Verslag

UNIVERSITEITSRAAD

griffie

BBgebouw – kamer 500



Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 03 330

Fax


Datum

15 oktober 2003

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@bcvb.utwente.nl


Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad op dinsdag 7 oktober 2003


Aanwezig:

Leden UR:

Van Benthem, Berends, Borggreve, Brinkman, Hartsuiker, Houweling, Huisman, Krol, Meijer, Van Rijn, Schrama (vz), Vinke, Wallinga-de Jonge, Wispels,

College van Bestuur:

Te Beest, De Jong

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag), Peijster (verslag na punt 8)


Afwezig:

Becht, Boersma, Bulter, Van Vught, Wormeester (allen m.k.)




1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent de vergadering om 9.00 uur. Hij meldt dat de volgende machtigingen zijn afgegeven om een stem uit te brengen:

Meijer is gemachtigd door Wormeester

Brinkman is gemachtigd door Bulter


De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld.


2.Mededelingen

Impact

De voorzitter meldt dat de Instituutsraad van Impact is ingesteld op voordracht van drie faculteitsraden. Dat betekent dat dit instituut het overleg kan gaan voeren over het nieuwe instituutsplan.


Portfolioanalyse

De Jong: De tweede versie van de instituutsplannen is binnengekomen. De Wetenschappelijke Raad zal daarover een advies uitbrengen. Er is een overinschrijving wat betreft de beschikbare middelen, dus er zullen keuzes gemaakt moeten worden op basis van de geformuleerde kwaliteitsmaatstaven.

Gevraagd naar veranderingen in de bestedingsmogelijkheden, in het bijzonder het gebruik van het geld voor de vaste staf, antwoordt De Jong dat in de stuurgroep onderwijs is afgesproken dat het in eerste instantie gaat om de kwaliteit en de prestaties die worden geleverd, en dat er altijd de mogelijkheid is om te praten over een andere inzet van middelen. In hoeverre dit overeenkomt met een nog onbeantwoord UR-advies om ook middelen aan onderzoeksgroepen te geven ter aanwending voor de aanstelling van stafleden moet De Jong vooralsnog het antwoord schuldig blijven – hij komt hierop schriftelijk terug.


Sectorplan Wetenschap en Technologie en sectorplan Natuurwetenschappen – stand van zaken

De Jong: De versie die op 15 oktober a.s. aan de minister moet worden toegezonden is in de eindfase. Grofweg zijn er drie delen in het plan te vinden:

- betrekking hebbend op de bacheloropleidingen en de vormgeving en afstemming daarvan, op de invoering van het Major/minor-stelsel, en op afspraken die te maken hebben met de jaarcirkel teneinde ook uitwisseling van vakken mogelijk te maken;

- de Graduate School waarover nadere afspraken zijn gemaakt;

- afstemming op het terrein van het onderzoek; gedacht wordt aan het in het leven roepen van een gemeenschappelijk instituut waarin het technische onderzoek van de technische universiteiten wordt gepositioneerd. Hij gaat ervan uit dat de stukken binnenkort gepubliceerd zullen worden.


Van het sectorplan Natuurwetenschappen is de tekst vastgesteld in een vergadering bij de VSNU. In algemene zin is aangegeven hoe alle universiteiten denken om te gaan met de opleidingen wiskunde, natuurkunde en scheikunde. De tekst wordt binnenkort gepubliceerd.


Huisartsenpraktijk

De Jong: Er wordt gewerkt aan de plaatsing van de ingeschreven patiënten, te beginnen met degenen die daar het meest belang bij hebben. De plaatsing zal ingaan per 1.11.03. Er is een regeling getroffen voor de opvang van de buitenlandse studenten, vooral betrekking hebbend op het bewaren van de kennis van de manier waarop met hen moet worden omgegaan. Eén huisartsenpraktijk zal zich specifiek gaan bezighouden met de buitenlandse studenten na doorverwijzing. Op de campus blijft een post waar een senior-verpleegkundige beschikbaar is voor een spreekuur; deze kan waar nodig voor doorverwijzing zorgen.


