alvorens een masteropleiding te beginnen een vooropleiding op bachelorniveau volledig dient te zijn afgerond. De Universiteit Twente volgt op dit moment niet het voorbeeld van enkele andere universiteiten die ook een harde knip voor de eigen bachelorstudenten invoeren. De reden voor het nu nog niet invoeren ligt onder andere in het feit dat de bachelorcurricula nu nog te weinig flexibel in de tijd zijn, zodat een student die nog slechts één of twee vakken moet afronden vanwege roosterproblemen met een aanzienlijke studievertraging kan worden geconfronteerd. Het College behoudt zich wel het recht voor om de harde knip of een beperktere toegang tot de master te overwegen zodra de genoemde hindernissen voor studenten zijn weggenomen.


Internationale master instroom (pre-mastertrajecten)

Voor echte internationale toegankelijkheid van het onderwijs van de UT is het verzorgen van volledig Engelstalig onderwijs én het verstrekken van Engelstalige studie-informatie zoals op de website essentieel en zelf een vereiste volgens de recentelijk afgesproken internationale gedragscode. Dit is momenteel voor het overgrote deel ook het geval. Desondanks is er recent een aantal klachten gekomen over de toegankelijkheid van het masteronderwijs en met name het ontbreken van studiemateriaal en studie-informatie in het Engels. De universiteit is inmiddels bezig met het verhelpen van de klachten.


Net als bachelors van andere universiteiten moeten ook veel internationale bachelorstudenten nog een pre-mastertraject afleggen voordat zij worden toegelaten tot een master. Het is voor internationale studenten niet altijd helder òf en zo ja waar en wanneer zij een pre-mastertraject moeten doorlopen. De kosten voor dit schakeltraject worden momenteel nog gedragen door de faculteit. Voor internationale studenten zijn pre-master trajecten weinig aantrekkelijk, met name omdat hun status gedurende dat traject onduidelijk is (noch afgezien van overwegingen van tijd en geld). Een oplossing kan zijn om pre-master trajecten, bedoeld om deficiënties weg te werken, on-line aan te bieden zodat deze reeds in het reguliere voortraject kunnen worden doorlopen.


HBO master instroom

Ook voor HBO studenten zijn schakelprogramma’s opgezet (pre-master trajecten). Ook hier maakt het schakelprogramma tegenwoordig soms onderdeel uit van de HBO bacheloropleiding. In paragraaf 5.2 gaan we verder in op het schakelprogramma.


4.1.3 Hoe verder?

Bachelor instroom


Technische opleidingen hanteren vaak het instrument van de “criteriumgroep” (i.e. meestal een 7 of hoger voor het eindexamen voor de relevante vakken) als zijnde de groep die zonder problemen de studie zou moeten kunnen doorlopen. Echter, voor alle toegelaten studenten geldt dat zij door de opleiding in staat dienen te worden gesteld om de studie te voltooien. Het te realiseren studierendement van de opleiding heeft betrekking op de totale populatie van toegelaten studenten. Dit betekent dat van alle opleidingen een extra inspanning wordt gevraagd om de studenten buiten de “criteriumgroep” zodanig te begeleiden dat ook zij in staat zijn om af te studeren.

Anderzijds is het noodzakelijk dat alle opleidingen in het eerste studiejaar een strakkere monitoring van alle studenten te verrichten dan nu vaak het geval is. Dit houdt in dat de opleidingen systematisch gesprekken moeten voeren in december en in het voorjaar met alle studenten met onvoldoende resultaten. Na één jaar dient de studiebegeleiding een ernstig gesprek te voeren met alle studenten die 20 EC of minder hebben behaald, waarbij als er geen valide oorzaken voor de slechte resultaten zijn, een Bindend Studieadvies moet kunnen worden gegeven.



Engels in het onderwijs

Bij het ontwikkelen van nieuwe brede bacheloropleidingen zal het curriculum in het Engels worden aangeboden. Daarnaast worden op de universiteit, conform eerder gemaakte afspraken, alle masters in het Engels aangeboden. Verder is het nodig om heldere afspraken te maken over de uitzonderingen hierop. Van Nederlandse studenten wordt verwacht dat Engels op VWO niveau voldoet. Van internationale studenten wordt een score van IELTS 6.0 als taaleis gesteld.


Masterinstroom aan de hand van eindcompetenties

De toelating tot masteropleidingen is op dit moment sterk gebaseerd op verkregen startcompetenties (een afgerond voorbereidend examen). Echter, in toenemende mate ontstaat het besef dat zogeheten EVC’s (elders verworven competenties) wel degelijk een voldoende basis kunnen bieden om een academische opleiding met succes af te ronden. Om die reden zal ook de UT moeten zoeken naar mogelijkheden om potentiële studenten op basis van EVC’s toe te kunnen laten. Daarbij dient het denken in eindtermen maatgevend te zijn. De universiteit streeft er daarom naar om de eindtermen te gaan beschrijven aan de hand van generiek academische én disciplinespecifieke competenties. Hierbij kan worden aangesloten bij het Europese Tuning project. Daar worden tot nu toe circa 30 universitaire disciplines beschreven in termen van competenties. Een goede beschrijving van de eindtermen zal er uiteindelijk toe moeten leiden dat instromers aan de hand van hun eigen verworven competenties (aan te tonen via diploma’s, erkende certificaten of assessments) een meer op maat gericht traject kunnen doorlopen. Aan de hand van de eindtermen kan dan terug worden geredeneerd richting de startcompetenties. In de internationaliseringsnota wordt ook aandacht besteed aan Tuning.


Naast het Tuning project is in 3 TU verband de publicatie “Criteria voor Academische Bachelor en Master Curricula” (Meijers e.a., januari 2005) uitgegeven. Hierin wordt een operationalisering van het academisch profiel volgens de Dublin descriptoren gepresenteerd. Er worden zeven competentiegebieden onderscheiden die de academicus karakteriseren. De competentiegebieden hebben betrekking op het vakgebied, de academische werkwijze en de temporele / maatschappelijke context. Door vanuit de gewenste eindcompetenties terug te redeneren kan een vraaggestuurd curriculum worden ontworpen. Bovendien kunnen op deze manier ook tijdens het opleidingsprogramma tussentijdse leerdoelen worden beschreven waarop monitoring mogelijk is. In het najaar van 2006 zal een aantal opleidingen de eindcompetentie gaan formuleren aan de hand van de Meijers criteria. Enkele opleidingen zijn hier al mee begonnen.


Master instroom

De huidige eisen ten aanzien van de instroom zijn weinig overzichtelijk. Het is voor studenten met een bachelor van een andere (buitenlandse) universiteit niet duidelijk in hoeverre hun opleiding voldoet aan de toelatingseisen van de Masteropleiding. Zoals al eerder is opgemerkt is in 3TU verband een begin gemaakt met het harmoniseren en expliciteren van de instroomeisen van de masters. Voor studenten van andere universiteiten blijven de eisen vaak ondoorzichtig. Deze onoverzichtelijkheid vormt een blokkade voor het optimaal functioneren van het Bachelor-Master systeem. Op deze manier worden studenten in hun mobiliteit gehinderd en verspelen faculteiten mogelijkheden voor extra externe instroom in de masters.

Op sites als bamas.nl worden de globale instapmogelijkheden en –eisen aangegeven. Ook in 3 TU verband is een doorstroommatrix vervaardigd. Het blijft echter in veel gevallen noodzakelijk dat de student in overleg met de betrokken opleidingsdirecteur afspraken maakt om tot een maatwerk oplossing te komen.


Een disciplinaire overstap (bv. van bachelor VU naar master UT) binnen dezelfde opleiding zou in de toekomst geen problemen meer mogen opleveren. Voor de omgang met de 'schuine' overstappers ligt dit iets gecompliceerder. Dit probleem zal eerst nader moeten worden bekeken. Het is waarschijnlijk dat over de disciplinaire en schuine overstap op landelijk niveau afspraken moeten worden gemaakt. Daarnaast zou het probleem gedeeltelijk kunnen worden opgelost door gebruik te maken van competenties, zodat eventueel via assessments gemakkelijker toegang kan worden verleend (zie voorgaande alinea’s).


Bij deze pogingen om te flexibiliseren moet nadrukkelijk ook aandacht worden besteed aan hoe dat alles kan worden georganiseerd en gefinancierd. Verder zullen met de opleidingen duidelijke afspraken moeten worden gemaakt over de plaats en het moment waarop een schakelprogramma voor Nederlandse en andere Europese studenten (EER) wordt aangeboden.


Internationale master instroom (pre-mastertrajecten)

De universiteit zal ook meer aandacht besteden aan de eisen die de internationale instroom met zich meebrengt. Bij voorkeur nog voordat geschikte buitenlandse studenten hun beurzen hebben geregeld en fysiek op de UT aanwezig zijn. Een andere mogelijkheid voor EER studenten is dat de premaster fase op de locatie (bij een buitenlandse instelling) wordt gedaan. Hierover kunnen internationaal (bijvoorbeeld in ECIU verband) met een aantal universiteiten afspraken worden gemaakt. Ook dienen hierover in 3 TU verband afspraken te worden gemaakt zodat de drie universiteiten van elkaar weten welke kwaliteit er in huis wordt gehaald. Voor zover het pre-mastertraject op de UT wordt aangeboden geldt dat dit zoveel mogelijk interfacultair dient te gebeuren. Het is aan de opleidingen om te bepalen of de finale toets op de UT moet worden afgelegd of dat ook deze finale toets (digitaal) vanuit het land van herkomst kan worden gedaan.


