agendapunten

10. Beantwoording vragen UR ontwerpbegroting

Vragen en antwoorden naar aanleiding ontwerpbegroting 2007


Deelbegroting TG


1.De eerste lichting bachelors is door de opleiding heen. Is er inmiddels sprake van een stabiele financiële bekostiging van de bachelor?


Reactie CvB:

Als achtergrondinformatie kan hier worden opgemerkt dat in het algemeen op dit moment nog niet gesproken kan worden van een stabiele externe bekostiging van de bachelorfase. Dit omdat het BaMa-bekostigingsmodel van OCW nog te maken heeft met faseverschillen in de invoering van de bachelor-masterstructuur door de universiteiten. Over de gehele invoeringsfase zal dit overigens budgettair neutraal zijn. Meer specifiek m.b.t. technische geneeskunde valt de vraag m.b.t. een stabiele bekostiging van de bachelor uiteen in twee delen:

In de eerste plaats de bekostiging van het aantal eerstejaars: deze is stabiel. In september 2003 is de eerste lichting van 50 bachelor-studenten van start gegaan. Vanaf september 2005 is sprake van een stabiele instroom van 100 bachelor-studenten. Door de bekostigingssystematiek (t-2) betekent dit een stabiele bekostiging van 100 eerstejaars met ingang van begrotingsjaar 2007.

In de tweede plaats de bekostiging van het aantal bachelor-diploma’s: deze is op dit moment nog niet stabiel. De eerste bachelor-diploma’s van tg kunnen op zijn vroegst pas vanaf september 2006 gerealiseerd zijn (daar zijn op dit moment nog geen gegevens over beschikbaar). Deze diploma’s tellen door de bekostigingssystematiek (t-2) pas vanaf begrotingsjaar 2008 voor het eerst mee in de bekostiging.

Conclusie is dus dat op dit moment nog geen sprake is van een stabiele bekostiging van de bachelor-fase van tg.


2.Hoe gaat het met de verdere opzet van de master. Het 1e masterjaar is vooral stage, dus weinig in huis, maar wat moet daarna geregeld zijn?


Reactie CvB:

Het mastertraject van TG is 3-jarig. Voor het masteronderwijs is in afstemming met het beroepenveld een competentieprofiel opgesteld. Daarvan is het verwerven van een professionele houding en het kunnen toepassen van medische handelingen in een klinische omgeving een belangrijk leerdoel. In het eerste jaar wordt hiertoe een inhoudelijke verdiepingsslag aangebracht. Het gaat daarbij om onderwijs binnen de universiteit. Het tweede en derde jaar gaan de studenten op stage om zich de eindcompetenties aan te leren. Hiervoor zijn inmiddels contracten afgesloten met 56 instellingen.



3.Hoe verloopt de opzet van nieuwe leerstoelen. Op welke termijn moet er hoeveel onderzoeks potentieel zijn?


Reactie CvB:

Op dit moment wordt in de deelbegroting van tg uitgegaan van een geleidelijke opstart van het onderzoek binnen de bestaande leerstoelen en het onderzoeksinstituut FC Donders. Er wordt binnen tg nog nagedacht over de opstart van 3 nieuwe leerstoelen, hetgeen het exploitatieresultaat 2007 nog negatief kan beinvloeden (afhankelijk van het tempo van opstart van het onderzoek en de omvang van de nieuwe leerstoelen). Het streven is om op termijn – afhankelijk van de financiele mogelijkheden – uit te groeien naar 5 TG-leerstoelen.





4.Wat is de relatie van de inrichting van het onderzoek met het instituut BMTI?


Reactie CvB:

Op dit moment is er wel inhoudelijke afstemming, maar geen organisatorische. Het CvB streeft ernaar dat het TG onderzoek op termijn wordt ondergebracht bij BMTI.


5.Hoe gaat de verdeling van OO middelen voor toegeleverd onderwijs aan tg? Komen er OO middelen binnen voor deze opleiding of gaat dat via een ander stramien?


Reactie CvB:

Op dit moment ontvangt de UT uitsluitend nog onderwijsmiddelen voor de opleiding technische geneeskunde. Afspraak en bestendige gedragslijn is dat op de inkomsten voor tg het forfaitaire percentage wordt ingehouden en dat het resterende bedrag naar TNW wordt doorgesluisd. Aangezien de opleiding tg op deze manier vooralsnog buiten het UT-verdeelmodel wordt gehouden en daarmee buiten de onderwijsvervlechtingsmatrix, dient TNW de onderwijstoelevering door andere faculteiten aan de opleiding tg bilateraal te verrekenen met deze faculteiten. Dit zijn echter uitsluitend onderwijsmiddelen: tg ontvangt vooralsnog geen OO-middelen en daarmee ontvangen de toeleverende faculteiten ook geen OO-middelen voor de inspanningen in het kader van de opleiding tg.