Strategisch beraad UMT (UR 03.305)

De Jong: Er is, behalve een strategisch beraad van het college, na juni 2003 geen specifiek strategisch beraad UMT meer geweest. Momenteel wordt met de decanen gesproken over de manier waarop zal worden verdergegaan met de strategische plannen van de faculteiten. Het vaststellen van de strategische plannen vraagt veel tijd omdat er erg veel op de decanen afkomt. Uitgangspunt is dat die plannen in het strategisch beraad in december besproken kunnen worden.

T.a.v. de faculteit GW vertelt De Jong dat het voornemen tot reorganisatie dat bekend is gemaakt (sanering als gevolg van daling van het aantal studenten) geen deel uitmaakt van het strategisch plan zelf, maar een afgeleide daarvan is.


Mededeling SAC-VSNU (UR 03.312)

UR 03.312 spreekt voor zich.


3.Verslag van de overlegvergadering van 1 juli 2003 (UR 03.302 en UR 03.313)

Het verslag wordt ongewijzigd vastgesteld.


4.BBR (UR 03-276, UR 03-313)

UR en college blijken het inhoudelijk eens te zijn. Afgesproken wordt dat over de precieze formulering van de op voorstel van de UR toe te voegen nieuwe paragraaf “Leerstoelen” nog nader overleg zal plaatsvinden. De UR mandateert het presidium dit verder af te handelen.


De UR stemt in met het Bestuurs- en beheersreglement Universiteit Twente 2003, met dien verstande dat over de exacte formulering van de toe te voegen nieuwe paragraaf “Leerstoelen” nog overleg plaatsvindt tussen presidium en CvB.


5.Reorganisatie DUB en ITBE (UR 03.283, UR 03.310)

Op verzoek van De Jong geeft Meijer in aanvulling op UR 03.310 nog enige nadere toelichting op het standpunt van de personeelsgeleding van de UR: Er bestaat nog onduidelijkheid t.a.v. de omvang van de secretariële ondersteuning en de argumentatie waarom juist het aantal stafmedewerkers moet uitbreiden terwijl elders wordt ingekort. Als belangrijkste reden van de wijziging van de plannen wordt genoemd de wens om een effectievere beleidsondersteuning neer te zetten door deze in één dienst onder te brengen. De UR kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er wellicht andere motieven meespelen – samenvoeging van voorbereiding en uitvoering van beleid is naar zijn mening geen goede zaak omdat de centrale beleidsondersteuning t.a.v. onderwijs & onderzoek nauwelijks raakvlakken met de uitvoerende taken van ITBE heeft, waardoor de effectiviteit eerder minder dan beter zal zijn. Beleidsondersteuning zou juist heel flexibel en creatief moeten worden ingezet. De organisatie van de beleidsondersteuning is de afgelopen jaren voortdurend in beweging geweest, en er is sprake van een groot verloop; de UR zou willen dat er een wat consistenter beleid gevoerd wordt.

Ook voor de DD-fractie is het onduidelijk waarin de toename van effectiviteit gelegen is. Door de maatregel lijkt er juist meer afstand te komen tussen de specialisten (de beleidsfunctionarissen) en het CvB. DD zou wel een heldere, beknopte notitie willen zien waarin aangegeven wordt hoe de contacten tussen CvB en de beleidsmensen vorm krijgen.

UReka merkt op dat het van belang is dat er een duidelijke aansturing komt voor de over te plaatsen medewerkers; voor het overige kan de fractie zich vinden in deze overplaatsing, omdat ITBE ook een takenpakket op onderwijskundig vlak heeft in de vorm van het ontwikkelen van een kwaliteitszorgsysteem op het gebied van onderwijs e.d. UReka kijkt graag vooruit en hoopt dat door de samenvoeging ook de kwaliteit van de beleidsvorming en ontwikkeling zal verbeteren. T.a.v. de samenvoeging van de functies van directeur en secretaris ziet UReka geen bezwaar, omdat er sprake is van een behoorlijke overlap in het takenpakket van de beide functies.


De Jong ontkent dat het college andere doelstellingen heeft met deze reorganisatie. Wat de effectiviteit van de organisatie betreft: ITBE is de enige dienst waar de beleidsfunctie niet is ingevuld. Door de voorgestelde wijziging zal de relatie tussen dienstverlening en O&O sterk verbeterd kunnen worden.

