2000

00-05

WETENSCHAPSAGENDA 00/05 07-07-2000

Agenda

Samenvattingen promoties

Stellingen

Archief

Deze wetenschapsagenda is een periodieke uitgave van de Universiteit Twente. Zij verschijnt ± 20 maal per jaar in een oplage van 500 stuks. Bel of mail ons voor nadere informatie of een gratis abonnement.

Dienst Voorlichting en Externe Betrekkingen, Postbus 217, 7500 AE Enschede, telefoon (053) 489 4244, E-mail: b.meijering@veb.utwente.nl
Laatste nieuws op Internet: URL: http://www.utwente.nl/nieuws


Proefschriften ook on-line beschikbaar
Een groot aantal proefschriften zijn direct opvraagbaar via de website van de Universiteitsbibliotheek. De documenten zijn in het kader van het webdocproject per faculteit /instituut integraal opgeslagen in pdf formaat.

Samenvattingen promoties

Geïntegreerde visie op technologie-overdracht
30 juni 2000

promotie ir. H.J. Steenhuis, Faculteit Technologie & Management
‘International technology transfer; Building theory from a multiple case-study in the aircraft industry’

Voor veel (Nederlandse) bedrijven is internationalisering een belangrijk aandachtsgebied. Wanneer een productiebedrijf een nevenvestiging start in een ander land of werk uitbesteedt naar een ander land wordt technologie overgedragen. Deze overdracht stuit nog op veel problemen. Onderzocht is hoe dit proces van technologie overdracht verloopt van industrieel ontwikkelde landen naar zich industrieel ontwikkelende landen. Het onderzoek is gericht op efficiëntie van de overdracht, wat wil zeggen dat de werkelijk behaalde resultaten zijn vergeleken met de geplande resultaten.

Bij de analyse van de gevalsstudies, die voor dit onderzoek zijn verricht, bleek dat er drie fasen zijn te onderscheiden in de technologieoverdracht: voorbereiding, installatie en gebruik van de technologie. De analyse van de gevalsstudies gaf aan dat er drie groepen van factoren zijn die deze fasen beïnvloeden. De eerste groep factoren heeft betrekking op de technologie. De omvang en de leeftijd van de technologie zijn belangrijke karakteristieken voor de overdracht. De tweede groep factoren heeft betrekking op de organisaties. De competentie, de capaciteit en de efficiëntie van de organisatie zijn hierbij belangrijk. De laatste groep factoren, de omgevingsfactoren, bestaat uit de nationale omgeving, de nationale bedrijfsomgeving en de (internationale) industrie omgeving.

De belangrijkste problemen die optraden bij de overdracht van technologie werden veroorzaakt door een verandering in de vraag (en dus in het productie schema), inaccurate informatie (dit leidde tot fouten tijdens de productie en veel technische vragen), het slechts beperkt aanwezig zijn van financiële middelen (dit leidde tot problemen met het importeren van goederen) en cultuur verschillen (dit leidde tot verschillen in effectiviteit en efficiëntie).

Gedurende het onderzoek werd duidelijk dat er twee types van technologie overdracht processen zijn, maar wel met dezelfde fasen en factoren. Een type van technologie overdracht is de verkoop van technologie, het andere type is het delen van een technologie. Het belangrijkste verschil tussen deze typen is dat bij technologie delen de eis wordt gesteld dat het ontvangende bedrijf de juiste competentie heeft. Een rechtstreeks gevolg is dat de technologische competenties van een bedrijf niet (of slechts marginaal) worden verbeterd als technologie wordt gedeeld.

Een conclusie van het onderzoek was dat technologie niet als onafhankelijk van de omgeving mag worden beschouwd. Een technologie onstaat in een bepaalde situatie (organisatie en omgeving) en alleen door grote inspanning is het mogelijk om een technologie in een andere situatie te plaatsen.

promotor prof. dr. ir. E.J. de Bruijn
informatie mw. W. de Koning, telefoon (053) 489 43 63
e-mail w.dekoning@cent.utwente.nl

 

Polymeeronderzoek leidt tot beter alternatief voor elastische vezel en rubber
30 juni 2000

dr. Ir. M.C.E.J. Niesten, faculteit Chemische Technologie: "Polyethergebaseerde gesegmenteerde copolymeren met uniforme aramide eenheden"

