Wilt u ook wel eens genomineerd worden voor de Centrale Onderwijsprijs? Doe dan uw voordeel met de ‘good practice’ tips van de genomineerden van 2005





De genomineerden voor de Centrale Onderwijsprijs 2005

Op 29 maart 2005 werd de jaarlijkse Centrale Onderwijsprijs uitgereikt door vertegenwoordigers van de studenten van alle faculteiten van de Universiteit Twente. Het thema voor dit jaar luidde: Uitdaging binnen kaders.
Er kan er maar 1 winnaar zijn (Liesbet Heyse), maar de jury heeft het erg moeilijk gehad. Er werden door alle docenten, aan de hand van een zevental vragen, prachtige voorbeelden van goed onderwijs aangedragen. En het blijft moeilijk kiezen tussen docenten die een lastig en niet zo geliefd vak toch nog op een leuke manier weten te brengen en docenten die het voordeel hebben dat het onderwerp van het vak alleen al aanspreekt, maar die daarbij er toch ook nog een keer een spetterend geheel van maken. Of kiezen tussen docenten die met kleine groepen studenten werken in de masterfase en docenten die eerstejaars colleges verzorgen voor meer dan 120 studenten.

Wat zeer opviel was het relatief hoge aantal wiskundedocenten dat dit jaar vertegenwoordigd was. Studenten blijken het zeer te waarderen wanneer een vak dat toch wel als ‘moeilijk en lastig’ wordt gezien door velen, op een leuke en doeltreffende wijze wordt gegeven.

Opvallend is ook het positieve beeld dat alle genomineerden van de studenten hebben. Zij zien de studenten als leergierig, enthousiast, creatief, initiatiefrijk en als jonge mensen die volop in ontwikkeling zijn waaraan zij een steentje kunnen bijdragen.
Een derde punt dat kenmerkend blijkt te zijn voor veel genomineerden, is dat zij bezig blijven met hun onderwijs en voor zichzelf zowel als hun studenten op zoek blijven naar afwisseling en verbetermogelijkheden. Docent Wilhelm, de prijswinnaar van het voorgaande jaar, merkt hierover op: “ Ik neem een voorbeeld aan mijn promotor die ieder jaar zijn vakken anders gaf. Een enorme inspanning en volgens sommigen inefficiënt, maar wel een garantie voor professionele groei en een teken dat de student steeds het beste van de docent verdient.”

De afwisseling realiseren deze genomineerden door o.a. regelmatig een ander vak te geven, aan andere doelgroepen les te geven, cursussen in het buitenland te verzorgen, op zoek te gaan naar nieuwe onderwerpen, vlak voor een college alles “op zijn kop te zetten” of, aldus een van de genomineerden, door “in de huid van de stduent te kruipen, dan leer je er elke keer zelf weer wat bij”.
De verbeteringen worden aangebracht door, zoals Wendrich, de colleges “grondig te bekijken, herijken en te evalueren in relatie tot de ingeleverde opdrachten en resultaten”, maar ook door (ook tijdens de colleges) regelmatig te evalueren en na te gaan of gestelde leerdoelen bereikt worden.

Een ieder van de genomineerden heeft zeker de nominatie verdiend! In dit verslag is gepoogd om, namens de jury en de genomineerden zelf, de redenen daarvoor inzichtelijk te maken.

Vooraf nog dit: de hiernavolgende beschrijving vormt slechts een samenvatting en selectie uit alle good practice beschrijvingen die wij van de genomineerden hebben ontvangen. Niet iedereen wilde met naam en toenaam genoemd of geciteerd worden, daarom komen niet alle namen terug in het verhaal. Voor de beknoptheid zijn soms ook ervaringen en voorbeelden bij elkaar gevoegd of alleen kort aangeduid. Voor de beknoptheid worden daar waar namen zijn genoemd, alleen de achternamen gegeven. In het eerste kader vindt u de volledige namen van de genomineerden en de namen van de opleidingen waarvoor de genomineerden werkzaam zijn.
In het tweede kader worden de vragen weergegeven die de genomineerden dienden te beantwoorden. Wie weet zetten deze vragen ook u aan om eens stil te staan bij het eigen onderwijs. Hoe zouden uw antwoorden geluid hebben?
In de kadertjes die hier en daar verspreid over dit artikel te vinden zijn, worden wat uitspraken of ‘good practices’ weergegeven, die wij even extra in het zonnetje willen zetten.