Centrale keuze in de reorganisatie is om het hiërarchische aspect uit het organisatiemodel weg te halen; daarbij is samenwerking tussen faculteiten en dienstverlening erg hard nodig. Dus moet een en ander zo georganiseerd worden dat niet rond het CvB – als het ware los van de organisatie – beleidsontwikkeling wordt neergezet die vervolgens in de organisatie neerdaalt, maar moeten al bij de totstandkoming van de keuzes de eenheden zoveel mogelijk betrokken worden. Met name bij ITBE zijn heel belangrijke ontwikkelingen aan de orde in het gebruik van de bibliotheek, informatieverzameling en informatieverwerking. Dat vraagt om een strategisch denken op een bepaald niveau. Dat geldt ook voor het onderwijsbeleid, waar de UT in de komende tijd enorm wordt uitgedaagd. ITBE heeft veel kennis op het gebied van curriculumontwikkeling. Dat vraagt nadenken over lange termijn ontwikkelingen binnen de organisatie. Dus is het samenbrengen van het strategisch denken en de operationele kant juist van groot belang met het oog op de toekomst; en dat dient dan te gebeuren in een zo plat mogelijke organisatie, zodat het in gezamenlijkheid kan gebeuren en met draagvlak in de organisatie.

Wat betreft de omvang van de diverse functies, ook als het gaat om de secretariële ondersteuning, dienen er nog nadere beslissingen genomen te worden

T.a.v. de contacten tussen CvB en beleidsmensen geldt: de lijnen binnen de UT zijn erg kort; het college zit heel regelmatig om de tafel met medewerkers, en dat zal zo blijven.

De Jong stelt verder: Daar waar het gaat om leidinggevende posities binnen DUB bestaan er procedures, en die zullen gevolgd gaan worden (waaronder het consulteren van de Dienstraad).


Vervolgens vindt een uitgebreide discussie plaats over de functies van secretaris van de universiteit en directeur van de dienst. Daaruit wordt het volgende opgetekend:

De Jong: Zoals ook in het reorganisatieplan staat gaat het om twee afzonderlijke voltijdfuncties, en vooralsnog houdt het CvB daaraan vast; dus: 1 fte voor elk van de functies. De komende tijd zal bekeken worden hoe die functies kunnen worden ingevuld en zal binnen de daarvoor geldende procedure met de Dienstraad overlegd worden of het noodzakelijk is die fte’s volledig in te vullen.

De voorzitter: Het is niet terecht de beslissing over wat de feitelijke omvang is van de beide functies over te laten tot het moment dat er een benoeming plaatsvindt. Er is nú sprake van een reorganisatie en er ligt nú een instemmingsvraag voor.

De Jong: Het CvB denkt dat het mogelijk is beide functies met elkaar te combineren. Het is bekend dat de Dienstraad daarover zijn twijfels heeft. Het CvB zal met een voorstel voor een combinatie van de functies komen en daarover spreken met de Dienstraad. De huidige stand van zaken is dat het vooralsnog gaat om 2 fulltime functies. En het zal niet zo zijn dat er één persoon op twee voltijdbanen wordt benoemd.


Naar aanleiding van de discussie geven de UR-fracties hun oordeel:

CC: Natuurlijk moet er sprake zijn van een effectieve organisatie, samenwerking tussen de diensten, afstemming tussen ondersteuning en nieuw te vormen beleid. De vraag is echter of de voorgestelde wijziging van de implementatieplannen daarvoor noodzakelijk is. Er loert ook gevaar van minder effectiviteit. Doorslaggevende argumenten zijn naar de mening van de fractie door het college niet gegeven.

Met de organisatie zoals die na het reorganisatieplan is vastgesteld is nog helemaal geen ervaring opgedaan, zodat het wellicht beter is eerst op de huidige weg voort te gaan en over enige tijd een evaluatiemoment in te lassen.

De fractie wil eerst intern nader overleggen.

DD: Eerst nader overleg binnen de UR.

UReka: Het is jammer dat er binnen de UR geen overeenstemming bestaat. De studentengeleding staat niet negatief tegenover een organisatiewijziging. Over de samenvoeging van de functies van secretaris en directeur heeft UReka een aantal opmerkingen. Hier zal later op teruggekomen worden.


