2001

01-06

WETENSCHAPSNIEUWS 01/06 07-6-2001

Agenda
Samenvattingen promoties
Benoemingen
Stellingen
Archief

Wetenschapsnieuws is een periodieke uitgave van de Universiteit Twente. Het verschijnt ± 20 maal per jaar in een oplage van 500 stuks. Voor nadere informatie, of voor een gratis abonnement, kunt u contact opnemen met de Dienst Communicatie en Transfer, Postbus 217, 7500 AE Enschede, tel. (053) 489 43 85, e-mail: b.meijering@cent.utwente.nl
Laatste nieuws op Internet: URL: http://www.utwente.nl/nieuws


Proefschriften ook on-line beschikbaar
Een groot aantal proefschriften zijn direct opvraagbaar via de website van de Universiteitsbibliotheek. De documenten zijn in het kader van het webdocproject per faculteit /instituut integraal opgeslagen in pdf formaat.

Samenvattingen promoties

Electronische ondersteuning van docentennetwerken
WN 01/31 * 31 mei 2001

promotie drs. B.H. Moonen, faculteit Toegepaste Onderwijskunde: ‘Teacher learning in inservice networks on internet use in secondary education’

Nascholing van docenten vervult een centrale rol bij de implementatie van innovaties in het onderwijs. In het TINTIN-onderzoek (Teacher INservice Training In Networks) is de toepassing van elektronisch ondersteunde docentennetwerken nader geanalyseerd. Het doel van deze netwerken was het geven van ondersteuning aan docenten uit het voortgezet onderwijs over hoe zij Internet in hun lessen optimaal kunnen gebruiken.

Om de effecten hiervan te onderzoeken zijn twee netwerken van docenten moderne vreemde talen (Frans en Duits) opgericht. Deze netwerken bestonden uit workshops, voorbeeld-lesmateriaal en elektronische communicatie. De mogelijkheid om elektronisch en dus onafhankelijk van tijd en plaats in het netwerk te communiceren zou de hoeveelheid reflectie en dientengevolge de leereffecten helpen toenemen, zo was de verwachting.

De resultaten van het onderzoek geven aan dat de docenten die aan de netwerken hebben deelgenomen, tevreden waren over de wijze waarop de nascholingsactiviteiten waren georganiseerd. Bovendien heeft hun deelname aan de docentennetwerken een (duidelijke) toename in het (educatief) gebruik van ICT bewerkstelligd. De bijdrage van de elektronische communicatie aan deze leereffecten is echter behoorlijk klein gebleken.

promotor prof. dr. J.J.H. van den Akker
co-promotor
dr. J. Voogt
informatie
drs. B. Meijering, telefoon (053) 489 4385
e-mail
b.meijering@cent.utwente.nl

 

Ontdekkend leren in computerondersteunde simulaties
WN 01/32 * 7 juni 2001

promotie drs. C.D. Hulshof, faculteit Toegepaste Onderwijskunde: ‘Discovery of Ideas and Ideas about Discovery: The Influence of Prior Knowledge on Scientific Discovery Learning in Computer-Based Simulations’

Het sterk toegenomen gebruik van computers in het onderwijs heeft ertoe geleid om gebruik te maken van nieuwe manieren van leren en instrueren. Computersimulaties kunnen leerprocessen ondersteunen. Daarbij neemt ontdekken een centrale positie in.
De instructievorm ontdekkend leren kan leiden tot een betere leerprestatie dan andere instructievormen. Echter, leerlingen blijken dan wel makkelijk de draad kwijt te raken. Onder welke omstandigheden het ondersteunen van het leerproces het best werkt, moet nog worden onderzocht.
Volgens Hulshof heeft de kennis die een leerling meebrengt naar een leertaak grote invloed op het proces van ontdekkend leren. De processen die tijdens ontdekkend leren plaatsvinden zijn door de promovendus onderzocht in de context van een aantal verschillende computersimulaties. In het bijzonder keek hij naar de invloed van domeinspecifieke voorkennis en algemene kennis van wiskundige relaties op ontdekkend leerprocessen. Een belangrijke uitkomst is dat domeinspecifieke kennis bij ontdekkend leren een kleinere rol lijkt te spelen dan werd aangenomen. Deze kennis lijkt alleen van invloed te zijn op het ontdekkend leerproces als deze tijdens het werken met een computersimulatie kan worden aangesproken.
Het proefschrift is bedoeld om het gat tussen kennis over leersituaties en kennis over individuele behoeften op te vullen.

