agendapunten

3. Verslag overleg 2006-06-27

logo Universiteitsraad UT

universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 500



Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 06 231

Fax


Datum

11 juli 2006

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad op dinsdag 27 juni 2006


Aanwezig:

Leden UR:

Becht (v.a. pt.9), Brinkman, Deetman, van Dijk, Hendriks, Hesselink (tot pt.6), Houweling, Lippinkhof, D.Meijer (vz), Pol, Poorthuis, van der Wal, Wormeester

College van Bestuur:

Van Ast, Flierman, Zijm

Raad van Toezicht (ag.pt. 11):

van Amerongen, Sistermans

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)

Afwezig:

N.Meijer, Gutteling, Hollman, IJzermans (allen m.k.)



1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent om 13.35 uur de vergadering en heet de aanwezigen welkom.

De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld.


2.Mededelingen

CvB:

Vooraanmeldingscijfers: Op dit moment is sprake van een stijging van 6,5% t.o.v. hetzelfde moment vorig jaar. Landelijk is de stijging 4,5%. Ook in vergelijking met de beide andere TU’s doet de UT het goed – helaas is er daar zelfs sprake van een daling in het aantal bèta- en techniekstudenten.

Opening academisch jaar: De opening vindt plaats op 4 september a.s. door minister-president Balkenende. Het college nodigt daarbij ook de UR-leden van harte uit.

In het kader van het honoreren van kwaliteit en wetenschappelijke excellentie zullen voor de eerste keer studentenprijzen worden uitgereikt: het gaat om per faculteit één afgestudeerde, die de beste prestaties in brede zin heeft geleverd.

ITC: Dezer dagen verschijnt een communiqué waarin de intenties om te gaan samenwerken met het ITC bevestigd worden. Naar verwachting zal een formele overeenkomst in de loop van 2007 worden gesloten.

Benoeming / Werving: Tot nieuwe wetenschappelijk directeur van Impact is benoemd prof. Hans Kuipers, hoogleraar fundamentele aspecten van de proceskunde aan de faculteit TNW.

Inmiddels is ook gestart met de werving voor de functie van wetenschappelijk directeur Mesa+.


Met betrekking tot de vooraanmeldingscijfers worden nog enkele vragen gesteld, waarop als volgt wordt geantwoord door het CvB:

De aanmeldingen zijn redelijk verspreid over het hele onderwijsveld.

Zelfs als de aanmeldingen voor gedragswetenschappelijke opleidingen niet worden meegeteld is er nog sprake van een stijging van 6,5%.

De werving in Duitsland verloopt zeer succesvol. De belangstelling tijdens de voorlichtingsdagen was erg groot, hetgeen naar verwachting de komende jaren in de instroomcijfers duidelijk zichtbaar zal worden (ook voor wat betreft de technische opleidingen).


Van Dijk roept in herinnering dat enige tijd geleden het idee is geopperd voor een gezamenlijk signaal van UR en college richting Den Haag t.a.v. de op komst zijnde nieuwe Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Afgesproken wordt de mogelijkheden voor een gezamenlijke reactie na te gaan (waarbij overigens de vrijheid blijft om eventueel ook samen met andere partners te reageren).


3.Verslag van de overlegvergadering van 16 mei 2006 (UR 06-182)

Pag. 5 r.8: “maar er zal mee aan de gang worden gegaan zodra de mogelijkheid zich voordoet”.

Met inachtneming hiervan wordt het verslag vastgesteld.


Naar aanleiding van het verslag:

Pag. 3 r.44-45: Zijm was niet bij de vergadering aanwezig, maar hij veronderstelt dat hier ook de kennisbeurzen zijn genoemd – in ieder geval horen ze er wel bij.

Pag. 5 r.20 e.v.: Van Ast beaamt dat er verschil in prijzen is. Dit is echter de uitkomst van onderhandelingen met derde partijen.


4.Nota “Focus in HRM-beleid” (UR 06-176, UR 06-196)

Flierman in reactie op UR 06-196:

“Ouderen”: De groep “ouderen” is zodanig gedifferentieerd en de wensen en behoeften zijn zo divers dat ze niet onder één noemer te vatten zijn. Daarom is ervoor gekozen in het gehele traject van ontwikkeling met hen rekening te houden en geen specifiek beleidsinstrumentarium voor hen te ontwikkelen. Uiteraard is het college wel bereid het instrument dat er is goed en consequent te gebruiken voor degenen die wat ouder zijn.

Algemeen: Er is natuurlijk al een bestaand personeelsbeleid waaruit een heldere visie spreekt, en er is ook een heel scala aan instrumenten ontwikkeld. Wel is geconstateerd dat er behoefte is het HRM-beleid nieuwe impulsen te geven, en dat gebeurt via de genoemde thema’s.