De UR zal zich op korte termijn nader beraden. De instemmingsvraag aan de personeelsgeleding wordt dus aangehouden. Ook het advies van de studentengeleding zal op een later moment uitgebracht worden.


6.Overeenkomst UT – Student Union (UR 03.271, UR 03.291)

De Jong merkt op dat het niet aan het college is om het strategisch plan van de Student Union ter instemming voor te leggen aan de UR. Berends stelt dat die afspraak er wel ligt. De Student Union heeft zich echter ontwikkeld tot een organisatie die meer doet dan zich enkel bezighouden met beleid op het gebied van studentenvoorzieningen. Het strategisch plan is dan ook veel breder dan het gebied waarop de UR instemmingsrecht heeft. Bovendien moet het strategisch plan ook nog aan andere gremia voorgelegd worden; al met al wordt de slagvaardigheid van de SU daardoor in gevaar gebracht. UReka stelt daarom een nader overleg voor tussen UR, SU en CvB, om te bezien of tot een herijking van de relatie SU-UR kan worden gekomen.

Meijer stelt dat het voor de UR van belang is op hoofdlijnen van beleid zijn bevoegdheden uit te oefenen; dat geldt dus ook voor de voorzieningen aan de universiteit. Het is een goede zaak dat de SU de beleidsvoorbereiding en uitvoering doet, maar de UR moet wel een marginale toets uitvoeren op het meerjarenplan en een en ander afwegen tegen andere voorzieningen, zoals voor personeelsleden.

DD heeft hier niets aan toe te voegen.


Het CvB kan zich niet vinden in de vervanging van “als vertegenwoordiger” door “als behartiger van de belangen” (art. 2.3). Met de SU zijn namelijk afspraken gemaakt dat de SU wel degelijk verantwoordelijkheid neemt voor beleid zoals dat op de campus voor een ieder m.b.t. studentenvoorzieningen wordt gemaakt.


Alle fracties gaan akkoord met het handhaven van de huidige tekst van art. 2.3. Verder wordt afgesproken de laatste overweging (inzake het strategisch plan van de SU) te herformuleren en een nader overleg te arrangeren (te initiëren door het CvB) tussen SU, UR en CvB over het instemmingsrecht van de UR.


Met inachtneming van de hierboven aangeduide amendementen stemt de UR in met het besluit van het CvB om de overeenkomst UT-SU voor de periode van 1.10.2003-1.10.2007 opnieuw aan te gaan.


7.Notitie “Arbo en milieuzorg bij de UT: naar een optimale organisatie” (353.835) incl. FEZ-advies (UR 03.280, UR 03.281)

De Jong: Bij de voorbereiding van het reorganisatiebesluit is al vastgesteld dat zich in het besturen van Arbo- en milieuzorg belangrijke knelpunten voordoen. Daarom is het van belang te zorgen dat de organisatie zo goed mogelijk in elkaar zit. De inhoudelijke kant van het geheel zal in de komende periode niet wezenlijk anders worden, wel aangepast aan moderne inzichten en regelgeving. Het meerjarenbeleidsplan zal naar verwachting over circa een half jaar gereed zijn. Het college wil echter ten aanzien van de structuur al wel graag een besluit nemen, omdat dit direct te maken heeft met de veiligheid op de campus; De Jong doelt daarbij op risico’s die gelopen worden als gevolg van onduidelijkheid over de verdeling van taken en bevoegdheden.

Vanuit de CC-fractie wordt gesteld dat het vigerende beleidsplan Arbo en milieu deels niet meer wordt uitgevoerd en nogal verouderd is. Er wordt al lang gewacht op een nieuwe versie. Vooruitlopend daarop wil men nu de Arbo- en milieuorganisatie veranderen. Hoewel dat wel tot verbetering in de werkwijze lijkt te leiden, meent CC dat aan de organisatie pas vorm gegeven kan worden als eerst goed gekeken is naar de wijzigingen in het beleid, de bevoegdheden die allerlei instanties krijgen etc. Overigens zou de werkwijze wellicht al wel gehanteerd kunnen worden zonder dat er nu besluitvorming plaatsvindt.

