Zin en onzin over Twentse eigen-aardigheden

Een inwoner van Twente wordt vaak als volgt gekarakteriseerd; wantrouwig ten opzichte van onbekenden, weinig uitbundig in zijn gedrag, zuinig met geld zowel als in woorden en niet in de laatste plaats fatalistisch. Bij dat laatste speelt mee dat een Tukker veel ontzag heeft voor `hoge heren’.

Wat is de historische achtergrond van dit volkskarakter van autochtone Twentenaren en zijn er redenen om aan te nemen dat het ook bestaat?

Historici hebben vastgesteld dat het concept van een regionaal volkskarakter zijn wortels heeft in het 19de eeuwse onderwijs.(1) Uit geschiedenisboekjes leerden de kinderen over de Franken, Friezen en Saksen die aan de wieg hadden gestaan van het ontstaan van Nederland. Belangrijk is dat deze voorouders allerlei innerlijke karaktertrekken werden toegeschreven. En die volkskarakters waren volgens sommige schrijvers na 1000 jaar nog steeds in bepaalde regio’s herkenbaar aanwezig. De aardrijkskundige A.A. Beekman schreef bijvoorbeeld over de `Sakser’ in het noordoosten van het land dat deze `minder goed van bevatting is’ en `kortaf in het spreken, wellicht een gevolg van de aangeboren eigenschap van zich moeilijk uit te kunnen drukken.’

De levenskracht van de regionale volkskarakters kwam volgens de Friese taalkundige Johan Winkler voort uit de Germaanse achtergrond; `Het Nederlandsche bestanddeel, levenskrachtig en onverdelgbaar als alles wat van Germaanschen bloede is, heeft vreemde inmengsels onder de knie gekregen, in zich opgenomen en verteerd.’

Het benadrukken van het Germaanse volk als een bijzonder ras kreeg in Duitsland ten tijde van Adolf Hitler een macabere politieke invulling. Na de Tweede Wereldoorlog was het spreken over verschillen in ras besmet door de holocaust, maar dit belette veel mensen niet om verschillen in volkskarakter te blijven koesteren. Net als in de 19de eeuw ging het daarbij naast een vermeende landsaard ook over regionale volkskarakters.

Het Twentse volkskarakter werd met name uitgebreid beschreven door Klaas Jassies (1909-1979). In de jaren vijftig verleende VVV-directeur en publicist Jassies medewerking aan het boek `Het Overijssels volkskarakter’. In 1981 verscheen postuum het boekje `Het Twents Volkskarakter’ dat een bundeling was van een in 1965 verschenen reeks krantencolumns met als titel; `Voor vrömden en binnenmaarksen.’

Jassies geeft in zijn publicaties drie redenen voor een ontstaan zowel als het bestaan van een Twents volkskarakter. Deze zijn de `eeuwenlange ontoegankelijkheid’ van de streek door de aanwezigheid van uitgestrekte (veen)moerassen. De twee reden heeft betrekking op de `honkvastheid van de bevolking in de buurschappen’. Daardoor was er volgens Jassies sprake van weinig mobiliteit wat de vorming en instandhouding van het volkskarakter ten goede is gekomen. De derde reden heeft betrekking op de taal en de onderbouwing geschiedt door middel van het aanhalen van `zegswijzen en volkswijsheden’ die het volkskarakter accentueren en illustreren. Dit laatste vooral op het gebied van een ingetogen, voorzichtige levenshouding.

Ontoegankelijkheid

Ondanks het feit dat er langs de grenzen van het voormalige drostambt Twente in het verleden uitgestrekte veengebieden en moerassige broeklanden hebben bestaan was deze streek zonder veel problemen bereikbaar via zandwegen die over dekzandruggen, langs beekdalen of over de stuwwallen van Enschede-Oldenzaal, Ootmarsum-Uelsen en Den Ham-Wierden liepen. De archeoloog dr. A.D. Verlinde heeft in zijn dissertatie over de ligging en spreiding van urnenvelden in Overijssel deze routes al voor de prehistorie (!) in kaart gebracht. Uit Middeleeuwse bronnen komt eveneens het beeld naar voren dat Twente goede verbindingen met het Duitse achterland en Salland had. De landroutes van Deventer en Zwolle met Osnabrück en Münster lopen door Twente. Via de in de Middeleeuwen gegraven Schipbeek zowel als via de Overijsselse Vecht en de Regge/Loolee waren er ook over water verbindingen met deze steden. Van een geïsoleerde situatie - de archeologische vondsten van allerlei geïmporteerde (gebruiks)voorwerpen wijzen daar ook op - is zeker de afgelopen 1000 jaar geen sprake geweest.