Het CvB begrijpt dat de UR behoefte heeft aan meer samenhang en de uitvoering goed wil kunnen volgen. Dus moet worden gezocht naar een mogelijkheid om de uitvoering heel kritisch te monitoren. Flierman stelt voor daartoe een jaarlijkse voortgangsrapportage ter advisering aan de UR voor te leggen (suggestie van de voorzitter: bijvoorbeeld gekoppeld aan de bespreking van het sociaal jaarverslag?).

Instemmingsbevoegdheden: De UR heeft instemmingsbevoegdheid op hoofdlijnen, en daar valt deze nota onder. De focussen echter zijn een kwestie van uitwerking

Wat de tenure tracks betreft kan Flierman zich voorstellen dat die deelnota wel ter advisering dan wel instemming aan de UR dan wel het OPUT wordt voorgelegd.


Na onderling overleg besluit de personeelsgeleding van de UR vooralsnog niet in te stemmen met de Nota “Focus in HRM-beleid”, met als belangrijkste argument dat de nota eigenlijk niet meer is dan slechts een verzameling ideeën over ideeën. Daarbij kan de vraag gesteld worden wat nu precies onder hoofdlijnen moet worden verstaan – kennelijk denken college en UR daar verschillend over, dus lijkt het verstandig daar eens een discussie over te hebben.

De UR denkt dat uit de uitwerking in beleidsstukken op onderwijs en onderzoek ongetwijfeld elementen naar voren zullen komen die te maken hebben met HRM-beleid; als het daar zijn beslag vindt zou er een terugkoppeling moeten plaatsvinden, hetgeen in de HRM - nota dan ook helder verwoord zou moeten worden en vervolgens ter instemming aan de UR voorgelegd moet worden. Het college wijst er nog op dat men in dat geval altijd blijft wachten op een HRM – nota: er zullen immers altijd weer ontwikkelingen zijn die alsnog vertaling in HRM-beleid vergen. De argumentatie van de UR zal in een notitie nog exact verwoord worden.


Het CvB zal zich aan de hand van het UR-reglement beraden over wat haar te doen staat.


De UR besluit vooralsnog niet in te stemmen met (personeelsgeleding) c.q. te adviseren over (studentengeleding) de nota “Focus in HRM-beleid”.


5.Ontwerp-Begrotingsrichtlijnen 2007 (UR 06-178, UR 06-208, UR 06-214)

Afgesproken wordt over detailvragen desgewenst op een ander moment nog te spreken. Ter vergadering licht Wormeester de hoofdpunten, zoals die genoemd staan in het concept-advies UR 06-214, in het kort nader toe. Reactie van Van Ast:

Meerjarenkader: Er is natuurlijk wel zicht op de meerjarenlijnen, ook al is er geen meerjarenbegroting. Aan de faculteiten zal gevraagd worden onderwijsbegrotingen op te stellen, waarbij aangegeven wordt welke keuzes er gemaakt zijn en wat de verwachte inzet zal zijn.

Wat onderzoek en structurele financiering betreft: Informatie hierover is in de tabellen terug te vinden. Het is bekend wat ongeveer verwacht kan worden aan bekostiging. Van Ast zegt toe bij de begroting een zo goed mogelijke taxatie daarvan te zullen geven, toewerkend naar het nieuwe verdeelmodel in 2008 waarin ook keuzes zullen zitten die bepalend zijn voor de inzet van geld. Een kant en klaar meerjarenkader zal het echter nog niet zijn.

Volumebeleid: In de nota staat dat besloten is om, vooruitlopend op het afronden van de facultaire begrotingen, door de WD’s onderzoeksbegrotingen te laten maken. Dezer dagen zal bekend zijn wat de ruimte is en dus welk volume besteed kan worden. Er wordt aangekoerst op een passende situatie in 2008, wanneer de faculteiten geharmoniseerd zijn. Het college zal de komende twee jaren de ontwikkelingen enigszins willen sturen richting de begrotingen zoals ze ook bij de faculteiten zullen uitkomen en geeft daartoe de WD’s mee hoeveel premieplaatsen ze te vergeven hebben, waarna het aan hen is die – in overleg met de decanen – in te zetten. Ingeschat wordt dat er M€ 6 à M€ 7 budget bij zal moeten worden gelegd.

Bekostiging premasters: Dit is een wat lastig probleem. Feit is dat het premaster-onderwijs niet per definitie in de masteropleiding zit, en er staat geen bachelor-diploma tegenover. Dus is het een pragmatische keuze om het zo te doen. Het advies van de UR om te kiezen voor bekostiging als bachelor sec zorgt voor een nog verdere verwijdering van de praktijk dan nu al het geval is.