Bestudering van een smeltbaar elastisch polymeertype heeft een alternatief opgeleverd voor ‘spuitgietbare’ rubbers en de elastische textielvezel Lycra. Omdat het polymeer te smelten is en van daaruit tot vezels gesponnen kan worden, zijn de vezels hiervan goedkoper en milieuvriendelijker dan Lycra, een commerciële vezel die momenteel vanuit een carcinogeen oplosmiddel wordt gesponnen. De huidige productiemethode maakt Lycra niet alleen milieuonvriendelijk maar ook duurder dan spinnen vanuit een gesmolten polymeer. Dit is een van de resultaten uit het promotie onderzoek van Meike Niesten.

Het polymeer waar het hier om gaat, is copolyetheresteramide (zie figuur). Het is een ‘gesegmenteerd’ copolymeer, dat is opgebouwd uit harde (aramide) en zachte (polyether) segmenten die elkaar afwisselen. Het behoort tot de thermoplastische polymeren: het gedraagt zich bij kamertemperatuur als een rubber en, in tegenstelling tot conventionele rubbers is het te verwerken via smelten en heeft het de eigenschappen van zacht rubber. Bovendien is het zeer elastisch. Uit Niestens onderzoek bleek dat het polymeer snel kristalliseert en daardoor gemakkelijk te ‘spuitgieten’ en te spinnen is tot rubber respectievelijk textielvezel.

Als rubber is het polymeer te gebruiken in de auto industrie (allerlei rubberachtige onderdelen met uitzondering van banden), de elektronische industrie (toetsen en allerlei flexibele onderdelen van apparatuur), voor medische toepassingen (bijvoorbeeld dotterballonetjes) en in de sportwereld voor sportschoenen en skeelerwieltjes.

Het rubber van copolyetheresteramide heeft betere eigenschappen dan de huidige vergelijkbare commerciële rubbers, die in plaats van aramide het harde segment polybutylenetereftalaat (PBT) bezitten. Het grote verschil is dat de PBT-segementen geen constante lengte hebben. De aramide segmenten zijn daarentegen uniform, wat resulteert in een sneller kristalliserend polymeer met een ‘scherpere’ smelttemperatuur.

Het door Niesten bestudeerde polymeer heeft niet alleen een scherpere, maar ook een hogere smelttemperatuur (betere hitte bestendigheid) en het kristalliseert sneller, waardoor het snel uithard in een spuitgietmal en de productietijd korter is. In combinatie met de hoge hittebestendigheid is de elasticiteit van het materiaal beter en de mechanische eigenschappen van de materialen zijn minder temperatuurafhankelijk dan de nu gebruikte rubbers.

Structuur van gesegmenteerd copolyetheresteraramide

promotor prof. J. Feijen
co-promotor
dr. R.J. Gaymans
informatie
mw.drs. B. Koopmans, telefoon (053) 489 4366
e-mail
b.j.m.koopmans@cent.utwente.nl

 

Anorganische polymeren geschikt voor productie chips
9 juni 2000

promotie ir. R.G.J. Lammertink, Faculteit Chemische Technologie: "Poly(ferrocenysilanen) op het grensvlak van chemie en materiaalkunde".

Ir. Rob Lammertink synthetiseerde en onderzocht relatief nieuwe en onbekende anorganische polymeren die ijzer en silicium bevatten en geschikt zijn voor toepassing in de lithografie bij de vervaardiging van chips. Door de aanwezigheid van deze anorganische elementen bezitten de polymeren bijzondere eigenschappen ten opzichte van organische polymeren die voornamelijk uit koolstof, waterstof, zuurstof en stikstof bestaan. Lammertink promoveert 9 juni a.s. op dit onderzoek aan de faculteit Chemische Technologie van de Universiteit Twente.

In de chipindustrie maakt men gebruik van ets-processen om circuits aan te leggen in halfgeleiders. Hiertoe wordt eerst het patroon van het gewenste circuit in een polymeerlaag geprojecteerd en ontwikkeld, waarna het in het onderliggende materiaal wordt geëtst. Om snellere computers met een hogere ‘opslagdichtheid’ te krijgen, streeft men naar steeds kleinere dimensies in de micro-elektronica. Voor het aanbrengen van hele kleine patronen zijn dunne lagen nodig. Maar de meest gebruikte organische polymeren hebben een lage weerstand tegen etsen, waardoor men hiervan juist dikke lagen gebruikt. De anorganische polymeren die Lammertink onderzocht, bleken door hun hoge ets-weerstand uikomst te bieden. Ze zijn geschikt voor het maken van zeer dunne lagen in de orde van enkele nanometers, wat de nauwkeurigheid en daarmee de minimale dimensies ten goede komt.

