1999

99-02

WETENSCHAPSAGENDA 99/02 4-02-99

Agenda

Samenvattingen promoties

Stellingen

Archief

Deze wetenschapsagenda is een periodieke uitgave van de Universiteit Twente. Zij verschijnt ± 20 maal per jaar in een oplage van 500 stuks. Bel of mail ons voor nadere informatie of een gratis abonnement.

Dienst Voorlichting en Externe Betrekkingen, Postbus 217, 7500 AE Enschede, telefoon (053) 489 4244, E-mail: b.meijering@veb.utwente.nl
Laatste nieuws op Internet: URL: http://www.utwente.nl/nieuws


Proefschriften ook on-line beschikbaar
Een groot aantal proefschriften zijn direct opvraagbaar via de website van de Universiteitsbibliotheek. De documenten zijn in het kader van het webdocproject per faculteit /instituut integraal opgeslagen in pdf formaat.

 

Samenvattingen promoties

Stroming in gas-vloeistof bellenkolommen

promotie ir. E. (Erik) Delnoij, faculteit Chemische Technologie: ‘Stroming in gas-vloeistof bellenkolommen; een experimentele en theoretische studie’

De chemisch technoloog Erik Delnoij heeft onderzoek verricht naar vaten met vloeistof, waar een gas doorheen wordt geleid. Deze zogenaamde bellenkolommen worden in de chemische industrie veel toegepast om een gas op te lossen in een vloeistof. Een bekende toepassing is de olieverwerking, waar gasvormige componenten, die altijd samen met olie worden gewonnen, kunnen worden omgezet in vloeibare brandstoffen als benzine of stookolie. Een andere toepassing is de waterzuivering, waarbij water in contact wordt gebracht met bacteriën. Deze bacteriën kunnen niet leven zonder zuurstof en dus moet je door het water zuurstof laten borrelen. Bellenkolommen worden ook gebruikt bij de staalproductie. Staal ontstaat door zuurstof en argon door vloeibaar ijzer te laten borrelen.

Tot nu toe was het onduidelijk hoe de stroming in een bellenkolom er precies uitzag. Delnoij: "Wat gebeurt er binnenin eigenlijk? Hoe mengt het gas met de vloeistof? Hoe groot zijn de bellen? Hoe hard stijgen ze op? Blijven de belletjes klein of worden ze juist groter? Al die dingen bepalen in belangrijke mate de prestatie van een bellenkolom als een chemische reactor". Ir. Delnoij heeft twee computermodellen opgesteld en opgelost, waarmee deze ingewikkelde systemen wèl op een adequate manier beschreven worden. Het onderzoek heeft tevens een nieuwe, complexe meettechniek opgeleverd, waarmee tijdsafhankelijk in een bellenkolom kan worden gemeten. Bovendien heeft Delnoij experimenten gedaan om zijn modellen te toetsen. "We hebben een heel duidelijk inzicht gekregen in het gedrag van een bellenkolom", aldus de promovendus. "We hebben daarbij geconcludeerd dat zo’n systeem inherent niet stationair is. Dat was een ervaringsfeit in de chemische industrie, maar het is nu echt onderbouwd".

De zogenaamde Computational Fluid Dynamics staat heel sterk in de belangstelling van de Nederlandse industrie in brede zin. Er is dan ook veel vraag naar de modellen van Erik Delnoij: "Een operator of een ingenieur heeft een intuïtief beeld van hoe een stroming eruit ziet. Hij kan deze modellen gebruiken om dat beeld te ontkrachten dan wel te ondersteunen. Maar je kunt er ook kwantitatieve vragen mee beantwoorden. Vragen als: hoeveel gas moet ik precies in mijn bellenkolom toevoegen?" De marktwaarde en relevantie van het onderzoek blijken ook uit het feit dat inmiddels twee bedrijven vervolg-promotieprojecten bij de vakgroep Proceskunde sponsoren.

promotor prof. dr. ir. W. P. M. van Swaaij

assistent-promotor dr. ir. J. A. M. Kuipers

Voor meer informatie: drs. B. Meijering, tel. (053) 489 4244,
e-mail: b.meijering@veb.utwente.nl

Het ‘kwartje van Kok’ is geen gulden

promotie mw. drs. J. J. Ligteringen, faculteit Bestuurskunde: ‘The feasibility of Dutch environmental policy instruments’

Lange tijd zijn consumenten een witte vlek geweest in het milieubeleid. Hoe hun gedrag voor het milieu uitpakt, is bijvoorbeeld veel minder zichtbaar dan bij industriële bedrijfstakken. Toch vormen consumenten voor het milieubeleid een grote en belangrijke doelgroep – en dat besef is groeiende. Dit stelt dr. J. J. (Josee) Ligteringen in een promotiestudie aan de Universiteit Twente over de ‘haalbaarheid van milieubeleidsinstrumenten’. Ligteringen verrichtte haar onderzoek in het kader van Homes (Household Metabolism Effectively Sustainable), een door het NWO gefinancierd interdisciplinair onderzoeksproject naar de milieugevolgen van het gedrag van huishoudens; het project is uitgevoerd in samenwerking met verschillende vakgroepen van de Rijksuniversiteit Groningen.