Genomineerden voor de Centrale Onderwijsprijs 2005

(* In willekeurige volgorde)

BK:

Liesbet Heyse (winnaar 2005)

GZW:

Herman Oosterwijk

EL:

Leon Abelman

TW:

George Still

PSY:

Pascal Wilhelm

CiT:

Martin van Maarseveen

AT:

Andre ten Elshof

TG:

Hans Zwart

TN:

Ko van der Weele

BMT:

Karin Gerrits

IO:

Robert Wendrich

EDMM:

Ard Lazonder

TCW:

Wendy Tollenaar

INF/BIT/TEL:

Harry Aarts

TBK:

Nicola Torka

BSK:

Bärbel Dorbeck-Jung







Wat bepaalt het enthousiasme van de student?

Uit de antwoorden kan één al omvattend antwoord worden afgeleid: GOED ONDERWIJS! Veel van de genoemde punten zijn vooral voorbeelden van adequate onderwijsactiviteiten, al geldt uiteraard wel dat wat bij de ene docent en doelgroep goed werkt niet de beste methode hoeft te zijn voor een andere docent en/of doelgroep.
Naast onderwijsactiviteiten speelt de eigen houding en persoonlijke inbreng een zeer belangrijke rol.
De genomineerde docenten, die voor een groot deel hoor- en werkcolleges geven, gaven aan dat uit eigen ervaring gebleken is dat de volgende factoren het enthousiasme van de student aanzienlijk bevorderen:

ØEigen enthousiasme van de docent. Dit was een punt dat door zeer veel docenten naar voren is gebracht en bij veel verslagen ook zeer duidelijk ‘van het papier spetterde’. Eén van de genomineerde bracht dit treffend naar voren: “Als de docent het al niet leuk vindt, waarom zou de student het dan wel leuk vinden?”

ØDuidelijkheid scheppen, bijvoorbeeld door aan te geven waarvoor een bepaalde theorie of een bepaald resultaat nodig is en door, zoals Still doet, de ‘grote lijn’ in ieder college aan te geven. Wat bij wiskunde, zoals hij zelf aangeeft, nog niet zo’n makkelijke taak is.

ØEen ontspannen sfeer creëren door o.a. ook eens wat buiten de leerstof om te vertellen, bijv. wat persoonlijke ervaringen of anekdotes.

ØStudenten de vrijheid bieden zelf de wijze te kiezen waarop ze een vak kunnen volgen; ze bijvoorbeeld laten kiezen uit: volledige zelfstudie, een intensief begeleid traject, een wat minder intensief traject met bijvoorbeeld alleen hoorcolleges. Het onderwijs zoals aangeboden door Heyse en collega’s (zie VoP aflevering 10) geeft een voorbeeld hiervan.

ØGerichte (individueel of voor groepwerk) feedback.

ØVeel achtergrondinformatie bieden (ook via Teletop).

ØVeel concrete voorbeelden geven (waar mogelijk aansluitend bij de belevingswereld van de studenten). Torka geeft hier een mooi voorbeeld van: “Ik probeer complexe theorieën aan de hand van toegankelijke voorbeelden uit het alledaagse leven toe te lichten. Voorbeeld: uitleg van betrokkenheid aan de hand van liefdesrelaties. Waarom blijven wij bij onze partner?”
Bij een toegeleverd wiskundevak wordt dit gedaan door de begrippen te relateren aan voorbeelden uit vakken van de eigen opleidingen, zodat studenten ook de toepassing zien.

ØAan de hand van actualiteit, theorie en praktijk aan elkaar verbinden.