promotor prof. dr. A.J.M. de Jong
co-promotor
prof. dr. J.M. Pieters
informatie
drs. B. Meijering, telefoon (053) 489 4385
e-mail
b.meijering@cent.utwente.nl

 

Nederlands watermanagement schiet tekort
WN 01/xx * 7 juni 2001

promotie drs. Y.J. van Hijum, faculteit Technologie & Management: ‘Kostelijk water. Een studie naar de organisatie en bekostiging van het Nederlandse waterbeheer’

De gedecentraliseerde bestuurlijke en financiële organisatie van het waterbeheer functioneert niet naar wens, aldus de Twentse bestuurskundige Eddy van Hijum.

Het waterbeheer wordt in Nederland van oudsher voor een belangrijk deel uitgeoefend en bekostigd door lagere overheden en nutsbedrijven. Waterschappen, gemeenten, provincies en waterleidingbedrijven oefenen specifieke taken uit en bekostigen die uit de opbrengsten van eigen heffingen en prijzen. Deze decentrale opzet kent verschillende voordelen (aldus de bestuurskundige literatuur): hierdoor kan er een gerichte discussie plaatsvinden tussen bestuurders en burgers over de gewenste verhouding tussen voorzieningen en lasten, de kosten kunnen rechtvaardig aan belanghebbenden en veroorzakers worden toegedeeld, en volksvertegenwoordigers zijn in staat om gericht controle uit te oefenen.

Van Hijum bespreekt de gedecentraliseerde bestuurlijke en financiële organisatie van het waterbeheer op basis van drie uitgebreide case-studies. Zijn oordeel: de bestuurlijke discussie over voorzieningen en lasten richt zich eenzijdig op beperking van de lokale lastendruk; de kostenverdeling tussen huishoudens en bedrijven vertoont scheefgroei, en de afbakening van financiële verantwoordelijkheden tussen overheden geeft aanleiding tot veel bestuurlijke discussie. Doordat overheden maar zo moeizaam samenwerken worden mogelijkheden om financiële besparingen of milieuverbeteringen tot stand te brengen soms niet worden benut.
Daarnaast ontbreekt het aan scherpe democratische controle, aldus Van Hijum, die vooral kritiek heeft op de afnemende openbaarheid en transparantie bij waterleidingbedrijven en waterschappen. Deze organisaties hebben in verschillende gebieden Waterketen BV’s opgericht, die op commerciële basis ‘diensten op maat’ leveren aan grote bedrijven. Door die vermenging tussen publieke nutstaken en commerciële activiteiten valt echter moeilijk te controleren in hoeverre er kosten worden afgewenteld van bedrijven op huishoudens.

Van Hijum bepleit daarom een duidelijker afbakening van taken en financiële verantwoordelijkheden. Terwijl er een scheiding van verantwoordelijkheden nodig is voor het beheer van watersystemen (grond- en oppervlaktewater) en waterketens (drink- en industriewater, afvalwater), moet de verantwoordelijkheid voor de inzameling en zuivering van afvalwater juist in één hand komen. Niet dat Van Hijum veel verwacht van grote structuurwijzigingen. Belangrijker vindt hij dat burgers en organisaties bij het waterbeleid worden betrokken en dat de betreffende overheden nauw samenwerken. Ook is een intensieve en gerichte democratische controle nodig, iets waaraan is bij te dragen door te zorgen voor transparante begrotingen en rekeningen, periodieke benchmarks en de instelling van rekenkamers, aldus Van Hijum.