Onderwijsbegroting: Zie hierboven bij “Meerjarenkader”.


T.a.v. de bekostiging van de premasters merkt Wormeester op dat er niet zo’n probleem is zo lang er sprake is van een miniem volume. Maar de vraag is hoe het in de toekomst zal zijn, als de instroom toeneemt en meer divers wordt.

Met het oog op de koppeling met onderzoek vult Zijm aan dat gezorgd moet worden dat er niet meer aan premaster-onderwijs wordt gedaan dan strikt noodzakelijk is, en dat de deficiënties zoveel mogelijk zijn weggewerkt voordat buitenlandse masterstudenten hier komen (in zekere zin geldt dezelfde problematiek m.b.t. doorstromende HBO-studenten).

Wormeester stelt voor de bekostiging en het volume van het premaster-onderwijs expliciet te regelen in de onderwijsnota, hetgeen Van Ast een goede suggestie lijkt.


De UR besluit conform UR 06-214 positief te adviseren over de nota Ontwerp-Begrotingsrichtlijnen, met inachtneming van hetgeen in de discussie naar voren is gebracht.


6.Octrooireglement (UR 06-180, UR 06-206)

Naar aanleiding van UR 06-206:

Dat de medezeggenschap bij de beide andere universiteiten nog niet op de hoogte is van de gemaakte afspraken, is een interne kwestie, aldus Van Ast.

Van Ast is bereid om, als dit inderdaad onder het instemmingsrecht van de UR valt, na de zomer alsnog een verzoek om instemming in te dienen.

Het college is van mening dat het aspect geheimhouding wel thuishoort in artikel 7. Verder is het college bereid te overwegen hier ook iets over op te nemen in het studentenstatuut.


Zoals ook bij agendapunt 4 al even aan de orde kwam lijkt het goed nog eens weer naar de advies- en instemmingsbevoegdheden van de UR te kijken. Afgesproken wordt daar nog deze zomer aandacht aan te besteden, en aan de hand daarvan ook vast te stellen welke besluitvormingsprocedure op het onderhavige agendapunt van toepassing is.

Deetman stelt voor ook tot afstemming te komen over het omgaan met dit soort zaken in 3TU- en 3TU.M-verband, en een en ander vervolgens zijn beslag te laten krijgen in de reglementen.


7.Notitie “Diversiteit, kwaliteit en groei” (incl. Taalbeleid) (UR 06-183, UR 06-190, UR 06-209)

N.a.v. UR 06-209:

Vr. 1 – Tijdpad: Dit thema is vrij uitvoerig uitgewerkt in het Instellingsplan, zodat het college er niet van overtuigd is dat vervolg en uitwerking ter instemming aan de UR zouden moeten worden voorgelegd. Afgesproken wordt deze casus mee te nemen in het gesprek dat binnenkort plaatsvindt over advies- en instemmingsbevoegdheden.

Wat het tijdpad betreft verwijst Flierman naar pag. 30 van de notitie - “Agenda 2006-2007”. Daarmee zal aan de slag worden gegaan.

Vr. 2 en 3 – (internationale) Instroom: De doelstelling is weliswaar ambitieus, maar het college acht een getal van 10.000 studenten in 2010 – bij de huidige rendementen – wel degelijk haalbaar. Bij het tellen van het aantal studenten wordt uitgegaan van internationale regels, hetgeen betekent dat de UT nu al op een kleine 8.500 studenten zit. Natuurlijk zal het aantal faciliteiten verder uitgebreid moeten worden – zie ook de agenda 2006-2007 op pag. 30 van de notitie; op het hoe en wanneer moet het college zich nog beraden.

Een van de argumenten om te willen streven naar groei is dat het financieel aantrekkelijk is – zo zou bijvoorbeeld de teruglopende belangstelling voor bètastudies in Nederland gecompenseerd kunnen worden door Duitse studenten.

Het is de bedoeling ook de instroom in bestaande opleidingen te verruimen. Er mag van worden uitgegaan dat de marginale opbrengsten hoger zijn dan de marginale kosten.

De UR zou de zojuist genoemde financiële aantrekkelijkheid van groei graag ook doorgerekend op schrift gesteld willen zien. Flierman antwoordt dat daar wel berekeningen van zijn.

Op de vraag of een kosten/baten-analyse voor de technische opleidingen wel mogelijk is antwoordt Flierman bevestigend. Voor de opleidingen waar de personele capaciteit op peil gebleven is en het aantal studenten is ingezakt, is het zeker aantrekkelijk om meer studenten binnen te halen. Een indicatie van de kosten blijkt uit het instellingscollegegeld zoals dat inmiddels in 3TU-verband is bepaald.