Ook UReka geeft er de voorkeur aan het beleid in samenhang met de organisatie te behandelen, maar onderschrijft tevens dat er knelpunten zijn die zo snel mogelijk opgelost moeten worden. UReka stelt daarom voor nu wel in te stemmen met de notitie en daaraan de overweging te koppelen dat de vastgestelde organisatie-inrichting niet in strijd mag zijn met het nog vast te stellen meerjarenbeleidsplan. CC en DD kunnen zich daarin vinden, met dien verstande dat zij daarover eerst intern UR-beraad willen.


Meijer informeert wat het college doet met het feit dat het Facilitair Bedrijf de BHV-vergoeding niet aanwendt voor BHV maar elders in de organisatie besteedt. De Jong antwoordt dat over de besteding van de middelen met de diensten afspraken worden gemaakt; zo zal ook met het FB gesproken worden. Op verzoek van Meijer zegt De Jong toe dat de UR zal worden geïnformeerd over de uitkomst van het gesprek met het FB.


De UR zal in een intern beraad een instemmingsbesluit formuleren.


De Jong merkt op dat het college zijn verantwoordelijkheid zal nemen, gezien de risico’s die hij eerder aangeduid heeft.


8.Nota Begrotingsbod 2004 (UR 03.272, UR 03.289)

1.Op de vragen en opmerkingen van de UR zoals verwoord in UR 03.289 wordt als volgt ingegaan:
Te Beest: De rijksbijdrage zal k€ 600 hoger uitvallen dan is aangenomen in het bod. Over de aanwending daarvan moet het CvB zich nog buigen. T.a.v. de consequenties van Prinsjesdag in het algemeen stelt hij dat het positief is dat voor het eerst het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek niet getroffen wordt door grotere bezuinigingen dan in alle andere sectoren. Overigens is de stijging t/m 2008 in het WO-budget wel geoormerkt, hoewel nog niet geheel duidelijk is hoe. Wat wel duidelijk is, is dat de UT t/n 2007 voor Technische Geneeskunde uiteindelijk structureel M€ 6 per jaar krijgt.

T.o.v. de bekostiging in 2003 krijgt de UT voor 2004 maar een heel klein beetje meer, en dat wordt veroorzaakt door:

2.het feit dat de instroom in 1995/96 en 1996/97 t.o.v. de landelijke instroom erg achterbleef. Ook wordt dit beïnvloed door het feit dat de loonruimte drastisch zal afnemen. Deze “dip” is overigens eenmalig.

Te Beest zal een overzicht van de budgetten voor de diverse universiteiten aan de commissie F&V geven. Meijer vraagt daarbij ook aan te geven hoe tot zo’n berekening wordt gekomen, waarop Te Beest waarschuwt dat het slechts een theoretische exercitie is.

3.Te Beest: Er ligt een nieuw instituutsplan voor IGS met veel meer fte’s. Dat zal de basis vormen. De stelling van het CvB luidt: geen goedgekeurd plan – geen budget. (Op de opmerking dat Impact nog geen plan heeft antwoordt Te Beest dat Impact wel in het begrotingsbod zit omdat Impact een samenvoeging is van twee instituten die samen niet groter zijn dan de oorspronkelijke instituten). Het college gaat ervan uit dat alle plannen tijdig klaar zijn. Mocht dat niet het geval zijn, dan gaan de geparkeerde gelden naar de andere instituten, omdat de verdeling gebeurt op basis van het aantal fte’s.

Meijer merkt op dat het uitgangspunt “hoe meer fte’s, hoe meer geld” kan leiden tot de neiging om groot te worden vanwege de financiën. Terwijl er ook een neiging is om vervolgens dat geld beperkt in te zetten – reden te meer dus om heel goed naar de instituutsplannen te kijken. Te Beest is dat met hem eens.

4.Te Beest: Er is een pragmatische oplossing gekozen voor het probleem van de poolruimtes. Daar kan lang over gepraat worden, maar destijds is die keuze gemaakt, ook met de commissie financieel verdeelmodel. En er zal ook nog wel verder over gesproken worden.

5.Te Beest: Besloten is door te gaan met de huidige berekeningswijze van de aanloopbekostiging. Dat betekent dat er wel een afwijking mogelijk blijft. De overweging om te corrigeren op basis van werkelijke cijfers zal worden meegenomen. Overigens klopt de berekening van de UR niet helemaal, aldus Te Beest.