"Besef je dat huishoudens een belangrijke doelgroep vormen, dan beginnen voor beleidsmakers de problemen pas", zegt Ligteringen. "Huishoudens blijven nu eenmaal moeilijk bereikbaar voor beleidsmakers, en beleid dat direct op ze gericht wordt, vraagt al snel te grote gedragsveranderingen in de persoonlijke levenssfeer." Tot een paar jaar geleden waren het vooral andere beleidsterreinen die het gedrag van huishoudens beïnvloedden, met vaak negatieve milieugevolgen. Neem de hogere arbeidsparticipatie: een respectabele doelstelling, maar het woon-werkverkeer is er door toegenomen. Hetzelfde geldt voor arbeidsduurverkorting; die leidt namelijk tot een hoger autogebruik in de ‘vrije tijd’.

Ligteringen ziet weinig mogelijkheden om het gebruik van bijvoorbeeld auto, verwarming of witgoed in huishoudens direct te beïnvloeden; wat dat betreft zijn producenten, maatschappelijke organisaties of andere omgevingsfactoren betere aanknopingspunten van beleid. Cruciaal voor de keuze voor bepaalde beleidsinstrumenten zijn de belangen en belanghebbenden in het beleidsvormingsproces, zo veronderstelt Ligteringen. Zij heeft een theoretisch model ontwikkeld waarin deze ‘netwerkkenmerken’ gerelateerd worden aan kenmerken van een beleidsinstrument; bijvoorbeeld of het een subsidie of een heffing wordt. Dat het model niet alleen theoretische waarde heeft, maar ook practisch houdbaar is, wordt geïllustreerd aan vijf uitgebreid beschreven casussen, waaronder het kwartje van Kok, de energieheffing voor kleinverbruik en de producentverantwoordelijkheid voor afgedankt witgoed.

promotor prof. dr. J.Th.A. Bressers

informatie drs. B. Meijering, telefoon (053) 489 4244

email b.meijering@veb.utwente.nl

Het effect van R&D op de economie

promotie drs. B. Los, faculteit Bestuurskunde: ‘The impact of research & development on economic growth and structural change’

Econometrist Bart Los bestudeerde voor zijn promotie verschillende techno-economische modellen. Deze kunnen de overheid in de toekomst helpen bij beleidsvoorbereiding. Volgens Los profiteren vooral medium-tech sectoren van kennis die andere bedrijven genereren.

In 1995 bleek de enige Nederlandse vliegtuigbouwer, Fokker, alleen te kunnen voortbestaan met een forse financiële injectie. Naast emotionele argumenten speelden twee belangrijke kwesties rondom de 'waarde' van Fokker. Ten eerste de werkgelegenheid, zowel bij de vliegtuigbouwer zelf als bij toeleveranciers en afnemers. Ten tweede het belang van Fokkers Research & Development (R&D) voor uiteenlopende andere Nederlandse bedrijven. Over deze kwesties werd fundamenteel verschillend gedacht. Er bleek behoefte aan een objectieve schatting, gestoeld op wetenschappelijke methoden.

Los combineerde bestaande economische groeimodellen die op technologie zijn gebaseerd, met bestaande input-outputmodellen. De groeimodellen besteden echter geen aandacht aan verschillen tussen sectoren, terwijl de input-outputmodellen op hun beurt weinig zeggen over groei maar wel de interactie tussen de sectoren prima beschrijven. Los construeerde hieruit een prototype techno-economisch model. Hij simuleerde dit op de computer voor een imaginaire economie met acht sectoren. Voor de interacties tussen de sectoren baseerde hij zich op beschikbare economische gegevens op bedrijfsniveau.