Vr. 4 –Eenzijdige invulling: De UR noemt als voorbeeld van een eenzijdige ontwikkeling de situatie bij de huidige opleiding Psychologie, waar zeker de helft uit Duitse studenten bestaat. Flierman wijst erop dat gebleken is dat de Duitse studenten zich na een half blok al heel aardig beginnen te mengen – voor een te eenzijdige invulling door de internationalisering is hij dan ook niet zo bang.

Brinkman wijst erop dat gebleken is dat het onderdeel gespreksvoering binnen de bachelor Psychologie niet haalbaar is voor de Duitse studenten, zodat ervoor gekozen is het in het Duits te doen – dat kost echter veel tijd en moeite. En dat is dan nog maar één opleiding … wat gebeurt er als buitenlandse instroom wordt toegelaten op álle opleidingen? Flierman reageert met de opmerking dat – gelet op wat er in onze omgeving gebeurt en hoe zwaar er bij andere universiteiten wordt ingezet op internationalisering – toch niet ontkend kan worden dat er inhoudelijk goede gronden zijn om dat te willen. Er moet in de huidige maatschappij toch steeds meer internationaal geopereerd worden? Er kan toch geen hek om Twente gezet worden? Dat nagedacht moet worden over problemen die zich kunnen voordoen is evident. Maar het overgrote deel van de opleidingen die de UT aanbiedt is heel wel in het Engels te volgen.

Wormeester stelt dat de UR zich niet afvraagt óf de UT moet internationaliseren, maar wil benadrukken dat voorkomen moet worden dat het een deceptie wordt. Een heel goede voorbereiding is noodzakelijk. En bij gedragswetenschappen bijvoorbeeld vraagt het om een extra toets hoe Nederlands-specifiek de opleiding is. De UR wil daar graag in meedenken.

Vr. 6 – Meer Engels in de bachelors en het ontbreken van de relatie met de nota Taalbeleid: Flierman wijst erop dat de nota Taalbeleid al in oktober 2004 door het college is vastgesteld, dus wat er vermeld staat is staand beleid.

Het college is het ermee eens dat het nodig is alert te zijn op het risico dat Nederlandse studenten wegblijven wegens Engelstalige bachelors; anderzijds is het ook zo dat Engelstalige bachelors soms ook júist Nederlandse studenten aantrekken.

Vr. 12 – Minorruimte/vrije keuzeruimte: Het college zal serieus gaan bezien of de door UReka bepleite optie mogelijk gemaakt kan worden. Als dat gebeurt, komt het terug in de nota.

Vr. 17 – Evaluerende functie in het internationaliseringsproces: Het CvB is van mening dat ook dit beleid hoe dan ook over een aantal jaren geëvalueerd moet worden. Los daarvan behoort bij de in het leven te roepen voorzieningen nadrukkelijk dat er binnen het International Office coördinatoren dienen te zijn (voor gedragswetenschappen zijn die er al). Zijm vult aan dat de evaluerende functie in het internationaliseringsproces nu al in gang is gezet – er is een brief naar alle decanen gegaan om te inventariseren voor welke opleidingen er sprake is van serieuze omissies.

Vr. 18 – Het college zegt toe de notitie in het Engels te zullen vertalen en te zullen bespreken met internationale studenten.


De UR adviseert alle door de raad genoemde overwegingen mee te nemen in de volgende versie van de notitie. Flierman vindt dat niet al maar weer papier moet worden geproduceerd; het college zal nog bezien hoe het vervolg vorm krijgt. Hij stelt dat er permanent sturing wordt gegeven, dingen in gang worden gezet en vervolgens uitgewerkt – daar kan natuurlijk van tijd tot tijd verslag van worden gedaan aan de UR; voor het overige zou hij het accent graag willen leggen op het echte dóén.

In de vier andere beschreven adviespunten (pag. 3 van UR 06-209) kan het college zich vinden.


De overige punten zullen schriftelijk door het college beantwoord worden.


8.Voortgang 3TU-proces

Mede n.a.v. vragen vanuit de UR vertelt het CvB:

Er is een 3TU-huisstijl ontwikkeld, die na de vakantie gebruikt gaat worden in de wervingscampagne voor de Centers of Excellence.

Voor de 3TU-masteropleidingen is een model-OER opgesteld, waarbij de afzonderlijke universiteiten de mogelijkheid hebben er “flexibel” mee om te gaan (voorbeeld: Delft wil een harde knip, de UT laat de mogelijkheid van een zachte knip in de rechte doorstroom nadrukkelijk open). Zodra de noodzakelijke aanpassingen zijn aangebracht zal het model-OER aan de UR worden toegezonden.