Illustratief in dit verband zijn de verschillende stijlen op het gebied van de landelijke bouwkunst. Oude boerderijen in het oosten van Twente zijn te herkennen aan de Saksische bouwstijl met zijn rechte houten voor- en achtergevel terwijl we in het westelijk deel zogenoemde wolfsdaken aantreffen en in het midden een mengvorm van deze twee typen.

In tegenstelling tot was Jassies poneerde kunnen wij dan ook niet anders concluderen dan dat Twente als doorgangs- en doorvoergebied voor handelsstromen en reizigers van oudsher bloot heeft gestaan aan allerlei cultuur- en taalinvloeden en dat laat nog steeds sporen na.

Mobiliteit

Op het argument dat de bevolking weinig mobiel is geweest valt eveneens het nodige af te dingen. Door ziekten (pest 1348-1351), opeenvolgende misoogsten, oorlogen (met name de Gelderse Oorlogen in het begin van de 16de eeuw en de Tachtigjarige Oorlog van 1568-1648) nam de bevolking in deze streek niet alleen in bepaalde decennia af, maar wisselde daardoor ook van samenstelling. Mensen van elders vulden namelijk op zeker moment de open plaatsen weer op. De lokale landadel had pachters en landarbeiders nodig en in de stadjes en dorpen was een bepaalde basisbehoefte aan ambachtslieden. Wanneer de eigen streek niet kon voorzien in deze arbeidskrachten dan kwamen deze van elders. Via mond tot mond reclame of trekarbeiders raakte men in de Republiek der Nederlanden of in de Duitse landen spoedig op de hoogte waar vestigingsmogelijkheden waren om een (nieuw) bestaan op te bouwen.

Ook wanneer er geen sprake was van mobiliteit die voortkwam uit sociaal-economische-, oorlogs- of crisisomstandigheden was er sprake van een komen en gaan van mensen. Dit had te maken met trekarbeiders of reizigers die in de streek bleven. Mijn eigen voorouder kwam bijvoorbeeld uit de omgeving van Osnabrück en vestigde zich rond 1820 als molenaar in Goor. Een oudere broer was reeds tien jaar eerder molenaar en mede-eigenaar geworden van de Oosterdorper watermolen bij Haaksbergen en werd later pachter van de watermolen en de boerderij De Hagmeulen in Bentelo. Zij waren niet de enige Duitse trekarbeiders die zich reeds voor de opkomst van de grootschalige textielindustrie op het Twentse platteland vestigden.

Het aantal migranten nam vanaf ongeveer 1850 onder invloed van de aantrekkingskracht van deze bedrijfstak enorm toe. Met name mensen uit Drenthe en de kop van Overijssel vestigden zich in de steden en vermengden zich met de lokale bevolking. Door huwelijk in de steden en dorpen mengden de migranten en de autochtone inwoners van Twente zich en dit had uiteraard invloed op de taal die werd gesproken.

Er waren ook Twentenaren die om allerlei redenen vertrokken. Dat het daarbij soms om aanzienlijke afstanden ging bewijzen de zogenoemde `Rusluie’ oftewel voormalige inwoners van Vriezenveen en Almelo en omgeving die zich vanaf de 18de eeuw in het Russische Sint Petersburg vestigden.

Mobiliteit en menging van de bevolking in Twente zijn dus niet alleen een gegeven van de laatste 150 jaar toen de bevolking door migratie van elders sterk groeide. Ook daarvoor gebeurde dit reeds op een zodanige schaal dat de stelling van Jassies over een honkvaste in zichzelf gekeerde autochtone groep plattelanders en dorpelingen niet houdbaar is.