Hoewel nog veel vervolgonderzoek nodig is om het techno-economische model voor beleidsvoorbereiding in te kunnen zetten, concludeerde hij wel dat een sectorale benadering heel nuttig is. De geschatte effecten van eigen R&D en via spillovers verkregen R&D, verschillen sterk per sector. Eigen R&D is vooral productief in high-tech sectoren, terwijl medium-tech sectoren relatief goed profiteren van technologie die andere bedrijven genereren. Vooral deze sectoren – waaronder transport, de auto-industrie, polymeertechnologie en elektronische apparatuur vallen – kunnen grote nadelige economische gevolgen hebben ondervonden van het verdwijnen van Fokker.

promotor prof. dr. A. E. Steenge

co-promotor prof. dr. B. Verspagen
(Universiteit Maastricht en TU Eindhoven)

informatie drs. B. Meijering, telefoon (053) 489 4244

e-mail b.meijering@veb.utwente.nl

Responsief Landbouwonderwijs werkt

* 11 februari, 13.00 uur

promotie J.W.G. (Jos) Geerligs, faculteit Toegepaste Onderwijskunde, ‘Design of responsive vocational education and training, a reconstruction of a systems change in agricultural education’

De samenleving is in korte tijd heel anders gaan aankijken tegen het wonen en werken in het landelijk gebied en de voedselproductie. Leefbaarheid en welzijn spelen nu een belangrijke rol. Van het Landbouwonderwijs wordt verwacht dat het op zulke ontwikkelingen inspeelt. Vandaar dat het Middelbaar Landbouwonderwijs zich tussen 1990 en 1992 radicaal heeft vernieuwd. Nadat de eerste jaargangen schoolverlaters hun diploma hadden behaald, bleek uit toegepast onderwijskundig onderzoek dat de effectiviteit van het landbouwonderwijs is verbeterd. Bovendien sluiten de onderwijsdoelen nu beter aan bij de maatschappelijke behoefte.

Bij de vernieuwing van het Landbouwonderwijs zijn op het punt van de onderwijsdoelen twee principes gehanteerd. Het eerste principe was doelen te beschrijven die leerlingen voorbereiden op een eerste baan om hen zo te voorzien van een startkwalificatie. Het tweede principe was dat leerlingen moesten leren hun kennis ook in nieuwe situaties te benutten. Het beschrijven van de doelen in een kwalificatiestructuur moest bevorderen dat afgestudeerden ‘employable’ werden: ze zouden daarmee werk kunnen krijgen en houden. Daarmee verdwenen de vertrouwde schoolvakken.

Daarnaast zijn er organisatorische eisen gesteld aan de kwalificatiestructuur. Er werd bijvoorbeeld van uit gegaan dat de efficiëntie van niveaugroepen verschilde en die van leerwegen ook. Door dit uitgangspunt toe te passen konden scholen alle doelgroepen bedienen zonder zichzelf tekort te doen. De kwalificatiestructuur maakte het bovendien mogelijk dat leerlingen die een lange opleiding voortijdig verlieten, een diploma kregen van een korte opleiding. Daardoor was het aantal ongediplomeerde schoolverlaters laag (30%) en de duur van hun opleiding was kort. Geslaagde studenten waren gemiddeld slechts 4% langer ingeschreven dan de officiële cursusduur. Ongediplomeerde schoolverlaters besloten sneller te vertrekken van school. Negatief was dat de verlenging van stages de slagingskans van leerlingen met 8% deed afnemen, maar de nieuwe kwalificatiestructuur compenseerde dit volledig. De jaargang 1992 bleek 5% efficiënter te zijn dan voorgaande jaargangen leerlingen die werkten met examenprogramma's en lessentabellen.

Bij de realisatie van deze effecten speelde informatievoorziening op systeemniveau een sleutelrol. Deze zorgde voor samenhang en herkenbaarheid. Door de informatievoorziening toe te spitsen op toekomstgerichte onderwijsdoelen kregen de scholen grote vrijheidsgraden. De toekomstgerichte onderwijsdoelen en de grotere vrijheidsgraden maakten het Landbouwonderwijs responsiever: de wisselwerking tussen de school en de omgeving kon worden versterkt. Leerlingen lijken in dit systeem het leveren van maatwerk af te dwingen door met onvolledige diploma's aan een loopbaan te beginnen.

promotor prof. dr. W. J. Nijhof

assistent-promotor dr. A. F. M. Nieuwenhuis

Voor meer informatie: drs. B. Meijering, tel. (053) 489 4244,
e-mail: b.meijering@veb.utwente.nl

Onderzoekscholen overbodig

* 19 februari, 13.15 uur

promotie drs. J. A. (Jeroen) Bartelse, faculteit Bestuurskunde (CHEPS), ‘Concentrating the Minds: the institutionalisation of the graduate school innovation in Dutch and German higher education’

De huidige vormgeving van de Nederlandse onderzoekscholen is dikwijls niet de meest geschikte manier om het promotieonderzoek te organiseren. Een grotere mate van diversiteit in de inrichting van onderzoekscholen zou recht doen aan de verschillende praktijken van onderzoek. In sommige academische gebieden is de onderzoekschool echter overbodig of niet eens geschikt.