Taalbeleid: Geconstateerd is dat een aantal eisen t.a.v. IELTS-scores niet voor alle drie de TU’s gelijk is. Om dat gelijk te trekken zal de UT haar eisen waarschijnlijk iets moeten verlagen – het college moet hier nog over spreken en zal er t.z.t. bij de UR op terugkomen.

TU 9 (TU Neun): Duitsland kent een constellatie van 9 technische universiteiten. Zij behoren tot de betere universiteiten in het land en hebben besloten zich te verenigen. Zij hebben wel een heel ander profiel dan de 3TU in Nederland. Een verschil is bijvoorbeeld dat zij zich onder meer organiseren om de onderlinge concurrentie vorm te kunnen geven; men handhaaft veel nadrukkelijker het onderscheid tussen de instellingen.


9.Catering (UR 06-201, UR 06-210)

Van Ast: De catering op de campus bestaat al heel lang. De laatste jaren zijn nogal wisselende besluiten genomen over zowel de catering als de locatie. Nu ligt er een nieuwbouwplan en komen er nieuwe locaties. Wat tevens speelt is dat het catering-gebeuren moeizaam financieel rond te krijgen is – de laatste jaren is er telkens sprake van een behoorlijk tekort. Daar wordt inmiddels volop aan gewerkt, ook qua management.

Wat de taakafbakening betreft: De discussie hierover is niet nieuw. Er is met velen over gesproken, zij het niet altijd over de formulering zoals die nu voorligt. Het is tijd voor het scheppen van helderheid. Het college wil geen verantwoordelijkheid nemen waar dat eigenlijk niet mogelijk is, bijvoorbeeld als het gaat om gezondheidsrisico’s – daar is dan ook een streep getrokken. Geprobeerd is maximale ruimte te houden voor bestaande faciliteiten, zoals de borrelkelders e.d. Maar “een broodje op de gang” hoort daar niet bij.

Het college is voornemens in de volgende cyclus een adviesaanvraag aan de UR voor te leggen t.a.v. de te kiezen lijn. De door de UR aangedragen discussiepunten zullen in de overwegingen mee worden genomen. Daarna start het traject van het formuleren van de kavels; als daar een cateraar uitkomt is het tijd om te kijken naar de beste regelingen in het kader van de gevolgen voor het personeel en zal het college aan de UR vragen om instemming.

Afgesproken wordt dat het college nog vóór de zomervakantie een tijdpad/besluitvormingsprocedure opstelt, met vermelding van de diverse actoren.


10.Discussienota “Efficiënte, moderne bedrijfsvoering” (UR 06-177, UR 06-205, UR 06-211)

Pol licht de reactie van de UR, zoals verwoord in UR 06-211, op de discussienota en de daaropvolgende reactienota van 21.6.06 toe.

Van Ast is blij met de constructieve reactie van de raad. Het college beseft dat hetgeen nu gebeurt niet met applaus ontvangen wordt en onrust oproept. Met de discussienota is een vrij directe weg gekozen. In de brief aan alle medewerkers d.d. 21 juni is ingegaan op de vanuit de UT-gemeenschap ontvangen reacties; het is de bedoeling dit te laten neerslaan in een aangepaste discussienota.

Het CvB acht een brede evaluatie niet noodzakelijk, maar er moet natuurlijk wel nader onderzoek en analyse plaatsvinden. Daartoe dienen de deeltrajecten die na een nieuwe discussieronde van start zullen gaan (met waar nodig externe begeleiding).

Het CvB wil voorkomen dat het bijbehorende veranderproces te weinig aandacht krijgt en wil dan ook de organisatie erbij betrekken – dus als de UR behulpzaam kan zijn in bijvoorbeeld commissieverband, dan graag, aldus Van Ast.

Wat de bezuiniging van M€ 5 betreft: het college heeft zich daaraan gecommitteerd en dat streven opgenomen in de begroting 2006 (pag. 9 onderaan). Het gaat om een substantieel bedrag, dat naar het oordeel van het college gevonden kan worden met behoud van de kwaliteit van de ondersteuning. “Minder” is niet per se altijd “slechter”, aldus Van Ast. Door zaken beter te organiseren en te stroomlijnen is er zeker winst te behalen.

Enkele processen zullen wel tot een reorganisatie leiden. Als dat helder is, zal het adviseringstraject worden ingegaan. Er zal een tijdschema worden opgesteld.


Pol benadrukt nogmaals dat de UR een groot voorstander is van openheid naar de medewerkers en daarom graag wil meedenken in het vervolgtraject en komen tot heldere afspraken. Van Dijk zou het op prijs stellen als het vijfstappenplan, zoals genoemd door de UR op pag. 2 van UR 06-211, terug te zien zou zijn in het tijdpad.