ØStudenten hard laten werken. (Eén van de genomineerde: “Voor mijn vakken moeten de studenten hard werken; ik merk dat ze dat niet erg vinden omdat ze ervaren dat het harde werken loont - garantie biedt voor het behalen van het vak - en omdat ze zien dat ik ook bereid ben er veel energie in te stoppen.”).

ØDe studenten aansporen tot kritisch denken aan de hand van vragen en door zelf kritisch te zijn t.a.v. de onderwerpen en literatuur.

ØOnderwerpen in een internationale context plaatsen. Dit blijkt met name voor docenten die een tijd lang in het buitenland hebben gewerkt of zelf van buitenlandse afkomst zijn, een geliefde methode.

ØEen persoonlijke benadering van de studenten en openheid (Torka: “Af en toe iets over jezelf vertellen, jezelf als voorbeeld durven te gebruiken en ook eigen onderzoek bij het onderwijs betrekken.”).

ØDe gelegenheid bieden tot en een veilige sfeer scheppen voor het stellen van vragen (Tollenaar: “Studenten kunnen altijd met al hun vragen bij me terecht en doen dit ook, zowel via de mail als persoonlijk.”).

ØStudenten motiveren hun eigen grenzen te verkennen en verleggen.

ØStudenten stimuleren eigen ideeën in te brengen en initiatief te nemen.

ØHet gebruik van Powerppoint-presentatie (Een van de docenten gebruikt uitgebreide PP-dia’s bij wiskunde, i.p.v. wat voorheen gebruikelijker was: bord en krijt. De presentatie wordt daarna in Teletop gezet. Door een andere wiskundedocent wordt aangegeven dat het vooraf goed nadenken over de vorm van belang is: “Kan ik dit het beste met een beamer doen of is een stapsgewijze uitleg op het bord beter?”).

ØAan het begin van een college een korte herhaling van de kernbegrippen van het voorgaande college bieden, alsmede de knelpunten bespreken die uit de werkcolleges naar voren zijn gekomen. Dit als opstap naar de nieuwe leerstof.

ØMondelinge evaluaties tijdens de colleges (“Zijn er vanuit de groep nog suggesties ter verbetering?”) en kritisch luisteren naar opmerkingen en reacties van studenten. Dit zorgt voor laagdrempeligheid.

ØEn niet te vergeten: de nodige dosis humor, relativering en zelfspot!










Hoe maak je voor studenten de verwachtingen duidelijk?

Als je als student niet goed weet wat er van je verwacht wordt, hoe kun je dan aan die verwachtingen voldoen? Het duidelijk aangeven wat er van studenten verwacht wordt is een belangrijk kenmerk van goed onderwijs, hetgeen de genomineerden met hun antwoorden onderstrepen. Van de antwoorden van de docenten zijn een aantal mooie tips af te leiden:

ØInformatie over leerdoelen, leeractiviteiten, de leerstof zelf en opdrachten en oefententamens (met antwoorden) en voorbeelduitwerkingen in Teletop en/of in een studiehandleiding zetten. Still deelt hiervoor een “informatieblad” uit.

ØIn het eerste college duidelijk de verwachtingen aangeven en in verdere colleges dit herhalen. Wilhelm: “Ik herhaal dit regelmatig zodat studenten gefocust blijven op het einddoel – of product.”

ØIn colleges de hoofd- en bijzaken onderscheiden.

ØAangeven via de studiehandleiding, in Teletop of in de colleges wat de belangrijkste leerstofonderdelen zijn.

ØDe gelegenheid bieden om vragen over wat er verwacht wordt te stellen.

ØOpdrachten (met bonuspunten) geven, waardoor de studenten tijdig kunnen controleren of ze aan de verwachtingen voldoen cq. of ze de stof beheersen.

ØVoor afstudeeropdrachten voorlichtingsbijeenkomsten organiseren.

ØVia de feedback tot uiting laten komen wat er verwacht wordt. Torka laat bijvoorbeeld studenten bij afstudeeropdrachten regelmatig stukken inleveren die dan via ‘track changes’ gecorrigeerd worden.