Deelbegroting BMTI


Het BMTI spreekt over een noodzakelijke aanpassing van het verdeelmodel om voor de komende jaren geen negatief exploitatieresultaat te laten zien. Wordt hiermee een voorschot genomen op a) Het anders plaatsen van schotten in het verdeelmodel ten gunste van BMTI b) de M€ 5 uit de reorganisatie operatie of c) een opmerking om zelf niet in te hoeven grijpen in de uitgaven.


Reactie CvB:

De negatieve exploitatieresultaten van BMTI voor de komende jaren hebben met name te maken met de vertraagde inzet van stimuleringsmiddelen en niet zozeer met het UT-verdeelmodel dan wel aanpassingen daarin.


Ontwerp begroting 2007


P.S. De centrale tekst is toegestuurd als concept en nog niet door het CvB vastgesteld. Indien zij ongewijzigd blijft, de volgende vragen:


Centrale stimulering, Paragraaf 2.1 en 2.2: De UR heeft zich altijd op het standpunt gesteld dat er alleen centrale stimuleringsmiddelen gereserveerd dienen te worden voor zover daar onderbouwde en geaccordeerde plannen aan ten grondslag liggen. Volgens de exploitatierapportage is er een miljoenenoverschot in de centrale stimulering over 2006. Daarbij merkt het college op dat het niet te verwachten is dat de bedragen alsnog lopende het begrotingsjaar besteed worden. Voor 2007 reserveert het college opnieuw 1.9 miljoen zonder concrete plannen.

1.Zijn overschotten in de CS niet extra ongewenst vanwege de jarenlange overschrijding van de 10%-maximumnorm die voor CS is afgesproken?


Reactie CvB:

De UR doelt hier op de onderbesteding binnen de US in 2006 en de op basis daarvan kennelijk verwachte onderbesteding binnen de US in 2007. Hier moet gewezen worden op de verwachting dat alle US-middelen in 2007 zullen worden ingezet (zie ook hieronder). M.b.t. de overschrijding van de 10%-norm voor US kan nog gemeld worden dat voor het begrotingsjaar 2007 geldt dat er sprake is van een aanvullende TCO van M€ 1,2 voor Usoz, waarvan nut en noodzaak uitvoering tijdens de behandeling van de UR-vragen m.b.t. de ontwerp-begrotingsrichtlijnen 2007 door het college zijn toegelicht. Ten aanzien van Usow is met ingang van het begrotingsjaar 2007 geen sprake meer van overschrijding van de 10%-norm.


2.Kan het college de plannen voor CSOW waaronder de plannen voor internationalisering alsnog bij de begroting overleggen? Zo nee, welk deel van het bedrag kan aan het verdeelmodel worden toegevoegd omdat anders onderbesteding is te verwachten?


Reactie CvB:

Zowel voor de onderwijsnota als de nota internationalisering wordt momenteel een plan van aanpak uitgewerkt waarin ook zal worden aangegeven op welke wijze de voor deze doelen gereserveerde middelen zullen worden ingezet. Het college verwacht met het oog op de te formuleren plannen van aanpak geen onderbesteding in 2007, dus toevoeging aan het verdeelmodel is niet aan de orde.


3.Kan het college de plannen voor CSOZ alsnog bij de begroting overleggen? Zo nee, welk deel van het bedrag kan aan het verdeelmodel worden toegevoegd omdat anders onderbesteding is te verwachten?


Reactie CvB:

Voor het jaar 2007 bestaan er op dit moment geen nadere plannen, want voor 2007 zijn de CSoz-middelen al vastgelegd. Bij de besteding van deze middelen is geen onderbesteding te verwachten. Waar zich in het verleden bij de instituten nog wel eens reservevorming voordeed omdat de centraal gestimuleerde (‘’portfolio’’)-programma’s vertraagd op gang kwamen, zal zich dat nu niet meer voordoen, omdat deze programma’s inmiddels allemaal volledig bezet zijn met onderzoekers. Toevoeging van middelen aan het verdeelmodel is niet aan de orde.


Internationalisering (2.3):

4.Wat is de ontwikkeling van de internationale instroom van studenten?


Reactie CvB:

Zie de bijlage. De cijfers betreffen overigens bij de studenten niet de instroom, maar het totale aantal inschrijvingen, maar die hebben natuurlijk wel een sterke relatie met de instroom. Totaalcijfers voor de UT zijn nu niet direct beschikbaar, maar zeggen ook niet zoveel, omdat de spreiding erg groot is.


5.In 2007 moet de versterking van het internationale karakter van de master voorop staan. In 2005 zijn master opleidingen opnieuw opgezet, met name ook voor Engelstaligheid. Welke extra versterking wordt gewenst of is niet bereikt?


Reactie CvB:

Algemeen zal worden gekeken waar het internationale karakter van de opleidingen versterkt kan worden, gebaseerd op de inventarisatie van ITBE over de stand van zaken internationalisering per opleiding. Internationalisering wordt bij de opleidingen op verschillende manieren vorm gegeven, in overleg met de opleiding en aansluitend bij hun behoeften zal naar ontwikkelingssmogelijkheden gekeken worden.


