Hoe staat het met het persoonlijk IoT gebruik in Nederland?

door Alexander van Deursen

In het Internet of Things zijn alledaagse voorwerpen verbonden met Internet om gegevens met elkaar en met gebruikers uit te wisselen. Uit dit onderzoek blijkt dat iets minder dan de helft van de Nederlandse volwassen bevolking minimaal een IoT apparaat gebruikt. Ongeveer een derde gebruikt IoT medisch, om gezondheidsredenen of bij het sporten. Een vergelijkbare groep gebruikt IoT in of rondom het huis, bijvoorbeeld om energie te besparen of huishoudelijke taken te verlichten. Veiligheidstoepassingen van IoT zijn het minst gangbaar.


Bij degenen die het IoT gebruiken zien we dat activiteit meters en slimme thermostaten het meest gebruikt worden. Dit wijst er op dat IoT nog lang geen gemeengoed is: veel van de voor consumenten beschikbare toepassingen wordt slechts sporadisch gebruikt.

De resultaten laten verder zien dat IoT gebruik vooral iets is voor jongeren en voor mensen met hogere inkomens. Enerzijds is dit niet verassend – leeftijd en inkomen zijn altijd belangrijke voorspellers voor het gebruik van een nieuwe technologie, – anderzijds is dit wel zorgelijk, daar juist oudere mensen en mensen met een lager inkomen relatief meer belang hebben bij het verbeteren van hun gezondheid. Bij de lagere inkomensklassen geldt ook dat zij juist relatief veel zouden kunnen profiteren van lagere energiekosten. Dat juist hogere inkomensklassen weten te profiteren van IoT toepassingen voor gezondheid en energiebesparing suggereert dat het IoT de potentie heeft bij te dragen aan een versterking van ongelijkheid. De uitkomsten van het gebruik van IoT zijn immers positief, zij het nog gematigd.

Bij degenen die het Internet of Things niet gebruiken (55,3%) is desinteresse de belangrijkste reden. Dit zien we ook terug in de houding van niet-gebruikers ten opzichte van IoT, deze is lager dan de houding van de gebruikers. Veel genoemd wordt ook zorgen over privacy. Dit liojkt terecht, daar privacy steeds meer in het geding komt wanneer interactie tussen apparaten en apparaten en gebruikers automatische en achter de schermen plaats vindt. Een groot gedeelte van de niet-gebruikers geeft ook aan hun gegevens niet aan bedrijven of de overheid toe te vertrouwen. Dit suggereert dat producenten opener dienen te worden over de apparaten en systemen die ze ontwikkelen en duidelijk zullen moeten maken welke opties consumenten hebben als het gaat over dataverzameling en verwerking. Daarnaast dienen deze opties op een begrijpelijke manier aan de consumenten te worden gecommuniceerd.

Naast desinteresse en privacy worden ook de kosten genoemd als belemmering voor het gebruik van IoT. Dit past bij de resultaten dat vooral de hogere inkomens relatief veel IoT gebruiken. Verder wordt door 40% een tekort aan vaardigheden genoemd. Dit is een belangrijk punt, want ondanks dat IoT autonoom beslissingen neemt, is er een grote behoefte aan vaardigheden om de grote hoeveelheid complexe data die wordt verzameld te kunnen bolwerken. Waar de bediening van eerdere technologie een volledig bewuste gebruiker vereiste, kenmerkt het IoT zich door passieve gebruikers die zich niet bewust zijn van wat er precies gebeurt. Toch dienen gebruikers af te wegen welke data worden verzameld, welke analyses er nodig zijn en wie toegang krijgt tot de data. De data die verzameld wordt door IoT onthult bijvoorbeeld wanneer iemand thuis is, naar het werk reist, voldoende beweegt en gezond eet. Begrijpen hoe verzamelde gegevens worden gebruikt vereist strategische besluitvorming.

Van de mensen die nog geen gebruik maken van IoT zou het besparen van energie de belangrijkste motivatie zijn om dat in de toekomst wel IoT te gaan gebruiken. Desondanks geeft slechts 28,3 % aan IoT in de toekomst te willen gaan gebruiken. Dit zou suggereren dat de kern van gebruikers kleiner wordt dan wordt gesuggereerd in de populaire media.