column_jan2013

Wetenschappelijke zelfmoord

vrije toegang en de macht van uitgevers

Deze week beroofde de 26-jarige Amerikaanse internetactivist Aaron Swartz zichzelf van het leven. Hij deed dat enkele dagen nadat hij begrepen had dat er een gevangenisstraf van 35 jaar tegen hem geëist zou worden en een boete van 1 miljoen dollar. En dat hij geen deal zou kunnen sluiten met de openbare aanklager om strafvermindering te krijgen.

Swartz geldt als de Robin Hood van de hedendaagse wetenschap. Hij werd namelijk vervolgd voor een misdrijf dat veel wetenschappers stiekem als een heldendaad beschouwen. Swartz had maar liefst 4,8 miljoen wetenschappelijke artikelen gedownload van de betaal-website JSTOR om ze vervolgens gratis beschikbaar te stellen voor iedereen.

Waarom vinden veel wetenschappers dat nou zo heldhaftig? Omdat vrijwel iedereen het schandalig vindt dat wetenschappelijke uitgeverijen heel veel geld verdienen aan het werk dat wetenschappers gratis voor hen verzetten, en vervolgens weigeren om onze artikelen goedkoop voor iedereen beschikbaar te maken.

Wetenschappers staan onder enorme druk om te publiceren. Hoe meer artikelen in vooraanstaande tijdschriften, hoe beter je reputatie en daarmee ook je kansen op financiering voor je onderzoek en op een carrière in de wetenschap. Wetenschappers zijn dus volledig afhankelijk van wetenschappelijke uitgevers. Tegelijkertijd vragen die uitgevers veel diensten van wetenschappers. Artikelen worden namelijk alleen gepubliceerd nadat ze anoniem door vakgenoten zijn beoordeeld en goedgekeurd. Als wetenschapper dien je dus niet alleen voortdurend gratis artikelen in, maar beoordeel je ook nog voortdurend gratis het werk van anderen.

Dat we dit gratis doen, is op zich niet het probleem: wij krijgen immers een salaris van onze universiteit, en het schrijven en beoordelen van artikelen hoort bij ons werk. Het probleem is, dat uitgeverijen al dat geld dat ze verdienen aan ons gratis werk niet gebruiken om die artikelen voor iedereen toegankelijk te maken. En dat is bedreigend voor de kwaliteit van de wetenschap zelf, maar ook voor het maatschappelijke draagvlak. Wetenschappers hebben zo niet altijd toegang tot het werk van anderen, en de samenleving kan niet profiteren van het werk dat met belastinggeld gedaan is.

Wetenschap bestaat bij de gratie van openbaarheid en toegankelijkheid. Je moet elkaars werk altijd kunnen inzien en beoordelen, om het te bekritiseren of er juist op voort te bouwen. Het afschermen van ideeën, gegevens en resultaten geldt als een doodzonde. Deze logica staat haaks op de economische logica van uitgeverijen. Die willen geld verdienen aan artikelen, en dan ligt het juist niet voor de hand om ze gratis toegankelijk te maken.

De openheid van internet leek de macht van de uitgevers te breken, maar het tegendeel bleek waar. Sommige wetenschappelijke tijdschriften hebben nu eenmaal een enorm goede reputatie, ook nu ze online bestaan en niet meer op papier. Iedereen wil daarin publiceren, duur of niet. En als uitgevers de koers niet willen verleggen, kan alleen een grote symbolische verzetsdaad nog helpen. Zoals het downloaden van 4,8 miljoen artikelen met het abonnement van je universiteit en ze vervolgens gratis op internet zetten.

Dat veel wetenschappers sympathie hebben voor Swartz, blijkt op Twitter. Met hashtag #pdftribute zetten veel wetenschappers momenteel hun eigen werk gratis online, uit eerbetoon aan Swartz. Dat is een stap in de goede richting. Maar alleen een collectieve boycot van de grote uitgeverijen kan echt helpen. De redacties van toptijdschriften zouden zelf goedkope internet-tijdschriften moeten beginnen, met dezelfde beoordelingsprocedures maar zonder financiële drempels. Dat zou pas een échte #pdftribute zijn.