6.Hebben de pogingen om bij alumni meer externe middelen te werven voor o.m. een beurzenprogramma succes?


Reactie CvB:

Vanuit het Universiteitsfonds is men hier mee bezig. Dit staat nog in de kinderschoenen. Het is momenteel veel zaaien om later te kunnen oogsten. Het universiteitsfonds probeert in 2007 zo veel mogelijk middelen te genereren, niet alleen vanuit alumni, maar ook vanuit bijvoorbeeld het bedrijfsleven, en zal deze ook deels toewijzen aan beurzen.

Overigens wordt de begroting van het Universiteitsfonds pas vrijdag 1 december vastgesteld.


Groei (2.4)

7.De verbetering van rendement betekent inderdaad een lager aantal studenten, maar waarschijnlijk geen geringere inspanning staf. Welke vergroting staf is nodig om 10.000 studenten ook daadwerkelijk van onderwijs te kunnen voorzien?


Reactie CvB:

Op basis van een eerste globale berekening, waarbij wordt uitgegaan van een beperkte verhoging van de onderwijs efficiency door de toenemende ICT-inzet en een groei naar 10.000 studenten (inclusief AIO’s) in 2010, zou het totale aantal Fte’s WP met ongeveer 10% moeten toenemen richting 2010.


8.In het kader van Masters wordt ingezet op minimaal een compensatie van uitstroom bachelor studenten. Waarom wordt niet ingezet op een totale groei van de master instroom?


Reactie CvB:

Met de formulering 'moet minimaal worden ingezet op compensatie' is bedoeld dat dit de ondergrens is. Het streven ligt hoger, namelijk op het bereiken van een populatie van 10.000 studenten, waarvan ca 40% in de master of PhD fase.


9.Kan het Newcom onderzoek richting UR worden gestuurd om kennis te nemen van deze interessante materie?


Reactie CvB:

Het onderzoek zal worden toegezonden. Een managementsamenvatting is te vinden op:

http://www.utwente.nl/ccc/documenten/intern/onderzoek/managementsamenvatting_bachelo.doc/


10.Gaat bij groei in studentenaantallen ook de omvang middelen voor studentenvoorzieningen navenant omhoog?


Reactie CvB:

Nee, niet noodzakelijkerwijs. De hoogte van de benodigde middelen voor studentvoorzieningen is gebaseerd op een bestuurlijke afweging. In de afweging worden het geheel van de beschikbare middelen van de UT, beleidsuitgangspunten, studentaantallen, externe inverdienmogelijkheden etc. meegenomen.


11.Bij snelle groei naar 10.000 studenten zal ook de ECTS prijs onder druk komen te staan, aangezien de bekostiging achteraf plaats vindt. Is er een financieringstraject gedacht waarmee deze druk te niet wordt gedaan? Is het niet redelijk om voor deze prijs, zoals voor de premieprijs onderzoek ook een indexering van de ECTS prijs te hanteren?


Reactie CvB:

Indexering van de ECTS-prijs is in het kader van het onderwijsverdeelmodel vooralsnog niet aan de orde. De ECTS-prijs is een resultante van de omvang van de beschikbare onderwijsmiddelen gedeeld door het aantal gerealiseerde ECTS. De plannen van OCW met betrekking tot de bekostiging van leerrechten maken dat de bekostiging van de universiteiten voor onderwijsprestaties met minder vertraging te maken heeft, waarmee een financieringstraject, waar de UR hier op doelt, minder noodzakelijk wordt. Overigens omvat de groei naar 10.000 studenten ook een toename van het aantal phd-studenten, hetgeen niet tot een toename van het aantal ECTS en daarmee tot een eventuele druk op de ECTS-prijs leidt.


12.Op dit moment vindt nauwelijks een reguliere promotie binnen 4 jaar plaats terwijl hier geen belemmering voor is, dus welke behoefte is er? Is voor een verkort PhD traject ook afgewogen wat dit betekent voor de kwaliteit van een PhD? Op welke wijze wordt de kwaliteit van promoties gemonitord en bewaakt behalve het oordeel van de betrokken promotiecommissie?


Reactie CvB:

In 2007 zal een verkenning plaats vinden naar haalbaarheid en wenselijkheid van alternatieve trajecten voor de promotie, de door de UR opgeworpen vragen zullen daarin meegenomen worden. In aanvulling hierop, er is een markt voor verkorte en/of gecombineerde PhD programma's in met name Aziatische landen. Voor kandidaten uit die regio is de UT nu geen aantrekkelijke bestemming. Doel is met name die aantrekkelijkheid te vergroten.


Ondernemen en samenwerking (2.5)

13.Alvorens over vestiging van bedrijvigheid op de campus wordt gesproken dient de UT de vestigingsvoorwaarden duidelijk vast te stellen: wordt er gewerkt aan een dergelijk voorstel en wanneer kan dat met de UR besproken worden?


Reactie CvB:

Er wordt aan een dergelijk voorstel gewerkt. Dit voorstel is ultimo 2007 gereed.


