Jeroen Harink (former PhD student)

Harink, J.H.A., E-procurement: doen of niet doen?, Column Inkoop & Logistiek, 2003 (column)

Zoals velen onder u weten, ben ik eind jaren negentig begonnen met een promotie-onderzoek aan de Universiteit Twente op het gebied van e-procurement. Regelmatig wordt mij dan ook gevraagd wat ik tijdens mijn promotie-onderzoek nu precies aan het ‘onderzoeken’ ben. Om daar wat meer helderheid over te geven, heb ik de afgelopen periode op een aantal NEVI-bijeenkomsten mijn onderzoek gepresenteerd. Ook in deze column zal ik er even bij stil staan.


In de tijd dat ik begon met mijn onderzoek was er in feite nog maar sprake van één vorm van e-procurement, namelijk e-ordering (het aanvragen en bestellen uit een elektronische catalogus). Die vorm ging toen zelfs door het leven onder de naam e-procurement, simpelweg omdat er geen andere vormen waren. Organisaties konden gericht kijken naar deze ene vorm en daarover een besluit nemen: invoeren of niet? In de loop der jaren is het aantal vormen van e-procurement gestaag gegroeid. Denk maar eens aan vormen zoals e-tendering, e-reverse auctioning en e-sourcing. Veel organisaties kijken daarbij met name naar wat een bepaalde vorm allemaal aan voordelen op kan leveren. En op basis daarvan besluiten ze om zo’n vorm in te voeren. Vervolgens –maar dat zal u ook niet zijn ontgaan- gaat het daarna toch vaak mis: de invoering verloopt stroef, de voordelen laten op zich wachten of blijven helemaal uit.


In mijn promotie-onderzoek gaat het er om, hoe geschikt de verschillende vormen van e-procurement voor een willekeurige organisatie zijn, waarbij de samenhang tussen die vormen niet uit het oog mag worden verloren. Het draait dus allemaal om de geschiktheid van een vorm van e-procurement voor een willekeurige organisatie. Op basis van die geschiktheid (of ongeschiktheid) kan een organisatie dan besluiten of deze vorm moet worden ingevoerd of juist niet.


Voor het bepalen van de geschiktheid van een vorm van e-procurement voor een willekeurige organisatie heb ik een methode ontworpen. Uiteraard houdt deze methode rekening met de voordelen, die een vorm allemaal op kan leveren. Maar ook de (potentiële) nadelen moeten een rol spelen bij het bepalen van de geschiktheid van een vorm van e-procurement: bij e-reverse auctioning kunnen bijvoorbeeld leveranciersrelaties verstoord worden. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met organisatie-specifieke ingrediënten, zoals de inkoopdoelstellingen die u nastreeft en waar een vorm van e-procurement aan kan bijdragen. Op basis van deze en andere ingrediënten kan met de methode vervolgens worden bepaald hoe geschikt één of meer vormen van e-procurement voor uw organisatie zijn. Dat dit een goede basis kan zijn voor de daaropvolgende besluitvorming, spreekt –denk ik- voor zich.


Tot slot nog even wat anders. U zult wellicht gezien hebben dat er onder mijn foto (weer) een nieuwe organisatie staat vermeld: Significant. Dit is dezelfde adviesgroep als waar ik al werkte, maar die nu verzelfstandigd is. Voorheen maakte deze adviesgroep onderdeel uit van IBM en PricewaterhouseCoopers en –net als vroeger- richten wij ons nog steeds op (onder andere) vraagstukken op het gebied van inkoopmanagement.