Dat er in de laatste twee decennia in diverse Europese landen onderzoekscholen van de grond zijn gekomen, houdt verband met toenemende kritiek op de functie en vormgeving van het promotiestelsel. Met name in Nederland en Duitsland heeft de overheid door de invoering van onderzoekscholen het promotietraject willen structureren. Blijken onderzoekscholen in sommige disciplines zich vlot en volledig te ontwikkelen, in andere onderzoeksgebieden gaat dat moeizaam, of alleen in afwijkende vorm.

De grote verscheidenheid die dit ontwikkelingsproces laat zien, is onderzocht in vier disciplines in Nederland en Duitsland: chemie, bedrijfskunde, rechten en aardwetenschappen. Om deze diversiteit te verklaren zijn twee variabelen economische en culturele benaderingen van sociaal gedrag beproefd: compatibiliteit (de mate waarin nieuw beleid aansluit op bestaande manieren van werken en denken) en profijtelijkheid (de mate waarin nieuw beleid praktische voordelen voor de mensen in het veld oplevert).

Het onderzoek toont aan dat het beter is om met het veld afspraken te maken over wat men met een onderzoekschool wil bereiken in plaats van, via erkenningscriteria, aan te geven hoe deze eruit moet zien. Het ontwerpen van beleidsvernieuwingen is een verantwoordelijkheid van de universiteiten zelf en niet van de overheid. De rol van de overheid is om, via intermediaire organisaties als de KNAW of NWO, afspraken te maken en op de naleving ervan toe te zien. Zulke ‘prestatie-afspraken’ kunnen wellicht ook bereikt worden op een andere manier dan door de vorming van een onderzoekschool.

‘Institutioneel ontwerpen’ (in dit geval het ontwerpen van een onderzoekschool) is een kwestie van zorgvuldige inspectie van de kenmerken van een onderzoeksgebied, de motieven van de betrokken mensen en de waardering van de maatschappelijke omgeving. Dit in plaats van klakkeloze stereotypering. Het concept van de onderzoekschool is niet eenduidig en hoeft ook niet als zodanig gebruikt te worden. Een geschikt ontwerp maakt gebruik van de veelheid aan mogelijkheden om het promotieproces te structureren. Het huidige Nederlandse model van de onderzoekschool is daar slechts één voorbeeld van – en niet altijd het meest geschikte.

promotor prof. dr. F. A. van Vught

Voor meer informatie: drs. B. Meijering, tel. (053) 489 4244,
e-mail: b.meijering@veb.utwente.nl

 

 

Stellingen

Ramon Mark Hofstra, faculteit Technische Natuurkunde, Universiteit Twente

Het is bedenkelijk dat bij veel evaluaties van het onderzoek de wetenschappelijke artikelen slechts worden geteld in plaats van gelezen.

De elkaar steeds maar weer na korte tijd opvolgende reorganisaties binnen het onderwijs (zowel middelbaar als universitair) met als doel de studeerbaarheid te verhogen, krijgen geen enkele kans om zich op de langere termijn te bewijzen.

Bart Los, faculteit Bestuurskunde, Universiteit Twente:

Wielerverslaggevers die een tempoversnelling van een renner becommentariëren met de woorden "hij zet er een tandje bij" laten daarmee blijken zelf nooit op een racefiets te hebben gezeten.

Macro-economen, micro-economen en bedrijfseconomen leven socialer en gezonder dan 24 uurs-economen.

Bart Alfons Wolles, faculteit Werktuigbouwkunde, Universiteit Twente:

Inburgering is bij immigratie een normale en een gewenste activiteit. Omdat zoiets als uitburgering niet bestaat, betekent dat dat remigratie een zeer moeizaam proces is.

Met het huwelijk legt men datgene vast wat zich doorgaans niet door wetten laat vastleggen.

Daar de besluitvormingsprocessen in een gemeenteraad sterk worden beïnvloed door de politieke begaafdheid van zijn individuele leden kan er van democratie geen sprake zijn.

Jos W. G. Geerligs, faculteit Toegepaste Onderwijskunde, Universiteit Twente:

De sociaal-culturele ontwikkeling in Nederland krijgt een positieve impuls indien de regering in 2000 zou besluiten na 2010 boven het niveau van Basisvorming geen scholen meer te bekostigen.

Waterschappen en huiseigenaren verkeren in een win-win situatie, omdat de Nederlandse kruipruimte kan worden benut als buffer en inzijggebied.