Personeel (3.2)

14.De UR ziet de ontwikkeling van personeel als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer. Wat is de visie van het CvB?


Reactie CvB:

De gevraagde visie staat in de Nota Focus in HRM Beleid (374.462/PA&O).

De Universiteit Twente richt zich op onderwijs van excellente kwaliteit, onderzoek van erkend internationaal niveau en op hiervan afgeleide valorisatieactiviteiten die de economische en sociale ontwikkeling van haar omgeving ondersteunen. Deze missie kan gerealiseerd worden door een gemotiveerde hoogwaardige academische gemeenschap die optimaal wordt ondersteund door een kwalitatief hoogwaardig, maar in omvang beperkte dienstenstructuur. Onderwijs, onderzoek en ondersteuning zijn, ook in een omgeving met veel technologie zoals de UT, nog altijd mensenwerk. Daarom is het HRM beleid een voorwaarde voor het succes van de UT: medewerkers van de UT zijn immers het kapitaal van de organisatie. De mensen zijn cruciaal om de missie van de UT te realiseren. Het optimaal ontwikkelen van medewerkers op alle niveau’s is daarbij van strategisch belang. Als thema van HRM beleid kiest het College van Bestuur dan ook voor ontwikkeling van medewerkers.


Ontwikkeling is een continu proces waarbij medewerkers bezig zijn met de ontwikkeling van kennis en competenties, die, met het oog op organisatiedoelstellingen, nodig zijn voor de huidige functie of die nodig zijn voor een andere functie. De eerste verantwoordelijke voor dit ontwikkelingsproces is de medewerker zelf. De leidinggevende heeft bij dat proces een sleutelpositie. Hij zal medewerkers moeten ondersteunen bij hun ontwikkeling bijvoorbeeld door kansen te signaleren, door te luisteren, door ruimte te geven, door oprecht te zijn, maar wel met continue aandacht voor de strategische doelen van de UT. Om medewerkers de mogelijkheid te bieden zich verder te ontwikkelen, zal de leidinggevende in staat moeten zijn medewerkers de juiste handvatten te geven. Vanwege de sleutelpositie bij de ontwikkeling van medewerkers staat ontwikkeling van leidinggevenden dan ook centraal binnen het HRM beleid van de UT.


15.Welke plannen worden in 2007 concreet ontwikkeld in het kader van de resultaten van het medewerkertevredenheidonderzoek?


Reactie CvB:

Met verwijzing naar het plan van aanpak van de knelpunten uit het medewerkerstevreden-heidsonderzoek UT 2004 worden in 2007 in ieder geval de volgende plannen ontwikkeld:


*opstellen profiel leidinggevenden

*opstellen instrument persoonlijk ontwikkelingsplan (POP’s)

*opstellen digitaal formulier jaargesprekken (voorheen functioneringsgesprekken)

*invoeren gebruik competentieprofielen

*evaluatie systematiek vertrouwenspersoon

*onderzoek naar fysiek zware belasting senioren

*onderzoek naar hinder op eenheidsniveau

*training ziekteverzuim leidinggevenden

*(opnieuw) training leidinggevenden


Beschikbare middelen 2007 (3.3.1), Macrobudget 1ste GS:

16.De voor de UT afwijkende verhouding onderwijs en onderzoekmiddelen is geen gevolg van het feit dat we ons nu research universiteit noemen, maar het gevolg van hogere bekostiging van technische universiteiten (Delft is ook niet meer research universiteit omdat de verhouding daar nog “gunstiger” ligt). Hoe zijn de percentages 37% en 63% berekend? Met of zonder collegegelden?


Reactie CvB:

De percentages komen voort uit de rijksbijdrage voor 2007 en de verdeling van de onderwijs- en onderzoekmiddelen voor de UT voor 2007, zoals deze door OCW bekend is gemaakt ten tijde van Prinsjesdag. Dit is dus exclusief de collegegelden.


17.De SOC-middelen worden uitdrukkelijk als onderzoekmiddelen gepresenteerd. Bij onze 3TU-partner Delft worden deze middelen op historische gronden echter gezien als middelen die voorzieningen voor onderzoek èn onderwijs in stand houden, hetgeen vertaald wordt in de bekostiging van onderwijs- en onderzoekoverhead uit dit budget. Wat is de opinie van het college ten aanzien van deze zienswijze?


Reactie CvB:

De SOC-middelen zijn in het BaMa-model van OCW onderzoekmiddelen. Het college ziet de middelen dan ook als onderzoekmiddelen. De vanuit OCW beschikbare eerste geldstroomonderzoekmiddelen (inclusief de SOC-middelen) worden verdeeld conform het UT-interne onderzoekverdeelmodel. De inzet van de onderzoekmiddelen is echter aan de wetenschappelijk directeur, in samenspraak met de decaan. Daarmee is het dus mogelijk dat onderzoekmiddelen worden ingezet ter bekostiging van voorzieningen die zowel een functie voor onderzoek als voor onderwijs hebben.