promotor prof. mr. H.M. de Jong
co-promotor
prof. dr. ir. H.G. Wind
informatie
drs. B. Meijering, tel. 053-489 4385
e-mail
b.meijering@cent.utwente.nl

 

Dubbelwandig paneel dempt geluid
WN 01/33 * 8 juni 2001

promotie ir. T.G.H. Basten, faculteit Werktuigbouwkunde: ‘Noise Reduction by Viscothermal Acousto-Elastic Interaction in Double Wall Panels’

Geluids- en trillingsoverlast is een belangrijk probleem in de huidige samenleving. Aan de faculteit Werktuigbouwkunde van de Universiteit Twente is daarom onderzoek gedaan naar demping van geluid met dubbelwandige panelen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de dempende eigenschappen van een nauwe luchtlaag tussen flexibele platen.
Wanneer een van de twee platen door een geluidsveld of een structurele excitatie in trilling wordt gebracht zullen de twee platen ten opzichte van elkaar bewegen en komt de lucht tussen de platen in beweging. Door deze pompwerking en doordat de lucht tussen de platen zich viskeus (stroperig) gedraagt wordt trillingsenergie omgezet in warmte en komt deze dus niet beschikbaar als geluidsenergie.

In het onderzoek zijn rekenmodellen ontwikkeld die de geluiddempende werking van dubbelwandige panelen voorspellen. Eenvoudige simulaties wijzen uit dat met name constructiegeluid goed te reduceren is met behulp van de dempende werking van de luchtlaag. Het geluid, doorgegeven van de ene naar de andere zijde van het paneel en beschreven met het zogenaamde transmissieverlies, wordt daarentegen door de dempende eigenschappen nauwelijks beïnvloed.
Een speciale experimentele opstelling is ontworpen en gebouwd om het trillingsgedrag en de geluidsafstraling van dubbelwandige panelen te testen. Met die opstelling kan de dempende werking uitstekend worden gedemonstreerd.
Om optimaal gebruik te maken van de dempende werking moet de luchtlaag tussen de platen van het paneel zo dun mogelijk zijn. Als de luchtlaag dunner is dan enkele millimeters is de werking duidelijk hoorbaar. Verder moeten de beide platen ongelijk zijn, te realiseren door ze een verschillende dikte te geven. In dat geval moet bij voorkeur het dunste paneel door de bron worden aangestoten. In deze gevallen is de pompwerking in de luchtspleet namelijk maximaal en is de geluidsreductie optimaal.
De dubbelwandige panelen kunnen onder andere worden toegepast in de automobielindustrie en in huishoudelijke apparatuur.

promotor prof. dr. ir. H. Tijdeman
informatie
drs. B. Meijering, tel. (053) 489 43 85
e-mail
b.meijering@cent.utwente.nl

 

Eén rijbaan voor twee richtingen
WN 01/34* 8 juni 2001

promotie drs. M.J.R. Ebben, faculteit Technologie & Management: ‘Logistic Control in Automated Transportation Networks’

De toenemende fileproblematiek leidt tot een vraag naar alternatieve transportsystemen. Geautomatiseerde transportnetwerken, mogelijk ondergronds, zijn daarbij een optie. Belangrijk in dat verband is het OLS-project, een studie naar het voorontwerp van een ondergronds logistiek systeem (OLS) rond Schiphol en de bloemenveiling in Aalsmeer. Een goede logistieke besturing is essentieel voor de implementatie van dergelijke transportnetwerken. Dit proefschrift levert een bijdrage aan het ontwerp en de evaluatie van een dergelijke logistieke besturing.

Uitgangspunt is een model voor geautomatiseerde transportnetwerken. Daarin wordt onderscheid gemaakt in fysieke, besturings- en informatieobjecten. Simulatiestudies zijn uitgevoerd om alternatieve besturingsmethoden te testen. Met name voor de voertuigplanning en de besturing van één rijbaan voor twee richtingen zijn verschillende methoden ontwikkeld en uitgetest, variërend van eenvoudige prioriteitsregels tot integrale planningsmethoden. Deze methoden zijn grotendeels ook bruikbaar voor respectievelijk vrachtwagenplanning en verkeerssituaties.