Erkenning van buitenlandse studiepunten

Daarnaast zal ook meer rekening moeten worden gehouden met het feit dat onze studenten cursussen en losse vakken bij buitenlandse instellingen kunnen afnemen. Vakinhoudelijk onderwijsmateriaal van diverse instellingen is al digitaal via internet beschikbaar (denk bijvoorbeeld aan MIT). De credits die op die wijze worden verworven zullen ook internationaal erkend moeten worden (ECTS), zodat het meetelt in het bachelor’s programma of master’s programma dat studenten volgen. Andersom is denkbaar dat buitenlandse studenten bij de UT een vak volgen. De benodigde content en begeleiding zal dan wel geregeld moeten zijn. Begeleiders moeten eenvoudig toegang hebben tot relevante gegevens (afspraken, voortgang, portfolio) zodat zij adequaat hun studenten kunnen begeleiden.


Naar een derde fase in het onderwijs?

Wij gaan hier kort in op de ontwikkelingen rond de promovendus aan de UT. Deze ontwikkelingen zijn relevant voor deze Onderwijsnota omdat ze gevolgen kunnen hebben voor het opleidingsaanbod van de UT, het aantal studenten, de beschikbare capaciteit van promovendi om onderwijs te geven en de organisatie van het onderwijs.


Landelijk lopen twee discussies over het promotietraject.

De eerste discussie betreft de beleidsmatig gewenste invulling van alternatieve promotietrajecten. Er is nu geen differentiatie in promotietrajecten. Alle promovendi worden opgeleid voor een baan in het onderzoek, terwijl 65% van de promovendi na hun promotie buiten het onderzoek terechtkomen. Het is dus te overwegen om promovendi daarnaast beter te kwalificeren voor niet-onderzoeksfuncties. Een optie daarvoor is de invoering van het professional doctorate, een meer vanuit de beroepspraktijk ingericht promotietraject.

De tweede discussie gaat over de invoering van de “promotiestudent”, de “derde cyclus”(Bologna). De overheid wil dat de universiteiten meer promoties realiseren. Promovendi zijn in het buitenland veelal PhD-student, in Nederland is de promovendus vrijwel altijd werknemer. De vraag is in hoeverre de invoering van de beurspromovendus de kosten (maar wellicht ook de inkomsten) verlaagt en de mogelijkheid opent om differentiatie in promotietrajecten aan te bieden.

Aan de UT moeten deze discussies nog worden gevoerd. Wij gaan er van uit dat de huidige UT-AIO het meest voorkomende type promovendus zal blijven, ook als er andere varianten worden ingevoerd. Wel zullen in de toekomst alle categorieën promovendi een een opleiding krijgen, die vastgelegd wordt in een opleidings- en begeleidingsplan. De UT zal zich ervoor inspannen om kandidaten voor een promotieplaats, die beschikken over een elders verworven beurs of toelage, te accomoderen. Het gaat daarbij om inbedding en formele status van deze promovendi.



4.2 Efficiëntie


4.2.1 De noodzaak

Een goede onderwijsorganisatie is een basisvereiste voor het kunnen geven van kwalitatief hoogwaardig onderwijs. Het is uit efficiency overwegingen noodzakelijk om het aantal aangeboden vakken kritisch te bezien. Ook het vormen van bredere bacheloropleidingen kan wellicht ten goede komen aan de efficiëntie van de onderwijsorganisatie.




Aantal vakken

Het onderwijs is er op gericht om optimale kwaliteit te bieden. Het totale aantal vakken dat aan de UT wordt aangeboden schommelt gemiddeld van 1380 aan het begin van het cursusjaar tot 1500 aan het eind van het jaar. Gezien het aantal opleidingen dat de UT aanbiedt (20 Bachelor opleidingen van 180 ECTS, 30 masteropleidingen van gemiddeld 90 ECTS) en een aantal keuzemogelijkheden per opleiding (al dan niet via formele tracks) is dit vooralsnog niet een ongewenst hoog aantal. Opgemerkt dient te worden dat het aantal vakken op zich niet op zichzelf een indicatie vormt van de efficiency in het aanbod. Van belang is wel dat vakken flexibel kunnen worden samengesteld op basis van modulen die zich lenen voor inbreng in uiteenlopende combinaties.


Aantal studenten

De extern toegekende middelen voor onderwijs aan het WO zijn binnen een generatie gehalveerd middels de “kaasschaaf”. Er staat dus al grote druk op faculteiten en opleidingen om met steeds minder mensen evenveel of nog meer taken te verrichten. Bovendien gebeurt dit onder een steeds strakker controle- en sanctiesysteem: accreditatie. Verder staat verhoging van de efficiëntie haaks op de wens van studenten en vele docenten om massale hoorcolleges te vervangen (of in ieder geval meer te combineren) door gevarieerde, uitdagende onderwijsvormen met meer docent-student interactie.


Efficiëntie heeft reeds de volle aandacht van de faculteiten: het gevoel bestaat dat de rek er uit is. Dat zou betekenen dat er geen ruimte meer bestaat voor de elders beschreven initiatieven in deze onderwijsnota. Het is dus zinvol om ruimte te creëren door nieuwe maatregelen. Dat kan door meer en beter gebruik van geavanceerde digitale leer- en werkomgevingen. Ook een extra inzet van getalenteerde student-assistenten (ook uit het buitenland) in het onderwijs kan soelaas bieden, mits deze een goede coaching ontvangen. De bijbehorende financiële compensatie kan deze studenten mede helpen hun studie te financieren, naast daartoe dienende voorzieningen als kennisbeurzen, etc.


Het is voor het voortbestaan van een gezonde, moderne, flexibele universiteit essentieel dat opleidingen die (op langere termijn) onvoldoende instroom genereren en daarmee onrendabel zijn, althans qua zelfstandige licentie zullen moeten worden afgestoten, dan wel zodanig worden omgevormd dat er alsnog voldoende instroom kan worden gegenereerd. Een instroom van minimaal 20 studenten wordt als noodzakelijk gezien teneinde van een levensvatbare opleiding te kunnen spreken. Dit geldt voor alle opleidingen, maar in het bijzonder voor de bacheloropleidingen. Soms kan uit strategische overwegingen, of omdat het een basisdiscipline betreft, besloten worden om een kleine opleiding toch in de lucht te houden, in het bijzonder wanneer daarnaast sprake is van een toeleveringsrelatie aan andere opleidingen.


Bachelor - instroomcijfers

 

2002

2003

2004

2005

Advanced Technology


2

23

64

Bedrijfsinformatietechnologie

37

48

40

28

Bedrijfskunde

92

113

144

171

Bestuurskunde

51

92

68

98

Biomedische Technologie

92

91

63

66

Chemische Technologie

25

33

39

30

Civiele Techniek

66

95

98

95

Educational Design, Management en Media

39

18

59

47

Elektrotechniek

68

68

86

61

Gezondheidswetenschappen


21

28

28

Industrieel Ontwerpen

109

110

80

104

Informatica

103

88

113

80

Psychologie

83

80

114

232

Technische Bedrijfskunde

128

100

113

85

Technische Geneeskunde


50

78

100

Technische Natuurkunde

55

63

54

61

Telematica

21

26

8

11

Toegepaste Communicatiewetenschap

101

85

113

99

Toegepaste Wiskunde

13

20

22

29

Werktuigbouwkunde

103

104

140

107





4.2.2 Wat doen we al?


Aantal vakken

In het verleden is reeds een aantal initiatieven genomen om het vakkenaanbod reduceren, met wisselend resultaat. Het toegeleverde wiskunde onderwijs is enkele jaren geleden drastisch geüniformeerd, thans vindt weer enige specialisatie plaats. In de bacheloropleiding is nog slechts sprake van acht vakken specifiek voor de eigen studenten, voor vele docenten een te drastische reductie. De faculteit MB heeft enkele jaren geleden zijn vakkenaanbod gereduceerd, maar dit lijkt ten koste te zijn gegaan van het “eigen gezicht” van één of twee opleidingen.




Aantal studenten

Het is de bedoeling dat de groeidoelstelling van de UT naar 10.000 studenten gaat worden gerealiseerd zonder een substantiële groei van het aantal opleidingen. Door het aanbod van vakken kritisch te bezien (qua aantal, qua onderwijsvorm, qua bijdrage aan de eindtermen van de opleiding én qua zichtbaar maken van die bijdrage) kan het aantal deelnemers per vak worden verhoogd en bovendien de mate van intensiteit van aanbieden van het vak beter worden afgestemd op de motivatie en kwaliteit van de studenten. In de concept-nota “Groei” (BC 2006) en de nota “Diversiteit, Kwaliteit en Groei; uitgangspunten voor de internationale strategie van de Universiteit Twente” wordt verder ingegaan op manieren waarop de UT de werving van studenten voor het bestaande palet van opleidingen kan optimaliseren teneinde de groeidoelstelling te halen.


4.2.3 Hoe verder?

Aantal vakken

Voorkomen moet worden dat het aanbod van vakken ongecontroleerd groeit, zeker nu de UT een substantiële internationale instroom nastreeft en, zoals aangegeven in paragraaf 2, het onderwijs verder wil flexibiliseren, wat zou kunnen leiden tot kostenverhoging. Dit kan betekenen dat het aanbod van vakken moet worden gereduceerd of dat een aantal vakken in het reguliere bekostigingssysteem van de UT niet meer moet worden betaald. Het is goed denkbaar dat bepaalde capita selecta vakken toch blijvend zullen worden aangeboden, ook zonder bekostiging, bijvoorbeeld omdat de docent op deze wijze extra voorbereiding wil bieden ten behoeve van mogelijk promotieonderzoek.