ØDe studenten een werkindeling aanreiken waarop staat welke stof iedere week wordt behandeld en welke opgaven uit het boek representatief zijn voor het vereiste niveau.

Ø“Door uitleg en inzicht te verschaffen over het behandelde onderwerp en dit rechtstreeks te koppelen aan een individuele opdracht (per college), zorg ik ervoor dat de student weet wat er van hem/haar verwacht wordt” (Wendrich).

Naast deze antwoorden werd opgemerkt dat het minstens zo belangrijk is dat de studenten ook te horen krijgen wat zij van de docent kunnen verwachten en dat je als docent weet wat de studenten van jou verwachten. Lazonder geeft dit als volgt aan: “Daarnaast is het vooral bij opdrachtvakken minstens zo belangrijk dat je als docent weet wat de studenten van jou verwachten, wat ze in een vak hopen te leren, welke rol je als begeleider zou kunnen spelen, hoe de communicatie zal verlopen etc. Dit bespreek ik altijd tijdens de eerste bijeenkomst.”

Hoe kun je de studenten uitdagen?

De studenten ieder op een eigen niveau uitdagen is vaak makkelijker als je een klein groepje studenten begeleidt of studenten individueel kunt begeleiden, dan als je aan meer dan 100 studenten frontaal onderwijs moet geven. Maar ook in het laatste geval proberen de genomineerden er van te maken wat er van te maken is. Lees hoe zij hun studenten uitdagen:

Ø“Tijdens de hoorcolleges probeer ik de studenten vaak te prikkelen door het stellen van gerichte vragen of door kleine ‘werkopdrachten’. In de werkcolleges bied ik een extra opdracht voor de ‘slimmeriken’ cq. ‘harde werkers’ ”, aldus Gerrits.

Ø “Door zo min mogelijk hoorcolleges en andere “klassikale” werkvormen te gebruiken”, aldus Lazonder. “Niveaudifferentiatie is goed mogelijk door met kleine groepen studenten aan opdrachten te werken.” Lazonder doet dit door bijvoorbeeld moeilijkere literatuur te gebruiken, de vraagstelling uit te breiden, de aanpak te verfijnen enz.

Ø“Door studenten te overschatten”, geeft Wilhelm aan. Ook laat hij studenten participeren in zijn eigen activiteiten als onderzoeker.

ØVan Maarseveen biedt materiaal aan op verschillende niveaus, waarmee de studenten creatief kunnen ‘experimenteren’.

ØWendrich daagt de studenten uit door ze op een manier aan te spreken en te stimuleren die in andere vakken minder gebruikelijk is: “Al direct vanaf het allereerste contactmoment geef ik aan dat het binnen mijn colleges erom gaat dat naast de rationele aspecten van denken en handelen, er nog een hele wereld bestaat die te maken heeft met intuïtie, gevoel en verbeelding. De rode draad door de colleges is immers de balans proberen te vinden tussen deze werelden. Hoe de student daar mee omgaat, is geheel aan hem of haar, enkel door dit met beeld, taal en werkstof te prikkelen stimuleer ik ieder op zijn/haar eigenheid. Het intensiveren van het creatieve proces staat hierbij voorop.”

ØAbelman: “Door zoveel mogelijk te proberen onderwijs op maat te leveren. In ons eerstejaars vak delen we werkcollegegroepen heterogeen in (op basis van resultaten uit eerdere vakken), zodat goede studenten de kans krijgen stof uit te leggen aan minder goede studenten. … In vakken later in de studie laat ik het vak afronden door middel van opdrachten. Door een zelf-organiserend systeem, komen studenten met gelijk niveau bij elkaar in de groep.”

ØLatigere voorbeelden en puzzeltjes op een sheet zetten (wie wil kan er gebruik van maken).

ØDoor te provoceren met vragen, wat de studenten in ieder geval goed wakker houdt volgens Torka: “Het is onverstandig om in mijn hoorcolleges te slapen want ik doe regelmatig aan ‘verbale aanranding’, dus door de zaal lopen en vragen stellen”.