Omzet werk voor derden

18.Kunt u de afname van het 2de/ 3de GS budget nader specificeren/verklaren? Supplement p.15 Laat bijvoorbeeld zien dat specifiek het aantal EU plaatsen sterk daalt van 2005 222 naar 2007 137.


Reactie CvB:

Een deel van de verklaring ligt in het feit dat EU-6e kader-projecten langzamerhand aflopen en voor EU-7e kader nog geen nieuwe (concrete) projecten zijn aangevraagd. Daarnaast wordt de afname veroorzaakt door het wegvallen van de eenmalige vergoeding door STW in 2006 in het kader van Nanoned.


De omzet Werk voor derden is als volgt opgebouwd:



Oplopende reserves bij onderzoekinstituten:

19.In het verleden heeft het college meerdere malen uitgesproken dat de onderzoekinstituten alleen reserves aan hoeven te houden voor kasritme verschillen: is dat nog steeds het uitgangspunt?


Reactie CvB:

Het college heeft altijd gezegd dat verschillen in kasritme ten aanzien van de inzet van onderzoekstimuleringsmiddelen, naast een eventuele overdekking van de overhead van de instituten, de enige redenen kunnen zijn voor het bestaan van reserves bij de instituten. Dit geldt nog steeds.


20.Waarop zijn de normreserves voor de onderzoekinstituten (supplement 4.10) gebaseerd en vanwaar de verschillen die niets met de begrotingsomvang te maken lijken te hebben?


Reactie CvB:

De relatie tussen de huidige begrotingsomvang en de normreserves van de instituten kan inderdaad niet meer gelegd worden. De normreserves van faculteiten en instituten zijn berekend op basis van gegevens van 1999-2000 en zijn sindsdien gefixeerd. De normreserves van instituten bedroegen 10% van de gemiddelde centrale bijdragen (1999-2000) en 100% van de baten werk voor derden en overig (1999-2000).


21.Wanneer grijpt het college in bij de bovenmatige reservevorming in de instituten, nu zowel uit de exploitatie van 2006 als uit de begroting 2007 weer te hoog opgelopen reserves zijn gebleken?


Reactie CvB:

Onduidelijk is wat de UR hier bedoelt wanneer het om begrotingsjaar 2007 gaat. Geconstateerd moet worden dat de instituten voor wat betreft begrotingsjaar 2007 een tekort van M€ 1,8 laten zien. Dit houdt dus in dat hun reserves afnemen.


3TU-inkomsten (1.4.2 en deelbegrotingen supplement)

22.Waarom staat zowel in de externe begroting als het supplement deze inkomstenbron niet expliciet vermeld, terwijl dit om een bedrag van circa 3 miljoen per jaar gaat?


In de jaarplannen van de faculteiten wordt alleen bij TNW de tijdelijke bekostiging van leerstoelen vanuit de M€ 50 3TU-middelen voor CoE genoemd:

23.Waar en met welke omvang is in deze begroting rekening gehouden met de 3TU-inkomsten?


24.Indien met de 3TU-inkomsten geen rekening is gehouden, is er dan sprake van een reële begroting?


25.Vindt het college het niet noodzakelijk dat de tijdelijke bekostiging van de CoE-plaatsen expliciet in de begroting van de UT en van de eenheden wordt opgenomen?
(Ten eerste vanwege het bestuurlijke belang dat er aan wordt gehecht, ten tweede vanwege mogelijke verantwoording van besteding van de middelen en ten derde omdat het tijdelijke bekostiging van structurele plaatsen betreft die op termijn uit de reguliere begroting bekostigd moten worden.)

Reactie CvB: vraag 22 t/m 25

Het college heeft geen richtlijnen uitgevaardigd t.a.v. de verwerking van de M€ 50 subsidie in verband met de vorming van vijf centers of excellence. Op het moment van het opstellen van de (deel-) Begroting(en) 2007 waren de subsidievoorwaarden nog niet definitief vastgesteld. Ook op dit moment (dec. 2006) is dit nog niet het geval. Hoewel beide ministeries (OC&W en EZ) zich akkoord hebben verklaard met de toekenning van de subsidie aan de 3 TU-federatie vindt op dit moment tussen de ministeries nog overleg plaats onder welke condities de toekenning dient te geschieden.

De faculteiten zijn voor 2007 vrijgelaten uiting te geven aan hun rol binnen de vorming van een Centre of Excellence, of uitsluitend tekstueel zoals bijv. TNW heeft gedaan, of ook financieel zoals bijv. CTW waarbij de zowel de begrote lasten (HGL) als de bijbehorende subsidie budgettair neutraal is opgevoerd. Het college is van mening dat alleszins sprake is van een reële begroting.


Supplement

26.1.2.3: Waar is de TCO Beleidsreserve CvB van M€ 3 voor bedoeld, wat zijn de onderliggende plannen en/of wat rechtvaardigt deze verzesvoudiging van de gebruikelijke beleidsreserve van het college?