De UT biedt 20 Bacheloropleidingen aan. Als iedereen exact hetzelfde bachelor programma zou studeren, dan zouden 36 vakken van 5 ECTS in drie jaar worden gevolgd, per Bachelor. Dat betekent dat er 720 Bachelorvakken totaal zouden zijn, met een bezetting van gemiddeld 75 studenten per vak en zonder uitval. Voor de 30 masteropleidingen (die gemiddeld 1.5 jaar duren) zijn er 18 vakken. Dat wil zeggen dat er nog eens 540 mastervakken bijkomen. Hier volgen gemiddeld 50 studenten een vak, zonder uitval. In totaal zijn dat 1260 vakken. Rekening houdend met enerzijds overlap tussen opleidingen maar anderzijds de mogelijkheid voor specialisatie via tracks of afstudeerrichtingen lijkt een gemiddelde van ongeveer 1300 vakken een goed streefcijfer. Dat betekent ten opzichte van de huidige situatie slechts een bescheiden reductie. Wel zal worden bezien of er geen efficiency-winst valt te behalen door vakken of delen van vakken in een docent-extensieve versie aan te bieden, gebruik makend van electronische versies. Dit geldt zeker voor zogenaamde homologatievakken, of vakken die in het kader van een pre-master traject worden aangeboden.


Ook is aandacht nodig voor de coherentie van masteropleidingen: tracks moeten voldoende onderling gerelateerd zijn aan de “hoofdstroom” van de opleiding (vast checkpunt bij accreditaties) Bovendien moet het aantal master tracks niet te groot worden omdat anders de bij de invoering van de bachelor master structuur vastgestelde kritische benedengrens van 20 studenten niet wordt gehaald.


Aantal studenten

Momenteel hebben nog twee opleidingen aan de UT een numerus fixus. Voor de bacheloropleiding van Technische Geneeskunde ligt het maximum bij 100 studenten, bij de bacheloropleiding Psychologie ligt deze op 250 studenten. Per augustus 2007 geldt voor deze opleiding geen numerus fixus meer. Er bestaat ook de mogelijkheid voor opleidingen om zelf studenten te selecteren op basis van kennis, vaardigheden en vooropleiding. Deze zogenaamde decentrale selectie wordt nu niet toegepast. Het college houdt de mogelijkheid open om hier de komende jaren mee te experimenteren.


Aan faculteit(en) zal worden gevraagd, realistische voorstellen te doen voor de substitutie van deeltaken van de docent door student-assistenten. Te denken valt aan werkgroepen, mentoraat, hulp bij tentaminering, variatie in onderwijsvormen. De docent blijft uiteraard eindverantwoordelijk voor het vak. Vooraf dient een inschatting van de effecten van dergelijke maatregelen te worden gemaakt: besparing op docenttaken, kosten student-assistenten, meerkosten van begeleiding en onderwijskundige training, baten (niet alleen materieel) voor de student.


Ondersteuning

Naast efficiency op het gebied van de onderwijsinhoud, moet ook de onderwijsondersteuning beter in staat worden gesteld om in te spelen op de flexibilisering. Daarom is het van belang dat de kennis van de onderwijsprocessen op faculteitsniveau nog beter wordt gedeeld met de centrale diensten. Op dit moment komt het nog te veel voor dat het centrale en het decentrale niveau op dit terrein (vanwege onvoldoende uitwisseling van kennis) langs elkaar heen werken. Daarom zal op korte termijn worden bezien hoe die samenwerking een duidelijkere plek kan krijgen in de organisatie van de universiteit. In de recente discussienota “efficiënte, moderne bedrijfsvoering” heeft het College van Bestuur een opzet voorgesteld met front-offices op faculteitsniveau en één (gedeelde) back-office voorziening op centraal niveau waarin alle nu centraal en decentraal verdeelde onderwijs- en studentenadministratie capaciteit wordt ondergebracht. Eenzelfde “shared service center” constructie wordt beoogd voor de thans centraal en decentraal verdeelde ICT beheerscapaciteit. De achterliggende gedachte is dat op deze manier, met behoud van de voor de opleidingen vereiste service kwaliteit, een grotere standaardisatie en tevens een aanzienlijke kostenbesparing kan worden gerealiseerd. Standaardisatie zou dan kunnen leiden tot een betere registratie ven studiegegevens en studievoortgang, betere studieroosters en een adequatere managementinformatie.






































5. De Universiteit Twente en haar omgeving


5.1 Internationale samenwerking


5.1.1 De noodzaak

Internationalisering is een belangrijk middel dat kan bijdragen aan de groei-ambitie van de universiteit. Immers met alleen de nationale instroom is het lastig om de target uit de bestuurlijke agenda (10.000 studenten) te behalen. Maar het is meer: internationale stages, delen van curricula elders volgen, internationalisering van het eigen onderwijs, etc. Rondom het internationaliseringsbeleid komt, ongeveer tegelijkertijd met deze onderwijsnota, een internationaliseringsnota (“Kwaliteit, Diversiteit en Groei”) uit, waarnaar wij verwijzen voor verdere informatie. Omdat delen van het beleid rond internationalisering direct invloed hebben op het onderwijsbeleid en vice versa, zullen we in deze paragraaf kort stil staan bij de belangrijkste onderdelen, met name de internationale samenwerking.


5.1.2 Wat doen we nu al?

Een van de belangrijkste internationale invloeden van de afgelopen jaren op de universiteit is de invoering van het Bachelor-Master onderwijs. Door de invoering van de Angelsaksische structuur is het onderwijs herkenbaarder en overzichtelijker geworden voor studenten en docenten uit het buitenland. Bachelor-Master heeft de internationale samenwerking duidelijker vormgegeven. Zo worden sinds enige tijd masteropleidingen in het Engels aangeboden. Momenteel wordt er in de praktijk vaak alleen Engels gesproken indien er Engelstalige studenten aanwezig zijn. In de toekomst zullen Masters uitsluitend in het Engels worden aangeboden (zie ook paragraaf 4.1.3).


Daarnaast zijn er een aantal joint degree-programma’s, waaronder de gezamenlijke opleiding European Studies. De laatste wordt uitgevoerd in samenwerking met de universiteit van Münster. Andere partners in joint degree programma’s zijn Dortmund (Industrial Design and Manufacturing) en Aalborg (Innovation and Entrepreneurship, start in de loop van 2007).Verder participeert de UT in een netwerk van ondernemende universiteiten: de ECIU. In dat netwerk wordt aandacht besteed aan de uitwisseling van studenten en docenten tussen zusteropleidingen. Daarnaast is er een aantal partners in Azië waarmee wordt samengewerkt op het gebied van het offshore onderwijs, met name vanuit de faculteit MB.


Erkenning van studiepunten

Bij in- en uitgaande mobiliteit moet bij de keuze van partneruniversiteiten gelet moet worden op kwaliteit en aansluiting bij de opleidingen van de UT. De opleidingen van de UT zullen ook in de uitwisseling met erkende partners flexibeler moeten omgaan met vakeindtermen en exameneisen. Momenteel geldt in de praktijk voor bijvoorbeeld de uitgaande studentmobiliteit reeds dat elders behaalde studiepunten door de UT normaliter erkend worden.


5.1.3 Hoe verder?

Internationale profilering opleidingen

De UT doet momenteel niet mee aan Erasmus Mundus. Het College is van mening dat er de komende jaren naar moet worden gestreefd om één of meer opleidingen toe te laten treden tot dit Europese onderwijs programma. Hierbij kan wellicht ook gebruik gemaakt worden van een gezamenlijke aanvraag in ECIU verband. De voordelen van het Erasmus Mundus label zijn enerzijds het profileringseffect in het buitenland en anderzijds de mogelijkheid van subsidie voor beurzen voor buitenlandse studenten.


Offshore onderwijs: UT heeft nog nauwelijks ervaring met offshore onderwijs (momenteel uitsluitend in het kader van niet-geaccrediteerde post-initiële opleidingen), eerst dient een ver­kenning gedaan te worden over wenselijkheid en haalbaarheid van offshore onderwijs en zouden UT-interne criteria ontwikkeld moeten worden voor opleidingen die zich hiervoor lenen - bij voorkeur in samenwerking met een buiten­landse partner­instelling.



Beurzenprogramma buitenlandse studenten

Randvoorwaarde voor een kwalitatief goede, voldoende substantiële instroom is een aantrekkelijk beurzenbeleid. Via een extra opslag op onderzoeksprojecten zou een deel van de derde geldstroommiddelen verdiend kunnen worden die nodig zijn voor een beurzenprogramma. Andere mogelijkheden die onlangs door OC&W zijn geboden of eerdaags wellicht mogelijk worden gemaakt, staan al genoemd in paragraaf 4.2.1. In de Internationaliseringsnota “Kwaliteit, Diversiteit en Groei” wordt hier aandacht aan besteed.



5.2 3TU en Noord-Oost Nederland


5.2.1 De noodzaak

Universiteiten bewegen zich binnen netwerken. De universiteit participeert binnen deze netwerken in verschillende samenwerkingsverbanden. De redenen om samen te werken zijn wisselend. Soms ligt de meerwaarde in het kunnen aanbieden van kennis die andere universiteiten niet hebben. In andere gevallen is samenwerken met “concurrenten” (technische universiteiten) juist een uitdaging omdat er doelmatiger kan worden gewerkt en omdat de afzonderlijke instellingen zich als samenwerkingsverband internationaal beter en tegen lagere kosten kunnen profileren.


5.2.2 Wat doen we nu al?

Op onderwijsgebied is momenteel de samenwerking met de Technische Universiteit Delft en de Technische Universiteit Eindhoven (3TU) het meest relevant. Deze samenwerking is op 7 februari 2007 geformaliseerd in een federatieverdrag. De samenwerking bestaat onder andere uit:

1)Structurele samenwerking door overleg op verschillende terreinen zoals:

Kwaliteit en accreditatie; o.a. ontwikkelen informatie ter ondersteuning van zelfevaluaties

Internationalisering; o.a. afspraken over taaleisen voor docenten en studenten

Aansluiting met het VWO; o.a. uitwisselen van good practices

Aansluiting met het HBO; o.a. uitwisselen van good practices

Doorstroom tussen elkaars bachelor en masteropleidingen; o.a. roostertechnische afspraken en afstemmen instroomseisen.