Taal en zegswijzen

Cultuur en identiteit zijn sterk verbonden met taal en het is dan ook geen wonder dat Jassies dit als argument naar voren haalt. In het Nedersaksisch komen inderdaad fraaie zegswijzen en volkswijsheden voor. Maar wie verder kijkt dan de Twentse neus lang is kan niet anders constateren dan dat we dat voor alle talen kunnen vaststellen. `An de kookante bliewen’ om een voorzichtige levenshouding te accentueren is even fraai als de volkswijsheid die de sprekers van het Hollands over dezelfde levenshouding debiteren; `Op de vlakte blijven.’

Zoals boven reeds is opgemerkt leefden de bewoners van Twente niet in afzondering en hun taal - inclusief de zegswijzen - heeft zich dus niet op een `eiland’ kunnen ontwikkelen. Twente is al eeuwen een doorgangs- en vestigingsgebied voor mensen van elders en dat heeft invloed gehad op de taal. Het Nedersaksisch wordt eigenlijk alleen nog maar door een kleine veelal bejaarde groep mensen op het Twentse platteland gesproken. Overal elders - ook op het platteland - wordt een in meerdere of mindere mate `verhollandste’ versie van het Twens gesproken die we het beste kunnen kwalificeren als `stadsplat’.

Deze ontwikkeling valt goed te illustreren met het woord voor kruiwagen. In de 18de eeuw heette dit werktuig nog vrij algemeen een `schoefkoar’. Intussen hebben veel autochtone Twentenaren het over een `kruukoare’ en de stap naar het stadsplat `kruuwage’ is dan niet groot meer.

De Hollandse beïnvloeding van het Nedersaksisch raakte in een stroomversnelling toen in de jaren twintig en dertig de gegoede burgerij en de fabrikantenfamilies in Twente geen dialect meer aan hun kinderen leerden. Na de Tweede Wereldoorlog volgden de middenstand en de geschoolde arbeiders hun voorbeeld. Hierdoor werd het spreken van dialect meer en meer in verband gebracht met een plattelands- of een laag geschoolde achtergrond. Omdat na de Tweede Wereldoorlog op de lagere scholen er nauwgezet op werd toe gezien dat de kinderen in de klas Nederlands leerden spreken bleef het platteland niet buiten schot. Vanaf de jaren zestig nam het aantal autochtone ouders die hun kinderen de taal van hun oma’s en opa’s (konden) leren dan ook in hoog tempo af en het `stadsplat’ kwam er in de steden zowel als op het platteland voor in de plaats.

De opleving in de belangstelling voor streektaal door optredens respectievelijk publicaties in dialect van de rockband Normaal, schrijver en dichter Willem Wilmink, cabaretier Herman Finkers, het ontstaan van het blad `De Nieje Tied’, de Schrieversbond Overiessel ofdeling Twente, albums van de striphelden Asterix en Obelix in het plat én niet in de laatste plaats de activiteiten van streektaalconsulent Gerrit Kraa en het Van Deinse Instituut in Enschede, kunnen niet verhelen dat de Nedersaksische taal in Twente in de terminale fase verkeert. De eventuele redding moet – leert Friesland - van drie kanten komen. Het Nedersaksisch dient dan op de lagere én middelbare scholen als vak te worden onderwezen, ouders moeten het spreken van deze taal niet beschouwen als een teken van domheid of boersheid maar van taalverrijking en de elite moet een voorbeeldfunctie vervullen. Aangezien er weinig draagvlak voor het bovenstaande is mag worden aangenomen dat er in Twente in de toekomst alleen nog maar varianten van het `stadsplat’ worden gesproken.

Aanhang Jassies

Als ontstaan of bestaan van een Twents volkskarakter wetenschappelijk gezien onjuist is, hoe komt het dan dat het gedachtengoed van Jassies tot op de dag van vandaag wordt aangehangen en uitgedragen?