ØTollenaar legt de nadruk op individueel werk (inclusief voorbereiding en reflectie) en individuele begeleiding. In de communicatievakken kunnen studenten werken aan (vooraf zelf opgestelde) persoonlijke doelen en daarbij streven naar het hoogst haalbare.

ØHuiswerk bieden dat voor een gemiddelde student goed te doen is (geeft vertrouwen), maar ook wat ‘diepere vragen’ bevat.

Uitdagen betekent ook het maximale halen uit studenten die veel moeite hebben met een vak. Of, zoals Still het uitdrukt: “het ‘gemiddelde’’ zo hoog mogelijk houden en er voor zorgen dat er zo weinig mogelijk uit ‘frustratie’ helemaal afhaken.”
Een van de docenten geeft aan daarvoor de herhaling aan het begin van een college te gebruiken. Zo kun je ook de studenten die er moeite mee hebben betrokken houden en zorg je er voor dat er geen drempels zijn om alsnog vragen te stellen over voorgaande stof.

Hoe zorg je voor een goede inpassing van je vak binnen het curriculum?

Een vak maakt als een puzzelstukje onderdeel uit van een groter geheel. De genomineerden geven diverse manieren aan om er voor te zorgen dat hun puzzelstukje in ieder geval goed past, zowel qua tijdsbelasting als inhoudelijk. Deels realiseren zij dit door deelname aan overlegvormen die binnen de opleiding standaard geregeld zijn, zoals bacheloroverleg, semesteroverleg of kwartieloverleg. Bij dergelijk overleg worden te verwachten knelpunten besproken en wordt gezocht naar goede afstemming van de vakken en onderwijsactiviteiten, zowel organisatorisch als inhoudelijk. Maar daarnaast zijn er ook meer persoonlijke initiatieven:

-Betrokkenheid bij de opzet van vakken. Dan kun je nagaan of voorgestelde inhoud qua studielast ook daadwerkelijk past en eventueel ingrijpen als er te veel leerstof gepland wordt.

-Overleg met projectcoördinatoren indien een vak geïntegreerd wordt in projecten.

-Zorgen voor directe koppeling tussen leerdoelen en eindtermen van de opleiding.

-Regelmatig overleggen met docenten die aansluitende vakken verzorgen. “Die kruislingse overleggen zijn vaak leuk omdat het docenten motiveert om over de grenzen van het eigen vakgebied te kijken”, meent een genomineerde.

-Informeel overleg met studenten in de kantine of bij de koffieautomaat kan volgens Lazonder een schat aan informatie opleveren waarmee je als docent op dit terrein je voordeel kunt doen.

-Gerrits legt in haar vak links met andere (technische) vakken of met vraagstukken die in het projectonderwijs aan de orde komen en geeft het belang aan van de leerstof voor de latere beroepspraktijk.

-Een wiskundedocent geeft aan dat hij regelmatig bij docenten van de eigen en andere opleidingen informeert of de aangeleerde wiskundevaardigheden toereikend zijn.

Dit zijn jaarlijks terugkerende activiteiten, want, volgens Abelman, is het op basis van de ervaringen jaar na jaar je programma aanpassen een vanzelfsprekende zaak.


Hoe zorg je er voor dat de leerdoelen binnen het gestelde termijn gerealiseerd worden?

Opvallend is dat voor alle genomineerden de leerdoelen zeer centraal staan bij het ontwerpen, aanbieden en toetsen van hun vak.

Het nagaan of de leerdoelen ook echt gehaald (zullen) worden binnen de gestelde tijd, gebeurt door goed naar opmerkingen en reacties van studenten te luisteren, door goed naar de ingeleverde resultaten van opdrachten te kijken, aan de hand van de discussies die de studenten voeren, de beantwoording van vragen en de vragen die gesteld worden tijdens het college of door al gedurende het onderwijstraject al te evalueren.