Reactie CvB:

Het budget van M€ 3,0 is bedoeld voor de bekostiging van nieuwe activiteiten op het gebied van onderwijs, onderzoek, internationalisering en kennisvalorisatie. De verwachting is dat onderdelen uit de Onderwijsnota en de Onderzoeknota tijdelijke extra inzet in nieuwe activiteiten wenselijk maken. Het opnemen van het budget in de begroting 2007 is mogelijk door de tijdelijke overdekking in de exploitatie Huisvesting.



27.1.3.1: De figuur die hier jaar op jaar wordt gepresenteerd is opnieuw fout: of wil het college hiermee aangeven dat alleen middelen die via het ministerieel verdeelmodel binnen komen als eerste geldstroom moet worden beschouwd en dat volgens de geldende systematiek de collegegelden pas aan de onderwijsmiddelen moeten worden toegevoegd, na inhouding van het forfaitaire percentage centrale overhead?
Dat zou wel logisch zijn want dan worden deze onderwijsinkomsten net zo behandeld als tweede geldstroomonderzoekinkomsten, die immers ook oorspronkelijk tot het eerste geldstroombudget hebben behoord.


Reactie CvB:

De figuur zal worden aangepast in de definitieve versie van het Supplement van de Begroting 2007. De wijze waarop collegegelden worden ingezet in het verdeelmodel treft u aan in bijlage 4.3 van het Supplement Ontwerpbegroting 2006.


28.1.3.3: Is 2007 het laatste (overgangs)jaar waar gewerkt wordt met deze exclusieve indexatie van premies? (Indexatie van premies voor kostenstijgingen is alleen verdedigbaar als het voor alle premies binnen de budgettaire ruimte mogelijk is.)


Reactie CvB:

Het college streeft naar invoering van een nieuw UT-verdeelmodel met ingang van begrotingsjaar 2008, hetgeen de discussie over indexering van de onderzoekpremies na 2007 overbodig maakt.


29. Hoe ver is inmiddels de decentrale invulling van het volumebeleid?


Reactie CvB:

Aan een helder volumebeleid is het afgelopen jaar gewerkt. De inmiddels opgestelde en in werking getreden reorganisatie- saneringsplannen staan bijvoorbeeld mede in het teken van dit volumebeleid. Het is nu aan de decanen en WD ‘s om het beleid verder vorm te geven in de komende jaren.


30.Is aan te geven welk percentage van het budget direct Onderwijs en Onderzoek is en welk ondersteuning. Besteed de UT minder dan de landelijk besproken 15% aan administratieve lasten.


Reactie CvB:

Nee, dit is niet aan te geven, daarvoor is een onderzoek naar de kosten noodzakelijk.


31.Supplement p.10 het resultaat van enkele faculteiten is sterk positief waardoor ontstaat dit


Reactie CvB:

Dit betreft met name TNW en EWI. Bij TNW is dit met name het effect van het toevoegen van de compensatiebedragen voor de matching aan de reserve van de faculteit. Dit is conform het door het college goedgekeurde reorganisatieplan van TNW: op deze wijze worden de negatieve reserves van de vertrekkende leerstoelen aangevuld. Ten aanzien van het positieve resultaat van tg zie het antwoord bij vraag 3 m.b.t. deelbegroting 2007 tg. Bij EWI is er sprake van een resultaat uit normale bedrijfsvoering van -/- M€ 2,0. Daarnaast is sprake van een resultaat uit bijzondere bedrijfsvoering van M€ 2,7 (compensatiebedrag matching). Het totale resultaat van EWI komt hiermee op M€ 0,7. Overigens geldt zowel voor EWI als voor TNW (en ook voor CTW) dat op de tijdelijke compensatie voor de matchingsverplichtingen een trekkingsrecht rust onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat met ingang van de Begroting 2008 in beginsel sprake is van een sluitende meerjarenbegroting. Daarnaast geldt dat de betreffende faculteiten in 2007 een bewezen voortgang in het reorganisatie- en saneringsproces dienen aan te tonen.


32.Supplement p.15 Is het aantal 3e gs plaatsen promotie plaatsen of totaal fte


Reactie CvB:

Totaal aantal fte, promoties en ontwerpers daarentegen zijn geen fte, maar plaatsen. Dit zal worden aangepast in het definitieve versie van het Supplement.


33.Supplement p.25. Uit de ontwikkeling van personeels fte sinds 2002 is te lezen dat vooral OBP faculteiten in omvang is gedaald, als enige categorie. Is dit een correcte lezing van deze figuur en zo ja wat betekent dat voor de reorganisatie 2002? Welke ontwikkeling was er voor WP vast en WP tijdelijk in deze jaren?


Reactie CvB:

De aantallen die in de grafiek zijn gehanteerd voor 2002 zijn niet geheel vergelijkbaar met die van 2007.

- In 2002 is in het OBP-aantal 121 fte en in 2007 14 fte opgenomen voor stagiaires en voor SUT-B en andere regelingen waar geen directe inzet tegenover staat. Voor een vergelijking OBP versus WP-inzet dienen deze aantallen niet meegenomen te worden.