De simulatiestudies hebben belangrijke informatie opgeleverd over de gevoeligheid van het systeem voor voertuigstoringen en dockstoringen en bieden ook belangrijke input voor een energiestudie. Tevens zijn de ontwikkelde modellen ingezet om de benodigde capaciteit aan voertuigen en laad/losdocks in te schatten voor het OLS Schiphol.

Deze studies werden gefinancierd door Connekt, het kenniscentrum voor verkeer en vervoer. Dit onderzoek sluit aan bij andere studies naar ondergronds transport, zoals naar stadsdistributie in Leiden, Utrecht en Tilburg, uitgevoerd in opdracht van de Interdepartementale Projectorganisatie voor Ondergronds Transport (IPOT; V&W, EZ en VROM).

promotor prof. dr. A. van Harten
informatie
drs. B. Meijering tel. (053) 4894385
e-mail
b.meijering@cent.utwente.nl

 

Cyclische schedules voor transportsystemen
WN 01/35 * 14 juni 2001

promotie mw. ir. C.M.H. Kuijpers, faculteit Toegepaste Wiskunde: ‘Cyclic Machine Scheduling with Tool Transportation’

In moderne productieomgevingen bevinden zich vaak zeer geavanceerde machines die een groot aantal verschillende bewerkingen uitvoeren en daarbij gebruik maken van allerlei verschillende gereedschappen. Deze gereedschappen zijn soms erg kostbaar. Daarom gebruikt men een gereedschap vaak voor meerdere machines. Er is dan een transportsysteem aanwezig om de gereedschappen tussen de machines heen en weer te transporteren. Zo’n transportsysteem kan een robot of een lopende band zijn, maar ook een persoon. Als het transportsysteem te laat met een gereedschap bij een machine aankomt, kan de betreffende machine niet verder gaan met de volgende geplande bewerking en komt hij stil te staan. Om de productie te maximaliseren moeten de machines en het transportsysteem dus zo op elkaar worden afgesteld dat de machines zoveel mogelijk kunnen blijven werken.
Kuijpers bestudeerde het schedulingprobleem (planningsprobleem) dat optreedt in de hierboven omschreven productieomgevingen. Zij onderzocht vooral cyclische schedules voor dit probleem. Cyclische schedules hebben de eigenschap dat zij geen echt begin- of eindpunt hebben, maar continu kunnen worden herhaald. Het doel is om de gemiddelde productie per tijdseenheid te maximaliseren. Het algemene probleem wordt gemodelleerd als een zogeheten geheeltallig programmeringsprobleem. Voor productieomgevingen met precies twee machines worden allerlei eigenschappen van optimale schedules afgeleid. Voor zulke omgevingen blijkt er altijd een optimaal schedule van een bepaalde structuur te bestaan. Dit resultaat heeft Kuijpers gebruikt voor het ontwikkelen van een algoritme dat veel sneller een optimaal schedule oplevert dan gebeurt wanneer het geheeltallige programmeringsprobleem op een standaardmanier wordt opgelost. Ook wordt een heel snelle heuristiek (benaderingsalgoritme) gegeven, die in vrijwel alle gevallen een optimaal schedule oplevert.

promotor prof. dr. U. Faigle
co-promotor
dr. ir. W.M. Nawijn
informatie
drs. B. Meijering
e-mail
b.meijering@cent.utwente.nl

 

Nieuw type warmwaterketel voldoet aan belangrijke milieueisen
WN 01/36 * 15 juni 2001

promotie ir. E. Mozes, faculteit Werktuigbouwkunde: ‘On the Development of a High Capacity Water Boiler’

Op basis van bovengenoemd onderzoek is een nieuw type warmwaterketel ontworpen die voldoet aan een aantal belangrijke milieu-eisen. Het betreft een type warmwaterketel in het vermogensgebied tussen de 1 en 10 MW. Het basisontwerp van dit soort warmwaterketels is zo'n 40 jaar oud en voldoet niet meer aan huidige milieu-eisen.