In zijn column `Gaddergood’ in Twentsche Courant/Tubantia schreef Herman Haverkate sr. bijvoorbeeld: `Twente was een achterland, verstopt in de oosthoek van Overijssel, een afgesloten gebied met een eigen taal, volksgebruiken, tradities en cultuur.’(2)

Een andere volgeling van Jassies - van dezelfde generatie als Haverkate - is Adriaan Buter. In zijn boeken zowel als in de column `Van eigen erf’ in Twentsche Courant/Tubantia worden verschillen tussen Twente en andere delen van ons land net als bij Haverkate sr. in een nostalgische walm benadrukt.

Ook jongeren hangen het idee van een Twents volkskarakter aan. In 1997 verscheen het boek `Zo is Twente’ met daarin een bijdrage van de journalist/publicist Ben Siemerink.(3) Deze noemt het beeld van de Tukker eerst een `cliché’, maar is vervolgens van mening dat de `lange geschiedenis van horigheid, in politiek, religieus en sociaal opzicht, krassen heeft nagelaten in zijn ziel.’ Door die krassen is de Twentenaar volgens Siemerink een `gesloten en omzichtig type’ omdat hij telkens ook met nieuwe bazen en heren te maken kreeg. Siemerink; `In die zin is de Twentenaar een horige. En is zijn taal ook een horige taal. Voor een buitenstaander karig, versluierd, vol geheimen; voor de Twentenaar zelf rijk en veelzeggend tussen de regels met veel dubbele bodems.’

Helaas legt Siemerink niet uit waarom de mensen in al die gebieden met vergelijkbare sociaal-economische omstandigheden als in Twente geen `horige taal’ zijn gaan spreken. Verder is het opmerkelijk dat Siemerink, Buter en Haverkate Sr. de historische bronnen negeren als het gaat om de `horigheid’ van Twentenaren. Dat is namelijk een mythe. Eeuwenlang hebben de boeren zich op allerlei manieren verzet tegen de heerlijke rechten van de adel, de drostendiensten of – samen met de burgers van de Twentse stadjes - de jachtrechten. En tot op de dag van vandaag laten de boeren zien protest of geweld - voorbeelden zijn de opstand tegen de ruilverkaveling in Tubbergen in 1972 en de maatregelen tegen de varkenshouderij in de jaren negentig - niet te schuwen. Ook de arbeiders in de textielindustrie kunnen bogen op een rijke historie van verzet tegen hen onwelgevallige maatregelen van de `hoge heren’. Verder stelt de historicus Coen Hilbrink in zijn proefschrift vast dat er in Twente sprake is geweest van een actief verzet tegen de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook toen toonden autochtone Twentenaren zich niet meer of minder gezags(on)getrouw dan mensen elders in Nederland.

Als het om het Twents volkskarakter gaat lijken emotie en nostalgie het vaak te winnen van feiten en bronnenmateriaal. Ligt daar de reden van de taaiheid van dit fenomeen?

Vlamingen

Dat veel mensen geloven in een bestaan van het Twentse volkskarakter heeft volgens mij drie redenen. De eerste is die van het hoge horoscoopgehalte van de beweringen. De kenmerken van het volkskarakter zijn namelijk zo algemeen gesteld dat ze als etiket makkelijk te hanteren zijn. Dit valt te illustreren met hetgeen Leo Suykerbuyk in zijn column `Grensprikjes’ in het NRC-Handelsblad over Vlamingen schrijft;`Hij luistert minzaam, stug, is gesloten, een gevolg van eeuwen onderdrukking vanuit alle windstreken, zegt men. We kruipen in de schelp, voelen onze nietigheid en beamen meer uit gemakzucht dan uit overtuiging. Ja,ja, zeggen we.’ (3)

Vrijwel identieke regels worden regelmatig door Herman Haverkate sr. of Adriaan Buter in hun columns geschreven, maar dan gaat het over Twentenaren. Dat Vlamingen blijkbaar dezelfde eigenschappen hebben als Twentenaren geeft prachtig aan hoe weinig specifiek de kenmerken van het vermeende volkskarakter zijn.

Door de algemeenheid van het `Tukkerschap’ is de drempel naar `self fulfilling prophecy’ eveneens laag. Al snel voldoet iemand aan de criteria waarbij voor het gemak wordt vergeten dat er talloze autochtonen zijn die er juist niet aan voldoen.