Afstemming van Electronische leeromgevingen, of zelfs de realisatie van identieke ELO’s, ter ondersteuning van de gezamenlijke opleidingen

2)Een 3TU Graduate School met een bestuur bestaande uit de portefeuillehouders onderwijs van de drie TU’s.

3)Het leveren van een kwaliteitsimpuls lerarenopleiding op het terrein van Bètatechniek


5.2.3 Hoe verder?

Op 3TU terrein zal de uitdaging voor de komende jaren vooral liggen op het terrein van het voeren van 5 gezamenlijke masteropleidingen. (Sustainable Energy en Technology, Embedded systems, Systems & Control, Construction Management & Engineering, en Science Education & Communication) en op de afstemming van instroom- en doorstroomeisen. Gezamenlijke accreditaties vormen eveneens een belangrijk aandachtspunt.


Daarnaast zal de komende jaren nadrukkelijk aandacht worden besteed aan de zogenaamde Oost-flank, de samenwerking met Noord-Oost Nederland. Het gaat daarbij om de universiteiten van Nijmegen (Radboud Universiteit), Groningen (RUG) en Wageningen (WUR). Bij de Colleges van Bestuur van de instellingen bestaat vanuit strategische en inhoudelijke overwegingen de wens om de verbindingen tussen de instellingen te versterken.



5.3 Samenwerking HBO


5.3.1 De noodzaak

De verwachting is dat in de toekomst meer HBO bachelors zullen kiezen voor een universitaire master. Dit ondanks de vrijheid van HBO-instellingen om zelf masteropleidingen aan te bieden en ondanks het gegeven dat HBO-studenten geen leerrechten zullen krijgen voor de HBO masterfase. De doorstroom vanuit het HBO genereert binnen MB en GW al een substantiële instroom voor de UT. Anderzijds zal een goede aansluiting tussen HBO en Universiteit ook een verbetering van het rendement kunnen betekenen. Universitaire studenten die tijdens het eerste jaar tot de conclusie komen dat het niet loopt moeten zo snel mogelijk (liefst zonder studie vertraging) door worden verwezen naar het HBO. De universiteit en SAXION Hogescholen willen door vroege verwijzing en wrijvingsloze overgang over en weer, bereiken dat in het eerste jaar studenten zo snel mogelijk in het juiste traject belanden.


5.3.2 Wat doen we al?

UT en SAXION hebben in 2004 afgesproken om instellingsbreed schakelprogramma’s op te zetten, verzorgd door de UT, passend binnen de “WO minor” waarvoor SAXION 30 ECTS in het 3e en 4e bachelorjaar heeft ingeruimd. De opzet garandeert dat geschikte studenten kunnen overstappen naar de UT master, vaak zonder vertraging of, in een aantal technische disciplines, met een geringe vertraging. Andersom kunnen bij de UT “afhakende” studenten aan een HBO studie bij SAXION of een andere instelling beginnen.


Inmiddels is een pilot binnen de faculteit MB afgerond en is het schakelprogramma daar operationeel. Om het niveau van HBO studenten te kunnen garanderen wordt de “WO minor” dubbel beoordeeld. Enerzijds door de UT omdat toegang moet worden verleend naar de master en anderzijds door SAXION. Want als blijkt dat de HBO’er de overstap niet maakt, moeten de universitaire vakken nog steeds wel worden ingevlochten in het HBO bachelordiploma. Aldus wordt “va banque” voorkomen. Goede evaluatie van het ambitieuze schakelprogramma, zowel kwalitatief (ervaringen in de master, rendement) als kwantitatief (efficiënt op te zetten schakelprogramma’s) is essentieel.


5.3.3 Hoe verder?

Schakelprogramma’s

Naar voorbeeld van, en met lering uit de ervaringen uit de MB pilots, worden tussen zusteropleidingen met SAXION schakelprogramma’s opgezet. Daarbij zal wel van meet af aan aandacht worden besteed aan een goede assessment (competentiegerichte toetsing) bij de selectie voor de “WO minor”. Ook zal bij de schakelprogramma’s met het HBO duidelijk aandacht zijn voor de Engelse taalvaardigheid (HBO-ers hebben vaak een HAVO taalniveau). HBO studenten zijn zelf verantwoordelijk voor goede Engelse taalvaardigheid bij instroom in de master. Waar mogelijk zal hieraan ook al binnen de HBO opleiding extra aandacht worden geschonken. In mei 2006 is officieel de website geopend waarin UT en SAXION voor studenten concreet aangeven, welke doorstroommogelijkheden er zijn (doorstroommatrix), wat de inhoud van de schakelprogramma’s is, en waar geïnteresseerde studenten zich kunnen aanmelden.


De UT streeft er naar om met een aantal andere hogescholen tot soortgelijke constructies te komen. Daarnaast zullen in de toekomst nadere afspraken moeten worden gemaakt over de bekostiging, zeker in het kader van de eventuele komst van de leerrechten.


Communicatie

Verder zal de komende jaren meer aandacht worden besteed aan de communicatie rondom de instroomeisen voor HBO-ers. Het niet helder communiceren over de kwaliteitseisen die aan de HBO instromers worden gesteld, kan namelijk leiden tot “ scheve ogen” bij de zittende UT-studenten.


Afstemming opleidingenaanbod

En tenslotte is het van belang om te vermelden dat het niet voor iedere opleiding mogelijk zal zijn om door te stromen. Anderzijds is het wel zo dat UT en SAXION hun opleidingenaanbod beter op elkaar zouden kunnen afstemmen zodat win win situaties kunnen ontstaan. Voorbeelden van dergelijke terreinen zijn de gezondheidszorg en recht.


Tijdspad

Alle schakelprogramma’s zullen in augustus 2006 operationeel zijn. Een assessment systeem wordt thans voorbereid en zal medio 2008 gereed zijn. De competentievergelijking die door de TN opleidingen in 2004 is uitgevoerd (bachelor SAXION – master UT) kan met inzet van WO Sprint middelen door enkele andere technische disciplines worden geparafraseerd en de inzichten uit die competentievergelijking zullen in 2008 worden vertaald in de inhoud van de schakelprogramma’s. Tenslotte zal finetuning met de voornemens inzake assessment van de internationale instroom plaatsvinden.



5.4 Verankering met de regio


5.4.1 Waarom doen we dat?

De universiteit is zich bewust van de rol die ze heeft in de regio en omgekeerd de rol die de regio speelt voor de universiteit. Een concreet punt is de instroom van nieuwe studenten uit de regio. De WO participatie in Noord Oost Nederland is beneden gemiddeld, niet zozeer in de grotere steden maar wel in het overige deel van de regio. Doel is om een groter deel van het potentiële aantal studenten uit de regio te laten komen. Er lijken vooral nog mogelijkheden te liggen bij de participatie van allochtonen en vrouwen. Deze verbetering moet mogelijk zijn omdat de werving voor sommige UT opleidingen nog niet optimaal wordt benut.


De universiteit vervult daarnaast ook (indirect) een belangrijke maatschappelijke taak in de regio. Zoals bekend heeft Nederland behoefte aan hoger opgeleiden en in het bijzonder aan meer technici. We proberen in samenwerking met de regio de interesse voor studeren in Twente, bèta en techniek in het bijzonder, te stimuleren. Zie hiervoor OECD, “Supporting the Contribution of Higher Education Institutions to Regional Development, Peer Review Report, Twente in the Netherlands” (Garlick e.a., 2006) en het Actieplan 2005-2010 “Bèta en Techniek, Zorg en Technologie” voor de regio Twente (Schutte, 2005).


5.4.2 Wat doen we al?

Om de verankering met de regio vorm te geven in het onderwijs zijn er verschillende trajecten opgezet. Naast de reguliere wervingsactiviteiten is het UT instituut ELAN inhoudelijk belast met de contacten met de onderwijsinstellingen uit de regio. Zo voert het instituut het penvoerderschap van de zeven universitaire lerarenopleidingen. De Universiteit Twente zal fors inzetten op het versterken van de opleiding van academisch gevormde leraren, alsmede op de professionalisering van zittende VWO docenten, middels samenwerking in het kader van de Twente School of Education, resp. het Dutch Teachers College. Daartoe zal ook ELAN belangrijk worden versterkt.


ELAN coördineert ook de uitvoering van een groot aantal aansluitingsprojecten tussen het VO en de UT. Het belangrijkste samenwerkingsverband is het LINX college. Het LINX college is de operationele uitwerking van de UT van het al zes jaar bestaande LINX samenwerkingsverband waarin 40 VO scholen, 2 ROC-instellingen, 1 AOC en de 4 HBO instellingen uit de regio zijn vertegenwoordigd. De missie van het LINX college is het creëren van een doorlopende studieloopbaan voor alle leerlingen. Binnen het college zijn verschillende programmaonderdelen gericht op leerlingen, docenten, decanen, studieadviseurs, en het management.


De universiteit is betrokken bij een veelheid aan projecten waarbij wordt geprobeerd om scholieren te helpen bij hun opleiding en bij het maken van een studiekeuze. Voorbeelden van activiteiten zijn de summercampus, bijspijkertrajecten, huiswerkbegeleiding en specifieke hulp bij profielwerkstukken. De vele activiteiten die zich op dit terrein afspelen zijn gedeeltelijk bedoeld als werving maar anderzijds behoort dit ook tot de maatschappelijke taak van UT. Dergelijke investering betalen zich vaak niet rechtstreeks terug, maar zijn eerder, evenals de lerarenopleiding, een gerichte maatschappelijke lange termijn investering.


