Toepassing van de ‘Leidse niveaus’ bij het ontwerp van bacheloropleidingen voor de Nederlandse Defensieacademie

Inleiding

De Nederlandse Defensie Academie (NLDA) is opgericht in november 2005. De Academie bestaat uit verschillende instituten en biedt zowel initiële als loopbaanopleidingen aan. Er zijn korte en lange initiële opleidingen. In dit artikel wordt ingegaan op de lange initiële opleidingen. Er wordt ingezoomd op de nieuw ontwikkelde bacheloropleidingen en het gebruik van de zogenaamde ‘Leidse niveaus’ hierbij.

De lange initiële officiersopleidingen

De initiële officiersopleidingen worden aangeboden op twee instituten: het KIM (Koninklijk Instituut voor de Marine) te Den Helder en de KMA (Koninklijke Militaire Academie) te Breda. Van oudsher worden op het KIM de officieren voor de Marine opgeleid en op de KMA de officieren voor de overige krijgsmachtdelen. Nu is dat niet meer geheel het geval. De NLDA biedt aankomende officieren 5 verschillende bacheloropleidingen die maar op een van beide instituten worden gedoceerd. Het is daardoor goed mogelijk dat een officier voor de Marine een deel van zijn opleiding op de KMA volgt en dat een officier voor de Luchtmacht een deel van de opleiding op het KIM volgt. Er zijn wel enkele beperkingen, afhankelijk van de keuze van het korps of dienst waarvoor een officier is aangenomen. Het zal duidelijk zijn dat het bijvoorbeeld voor een officier voor de elektrotechnische dienst verplicht is een technische bacheloropleiding te volgen. Hieronder staan de vijf bacheloropleidingen die worden aangeboden:

-Militaire Systemen en Technologie (MS&T) (wordt gedoceerd op het KIM)

-Communicatie, Informatie en Commandovoeringsystemen (CICS) (wordt gedoceerd op het KIM en deels bij de OU)

-Civiele techniek (CiT) (Wordt gedoceerd bij de UT)

-Militaire Bedrijfswetenschappen (MBW) (wordt gedoceerd op de KMA)

-Krijgswetenschappen (KW) (wordt gedoceerd op de KMA)

Voor CICS en CiT geldt dat de opleidingen voor een groot deel worden uitbesteed. De andere drie opleidingen worden wel geheel door de NLDA verzorgd. De opleidingen zijn, m.u.v. CiT, nog niet geaccrediteerd. Het traject hiervoor is wel gestart.

Naast het bacheloronderwijs wordt er vaktechnisch en militair vormend onderwijs aangeboden. Dit vindt nog wel plaats op het ‘eigen’ instituut. Wederom afhankelijk van korps of dienstvak omvat dit onderwijs 1 of 2 jaar De keuze voor onderwijs op verschillende instituten die een redelijk eind uit elkaar liggen (Breda en Den Helder) heeft een consequentie qua roostering en planning. Er is daarom gekozen voor een opleidingsstructuur waarbij bachelorperiodes worden afgewisseld met non-bachelorperiodes. De periodes lopen synchroon op beide instituten. De aankomende officieren zitten dus afhankelijk van de periode, het krijgsmachtdeel en de keuze voor de bacheloropleiding op het ene of het andere instituut. Een consequentie daarvan is dat de bacheloropleiding wordt opgeknipt en verspreid over de totale 4 of 5 jaar.

De bacheloropleidingen

De drie bacheloropleidingen die volledig door de NLDA worden verzorgd, worden nog maar een beperkt aantal jaren aangeboden. De aanleiding voor het ontwikkelen van deze opleidingen was de politieke wens de officiersopleidingen civiel erkend te krijgen, bij voorkeur via een wetenschappelijke accreditatie. Daarnaast was er politiek de wens dat officiersopleidingen meer gingen samenwerken en werd de BaMa-structuur ingevoerd. Alles bij elkaar genoeg aanleiding om een en ander te veranderen.

In de ‘oude’ situatie kreeg een aankomend officier, afhankelijk van krijgsmachtsdeel en korps of dienstvak, een 4- of 5-jarige opleiding aangeboden. In deze opleidingen zat onderwijs op wetenschappelijk niveau, vaktechnisch onderwijs en militair vormend onderwijs geïntegreerd. In deze situatie werd dus ook voor een deel hetzelfde onderwijs op het KIM gegeven als op de KMA. Om voor een wetenschappelijke accreditatie in aanmerking te komen was het nodig om de opleidingen te herzien en het wetenschappelijke deel er als bachelor uit te destilleren. Dit betekende eigenlijk dat er nieuwe opleidingen moesten worden ontwikkeld. Rond 2001 hebben de eerste pilots gedraaid met een voorloper van de opleiding Militaire Bedrijfswetenschappen en in 2004 zijn ook de opleidingen Militaire Systemen en Technologie en Krijgswetenschappen van start gegaan. In de eerste jaren zijn de opleidingen nog verder ontwikkeld. Als uitgangspunt voor de opzet van de opleidingen is gebruik gemaakt van het kaderdocument Leids Universitair Register Opleidingen uit augustus 2002. Dit document bood aanknopingspunten om het niveau van vakken te bepalen en om ervoor te zorgen dat bij de ontwikkeling van de verschillende opleidingen het niveau vergelijkbaar bleef. In de volgende paragraaf wordt deze opzet met behulp van ‘Leidse niveaus’ zoals ze worden genoemd bij de NLDA, verder toegelicht.