De tweede reden heeft te maken met de generaties waartoe de in 1979 overleden Jassies, Adriaan Buter (81 jaar), Herman Haverkate sr. (77 jaar) en veel aanhangers van het Tukkerschap behoren. Toen deze generaties opgroeiden was Nederland - in de woorden van historicus dr. Lou de Jong - een conservatief land waar gezagsgetrouwheid, gevoel voor hierarchie en ingetogenheid belangrijke deugden waren. Ook na de Tweede Wereldoorlog toen de Verzuiling nog een tijd zijn stempel op de samenleving wist te drukken stonden deze waarden bij velen hoog in het vaandel. Gerard van het Reve schreef hierover het prachtige jaren vijftig tijdsbeeld `De Avonden’.

De karakteristieken die de aanhangers van het Twentse volkskarakter debiteren zeggen kortom meer over hun opvoeding en henzelf dan over een regionale volksaard. Maar zoals in de persoon van Ben Siemerink al is aangegeven zijn het zijn niet alleen de 65-plussers die `typisch Twents’ benadrukken of menen te kunnen identificeren. Op een minder conservatieve en meer strijdbare wijze zijn ook jongeren er mee bezig. De populariteit van de Achterhoekse rockband Normaal en de rituelen van de `heukers’ in de biertenten onderstrepen dit.

En daarmee kom ik op de derde en meest belangrijke oorzaak van het bewieroken van een innerlijke streekeigen identiteit. Deze komt namelijk voort uit het willen creëren van een wij contra zij tegenstelling. Oud zowel als jong hebben over het algemeen een onbedwingbare behoefte om ergens bij te willen horen. Daarvoor is het noodzakelijk om je ook ergens tegen af te kunnen zetten. Het gevolg hiervan is niet alleen dat de inwoners van de wijk Pathmos in Enschede niet veel te schaften willen hebben met bewoners van `goudkust’ Stokhorst (en omgekeerd), in Almelo `beetwortelen’ wonen en in Borne `melbulen’, maar ook dat er onderscheid is tussen `stadsen’ en `binnenmaarksen’ (plattelanders), tussen Twentenaren en Hollanders, Nederlanders en Duitsers en ga zo maar door.

Het volkskarakter is dus eigenlijk niet iets dat in de mensen zit maar dat als (ver)oordelen wordt gebruikt door oud en jong tegenover een buitenwacht waar men zich niet mee wenst te identificeren. Op zich is dit geen slechte zaak, want daardoor ontstaan allerlei streekeigen activiteiten en blijven al of niet met hulp van de VVV gebruiken als Paasvuren, midwinterhoornblazen, klootschieten, vlöggelen enz. in stand. Dat geeft Twentenaren of VVV’s echter geen vrijbrief om te beweren dat de streek een eiland of een soort reservaat is. Twente is een dicht bevolkt stuk golvende zandgrond en (kei)leem op de route Holland-Duitsland. Dat was in het verleden reeds onze kracht en voor de toekomst kunnen en moeten wij daar inclusief de vorming van een Twentestad proberen wel bij varen. Stad en platteland zullen ook dan een breed scala aan mogelijkheden aan de inwoners bieden om zich te blijven identificeren of af te zetten. Lokale en streekeigen dynamiek heeft Twente in het verleden goed gedaan en dat zal ook na het jaar 2000 het geval zijn. Twentenaren hebben geen mythe over een volkskarakter nodig om zich verbonden te voelen met deze streek als woon- en werkomgeving. Wat we wel nodig hebben is dat in Twente de ramen en deuren er `los’ worden gedaan, de inwoners zich er voor een feest `andersom’ aantrekken, iedereen bang blijft om vleeswaren `kapot’ te laten gaan en de soep er met een `sleef’ wordt geschept.

Dick Schlüter

Noten

1. Deursen, A.Th. van., Ras en Karakter, Vijfde Adorp-lezing gehouden op 27 september 1997 in de kerk van Adorp.

2. Twentsche Courant/Tubantia van 14.1.1998.

3. Siemerink, Ben., `Het kon slechter, vindt de Tukker’, in; Zo is Twente, Uitgeverij Universiteit Twente (1997), pag. 32-40.

4.

NRC van 3.11.1997.