- Verder is in 2002 in het WP-aantal 44 fte studentassistentie opgenomen, in 2007 worden deze aantallen niet meer vermeld (en de lasten getoond onder “overige inzet”) . Ook deze aantallen worden in de volgende vergelijking niet meegenomen:



De vermindering van OBP dient als totaal bezien te worden, omdat in het verlengde van Herstructurering een deel van het personeel van faculteiten is ondergebracht in de centrale diensten (denk aan vorming Accounting house, gewijzigde opzet interne dienst en (in mindere mate) ICT.

Verder speelt bij de omvang van de formatie centrale diensten een rol dat in deze periode er ook extra taken bij zijn gekomen. Zonder deze extra taken zou de vermindering dus groter zijn.


Verhouding vast/tijdelijk WP (fte):

Jaar


2005

38:62

2004

40:60

2003

40:60

2002

42:58

2001

44:56


In bovenstaande tabel wordt de verhouding vast/tijdelijk WP aangegeven. Opgemerkt moet worden dat er sprake is van een sterke groei van het aantal promovendi waardoor een vertekend beeld ontstaat.


34.Supplement p.29 CTW plant de opzet van een specifieke bachelor opleidingen IB en een alleen op vrouwen gerichte bachelor. Hiervoor is al een lening toegezegd en dus moet een plan voor oprichting bestaan, c.q. de facto is dit al gedaan. Op welke wijze passen deze nieuwe opleidingen binnen het UT profiel met de wens van het CvB naar bredere bachelors? Wanneer zullen deze opleidingen starten?


Reaktie CvB:

Er zijn nog geen afspraken gemaakt over het aangaan van leningen. Een verzoek hiertoe zal nog bij het college moeten binnenkomen. In de nu voorliggende Ontwerp-Begroting 2007 is dus ook nog geen rekening gehouden met de lening. De ideeën voor het opzetten van nieuwe bachelors verkeren nog in de oriënterende fase. Tot op heden heeft het college nog geen plannen onder ogen gehad. Het is daarom op dit moment voor het college niet mogelijk om een oordeel te geven over de genoemde initiatieven.


35.Supplement p.36 EWI Aantallen eerstejaars zit in sterk dalende lijn i.t.t. andere faculteiten. Dit betekent voor de komende 5 jaar dalende ow inkomsten. Tekort exploitatie is ook nog groot. Is in de reorganisatie voldoende rekening gehouden met deze dalende aantallen?

Reaktie CvB:

Het college gaat er van uit dat EWI een reële begroting heeft ingediend. De Begroting 2007 van EWI is van positief advies voorzien door de faculteitsraad. Aangenomen wordt dat deze vragen toen gesteld en beantwoord zijn.


36.Supplement p.45 Wat is de normreserve voor TNW


Reactie CvB:

Zoals bij de specificatie van de cashflow-ontwikkeling te lezen is (overzicht B), bedraagt de normreserve van TNW M€ 12,1.


37.Supplement p.47-53 Relatief zeer uitgebreide motivatie BBT. Dit geeft in ieder geval een goede indruk van wat de faculteit wil. Is dit een invulling waarmee het college ook andere eenheden zou willen vragen om jaarplannen op te stellen en te motiveren?


Reactie CvB:

Het CvB streeft er naar de jaarplannen meer inhoud te geven, vergelijkbaar met het jaarplan van BBT.


38.Supplement p.52 BIT gaat naar BBT. Wat is hiervan de motivatie en geeft dit ook een andere invulling aan de opleiding? Hoe gaat dit met efficiëntie van vakken?


Reactie CvB:

In het afgelopen jaar is er een aantal klachten geweest van BIT-studenten over een in hun visie oneigenlijke concurrentie van de opleiding TBK-I. Dit probleem is door de beide faculteiten herkend en er is een gesprek geweest over de inhoudelijke herpositionering van BIT en TBK-I. Eén van de mogelijke oplossingen is het overdragen van het penvoerderschap naar BBT. Hier is echter nog geen besluit over genomen.


39.Het begrote bedrag voor lidmaatschappen gaat voor UT totaal van M€ 6 naar M€ 7.8. Deze stijging is vooral bij CBE, M€ 0.6 naar M€ 3.4. Waardoor ontstaat deze grote stijging?


Reactie CvB:

De stijging treedt op bij de deelexploitatie Projecten CvB (en niet CBE) en de stijging hangt direct samen met de verhoging van de TCO Beleidsreserve CvB met M€ 3,0. (zie UR-vraag 26). Dit betreft prognoselasten voor nog komende projecten die door het college nog zullen worden uitgezet.


40.Supplement p.133 Het begrote netto resultaat UT is M€ 6. Hiervan is M€ 4.4 afkomstig van rente. Wat is de motivatie om dit niet als gewone inkomsten in het verdeelmodel mee te nemen.


Reactie CvB:

Deze post is een onderdeel van de overdekking exploitatie HvL, welke zal verdwijnen wanneer de verbouwingen in de geplande omvang gerealiseerd zijn en externe financiering is aangetrokken met bijbehorende rentelasten. Zoals hiervoor is aangegeven wordt dit tijdelijke voordeel o.a. ingezet voor de bekostiging van de extra beleidsruimte van M€ 3,0.