De minister van OC&W heeft aan de UT in het kader van het diversiteitsbeleid een subsidie toegekend ter verbetering van de instroom, doorstroom en uitstroom van allochtone studenten. Momenteel is de instroom van allochtone studenten slechts 2%; als doel van het project is een stijging naar 10% geformuleerd. De projectorganisatie is gesitueerd binnen het instituut ELAN. Een belangrijk element in de verkenning vormt de specifiek op deze doelgroep toe te snijden studiebegeleiding tijdens het gehele traject van instroom, doorstroom en uitstroom.


Verder werkt de UT samen met het ITC, Instituut voor Geo-Informatie wetenschappen en Aard-observatie. In september 2006 gaat de UT (faculteit MB) participeren in een cursus Governance and Spatial Information Management, die een specialisatie gaat vormen binnen de ITC Masteropleiding Geo-information Science and Earth Observation. Verder verzorgt het ITC een minor Geo Data Processing and Spatial Information voor de UT. Er is een inhoudelijke samenwerking op het gebied “Water Resources” (opleiding CiT) gestart, waarbij studenten van het ITC een aantal vakken van de UT volgen en studenten van de UT een aantal vakken van het ITC.


Met de op de campus gevestigde kunstacademie AKI wordt eveneens samengewerkt, resulterend in een minor “Kunst en Technologie” en een masteropleiding Human Media Interaction. Een bijzondere vorm van samenwerking met de Radboud Universiteit is tot stand gebracht in het kader van de opleiding Technische Geneeskunde. Studenten van de opleiding TG kunnen in Nijmegen stages lopen. Ook wordt ander TG-onderwijs uit Nijmegen toegeleverd. Voor de verdere uitbouw van de opleiding TG is deze samenwerking essentieel.


5.4.3 Wat gaan we nog meer doen?


Aansluitingstrajecten (VO)

Er zijn verschillende initiatieven die ook vanuit het platform Beta en Techniek (WO sprint) gestimuleerd en financieel ondersteund worden:

Masterclasses:

inhoudelijk en intensief onderwijsprogramma voor de gemotiveerde en getalenteerde leerling die zich meer wil verdiepen in de bètavakinhoud. Begonnen met wiskunde, nu uit te breiden naar natuurkunde, scheikunde en informatica.


Topperstraject:

aanbodgestuurd onderwijs, ofwel aansluitonderwijs. Biedt de mogelijkheid voor vwo 5/6 leerlingen om naast het reguliere vwo-programma alvast een propedeuse-vak te volgen bij een UT-opleiding (inclusief opdrachten, toetsing, etc.). Aanbod: 30 P-vakken. Behaald vak telt mee als de leerling bij de UT start.


Studie Try-outs:

Deze zijn gekoppeld aan een opleiding op de UT. Inhoudelijk verdiepende oriëntatieactiviteit voor 5 vwo-leerlingen. De module vormt een eerlijke afspiegeling van de opleiding en geeft inzicht op het gebied van theorie, praktijk, niveau, (beroeps)mogelijkheden, sfeer, etc. Studie try-outs zijn ook voor Duitse scholieren toegankelijk.


TEAM:
het Team-project heeft tot doel om bij circa 8.000 Nederlandse en Duitse scholieren vanaf 10 jaar belangstelling te wekken voor een technische opleiding. Inhoud aanbod: didactisch ondersteund en op techniek gericht experimenteren. Uiteindelijk doel: stijging van het aantal ingenieurs voor het bedrijfsleven in de EUREGIO.

3xO:

In dit project worden onderzoeks- en ontwerpopdrachten ontwikkeld waardoor leerlingen de vaardigheden van het onderzoeken en ontwerpen leren. Hiervoor wordt een leerlijn ontwikkeld die begint in klas 1 en uiteindelijk uitmondt in het profielwerkstuk. Er wordt gebruik gemaakt van de know how en de faciliteiten van de UT.


Sustainable Design Award:
ligt in het verlengde van de projecten Techniek 15+ en Techniek 12+; samenwerkingsverband met UvA, SLO en drie Engelse partners waaronder Loughborough University. In het internationale project Sustainable Design Award werken leerlingen aan ontwerpopdrachten met duurzaamheid als centraal thema. Project wordt deels ondersteund door de Europese Commissie. Ambitie: aan dit project een uitwisselingsprogramma van een week koppelen.


Studentmentoren ‘Bèta 1 : 1’:
Doel project: de gang van VO docenten naar de UT door het laagdrempelige contact met de studentmentor te bevorderen, zodat leerlingen en docenten een beroep op de UT doen om medewerking bij het behandelen van bijzondere onderwerpen of het uitvoeren van praktische opdrachten of profielwerkstukken.


Technasium:

Vijf VO-scholen in Overijssel hebben met de stichting ‘Technasium’ een convenant ondertekend. De UT steunt dit Technasium-netwerk Overijssel. Docenten van de Technasiumscholen gaan projecten ontwikkelen voor het vak ‘Onderzoeken en Ontwerpen’. Bijdrage UT (ELAN) o.m.: nascholing op maat voor de docenten, didactisch ondersteunen van de projecten van Technasiumscholen en het bieden van ruimte en ondersteuning in de leerlingenwerkplaats van de UT.

Leerlingenwerkplaats:
Binnen de natuurwetenschappelijke vakken komen in het vo onderwerpen aan bod waarbij het op school ontbreekt aan de benodigde apparatuur en expertise. Daarom heeft de UT een ‘leerlingenwerkplaats’ ingericht. Deze is drie jaar deels bekostigd door het TechnoCentrum Twente. De ambitie is om de activiteiten in de leerlingenwerkplaats uit te breiden met opdrachten uit Technasium, 3xO en Sustainable Design Award.


Profielkeuzedag:
VWO-Leerlingen moeten al in de derde klas een keuze maken. Gaan zij in 4 vwo door in een ‘natuurprofiel’ of in een ‘maatschappijprofiel’? Bij dat keuzemoment is de juiste informatie nodig. In een pilot-project van 3 profielkeuzedagen ontvangt de UT per dag 100 tot 120 leerlingen uit 3 vwo. Leerlingen volgen één werkgroep met de N-profielen als basis, en één werkgroep op basis van de M-profielen. Centraal thema van beide werkgroepen: de mobiele telefoon. De werkgroepen worden gegeven door studenten en/of medewerkers van de UT. Doel: open stellen voor alle VO-scholen in het LINX-samenwerkingsverband.

De profielkeuze in het voortgezet onderwijs is thans op landelijk niveau onderwerp van discussie, naar aanleiding van het ontwerpadvies “Bruggen tussen Natuur en Maatschappij” van de profielcommissie Natuur en Techniek / Natuur en Gezondheid en de profielcommissie Economie en Maatschappij / Cultuur en Maatschappij. Het ontwerpadvies pleit, kort samengevat, voor:

een verlengde oriëntatie in 4 VWO

twee in plaats van vier profielen: één natuurprofiel met drie natuurwetenschappelijke basisvakken; één maatschappijprofiel

De universiteiten kunnen zich blijkens een eerste reactie hierin op hoofdlijnen vinden. Een belangrijk effect van realisatie van het voorstel kan zijn, dat een grotere groep scholieren met een natuurprofiel kiest voor een bètatechnische studie en dat daarmee de negatieve effecten van de huidige structuur met vier profielen (zo heeft het N&T profiel thans vrijwel geen vrouwelijke instroom meer) tot het verleden gaan behoren.


Regionaal Steunpunt Wiskunde D

Wiskunde D is het nieuw te ontwikkelen vak binnen het profiel Natuur en Techniek (tweede fase HAVO en VWO). Bijdrage UT aan de scholen: ontwikkeling van cursus- en lesmateriaal (projectopdrachten), en scholing van docenten. Doel van het vak: leerlingen inzicht geven in hoe wiskunde in vervolgopleiding, beroepspraktijk en wetenschap functioneert.


In dezelfde categorie hoort een DU project, buiten de WO Sprint stimulering: Mathmatch. Dit project richt zich op het bijspijkeren van kernkwalificaties van studenten op het gebied van wiskunde. Het wiskundeniveau van instromers in de bachelorfase en zij-instromers in de masterfase is steeds diverser en vaak ontoereikend. In Mathmatch zijn diagnostische toetsen wiskunde en bijbehorende zelfstudiemodules ontwikkeld die in verschillende studiefasen kunnen worden ingezet.

Alumnibeleid

De UT zal meer gebruik gaan maken van de kennis van haar alumni en deze meer systematisch betrekken bij de herziening van de opzet en inhoud van de opleidingen. Het alumnibeleid wordt thans op nieuwe leest geschoeid. Het alumnibureau geeft maandelijks een digitale nieuwsbrief uit voor alumni, verder krijgen alumni een levenslang e-mail adres en er wordt gewerkt aan een betere ontsluiting van vacatures. Naast de binding van de alumni aan de UT, zouden alumni ook inhoudelijk beter moeten worden betrokken bij de door hen gevolgde opleiding. Alumni vormen een belangrijke schakel tussen de universitaire wereld en de wensen van het afnemend veld. In het kader van WO Sprint zullen ook enkele uitstroomprojecten worden aangewezen.


Externe oriëntatie

De UT en SAXION hebben het voornemen om in de afstudeerfase studenten van beide instellingen te laten samenwerken in “werkplaatsen” waar ruimte is voor fundamenteel en toegepast onderzoek, maar waar ook oplossingen in bedrijfssituaties kunnen worden gezocht. In deze werkplaatsen is ook ruimte voor een directe inbreng van, en samenwerking met, bedrijven.