Een ander aspect van Lammertinks onderzoek is het maken van uiterst kleine regelmatige domeinen van ongeveer 10 nanometer (een miljoenste millimeter) voor data-opslag. Het streven is om een dichtheid te krijgen die een factor honderd hoger ligt dan de datadichtheid op tegenwoordige ‘hard-drives’.

Om het onderzoek af te ronden, werkt de afdeling Materiaalkunde en Technologie van Polymeren van de faculteit Chemische Technologie samen met het Massachusetts Institute of Technology (MIT).

Rob Lammertink is onlangs geselecteerd als finalist in de "ICI Student Award in Applied Polymer Science 2000", dat in augustus plaatsvindt te Washington.

promotor prof.dr. G.J. Vancso
co-promotor dr. M.A. Hempenius
informatie mw.drs. B. Koopmans, telefoon (053) 489 4366
e-mail b.j.m.koopmans@veb.utwente.nl


Productie ‘groen schuim’ dichterbij
9 juni 2000

promotie Ir. W.J. Nauta, Faculteit Chemische Technologie: "Stabilisatie van lage dichtheid, gesloten cel polyetheen schuim"

De Universiteit Twente en de industrie werken al jaren samen aan een milieuvriendelijke productie van schuim (‘groen schuim’) voor gebruik als isolatie- en verpakkingsmateriaal. Ir. Warner Nauta zocht naar de verklaring waarom schuimen krimpen bij het gebruik van de ‘blaasgassen’ isobutaan en koolstofdioxide en hij werkte aan de verbetering van de stabiliteit van ‘groen schuim’.

Schuimen hebben een lage geleidingscapaciteit en houden daardoor geluid, warmte en elektriciteit goed tegen. De interesse neemt de laatste jaren flink toe. De productie van schuim in Europa bedraagt zo’n 50.000 ton per jaar, goed voor een omzet van een half miljard gulden.

Schuim wordt gemaakt door onder hoge druk in gesmolten polymeer het ‘blaasgas’ in vloeibare vorm op te lossen en vervolgens de druk te verlagen. Dan komen kleine gasbellen in het polymeer, waardoor schuim ontstaat. Vervolgens stroomt het gas eruit en de lucht naar binnen.

In het verleden werden met name CFK’s gebruikt als blaasgas in de productie van kunststof schuimen (bijvoorbeeld polystyreen en polyurethaan). Tegenwoordig wordt schuim gemaakt van recyclebaar polyetheen met de blaasgassen isobutaan of koolstofdioxide. Maar beide gassen hebben nadelen: isobutaan is brandbaar, beide dragen bij aan het broeikaseffect (het broeikaseffect van koolstofdioxide is twintig maal minder dan dat van isobutaan) en bovendien krimpt het schuim teveel na produktie. Doel van Nauta’s onderzoek was uit te vinden waarom dit gebeurde en hoe dit voorkomen kan worden.

Uit het onderzoek bleek dat het schuim krimpt, omdat de gassen het schuim sneller verlaten dan de lucht erin gaat. In de praktijk betekent dit dat het schuim drie tot vier maanden moet worden opgeslagen tot het op volume is en geschikt voor de verkoop. Voor isobutaan is dit probleem op te lossen door vetzuren toe te voegen. Deze vormen een laagje in de schuimcellen en vertragen het wegstromen van het gas. Helaas werkt dit mechanisme niet voor koolstofdioxide. Momenteel zoekt DSM Research verder naar nieuwe additieven om de productie met koolstofdioxide rendabeler te maken. Warner Nauta vermoed dat dat echter niet mogelijk is zonder concessies te doen aan de kwaliteit van het schuimproduct.

promotor prof.dr.ir. M. Wessling, prof.dr.ing. H. Strathmann
co-promotor prof.dr. M.H.V. Mulder
informatie mw.drs. B. Koopmans, telefoon (053) 489 4366
e-mail b.j.m.koopmans@veb.utwente.nl

Stellingen