De voorzitter heeft het gevoel dat de volgorde zoals door het college voorgesteld anders zou moeten zijn, namelijk eerst nadere analyses (want dan gaat het echt over inhoud) en vervolgens het neerleggen van een totaalplaatje. Verder zou de UR voorstander zijn van het per werkveld opzetten van een medezeggenschapswerkgroep, die in de uitwerkingsfase een sparring partner zou kunnen zijn en inbreng zou kunnen geven namens de medezeggenschap. Dat biedt een kans voor het creëren van zowel draagvlak als input.

Van Ast: Er is aan de medewerkers beloofd met een terugkoppeling te komen, dus dat zal ook gebeuren. En de nota op hoofdlijnen die daaruit volgt zal vertrekpunt voor de uitwerking zijn. Wat de medezeggenschap betreft: als er reorganisatietrajecten volgen, ontstaat ook een adviestraject. In de tussentijd zijn er de projectgroepen, waarbij ook medewerkers uit diensten en faculteiten betrokken zullen zijn.


Kortom: In september 2006 ligt er een document op hoofdlijnen voor, met daarin de procesgang en een tijdpad, op basis waarvan de UR zal bepalen of de door de raad van belang geachte punten voldoende verwerkt zijn.


Ten aanzien van de bezuiniging van M€ 5 vindt Van Dijk dat er sprake is van een principiële kwestie: door het college wordt gesteld dat de UR het daarmee eens is – dat is echter door de raad nooit gezegd of geschreven. Flierman zegt toe nog eens precies naar de tekst te zullen kijken. Feit is echter dat het beleidsvoornemen tot die bezuiniging in de begroting 2006 is uitgesproken en dat het college daaraan vasthoudt; dat de UR zegt niet expliciet positief geadviseerd te hebben t.a.v. de bezuiniging wordt door het college voor kennisgeving aangenomen. De voorzitter merkt op dat een college natuurlijk allerlei goede voornemens kan uitspreken; de UR neemt dat tot zich. Maar bij de uitvoering van het voornemen wil de raad toch graag een goed onderbouwd plan t.a.v. de haalbaarheid dat aan de randvoorwaarden voldoet. Een dergelijk plaatje ligt er echter nog niet.

Van Ast reageert met de conclusie dat hij begrijpt dat de UR mentaal geen afstand van de plannen neemt, hetgeen voor hem voldoende is. Flierman voegt daaraan toe dat het duidelijk is dat de UR het college van nature kritisch volgt. Hij beschouwt het als een opgave van het college om te werken aan een verhouding waarin het uitgangspunt is dat men elkaar kan vertrouwen totdat het tegendeel blijkt. Het college wil graag laten zien dat zodanig zorgvuldig met zaken wordt omgegaan dat met ieders belang wordt rekening gehouden, met als doel de UT in een gezonde en florerende situatie te brengen.


Slotopmerking van de voorzitter: De raad hecht aan goed onderbouwde voorstellen en zal deze op hun merites beschouwen.


11.Bespreking Algemene gang van zaken – in aanwezigheid van de RvT

De voorzitter heet de RvT-leden Van Amerongen en Sistermans van harte welkom.


11a. Financieel jaarverslag 2005 (UR 06-184, UR 06-213)

Besloten wordt twee vragen uit UR 06-213 nu te behandelen – de rest zal schriftelijk door het college worden beantwoord.


Er wordt gestreefd naar meer inkomsten uit de 2e en 3e geldstroom. Ziet het college een grens aan de mogelijkheden hiervoor, en hoe staat dit tot het volumebeleid?

Van Ast: In essentie verandert het beleid als zodanig niet. Het streven is de matchingcapaciteit via de 1e geldstroom groter te maken; op een gegeven moment zal het mogelijk zijn meer 1e geldstroommiddelen naar de UT toe te trekken en de organisatie op een goede manier uit te bouwen.

Sistermans: De UT behoort tot de universiteiten met de meeste problemen qua matching. Als matching een probleem is, moet niet getracht worden meer geld via de 2e en 3e geldstroom te krijgen – zo blijkt ook uit het onlangs verschenen rapport Chang. Ook is er een strategisch rapport van het NWO uitgekomen, dat ervan uitgaat dat het matchingprobleem opgelost zal worden en vraagt om een verdubbeling van het geld om te besteden in de 2e geldstroom. De AWT heeft een rapport uitgebracht waarin staat dat er meer betaald moet worden bijgedragen.