Een belangrijke eis is bijvoorbeeld de emissie van NOX. Voor gasgestookte ketels met een vermogen tussen 0,9 en 10 MW geldt in Nederland een maximale emissie van 70 mg/Nm³. Metingen aan de nieuwe warmwaterketel met verschillende lage NOX branders tonen waarden die lager liggen dan 50 mg/Nm³. Met één van de branders is zelfs een emissie behaald van 31 mg/Nm³.
Een ander positief milieuaspect is, dat het thermisch rendement erg hoog ligt. Metingen tonen een rendement van 97 tot 98 procent – 5 tot 6 procent hoger dan die van bestaande ketels. Hierdoor wordt het verbruik van aardgas en de emissie van CO2 teruggedrongen. Bovendien is de nieuwe warmwaterketel gemiddeld 30 procent lichter dan bestaande ketels, waardoor het milieuvoordeel reeds in de productiefase naar voren komt.

Het onderzoek is gestart met het uitvoeren van kleinschalige experimenten. Er is een opstelling gemaakt, waarin verschillende gas-waterwarmtewisselaars getest kunnen worden tot een vermogen van 120 kW. Op basis van deze testen plus een aantal constructieaspecten is er gekozen voor een combinatie van drie warmtewisselaars. Deze combinatie is in een prototype opgeschaald tot een vermogen van 3,5 MW. In samenwerking met Gasunie Research in Groningen is voor de prototype een testprogramma opgesteld en uitgevoerd. In de metingen worden de verwachte lage NOX -emissie en het hoge rendement bevestigd.

Het project is een samenwerkingsverband tussen het bedrijf Van Dijk Heating en de Universiteit Twente, en is mogelijk gemaakt door financiële steun van de STW.

promotor prof. dr. G.G. Hirs
assistent-promotor
dr. ir. J.B.W. Kok
informatie
drs. B. Meijering
e-mail
b.meijering@cent.utwente.nl

 

Hoe de marktgerichtheid van een organisatie te verbeteren
WN 01/37 * 15 juni 2001

promotie ir. E.M. van Raaij, faculteit Technologie & Management: ‘The Implementation of a Market Orientation: Designing Frameworks for Managerial Action’

Marktgerichte bedrijven presteren beter. Dit is niet alleen een veelgehoorde stelling in de praktijk van managers en consultants; gedurende de afgelopen tien jaar heeft empirisch onderzoek binnen de marketingwetenschap uitgewezen dat er in het algemeen een positieve relatie bestaat tussen de mate van marktgerichtheid en de prestaties van een organisatie. Als een marktgerichte organisatie een beter presterende organisatie is, is een logische vervolgvraag: hoe kan de mate van marktgerichtheid van een organisatie worden verbeterd? Antwoorden op deze vraag zijn schaars in de marketingliteratuur. Maar voor managers die het belang van marktgerichtheid onderkennen is deze ‘hoe’-vraag cruciaal. Dit proefschrift behandelt vragen waarmee een hypothetische manager worstelt wanneer hij de mate van marktgerichtheid van zijn organisatie wil vergroten.