Life Long Learning

Een nog onvoldoende verkende markt voor de expertise die de UT kan bieden is de markt van levenslang lerenden. Niet alleen de reguliere studenten moeten profiteren van het onderwijs van de UT, ook organisaties en bedrijven kunnen hun voordeel doen met het onderwijs en onderzoek op topniveau dat de UT in huis heeft. Maar ook de UT kan zelf leren uit de inbreng van deze doelgroep uit de praktijk. Er is binnen de UT veel kennis voorhanden waarvoor belangstelling bestaat bij organisaties en bedrijven. Daarbij is binnen de UT een extra inspanning nodig om de verkaveling van expertise binnen verschillende groepen te overstijgen: weten welke kennis er bij andere groepen op de plank ligt. Idealiter zouden personen uit capaciteitsgroepen daarvoor op afroep kunnen worden ingehuurd. Het gaat bij het proactief opzetten en in de markt zetten van life long learning aanbod om de combinatie van expertise, ervaringen en contacten.

Voor de faculteit MB liggen er bij uitstek mogelijkheden op het gebied van life long learning, maar ook voor de technische faculteiten en de faculteit GW. Trefwoorden die de aard van het bij de UT passende aanbod goed weergeven zijn “Technologische Innovatie” en “Management van Innovatie”. Vakgebieden waarop voor de UT mogelijkheden liggen zijn Bedrijfskunde, Bouwmanagement, Communicatiewetenschap en de gezondheidszorg.


Het aanbod kan bestaan uit:

Een cyclus “actualiteitencolleges”: workshops van een dag, speciaal voor alumni

leergangen: specialistische cursussen voor bepaalde bedrijfstakken (al dan niet in de vorm van in company training) tot het aanbieden van specifieke losse modulen die voor een breder publiek toegankelijk zijn. Deze mogelijkheid kan goed gebruik maken van de invoering van het stelsel van leerrechten.

commerciële postinitiële masteropleidingen (vergt een nadere positiebepaling naast andere aanbieders)

deeltijdse varianten van bestaande bekostigde masteropleidingen

PhD trajecten (zie ook einde van paragraaf 4.1.3)

Voor alle categorieën geldt dat maatwerk qua inhoud en vorm noodzakelijk is.

Uitgangspunt bij de verdere ontwikkeling van postinitieel onderwijs is dat alle vormen die leiden tot een volwaardige Masteropleiding moeten worden gekoppeld aan een systeem van accreditatie, bijvoorbeeld door ABET of EAPAA.


De faculteit MB start binnenkort met actualiteitencolleges over onderwerpen als risicomanagement, valorisatie van technologie en marketing update voor zijn doelgroep van 20.000 alumni.

De faculteit biedt enkele leergangen aan voor specifieke doelgroepen, zoals de leergang “Locale sociale zekerheid” (doelgroep: managers van gemeentelijke diensten voor werk, inkomen en zorg) en “Bedrijf en Bestuur Waterschappen”, een leergang van 15 tweedaagse seminars gedurende anderhalf jaar. Na het behalen van het certificaat kunnen laatstgenoemde cursisten na een succesvolle individuele intake worden toegelaten tot één van de reguliere master opleidingen van de UT.

Ook is de UT gestart met een “ECIU Leadership Development Programme”, in samenwerking met de universiteiten van Strathclyde en Hamburg-Harburg.


Er bestaan plannen voor een specifieke master track “Watermanagement”. Daarnaast zijn enkele andere leergangen in ontwikkeling, op gebieden als Global Business Process Sourcing, HRM leergangen, Europa in de regio en Bedrijfskunde voor woningbouwverenigingen.

De faculteit is door het ministerie van Buitenlandse Zaken in de gelegenheid gesteld om 40 studenten uit centraal en oost Europa de master opleiding Public Administration te laten volgen.

Verder werkt de faculteit aan zelfstudies voor de NVAO accreditatie en opname in het CROHO van zijn drie postinitiële masteropleidingen: Master of Public Management (MPM), International Master of Business Administration (IMBA) en Master Environmental & Energy Management (MEEM). Bij het inhoudelijk en didactisch vernieuwen van de MPM master worden de 220 alumni ingeschakeld voor feedback.


De faculteit wil op korte termijn de haalbaarheid verkennen van enkele nieuwe postinitiële master opleidingen, waaronder “Business & IT”. Het curriculum is er op gericht om de doelgroep in zestig dagen (gespreid over twee en een half jaar tijd) het masterdiploma te laten behalen. Andere beoogde bekostigde master opleidingen zijn: Technology Management, Economy and Law, en Gezondheidswetenschappen (deeltijd). Algemenere opleidingen zullen zich richten op een doelgroep met enkele jaren werkervaring, meer specialistische opleidingen zullen zijn toegesneden op mid-career studenten. Alle masteropleidingen dienen nationaal en internationaal te zijn geaccrediteerd en over een eigen OER te beschikken.

Tenslotte wil de faculteit de koppeling tussen postinitieel onderwijs en onderzoek beter organiseren.


In de nota “Verleren, post-ervaringsonderwijs in het BaMa tijdperk” heeft de faculteit MB een aantal overwegingen en kaders aangegeven die ook voor andere faculteiten en de UT als geheel van belang zijn.De Lissabon Doelstelling, dat Europa als kenniseconomie op wereldniveau in 2010 een frontspeler moet zijn, is in het perspectief van de Europese Commissie op levenslang leren gebaseerd.De belangrijkste kenmerken van de zich ontwikkelende kennissamenleving zijn kennisintensivering, kennisvernieuwing en kennisnetwerken. Centraal bij post-ervaringsonderwijs staat “employability”: de rol van de professional in de beroepspraktijk. De visie hierop dient te worden aangescherpt tot een systematisch beeld. Post-ervaringsonderwijs is een integraal onderdeel van het totale onderwijsaanbod van de UT (te zien als de professionele specialisatiefase van het bachelor- en master onderwijs) en dit impliceert uitbouw en doorontwikkeling van het bestaande onderwijsaanbod.


De beoogde kennis voor life long learners bestaat uit kennisverbreding en kennisontwikkeling. Een specifieke balans tussen cognitie (relevante vakinhoudelijke kennis) en vaardigheden (het zichtbaar maken van de praktische relevantie en hanteerbaarheid / functionaliteit van die kennis) is vanuit het doel van “employability” van groot belang. Het gaat immers om vaardigheden binnen een specifieke professionele context.


Door de invoering van het hoger onderwijs in fasen is de traditionele onderscheiding naar initieel en postinitieel onderwijs verdwenen. De student heeft de mogelijkheid om bij elke vervolgstap van instelling te veranderen. Fysieke afstand tussen onderwijsaanbod en –vraag is voor aanbieders én vragers steeds minder relevant. De markt voor postinitieel onderwijs op het gebied van management en bestuur is te karakteriseren als zeer competitief, tussen een groot aantal aanbieders (vanwege de relatief geringen benodigde investeringen). Dit vergt een duidelijke profilering van het aanbod van de UT. Bij het grote bedrijfsleven speelt naast de hoogste kwaliteit van (postinitiële) opleidingen ook de internationale status van de aanbiedende instelling een rol. Dit is in het voordeel van Europese instellingen. De kennis van docenten van postinitiële programma’s dient van een persoonlijke kennis naar een organisatorische kennis te worden gestuurd, vooral waar het opleidingen met een internationale populatie betreft. De afstemming tussen postinitieel en regulier onderwijs moet worden verbeterd, zowel qua verticale (disciplinaire) samenhang in het aanbod als qua horizontale samenhang ter facilitering van de overstap tussen disciplines.


Bij postinitieel onderwijs staat een radicale vorm van competentiegericht onderwijs centraal, de zgn. “action learning”. Postinitieel onderwijs dient terug te grijpen op het concept van “Internalisation at home”. Verder heeft de beoogde substantiële impuls aan life long learning consequenties voor het personeelsbeleid. Het gaat daarbij om

-opname van het post-ervaringsonderwijs in het reguliere takenpakket van de medewerkers,

-aandacht voor dit onderwijs in didactische cursussen voor docenten).

Life long learning heeft ook consequenties voor het financieringsmodel. Bijvoorbeeld:

-vergoeding van docenten en capaciteitsgroepen

-adequate registratie van instroom en uitstroom

-het buiten “nine to five” open stellen van faciliteiten aan de doelgroep


Bij de realisatie van bovengenoemde plannen op het gebied van Life Long Learning zal de mogelijkheid tot samenwerking met TSM Business School als facilitator en in het kader van een flexibele inzet van personeel (capaciteit) worden bezien.


Lerarenopleidingen

Hoofdelementen uit het “Plan voor een nieuw ELAN, 2007 – 2012” zijn:

versterking van wetenschappelijk onderzoek op de gebieden docentprofessionalisering, vakdidactiek en wetenschapscommunicatie

uitbreiding van het aanbod in de lerarenopleidingen middels een verbreding van de huidige masteropleiding Science Education tot een 3 TU masteropleiding Science Education and Communication. Deze opleiding krijgt een volwaardige track op het gebied van de wetenschapscommunicatie. Doelstelling is om in 2012 een jaarlijkse uitstroom uit de masteropleidingen te genereren van 65 afgestudeerden.

participatie in de Twente School of Education, een regionaal centrum voor onderwijsberoepen, in samenwerking met SAXION en de Hogeschool Edith Stein, met als doel om de eerstegraads en tweedegraads lerarenopleidingen in de regio beter op elkaar af te stemmen en verdere groei te faciliteren (o.a. upgrading van tweedegraads leraren tot eerstegraads leraren)

samenwerking in het kader van het Dutch Teachers College (partners: Universiteit Utrecht, Hogeschool Utrecht, Open Universiteit, Fontys Hogescholen) op het gebied van docentprofessionalisering, door het aanbieden van een deeltijdse masteropleiding voor de grote doelgroep van reeds in het onderwijs werkzame leraren.

structurele inbedding van aansluitingsactiviteiten met het VO: dit zijn inmiddels reguliere taken van de universiteit en deze mogen niet langer volledig afhankelijk zijn van externe aanjaagsubsidies zoals WO Sprint.


Tijdspad

Een aantal van de genoemde aansluitingsprojecten zal, deels met steun vanuit het programma WO Sprint, in de periode tot 1/1/2009, gefaseerd worden aangepakt.