Sistermans meent dat het juist prachtig is als de UT een onevenredig deel opslokt van de 2e gs-middelen omdat zij excelleert. En als de 1e gs groot genoeg blijkt om het beleid uit te voeren, is het in orde. Als het maar gaat om projecten die in de strategie van de universiteit passen.

Kortom: er is beweging in de goede richting, en deze universiteit moet daarvoor klaar staan.


Welke risico’s zijn aan de deelname in HOMA en UTI verbonden?

Van Ast: De UT heeft een 100% dochter, namelijk HTT. Wat het college betreft blijft dat zo. De UT voert geen beleid waarbij zo maar wordt geïnvesteerd in allerlei bedrijven. HOMA is gekocht omdat het om een interessante ontwikkeling gaat waar de UT ook iets aan kan hebben; het risico is heel beperkt. Ook bij UTI gaat het om heel weinig kosten.

Er zal een groeiend aandelenpakket komen in HTT voor starters waarin de UT gaat deelnemen. Kennis heeft waarde, dus het is niet reëel om het aan starters te geven zonder waarde. Het UT-beleid zal dus zijn: een langzamerhand groeiend pakketje aandelen. Een risicovol beleid wordt er echter niet gevoerd. En áls er een risico ontstaat, wordt dat wel voorzien (voorbeeld: TSM).


11b. Inbreng fracties algemene gang van zaken (UR 06-212)

De RvT- en collegeleden geven hun reactie op de stellingen van UReka en de Campus Coalitie die verwoord en toegelicht zijn in UR 06-212.

Van Dijk houdt een korte speech (UR 06 -230), waarin hij van het college aandacht vraagt voor kwaliteit en kwantiteit van de instroom, voor meer uitdaging voor de student en voor meer onderwijsafstemming binnen 3TU verband. Samen met de voorzitter van de SU overhandigt hij aan de voorzitter van het college het eerste exemplaar van zijn “Bewondernotitie”, een bijdrage om de positieve punten van de UT te onderstrepen.


Groeiambities UT

Sistermans: In Nederland bestaat een tekort aan technische mensen voor de bedrijven, de overheid etc. Er moet dus iets gebeuren, maar dat moet wel in balans gebeuren met gamma en alpha-studies. Uitgaande van de normale populatievoorspellingen in Nederland zal er heel wat actie ondernomen moeten worden, ook op landelijk niveau. Er zal niet aan te ontkomen zijn om ook mensen (ook op studentenniveau) uit het buitenland te halen.

Binnen dat geheel zal de UT ruimte moeten bieden voor gebalanceerde groei. Dat begint bij vast te stellen dat er toegegroeid moet worden naar 10.000 studenten, en de vraag die vervolgens gesteld moet worden is wat er gedaan moet worden om daar te komen.

Van Amerongen: Er is enige ruimte door de huidige bachelor- en masterstructuur en het onderscheid tussen onderwijs en onderzoek. Het bacheloronderwijs staat een veel bredere aanpak toe. Als de juiste aanpak wordt gekozen, bijvoorbeeld in 3TU-verband, is het niet meer zo verschrikkelijk relevant of er op bachelorniveau een balans is die wat meer uitspringt richting niet-technisch. Het zou misschien wat anders zijn als het een enorme claim zou leggen op de onderzoekscapaciteit. Kortom: er lijken met de huidige structuur wel mogelijkheden te zijn om grotere aantallen te faciliteren.

Flierman: Een balans tussen technische en maatschappelijke studies maakt de UT tot een heel belangrijke speler. Hij heeft niet het gevoel dat die balans nu zo verstoord wordt. De werving wordt gericht op beide gebieden en er blijkt een behoorlijke belangstelling te zijn. Hij is ook niet zo somber over het UT-voorzieningenniveau, dat zal de studentengroei wel aankunnen. Overigens is hij er niet op voorhand op tegen om de tijdsperiode waarin de voorzieningen gebruikt worden wat op te rekken.

Zijm: De eerste UReka-stelling vermeldt onder meer “aangezien de UT de groei niet zal kunnen realiseren in de technische hoek”. Zijm meent dat er juist aanwijzingen zijn die in de richting van het tegendeel wijzen, zeker ook waar het gaat om Duitse studenten; hij houdt staande dat de UT wel degelijk een behoorlijke groei aan internationale instroom, zeker ook uit Oost-Europa en wellicht ook Azië, in de bèta- en techniekvakken kan realiseren.