Onderwijsopzet volgens ‘Leidse niveaus’

De Leidse niveaus zijn bij de Universiteit Leiden ontwikkeld bij de opkomst van de BaMa-structuur. Het uitgangspunt van deze niveaus is dat de student steeds beter in staat is om zelf structuur in zijn leren aan te brengen. In het eerste jaar heeft een student het meer nodig dat de leerstof wordt voorgestructureerd dan in het laatste jaar. Het uitgangspunt is een cursus met leerboeken, opdrachten referaten, werkstukken etc. Maar ook voor andere onderwijsvormen kan de schaal gehanteerd worden.


Voor bacheloropleidingen zijn 4 niveaus te onderscheiden. Hieronder worden ze met de bijbehorende kenmerken beschreven.


Niveau 100
Inleidende cursus, voortbouwend op het niveau van het eindexamen VWO.
Kenmerken:

- onderwijs gebaseerd op stof in handboek of syllabus, didactisch gestructureerd, met oefenstof en proeftentamens

- begeleide werkgroepen

- accenten in studiestof en voorbeelden in colleges

Niveau 200
Cursus met inleidend karakter, geen specifieke voorkennis maar wel ervaring met zelfstandig studeren.
Kenmerken:

- leerboeken of ander onderwijsmateriaal van min of meer inleidend karakter

- colleges bijvoorbeeld in de vorm van capita selecta

- zelfstandige bestudering van de stof wordt verondersteld

Niveau 300
Cursus voor gevorderden (ingangseis niveau 100 of 200)
Kenmerken:

- leerboeken die niet speciaal voor onderwijs hoeven te zijn geschreven

- zelfstandige bestudering van de tentamenstof

- bij tentamens zelfstandige toepassing van de leerstof op nieuwe problemen

Niveau 400
Gespecialiseerde cursus (ingangseis niveau 200 of 300)
Kenmerken:

- naast een tekstboek gebruik van vakliteratuur (wetenschappelijke artikelen)

- toetsing (mede) door middel van een klein onderzoek, een referaat of een schriftelijk werkstuk

- cursussen op dit niveau kunnen in zekere mate ook deel uitmaken van de masteropleiding


Bij de curriculumvernieuwing op de NLDA is alle docenten gevraagd om voor hun vak te bepalen bij welk niveau het past. Er waren namelijk verschillende vakken die in het oude curriculum een plaats hadden en nu overgingen naar het bachelorcurriculum. Door al deze gegevens op een rijtje te zetten, kon gekeken worden naar de opbouw van de opleiding door de jaren heen. De universiteit Leiden geeft daar nog een handig hulpmiddel bij. Ze hebben voor bacheloropleidingen ook bedacht hoeveel EC’s van welk niveau per leerjaar nodig zijn. Zie hiervoor onderstaande tabel:



1e bachelorjaar

2e bachelorjaar

3e bachelorjaar

Niveau 100

43

17


Niveau 200

17

34

17

Niveau 300


9

34

Niveau 400



9


Voor in ieder geval de opleiding MS&T is deze tabel als uitgangspunt gebruikt. Een aantal vakken heeft daardoor wijzigingen moeten ondergaan. Er was vooral te weinig onderwijs op niveau 300. Het schema is overigens niet als een vaste maatstaaf gebruikt, maar als een uitgangspunt. Hier en daar een paar EC’s meer of minder moest wel mogelijk zijn.


Niet gebruikt bij de opleidingen van de NLDA, omdat het daar om bacheloropleidingen gaat, maar wel ook uitgedacht bij de universiteit Leiden zijn de niveaus voor een masteropleiding. Volledigheidshalve staan ze hieronder:


Niveau 400
Gespecialiseerde cursus (zie bij de niveaus voor bacheloropleidingen)

Niveau 500
Wetenschappelijk georiënteerde cursus (toegangseis: de student is toegelaten tot een masterprogramma; voorbereidende cursus op niveau 300 of 400 is gevolgd).
Kenmerken:

- bestudering van wetenschappelijk geavanceerde vakliteratuur, bedoeld voor onderzoekers

- toetsing door middel van probleemoplossing d.m.v. een referaat en / of werkstuk of eigen onderzoek, met zelfstandige kritische verwerking van het materiaal

Niveau 600
Zeer gespecialiseerde cursus (ingangseis niveau 400 of 500)
Kenmerken:

- actuele wetenschappelijke artikelen

- laatste vorderingen van het wetenschappelijk denken

- zelfstandige bijdrage (scriptieonderzoek) waarin een nog niet opgelost probleem wordt behandeld, met mondelinge presentatie

Tot slot

Zoals in dit artikel is besproken, hebben de Leidse niveaus handvatten geboden voor het ontwikkelen van de bacheloropleidingen van de NLDA. De indeling van de niveaus is duidelijk en daardoor konden de docenten het niveau van hun vak bepalen. Het leggen van deze niveaus over het gehele curriculum geeft een goed inzicht in het niveau van een opleiding. Het kan op deze manier ook een goed hulpmiddel zijn bij het bewijzen van het niveau van een bestaande of nieuwe opleiding voor de accreditatie door de NVAO.