De studielast dient niet te zwaar, maar ook niet te licht te zijn. Om te bepalen of de studielast goed gekozen is, althans niet te licht, maakt een van de docenten gebruik van de volgende methode: “ Om te bepalen of de studielast van het vak juist is, ga ik meestal af op de studenten: als ze enigszins beginnen te “piepen”, weet ik dat ik goed zit.”

Maar je kunt nog zo mooi plannen, maar soms merk je als docent dat er tijdnood optreedt en de leerdoelen niet behaald zullen worden. Dan kun je of de leerdoelen bijstellen of het onderwijs.
Volgens Still dien je dan in ieder geval niet aan de “diepte” van de stof te gaan tornen, maar eerder aan de hoeveelheid. Een andere docent geeft aan dat bij afwijkingen van de oorspronkelijke planning hij er voor waakt dat de leerdoelen overeind blijven; er wordt gesneden in deeldoelstellingen en informatie die in vervolgvakken weinig gebruikt zal worden.

Bij opdrachten laat Wilhelm een interne klok meelopen: “Bij opdrachten leg ik de verantwoordelijkheid voor de voortgang bij de studenten, maar ik laat de interne klok wel lopen. Dat wil zeggen dat ik wel in de gaten houd wanneer deadlines overschreden dreigen te worden en daarop bijstuur, zodat aan alle onderdelen van een opdracht voldoende tijd wordt besteed.”

Studenten worden naar de mening van de genomineerden geholpen de leerdoelen te behalen, door o.a.:

-per college of opdracht vooraf goed te bepalen hoe de leerdoelen via concrete stappen en activiteiten bereikt kunnen worden;

-ze te stimuleren door middel van humor en enthousiasme en door betrokkenheid te creëren door aan te sluiten bij de eigen belevingswereld van de student;

-door de doelen op te splitsen en concreet te malen in deeldoelen en deze om te vormen naar concrete activiteiten;

-de hoeveelheid literatuur te beperken en door goed aan te geven welke delen tot de kern behoren en welke literatuur meer als achtergrondmateriaal is bedoeld;

-door (onderzoeks)vaardigheden in de (werk)colleges te laten oefenen;

-door practica aan te bieden waardoor de leerstof ‘aanschouwelijk’ wordt;

-door de verwachtingen vooraf aan te geven, door ze te blijven herhalen en door je als docent ook aan die verwachtingen te houden;

-door de student te wijzen op de in de handleiding aangegeven leerdoelen;

-door voorbereidingsopdrachten of bonusopdrachten te geven, waardoor de studenten gedurende het traject alvast werken aan de gestelde doelen.


Hoe ga je na of de leerdoelen uiteindelijk ook bereikt zijn?

“Eigenlijk is het toetsen het meest moeilijke en ook meest onderschatte onderdeel van het onderwijs geven”, merkt een van de genomineerde op. Zelf is hij tevreden als er een duidelijke cesuur is in de eindcijfers, dat wil zeggen relatief veel ruime voldoendes en forse onvoldoends, maar weinig daar tussenin.
Hoe gaan de andere genomineerden nu om met dit moeilijke onderdeel?

In veel vakken wordt het behalen van de leerdoelen getoetst via een schriftelijk tentamen. Een enkele maal worden ook bonusopdrachten gehanteerd, die meetellen in de beoordeling. Abelman geeft als een van de weinige alleen mondelinge tentamens.

Het merendeel van de docenten geeft nadrukkelijk aan dat ze de leerdoelen gebruiken om het tentamen samen te stellen. Deze leerdoelen zijn bij de studenten bekend, via de studiehandleiding of Teletop. Voor opdrachten worden de leerdoelen veelal vertaald in duidelijke eisen of criteria die helpen om aan de leerdoelen te voldoen.
Wilhelm hanteert bij de beoordeling van opdrachten een standaard waaraan voldaan moet worden. Hij voegt hierbij toe: “Het is niet moeilijk in te schatten in welke mate de studenten aan deze standaard hebben voldaan omdat er regelmatig feedbackmomenten zijn waarin ik de voortgang goed in de gaten kan houden.” Een andere docent maakt gebruik van een lijst criteria en weegfactoren en zorgt er voor dat op alle criteria gescoord kan worden.”