Voorkomen is beter dan reorganiseren

Van Amerongen wil een kreet als “er wordt maar op los gereorganiseerd” verre van zich werpen. Wat hem wel eens verbaast is dat enerzijds de universitaire gemeenschap in de wereld altijd wordt gezien als een drijvende kracht in maatschappelijke veranderingen, maar dat er anderzijds – als het in eigen kring tot veranderingen moet komen –zelden een conservatievere omgeving is dan deze. Zo ook bij de UT. En ook bij de medezeggenschap in bedrijven gaat het vaak zo: veranderingen worden al gauw reorganisaties genoemd. Naar zijn mening moeten we daarvan af. Het is noodzakelijk continu te blijven vernieuwen en veranderen, en daarbij is het niet zo heel erg relevant hoe dat genoemd wordt. Het krijgt vaak de naam reorganisatie omdat daarmee allerlei formele elementen kunnen worden opgeroepen, die vervolgens weer tot vertraging en verstarring leiden. Volgens Van Amerongen zal men eraan moeten wennen dat dit niet de laatste reorganisatie zal zijn. Aanpassingen zijn voortdurend nodig. Straks is er de feitelijke uitwerking van het 3TU-proces. Dat zal ongetwijfeld ook weer aanleiding geven tot herschikking e.d. – dat kun je zien aankomen. Het is dan ook nodig voortdurend met elkaar in gesprek te blijven en te proberen vertrouwen in elkaar te houden, teneinde die veranderingen op enigerlei wijze geleidelijk te laten plaatsvinden.

Laten we niet vergeten dat de UT-gemeenschap een significant financieel probleem heeft gehad in de afgelopen jaren. Dat moest op allerlei manieren worden aangepakt. Van Amerongen is helemaal niet zo heel erg onder de indruk van het niveau van de reorganisatie waarvan nu sprake is, kijkend naar het aantal arbeidsplaatsen dat ermee gemoeid is – hij heeft het aanzienlijk dramatischer meegemaakt. Men moet er maar aan leren wennen, zo meent hij.

Er is echt sprake geweest van een crisissituatie. Onderdeel van de nieuwe aanpak was te zorgen dat er een breder bestuursmodel kwam met een team dat niet uitsluitend aan de top gevormd is in het CvB, maar met een UMT dat zich verantwoordelijk voelt voor het totaal van het beleid van de universiteit. Er is heel lang sprake geweest van een sterk verdeelde organisatie. Het vorige college heeft de aanzet gegeven tot verandering en dit college probeert daarop door te gaan door op bestuurlijk niveau een gemeenschappelijkheid te ontwikkelen, waardoor er een bredere basis ligt voor het dragen van verantwoordelijkheid en het steunen van verandering. Het duurt jaren om op dat punt te komen, maar gezien de omvang van de UT is dat volgens Van Amerongen goed realiseerbaar. Een cultuurverandering in de totale organisatie duurt echter decennia.

Sistermans: Reorganiseren doet altijd pijn. We zitten in een maatschappij waar het belang van kennis en kunde veel groter begint te worden. Daarin heeft de universiteit een plaats. Maar de wereld bevindt zich voortdurend in een staat van verandering en dus verandert de positie van de universiteit ook, hetgeen noopt tot strategie- en organisatiewijziging.

Universiteit Twente bevindt zich niet in een slechte positie. Ze is uniek omdat ze een combinatie van technische en gedragswetenschappen biedt. Als de universiteit in staat is om zich steeds en geleidelijk aan te passen aan de veranderende vraag, is er sprake van een continu reorganiserende universiteit. Als te lang wordt gewacht leidt dat tot grote aanpassingen, gebeurt het sneller dan zijn de stappen kleiner.


Brinkman vindt dat er wel heel snel van uit wordt gegaan dat er gereorganiseerd moet worden. “In hoeverre leven we bij de waan van de dag?”, vraagt hij zich wel eens af, en “Hoe veranderingsbereid moeten we zijn?”

Flierman onderstreept dat niet met de waan van de dag moet worden meegegaan, maar dat het wel noodzakelijk is op de omgeving te letten. Er wordt vanuit de UR bijvoorbeeld gesteld dat nog maar afgewacht moet worden wat er van de bachelor/master-structuur terechtkomt. Maar kijk naar de angelsaksische wereld, zo stelt Flierman – daar zien we toch dat dat goed gaat. Wie wil voortbestaan moet op zijn omgeving letten, en blijft zo permanent in ontwikkeling. Belangrijke randvoorwaarden daarbij zijn inderdaad de cultuur en de manier van met elkaar omgaan, los van regelgeving, CAO’s etc.


Besloten wordt de discussie voort te zetten tijdens de barbecue, die na afloop van de vergadering wordt georganiseerd ter afsluiting van het seizoen.


12.Rondvraag

Van de rondvraag wordt geen gebruik gemaakt.


13.Sluiting

Om 17.35 uur sluit de voorzitter de vergadering.


*****