6.Te Beest: De begroting is op basis van inkomsten, maar de verdeling gebeurt op basis van prestaties. Daar wordt het probleem door veroorzaakt.

De komende jaren zal de stijging van het UT-budget ten gevolge van toenemende prestaties er niet toe leiden dat de prijzen op peil gehouden kunnen worden. In het UMT zal bezien worden hoe de additionele middelen van het ministerie ingezet kunnen worden om het probleem deels te compenseren.

7.Te Beest: De reorganisatievoordelen vallen in belangrijke mate in 2003 en zijn gebruikt om de projecten UT drastisch te verhogen. De komende jaren wordt daarin geld vrijgemaakt dat weer gebruik kan worden. Op 1 juli jl. heeft Te Beest dat aan de UR getoond in enkele overzichten. Dit kan gebeuren zonder personele consequenties. In de begrotingsrichtlijnen wordt een duidelijk overzicht gegeven hoe de bezuinigingen cumulatief plaatsvinden, terwijl bij het overzicht projecten UT zichtbaar is waaraan de middelen besteed zijn. Te Beest stelt voor hier in detail nog eens naar te kijken in de commissie F&V.

8.Te Beest: Het college is blij dat er een beleidsreserve achter de hand is. Bij prioritaire projecten gaat het bijvoorbeeld om communicatie over de masteropleidingen aan de UT en het geven van onderwijs in het Engels. Ook hiervan heeft hij in juli een overzicht getoond.

Volgens de UR is het in de huidige financiële situatie beter keuzes te maken en “oud voor nieuw” toe te passen. Want het is toch belangrijk vooral te richten op het primaire proces. Volgens Te Beest dient beide te gebeuren.

9.Te Beest: De middelen die aanvankelijk centraal waren gereserveerd voor internationalisering zijn terecht gekomen in de middelen van de faculteiten. Gezamenlijk wordt gekomen tot prioriteiten. Wallinga-de Jonge merkt op dat er ook sprake blijft van centrale toewijzing. Naar buiten toe is niet duidelijk van welke omvang dan sprake is (denk aan bijvoorbeeld het mobiliteitsfonds). De Jong antwoordt dat over de omvang en de inzet daarvan nog gesproken zal worden.


9. Twente Scholarship Program (UR 03-284 en 03-297)

De voorzitter verzoekt het college vanwege tijdgebrek alleen om beantwoording van het gestelde in de brief. De Jong antwoordt dat alleen middelen voor bepaalde doelen ingezet worden. De verplichting voor het aangaan van het contract ligt bij de student. De verantwoording voor de financiën ligt dus ook bij de student. Kwijtschelding van de schuld is inderdaad een optie waarover de faculteit kan beslissen indien de student in dienst komt. Het uitgangspunt is echter dat de student zelf zijn/haar schuld afbetaald. Het klopt inderdaad dat bij de huidige constructie, de voorziening buiten de UT geplaatst in een private stichting, de medezeggenschap geen invloed kan uitoefenen op dit onderdeel.

Er wordt geen discussie aangegaan. Nader beraad en besluitvorming volgen.


10. Kwartaalrapportage Herplaatsingscommissie Reorganisatie UT (UR 03-282 en 03-311)

De voorzitter geeft aan dat de gegevens zoals verwoord in de brief duidelijk zijn. Hij verzoekt het college om nadere reactie. De Jong geeft aan dat de Herplaatsingscommissie actief blijft. Op dit moment zijn er gesprekken gestart met Randstad voor mogelijkheden van herplaatsing van de overgebleven kandidaten. Dit zoeken naar een passende functie gebeurt nu veelal extern.

Het tweede punt betreft een nieuwe 'reorganiserende' ronde van de faculteiten die zich bezinnen over hun toekomst. Dit probleem speelt vooral bij de faculteiten GW en BBT. Binnen deze faculteiten is de achterblijvende instroom van eerstejaars te merken.

Verwacht wordt dat de wijzigingen bij BBT geen personele consequenties zullen opleveren. Bij GW zijn er wel personele gevolgen te verwachten. Dit is reeds gemeld bij de Faculteitsraad, alwaar een decentrale discussie plaats zal vinden.