Beoordelingen kunnen een eindoordeel geven in de zin van je hebt de leerdoelen voor een vak behaald of niet, met daaraan toegevoegd een cijfer. Maar beoordelingen kunnen ook een momentopname geven van de persoonlijke ontwikkeling van de student en een startpunt vormen voor verbeteracties. Bij Tollenaar (communicatievakken) reflecteren de studenten op door hen zelf gestelde doelen en formuleren zij zelf verbeterpunten. In een aantal vakken vinden evaluatiegesprekken met de student plaats over de persoonlijke ontwikkeling.

Wendrich beoordeelt met name de progressie van een student: “Door met regelmaat werk te bespreken, te visualiseren en aan te geven hoe bepaalde zaken verbeterd kunnen worden, geef ik ruimte om te herstellen en te groeien. … De sprongen die gemaakt worden aan het einde van de collegecyclus worden duidelijk door het werk per student samen te voegen en de progressie te beoordelen.”

Lazonder beoordeelt zijn studenten op basis van de (leer)activiteiten die zij binnen zijn vak hebben uitgevoerd. Hierbij tellen de presentaties en proces- en reflectieverslagen zwaarder mee dan het gerealiseerde product.
Lazonder blijkt bij het beoordelen ook niet bang te zijn om eens buiten de gangbare kaders te treden: “Bij een van de vakken die met een tentamen wordt afgesloten, heb ik een student uitgedaagd zelf toetsvragen en een antwoordsleutel te bedenken. Wanneer deze toets van voldoende niveau zou zijn, zou deze student voor het vak geslaagd zijn. (Helaas zag zij op het laatste moment van de uitdaging af.)” Ook heeft hij studenten hun leeronderzoek laten presenteren op een Nederlandse conferentie, in plaats van voor medestudenten.

Wilhelm heeft eens geëxperimenteerd met het behandelen van de leerstof en het toetsen ervan aan de hand van 500 studievragen. Deze vragen werden gedurende het traject in etappes aangeboden en er werd aangegeven waar in het boek de antwoorden te vinden waren. Voor het tentamen werd een selectie van deze vragen uitgekozen.

Niet altijd hoef je als docent overigens zelf het oordeel uit te spreken; Wendrich maakt hiervoor gebruik van het proces dat zich afspeelt: “Binnen ieder college wordt het ingeleverde werk van alle studenten teruggekoppeld aan de afzonderlijke groepen. Dit is een manier om de onderlinge niveauverschillen te duiden, zonder dat ik daarvoor per se zelf een ‘oordeel’ hoef te geven over ‘goed’ of ‘slecht’, ‘mooi of lelijk’.”

Ook hoeft een oordeel niet definitief te zijn. Abelman gaat bij de mondelinge tentamens voor een eerstejaars vak uit van een short-list, die bij de student bekend is. Als de student iets op de short-list niet begrijpt, mag hij weer vertrekken, maar het later nog eens proberen.

Bepalend voor het feit of de leerdoelen behaald zijn, is ook de mate waarin de studenten na het vak de kennis en vaardigheden bij andere vakken kunnen inzetten. Een van de docenten gaat hiervoor bij zijn collega’s te rade: “Ik ben ook altijd benieuwd naar de mening van docenten van vervolgvakken. Zonodig pas ik de behandeling van de stof het volgende jaar aan als ik merk dat bepaalde aspecten toch niet zo duidelijk zijn overgekomen.”


Deze tips en ideeën, maar vooral ook uw eigen ideeën, bieden u de kans om nu aan de slag te gaan om voor een komend jaar genomineerd te worden. Een ieder alvast veel succes gewenst! Er wordt op u gelet!



Auteur/jurylid: Helma Vlas, ITBE-OD, Universiteit Twente, juli 2006.