6. Prioriteiten en de implementatie in 2007


In de voorafgaande hoofdstukken van deze nota staan een groot aantal voornemens, pilots en andere activiteiten beschreven. Het mag duidelijk zijn dat niet al deze voornemens met dezelfde prioriteit kunnen worden aangepakt. Hieronder sommen wij daarom eerst nogmaals kort de belangrijkste voornemens uit deze onderwijsnota op. Het gaat hier om een groslijst van activiteiten waar in de komende jaren aandacht aan besteed zal gaan worden. Daarnaast worden er in de nota ook een aantal maatregelen genoemd die niet in de groslijst zijn opgenomen omdat zij in andere beleidsnota’s reeds voldoende geadresseerd zijn (bijvoorbeeld alumnibeleid). In paragraaf 6.2 benoemen we vervolgens een beperkt aantal activiteiten die volgens het College in 2007 met prioriteit zouden moeten worden uitgevoerd. Waarna in paragraaf 6.3 een aantal ontwikkelingen wordt aangeduid die of reeds ingang zijn gezet of waaraan met name op de middenlange termijn waarde wordt gehecht.



6.1 Overzicht voorgenomen activiteiten onderwijsnota


6.1.1 Flexibel onderwijsaanbod

In hoofdstuk 2 is aandacht besteed aan een flexibeler onderwijsaanbod met name op het gebied van gedifferentieerde leerwegen, flexibiliteit in tijd, plaats en vorm. Daarbij zijn de volgende voornemens en speerpunten genoemd:

Aandacht voor nieuwe markten; door het uitvoeren van een behoefte onderzoek naar brede bacheloropleidingen, het ontwikkelen en uitvoeren van brede bacheloropleidingen.

Opzet en organisatie van het curriculum gebruiken voor flexibilisering. Dit kan door twee instroommomenten per master te realiseren. Een onderzoek naar haalbaarheid en implementatie(on)mogelijkheden zal worden uitgevoerd

Flexibele master formats aanbieden met partneruniversiteiten.

Implementatie en inbedding van extracurriculaire initiatieven als het Honours Programma en het Skills Certificate; daarnaast verkenning van de mogelijkheid om excellente studenten domeinbrede verdiepingstrajecten aan te bieden;.

Inzet van ICT in het onderwijs door (zelfstudiecomponenten van) vakken te digitaliseren, deficiëntie- en pre-master trajecten digitaal aan te bieden. Daarnaast aandacht voor de inzet van ICT bij toetsing.

Onderzoek naar en implementatie van een nieuw onderwijs- en studentinformatiesysteem, bij voorkeur afgestemd in 3TU verband.


6.1.2 Kwaliteitszorg

In hoofdstuk 3 is aandacht besteed aan de kwaliteitszorg op instellings-, opleidings-, student- en docentniveau. Daarbij zijn de volgende voornemens en speerpunten genoemd:

Opzetten van een systeem van instellingskwaliteitszorg onderwijs.

Mentoraat en studiebegeleiding kwantitatief op peil brengen en kwalitatief verbeteren. Daarbij moet er een slag worden gemaakt ter verbetering en uniformering van een studentvolgsysteem, bij voorkeur in afstemming met het nieuwe onderwijs- en studentinformatiesysteem.

Aandacht voor kwaliteit van het onderwijspersoneel door maatregelen zoals een betere toepassing van de weging van onderwijsprestaties bij de beoordeling van bevordering tot UHD, verplichte toets Engelse taalvaardigheid voor alle docenten, toetsen van beginnende docenten aan de BKO criteria en verbetertrajecten (docentprofessionalisering) voor zittende docenten .

(Master)curricula beschrijven op basis van eindcompetenties (Meijers criteria)


6.1.3 Onderwijsorganisatie

In hoofdstuk 4 is aandacht besteed aan de onderwijsorganisatie waarbij met name is ingegaan op de toegankelijkheid van het onderwijs, de efficiëntie en de randvoorwaarden die daar bij horen. Daarbij zijn de volgende voornemens en speerpunten genoemd:

Verbetering van de onderwijsefficiëntie door aandacht te besteden aan (vermindering van) het aantal vakken, de omvang van de vakken en het aantal toetsmogelijkheden. Voor de individuele student worden deze beperkt tot drie en weinig gevolgde vakken slechts eens in de twee jaar aan te bieden.

Efficiëntieslag ten aanzien van onderwijsaanbod; opheffen onderling concurrerende tracks en niet rendabele opleidingen , m.u.v. voor de UT strategische opleidingen.

Inzet van studentassistenten.


6.1.4 Universiteit Twente en haar omgeving

In hoofdstuk 5 is aandacht besteed aan de omgeving van de universiteit waarbij is ingegaan op de samenwerkingsverbanden op internationaal niveau, met de 3TU partners, met de HBO partners (met name Saxion) en in de regio met partners zoals het Roessingh, Medisch Spectrum Twente, het ITC en scholen uit het voortgezet onderwijs. Daarbij zijn de volgende voornemens en speerpunten genoemd:

Opleidingen internationaal toegankelijker maken bijvoorbeeld door wederzijdse erkenning van modules en van pre-master schakelprogramma’s met name binnen ECIU verband. Daarnaast is er actief beleid nodig richting ERASMUS MUNDUS en moet het aantal joint-degrees met name binnen de ECIU worden uitgebreid.

Samenwerking in 3TU verband, met name ten aanzien van het aanbod van 3 TU masters, daarnaast ook versterking van de samenwerking met RUG, KUN en WUR.

Samenwerking met het HBO, met name SAXION. Daarbij is aandacht nodig voor afstemming van het opleidingenaanbod. Ook moet worden nagegaan of de doorstroom vergemakkelijkt kan worden door gebruik te gaan maken van assessment bij schakelprogramma’s. Tenslotte zal ook de samenwerking met bedrijfsleven en HBO via de opzet van “werkplaatsen” worden versterkt.

Versterking aansluitingstrajecten VO – WO met name waar het gaat om het in laten dalen van WO-sprint activiteiten.

Aandacht voor de lerarenopleidingen via een nieuwe lerararenopleiding, particpatie in de Twente School of Education en het Dutch Teachers College,



6.2 Speerpunten voor 2007

Het is niet mogelijk om alle hierboven genoemde activiteiten uit te voeren in 2007. Daarom staan hieronder speerpunten benoemd die volgens het College in 2007 met prioriteit moeten worden uitgevoerd.


Marktonderzoek (Engelstalige) brede bacheloropleidingen

Doel:

Verschillende faculteiten waaronder EWI en CTW hebben aangegeven onderzoek te willen doen naar brede bacheloropleidingen of vrije opleidingsvarianten. Daarbij komt dat er tot nu toe nauwelijks gedegen marktonderzoek is verricht naar marktkansen voor deze mogelijkheden. Dit leidt er toe dat veel investeringen in nieuwe opleidingen vooral gestoeld zijn op “een gevoel dat de arbeidsmarkt en/of de student er behoefte aan heeft”. Hierdoor neemt de universiteit soms een aanzienlijk investeringsrisico. Daarom zal er in samenwerking met de faculteiten in 2007 een marktonderzoek naar de mogelijkheden voor een beperkt aantal nieuwe brede bacheloropleidingen worden uitgevoerd, waarbij gedacht kan worden aan gebieden als Industrial Engineering en Creative Technology.


Uitvoering:

Het marktonderzoek zal moeten bestaan uit een behoefte onderzoek onder (internationale) scholieren, een arbeidsmarkt onderzoek en een kannibalisatie onderzoek. Gezien de omvang van het onderzoek zullen hier deels externe partijen bij moeten worden betrokken. In het uitvoeringsnota internationalisering is tevens een onderzoek aangekondigd dat zal worden uitgevoerd met BC. Beide initiatieven zullen moeten worden gecombineerd.


Flexibiliteit door efficiënte inzet ICT

Doel:

In deze nota zijn een aantal maatregelen benoemd die tot doel hebben om flexibiliteit van het onderwijs te bereiken door middel van efficiënte inzet van ICT. Er zijn al veel applicaties beschikbaar op de markt. Het knelpunt lijkt vooral te liggen in het vertalen/aanpassen naar respectievelijk laten indalen van deze producten (en de kennis) in de dagelijkse praktijk van het onderwijs. Concrete projecten waar het college het komende jaar aandacht aan wil besteden zijn de toepassing van ICT in online-leeromgevingen waarbij de nadruk in eerste instantie ligt bij gemeenschappelijke vakken (zoals calculus), de (internationale) pre-master trajecten, de deficiëntie trajecten voor VO scholieren en de overige aansluittrajecten. Hiertoe is het noodzakelijk om cruciale vakken te digitaliseren. Er zijn reeds onder andere door de DU ontwikkelde modules die hiervoor kunnen worden gebruikt.



Uitvoering:

Digitaliseren vakken op schakelmomenten; VO-WO, Ba-Ma, HBO-Ma

De faculteit MB wil in 2007 met steun van het ITBE een pre-master traject online aanbieden, mogelijk in samenwerking met de Britse Open University. Na opzet en uitvoering van deze pilot zou dit tot een UT-brede implementatie kunnen leiden – en een kans bieden op Britse instroom.

Inzet ICT bij toetsing ITBE-OD onderzoekt of bij de eventuele invoering van Sakai ook (web)toetsfuncties kunnen plaatsvinden GW en MB zijn in ieder geval van plan om in 2007 nieuw toetsbeleid te ontwikkelen.

De faculteit EWI gaat in 2007 ICT-instrumenten inzetten ter verbetering van de aansluiting van HBO bachelor naar WO master.

De faculteit TNW gaat twee studiedagen organiseren over de vraag, hoe zowel op vak- als vakoverstijgend niveau meer ICT in het onderwijs kan worden ingevoerd.