Expliciet wordt door De Jong vermeld dat zolang het huidige reorganisatieproces loopt alle volgende fasen wederom onder het nu geldende Sociaal Plan zullen vallen.


11. Tijdpad UFO (UR 03-309)

De nota wordt ter kennisneming aangenomen. Er zijn geen nadere opmerkingen.


12. Instituten, gang van zaken

De punten inzake het aftreden van de Wetenschappelijk Directeuren en het niet tijdig afgerond hebben van de instituutsplannen zijn reeds uitvoerig behandeld tijdens de bespreking van de Begroting. De voorzitter wil hierover nogmaals namens de gehele UR zijn bezorgdheid uit spreken. De Jong meldt dat dit punt van aandacht is bij het college. Tevens is het punt van aandacht geweest in een kleinere sessie van het UMT en binnen de faculteiten. Binnenkort wordt het besproken in het UMT met nadere informatie door de directeur.

Afgesproken is dat de directeur GW in eerste instantie deze kwestie afhandelt.

Schrama vraagt of het instituutsplan van IGS inderdaad in november te verwachten is. De Jong geeft aan dat hij het Instituutsplan begin november verwacht (anders volgt uitstel naar december). Hij meldt dat de faculteitsraad adviesrecht en de Universiteitsraad instemmingsrecht heeft. Ook wijzigingen zullen worden voorgelegd aan de Universiteitsraad.

Brinkman vraagt zich af of de decaan GW wel de juiste persoon is als trekker van het nieuwe instituut. De Jong geeft aan dat het college de decaan GW volstrekt capabel acht.



13. Schriftelijke Rondvraagpunten (UR 03-279)

a. Studentenhuisvesting. Te Beest deelt de mening dat de studentenhuisvesting inderdaad een probleem is. Er is hierover voortdurend overleg tussen de diverse andere onderwijsinstellingen (Saxion/ITC), de gemeenten Enschede en Hengelo en Acasa. Noodsituaties worden veelal opgelost met tijdelijke maatregelen. Acasa zal binnenkort beginnen met het plaatsen van een aangekocht asielzoekerscentrum op de hiervoor gereserveerde voetbalvelden. Tevens zijn er plannen voor nieuwbouw. Alles met betrekking tot huisvesting gebeurt in afstemming met het vastgoedplan. De gelden die hiervoor nodig zijn komen van Acasa niet van het college.

Het punt aanbiedingen van huisvesting via de particuliere sector wordt kort aangeroerd. Eventuele voorstellen of mogelijke oplossingen rond deze problematiek zijn van harte welkom.

b. Laptops. De Jong geeft aan dat het bij deze regeling meer gaat om gebruik van de laptops dan om contractafspraken. Er is voor het opstellen een werkgroep ingesteld die bij het invullen van de nota zoveel mogelijk rekening gehouden heeft met alle voors en tegens. Eén en ander is besproken in de CCO en het UMT. Schrama vraagt of er geen centraal beleid gemaakt moet worden inzake Arbo- en milieu m.b.t. laptops? De Jong geeft aan dat dit in de werkgroep besproken is en dat er toezicht zal zijn op de regels en het gebruik van laptops in het onderwijs.

c. Procedure benoeming Hoogleraren. De Jong erkent dat de voorliggende nota niet up-to-date is en er gewerkt gaat worden aan een nieuwe. Meijer geeft aan dat er hierover substantiële afspraken in het verleden gemaakt zijn met betrekking tot vertegenwoordiging van studentleden in benoemingscommissies. De Jong geeft aan dit mee te zullen nemen in de nieuwe procedure.

d. Brief CvB aan staatssecretaris over medezeggenschap. De Jong geeft aan dat de betreffende brief reeds aan de UR gezonden is. Schrama meldt dat de brief ontvangen is en dat nader overleg hierover zal volgen.