41.Supplement p.143 De ontwikkeling van de reserve is niet duidelijk. Klopt de formule van regel F, en zo ja waardoor daalt de reserve bij een positief saldo in 2007.


Reactie CvB:

De berekening was onjuist en zal in de de definitieve versie van het Supplement van de begroting worden aangepast.

(Naar aanleiding van deze vraag heeft FEZ geconstateerd dat in bijlage 4.10 “Totaaloverzicht reserves” in de kolom “Prognose Resultaat 2006” de resultaten zijn opgenomen zoals begroot in 2006. Dit is niet juist, uitgegaan dient te worden van het tijdens de 2e budgetrapportage door de eenheden geprognosticeerde resultaat. Ook dit zal worden aangepast in de definitieve versie van het Supplement.


42.Supplement p.167 Aanloopbekostiging opleiding Telematica k€ 34. Deze opleiding heeft zo weinig studenten dat eerder naar wenselijkheid voortzetting moet worden gekeken dan naar aanloopfinanciering. Wat vindt het college van het in stand houden van een dusdanig weinig succesvolle opeliding?


Reactie CvB:

De opleiding Telematica heeft inderdaad een tegenvallende instroom. Het college is van mening dat de vraag over het bestaansrecht van de opleiding aan de orde zou moeten komen op het moment dat alle studenten uit de ongedeelde opleiding zijn overgestapt op het BaMa systeem.  





Meerjarenbegroting


1.Dank voor de uitvoering van deze toezegging van juni 2006


2.De stand liquiditeit 2007 (30.76) lijkt een veel lagere als in de begroting te vinden is voor de reserve. Is dit correct of een foute interpretatie.


Reactie CvB:

Dit betreft een foute interpretatie. Stand “liquiditeit 2007” uit de meerjarenbegroting betreft een actiefpost van de balans (debet). Stand “reserve” uit B2007 is een passiefpost van de balans (credit). Er is geen rechtstreeks verband.


Tussentijdse financiële rapportage augustus 2006-11-26

1.Het verwachte resultaat wijkt in positieve zin sterk af van het begrote resultaat. Hoewel in het stuk allerlei verklaringen bevat voor de verschillen, kan de vraag gesteld worden of de begroting een reëel beeld heeft gegeven van de verwachte resultaatontwikkeling. Te meer, daar de structurele resultaatontwikkeling aanleiding is tot ingrepen als reorganisaties.


Reactie CvB:

De begrotingen van de eenheden worden zo goed mogelijk opgesteld. De afwijkingen in positieve zin zijn in hoofdzaak veroorzaakt door incidentele voordelen zoals het vrijvallen van SUT-B-verplichtingen of het tijdelijk compenseren van matchingverplichtingen. Deze incidentele oorzaken staan los van resultaten uit normale bedrijfsvoering (structureel).


2.Waarom rapporteren de eenheden niet volgens een uniform format, d.w.z. rekening houdend met dezelfde positieve/negatieve effecten?


Reactie CvB:

Dat is historisch gegroeid. Dit zal worden meegenomen in de optimalisering van de

f-kolom.


3.De doorsluizingen vanuit instituten naar faculteiten blijven wederom achter bij de planning: hierdoor neemt de ongewenste reservevorming bij instituten wederom toe.


Reactie CvB:

Zie antwoord op vraag 19 m.b.t. Ontwerp-Begroting 2007.


4.Blijkbaar is er een begrotingswijziging doorgevoerd daar de eenheden en het centraal bestuur hiermede rekening houden, onder meer:
- Verdeling van vrijvallende SUT B-middelen
- Schrappen van de reorganisatievoorziening t.b.v. TNW
- Verdeling van middelen extra Rijksbijdrage: waarvoor zijn deze middelen ontvangen?
Waarom zijn deze substantiële begrotingswijzigingen en de bijbehorende informatie niet aan de UR voorgelegd?


Reactie CvB:

De eerste en de derde mutatie zullen nog worden opgenomen en toegelicht in de eerste begrotingswijziging, die aan de UR ter info zal worden voorgelegd. Hieraan voorafgaand zijn ze op administratief niveau kenbaar gemaakt om de kwaliteit van de budgetrapportage te bevorderen.


Ten aanzien van de reorganisatievoorziening TNW kan worden opgemerkt dat in de Begroting 2006 rekening was gehouden met een dotatie in de reorganisatievoorziening TNW: deze dotatie kon echter reeds ten laste van 2005 gerealiseerd worden.


5.Het stuk suggereert dat er een plan voor besteding van de van Rijn middelen is: Welk plan is dit?


Reactie CvB:

Er is nog geen concreet plan. In de begroting wordt voor dergelijke projecten er van uit gegaan dat deze ook daadwerkelijk tot uitgaven leiden. Ook in de budgetrapportage augustus werd ervan uitgegaan dat het budget uitgegeven zou worden.