Verkenning nieuw DWLO

Doel:

Momenteel wordt er onderzoek gedaan naar een vervanger van de huidige digitale werk en leeromgeving Teletop. Het onderzoek richt zich met name op SAKAI . In het voorjaar van 2007 valt het go / no go besluit voor dit systeem waarna er een aantal pilots kan worden uitgevoerd. Op termijn volgt realisatie van de productieomgeving, inclusief een goede integratie met bestaande webapplicaties, instructie en begeleiding van studenten en docenten. Het doel is dat alle opleidingen uiterlijk per 1 augustus 2008 over een nieuwe elektronische leeromgeving beschikken.


Uitvoering:

Ten behoeve van de implementatie volgt er nog een uitgebreid projectvoorstel.


Instellingskwaliteitszorgsysteem

Doel:

De UT heeft nog geen beleid voor instellingskwaliteitszorg van onderwijs. Er zijn al wel een aantal operationele onderdelen, maar er is nog geen integraal beleid. Na een beschrijving van de huidige situatie (nulmeting) en een nieuwe situatie, zal er een implementatieplan moeten worden geformuleerd.


Uitvoering:

De uitvoering van het project ligt bij ITBE-OD.


Mentoraat en studiebegeleiding

Doel:

Kwantitatief op peil brengen en kwalitatief verbeteren studiebegeleiding en verbetering opzet studentenvolgsysteem. Dit laatste zal een instellingsbrede aanpak vergen omdat anders iedere opleiding het wiel opnieuw gaat uitvinden.


Uitvoering:

Mede op voorstel van Stuurgroep WO Sprint wordt gedacht aan een stuurgroep studentvolgsysteem, onder voorzitterschap van een decaan. Deze stuurgroep moet de in het rapport “Follow me” (DU-project ITBE-OD) geformuleerde randvoorwaarden voor systeembouw (-keuze) gebruiken als basis voor een plan van aanpak.

Diverse in DU-verband ontwikkelde instructiematerialen worden door ITBE-OD in 2007 gebruikt als nieuw element in cursussen en begeleidingsactiviteiten rond studiebegeleiding en mentoraat.

CTW wil kwantiteit, kwaliteit én studentenvolgsysteem in 2007 middels een pilot aanpakken.


Competentie in het onderwijs:

Doel:

Beschrijving van curricula in competenties om vervolgens kritisch te kijken naar de huidige instroomeisen en het beroepenveld. Het uiteindelijk resultaat kan zijn dat (internationale) studenten worden toegelaten tot de master op basis van hun competentieprofiel. Te bewijzen via een competentieprofiel of een assesment.





Uitvoering:

MB start in 2007 met een ontwikkelings- en implementatietraject “competentiegericht onderwijs” op basis van de Meijers criteria. Een startconferentie staat gepland in het voorjaar van 2007. Verder ligt in de planning om de opleidingen te gaan beschrijven met behulp van deze systematiek.

EWI voert in 2007 een “leerdoelen project” uit, waarin bij de bachelor- en masteropleiding INF de leerdoelen per vak worden ge(her)formuleerd in samenhang met de eindtermen

De competentievergelijking die door de TN opleidingen in 2004 is uitgevoerd (bachelor SAXION – master UT) kan door andere technische disciplines worden geparafraseerd en de inzichten uit die competentievergelijking kunnen worden vertaald in de inhoud van de schakelprogramma’s.

Tenslotte zal finetuning met de voornemens inzake assessment van de internationale instroom plaatsvinden.

Te overwegen valt om een aparte project organisatie op te richten die deze activiteiten de komende jaren gaat opzetten en begeleiden (ism 3TU).


Lerarenopleiding:

Doel:

De universiteit voelt zich gecommitteerd om haar bijdrage te leveren aan het probleem van het lerarentekort. Daarom wil het College inzetten op het versterken van de universitaire lerarenopleiding, alsmede op de professionalisering van zittende VWO docenten, middels samenwerking in de regio in de Twente School of Education en op landelijk gebied via het Dutch Teachers College. De UT wil hiertoe in 2007 het instituut ELAN uitbreiden qua taken en ambities. Daartoe zal ELAN belangrijk worden versterkt


Uitvoering:

Er is een projectplan. “Plan voor een nieuw ELAN 2007-2012” geschreven waarin de taken, werkzaamheden en inrichting van het hernieuwde instituut zijn beschreven. In 2007 zal worden begonnen aan het invulling geven aan het plan.



6.3 Lopende activiteiten en prioriteiten middellange termijn

In deze paragraaf gaan we kort in op activiteiten die of reeds ingang gezet zijn of waaraan met name op de middenlange termijn waarde wordt gehecht.


Twee instroommomenten per master

Doel:

Er zal onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid om twee instroommomenten in de master te hebben. Dit impliceert ook dat vakken twee maal per jaar (de tweede bijvoorbeeld via zelfstudie) moeten worden aangeboden. Doel van het onderzoek is meer flexibiliteit in de masteropleidingen te krijgen zonder fysieke verdubbeling van de docentbelasting. Andere suggesties die in het onderzoek meegenomen zouden kunnen worden is het idee dat het eerste kwartiel dubbel wordt aangeboden.


Uitvoering:

De faculteit MB gaat in 2007 in ieder geval een verkennend onderzoek doen naar de haalbaarheid en implementatiemogelijkheden van twee instroommomenten.


Implementatie Honours Programma

Doel:

Het Honours Programma gaat per april 2007 van start met als doel om excellente studenten in twee jaar een aanvulling te laten volgen bovenop het reguliere curriculum. Het resultaat is een aantekening op het diploma.


Uitvoering:

Voor de uitvoering van het project is een bureau Honours opgericht dat is ondergebracht onder de faculteit EWI.






Implementatie Skills Certificate

Doel:

Het extra-curricullaire onderwijs ten behoeve van het Skills Certificate (Leiderschap, Ondernemersgeest en Overtuigingskracht) is in oktober 2006 van start gegaan. Daarnaast wordt er gewerkt aan een Competentie Ontwikkelings Project (COP) voor studentbestuurders.


Uitvoering:

De uitvoering van dit project ligt in handen van de Student Union. Zij worden op een aantal onderdelen bijgestaan door ITBE-OD.


Doelmatiger onderwijs:

Doel:

Efficiëntere en moderne bedrijfsvoering leidt tot besparingen op de administratieve processen en meer ruimte voor verbetering van kwaliteit van de primaire processen.


Uitvoering:

De faculteit CTW gaat in 2007 onderzoek doen naar de doelmatigheid van de vakken in zijn opleidingen. Doel is het afschaffen van onvoldoende renderende vakken.

Opheffen van niet rendabele (vooral bachelor) opleidingen;

oIn 2007 zal in het kader van de herziening BBR in elk geval de opheffing van de masteropleiding Geo-informatica worden opgenomen. De faculteit EWI heeft hiertoe inmiddels besloten.

oAndere opleidingen waarvoor opheffing in beeld komt zijn Telematica (bachelor en master), wellicht ook de master Mechatronica (kan opgaan in de 3 TU master “Systems and Control” waarvoor een NVAO aanvraag wordt voorbereid) en de onderzoeksmaster “Social Systems Evaluation and Survey Research”.


Bindend Studie Advies:

Doel:

De verwachting is dat het bindend studieadvies (BSA) over een aantal jaren een regulier onderdeel zal worden van de een bacheloropleiding. Daarom wil de UT een pilot starten. Gegeven de belangstelling binnen de opleiding TCW voor dit instrument, in de rede om een pilot met de invoering van het BSA te starten. Afhankelijk van de eerste ervaringen in de pilot kunnen andere faculteiten zich op den duur bij het initiatief aansluiten.


Uitvoering:

Het College zal een richtlijn opstellen waarin staat aangegeven wat de voorwaarden zijn voor de invoering van het BSA. GW heeft aangegeven met een voorstel te willen komen aan het CvB, waarin de faculteit aan de hand van de recente onderwijsvisitatie en het huidige niveau van de studiebegeleiding wil aantonen dat aan de randvoorwaarden voor BSA is voldaan.


Versterking Life Long Learning:

Doel:

Post-initieel onderwijs is momenteel een onderbelicht terrein. Er dienen een aantal stappen te worden gezet om tot de ontwikkeling te komen tot een goed post-initeel onderwijsaanbod voor deze naar alle waarschijnlijkheid groeiende markt.

Uitvoering:

De faculteit GW organiseert in 2007 een bijeenkomst over Life Long Learning. Bedoeling is dat daar een task force wordt samengesteld voor het ontplooien van verdere initiatieven.

Ook de faculteit MB heeft plannen voor nieuw cursusaanbod. In september 2006 is voor de doelgroep “managers waterschappen” een leergang “Bedrijf en Bestuur Waterschappen” bij het CBO van start gegaan. MB verkent in 2007 andere mogelijkheden.


Aansluitingstrajecten VO – WO

Doel:

Verbeteren van de aansluiting tussen middelbare scholen en de Universiteit Twente




Uitvoering:

Dit is inmiddels het speerpunt van het instroomdeel van het WO Sprint programma: negen aansluitprojecten zijn goedgekeurd en hebben trekkingsrechten verkregen uit de door het Platform Bèta Techniek aan de UT beschikbaar gestelde middelen voor de eerste tranche van het driejarig WO Sprint programma. Het gaat om de volgende projecten: Technasium, TEAM, Bèta 1:1, Regionaal steunpunt Wiskunde D, Sustainable Design Award, 3 x O, Masterclass, Leerlingenwerkplaats en Profielkeuzedag.

Verder is bij OC&W in december 2006 toestemming gevraagd om per augustus 2007 bij de opleidingen WB en CiT (faculteit CTW) een separaat traject aan te mogen bieden voor meisjes met een VWO-diploma met profielen E&M en C&M.