e. Naamsverandering De Boerderij. De Jong geeft aan dat het college zeer veel belang hecht aan een Faculty Club op de Universiteit Twente. Er worden op dit moment initiatieven ontwikkeld die voor alle personeelsleden en studenten interessant zijn. Hiervoor is een subsidie toegekend. Tevens zijn er gesprekken met de voorzitter van de personeelsvereniging geweest over het eventuele gebruik van de ruimte en over betrokkenheid bij initiatieven. GEWIS heeft aangegeven ook interesse te hebben voor het gebruik van de ruimte. Meijer stelt hierop de vraag of deze Club niet ondergebracht had kunnen worden bij de Personeelsvereniging? De Jong meldt dat bij het algemeen beleid centralisatie wordt voorgestaan maar dat dit initiatief door het CvB wordt ondersteund. Wallinga-de Jonge geeft aan dat de wijze waarop één en ander tot stand wordt gebracht doet vermoeden dat het een elitaire club wordt. De Jong antwoordt daarop dat het bij de Faculty Club gaat om faculteiten en alles wat daar onder valt.

Schrama geeft aan dat hier een tweede kwestie speelt, die van de naamgeving. Het centrale beleid van de UT is erop gericht dat naamgeving een gebouw niet wordt gekoppeld aan de functie die zich binnen het gebouw afspeelt. Tevens zou de naamgeving geschieden via een hiervoor ingestelde 'commissie Naamgeving gebouwen'. Vraag is of de naam Faculty Club definitief is vastgesteld? De Jong antwoordt positief. Houweling geeft hierop aan dat deze wijze dan rechtstreeks ingaat tegen het eigen vastgestelde beleid hierover. Na de bekendmaking (8 oktober) van de overige gebouwnamen zal hierover eventueel nader gesproken worden.

f. Reorganisatie Technische Dienstverlening. De Jong geeft aan dat het huidige proces te langzaam verloopt. Er wordt een nieuw plan gemaakt. Overleg hierover vindt plaats met de UR-commissie. Het nu voorliggende plan moet bijgesteld worden. Schriftelijke toezending volgt na ontvangst hiervan door het college. Meijer vraagt hoe het dan zit met de beschikbaarheidsbijdragen. Hij vraagt of de eindtermijn van de bijdragen hierdoor dan ook opschuift, en wat de precieze vervolgplannen zijn. De Jong geeft aan dat er per 2004 geen beschikbaarheidsbijdrage meer is voor IMC. Per jaar zullen er wel enkele middelen per project beschikbaar worden gesteld. Tevens geldt de voorwaarde dat de herstructurering geen personele consequenties mag hebben.

g. Vertrouwenspersoon. De Jong geeft aan dat er al langere tijd gezocht wordt naar een tweede vertrouwenspersoon op de UT. Diverse personen zijn benaderd en hebben aangegeven beschikbaar te zijn. Binnenkort volgt benoeming.


Rondvraag

Van Rijn vraagt wanneer er eventueel verstelbare tafels en stoelen in het kader van Laptopbeleid beschikbaar komen. Eén en ander is besproken in de CCO vergadering van 4 juni. De Jong geeft aan dat tijdens het gesprek hierover met de Inspectie gesproken is over welke voorzieningen noodzakelijk zijn t.b.v. flexibel gebruik van Laptops en niet over aankoop.

Meijer geeft aan twee vragen te willen stellen. 1) Betreft het vereveningsfonds ziektekosten dat op centraal niveau wordt opgeheven. Vraag is hoe wordt deze kwestie vorm gegeven en welke beleid wordt hiervoor gevoerd. De Jong geeft aan dat inzake personeelsbeleid en ziekteverzuimbeleid het volgende geldt. Zolang er geen nieuw beleid is vastgesteld blijven de oude regelingen nog gelden. Te Beest vult dit aan met de opmerking dat of centraal of decentraal hiervoor betalingen zullen plaatsvinden.

Punt 2) betreft de interne evaluatie van de Digitale Universiteit. Meijer zegt dat tijdens de vorige behandeling is afgesproken dat hierover in een later stadium nogmaals overleg gevoerd zal worden met de UR (plan/info volgt). De Jong geeft aan in december hierover nader te willen overleggen.

Hartsuiker verzoekt om vroegtijdige behandeling van de nota personeelsbeleid. De Jong deelt mee dat de UR betrokken is geweest bij de totstandkoming en dat deze nota 8 oktober in het college behandeld gaat worden. Nader overleg volgt.



9.Sluiting

De voorzitter sluit, onder dankzegging voor ieders geduld en tijd, om 12.55 uur de overlegvergadering.


*****