Op basis van participatieve case-studies is een drietal raamwerken voor de implementatie van marktgerichtheid ontworpen, waarbij analyse en herontwerp van bedrijfsprocessen centraal staan. De raamwerken laten niet alleen zien waar de verbeteringen moeten worden gezocht, maar ook hoe die verbeteringen kunnen worden ingevoerd. Naast deze praktische benadering bevat het onderzoek ook een methodologische bijdrage; deze betreft de ontwikkeling van een onderzoeksstrategie op het snijvlak van ontwerpgericht onderzoek en actieonderzoek: designing-in-action. Deze onderzoeksstrategie geeft de onderzoeker toegang tot veranderingsprocessen in organisaties die met non-participatieve strategieën niet te realiseren is. De belangrijkste theoretische bijdrage van dit onderzoek is dat het begrip marktgerichtheid in procestheorieën van organisaties wordt ingebed en wordt opgevat als een stelsel van procesmatige vaardigheden die in onderlinge samenhang verdedigbare concurrentievoordelen opleveren. Deze vaardigheden omvatten de verzameling en verspreiding van marktinformatie, het leren over markten, en het creëren van onderscheidende waarde voor de klant. Binnen de theorie over marktgerichtheid is de in dit proefschrift ontwikkelde methode de meest complete aanpak voor de implementatie van marktgerichtheid.

promotor prof. dr. ir. J.M.L. van Engelen (RuG)
co-promotoren
prof. dr. A. Rip; dr. ir. J.W. Stoelhorst
informatie
drs. B. Meijering, tel. (053) 489 43 85
e-mail
b.meijering@cent.utwente.nl

 

Naar een beter functionerend politieapparaat
WN 01/38 *21 juni 2001

promotie mw. drs. M.S. de Vries, faculteit Bestuurskunde: ‘Improving Police Performance’

Het nut van het afstemmen van de werkzaamheden die politie en OM verrichten, wordt overschat. Hoewel medewerkers van beide organisaties te kennen geven dat ze veel belang hechten aan een verbeterde samenwerking en coördinatie op het gebied van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, blijkt deze afstemming in de praktijk geen bijdrage te leveren aan de omvang en de kwaliteit van de prestaties die door politiekorpsen worden geleverd. Dit roept de vraag op in hoeverre de invulling van projecten als ‘de parketsecretaris op lokatie’ een zinvolle besteding is van de capaciteit van het OM.

Sinds de jaren negentig is er binnen diverse gremia hernieuwde aandacht voor de relatie tussen politie en openbaar ministerie. De IRT-affaire en de daarop volgende parlementaire enquête riepen het beeld op van een politieorganisatie die opereert onafhankelijk van elke vorm van toezicht en sturing door het OM. Mede naar aanleiding van genoemde gebeurtenissen is in 1997 een onderzoek gestart naar de mate waarin en de wijze waarop afstemming tussen politie en OM een bijdrage kan leveren aan een beter functionerend politieapparaat. Dit onderzoeksproject heeft geresulteerd in de dissertatie van Mascha de Vries.

De onderzoeksresultaten zijn verkregen door middel van interviews en een schriftelijke enquête in tien politiekorpsen en de daarbij behorende parketten. Zoals De Vries laat zien, gebruikt het OM verschillende controle mechanismen om zicht te krijgen op de activiteiten en resultaten van de politie; ook worden er sturingsmechanismen (waardering, kritiek en feedback, en het betrekken van agenten bij doelstellingsprocedures) aangewend om het handelen van politieagenten te beïnvloeden. Echter, in de praktijk blijkt er, aldus De Vries, geen relatie te bestaan tussen het gebruik van deze mechanismen en de omvang en de kwaliteit van de resultaten die door politiekorpsen worden behaald. Inzake de relatie tussen politie en OM is het dan ook op zijn minst discutabel of afstemming problemen kan helpen oplossen.

promotor: prof. dr. P.B. Boorsma
co-promotor:
prof. dr. G.J.N. Bruinsma
informatie
drs. B. Meijering, tel. (053) 489 43 85
e-mail
b.meijering@cent.utwente.nl

Benoemingen


Stellingen

Harm Visscher, faculteit Werktuigbouwkunde, Universiteit Twente:

Om informatie zinvol op te slaan, is het nodig om informatie over de manier waarop die informatie wordt opgeslagen, op te slaan.

Mascha van der Voort, faculteit Technologie & Management, Universiteit Twente:

Een Amerikaanse president kan met één uitspraak meer kapot dan alle onderzoekers wereldwijd in één ambtstermijn kunnen goedmaken./P>