Doelen en Eindtermen

Doelen

De bacheloropleiding Technische Wiskunde geeft studenten een gedegen en brede introductie in de wiskunde, met speciale aandacht voor toepassingsaspecten. Dit laatste komt tot uitdrukking in een reeks van vakken op het gebied van wiskundig modelleren, die als een “rode draad” door het gehele curriculum lopen.

Een afgestudeerde bachelor Technische Wiskunde beschikt over de volgende competenties:

·

Standaardliteratuur op het gebied van de technische wiskunde wordt zelfstandig begrepen;

·

De meer geavanceerde vakken, welke bij de masteropleidingen Applied Mathematics aan de UT, de TUD of de masteropleiding Industrial and Applied Mathematics aan de TUe worden aangeboden, kunnen gevolgd worden;

·

Basistechnieken op het gehele gebied van de technische wiskunde worden beheerst. Een afgestudeerde beschikt over programmeervaardigheden;

·

Samenwerking met beoefenaars van “aanverwante (technische) disciplines” is mogelijk;

·

Een wiskundig model kan worden ontworpen, geanalyseerd en geïmplementeerd. Ook kan een afgestudeerde hierover zowel mondeling als schriftelijk verslag uitbrengen.

Het getuigschrift (diploma) van de bacheloropleiding geeft directe toelating tot de doorstroommaster Applied Mathematics aan de UT, evenals tot de masteropleiding Applied Mathematics aan de TUD en de masteropleiding Industrial and Applied Mathematics aan de TUe.

Eindtermen

De bovengenoemde competenties, samengevat als domeindeskundigheid, onderzoeks-en modelleerbekwaamheid, professionele bekwaamheid en academische reflectie, worden in de volgende negen eindtermen vertaald:

1.

De afgestudeerde heeft gedegen kennis van wiskundige theorieën op het gebied van algebra, analyse, statistiek, stochastiek en discrete wiskunde en inzicht in de toepassingsmogelijkheden van die theorieën in de techniek, economie en bedrijfskunde (hoort bij domeindeskundigheid).

2.

De afgestudeerde kan omgaan met abstractie en is in staat formeel te redeneren en wiskundige bewijzen op te zetten (hoort bij domeindeskundigheid).

3.

De afgestudeerde kan met behulp van onderzoeksmethodologieën onderzoeksvragen beantwoorden (hoort bij onderzoeks- en modelleerbekwaamheid).

4.

De afgestudeerde kan bij problemen met een multidisciplinair karakter wiskundige modellen ontwerpen en analyseren en de bruikbaarheid daarvan in praktijksituaties beoordelen (hoort bij onderzoeks- en modelleerbekwaamheid).

5.

De afgestudeerde is vaardig in het gebruik van de computer om de toenemende omvang en complexiteit van wiskundige problemen te kunnen behandelen. Computeralgebra, numerieke methoden en simuleren nemen hierbij een prominente plaats in (hoort bij onderzoeks- en modelleerbekwaamheid).

6.

De afgestudeerde is vaardig in het gebruik van de bibliotheek en de daarin aanwezige literatuur en is vertrouwd met geavanceerde zoekmethoden in moderne bibliotheeknetwerken (hoort bij onderzoek- en modelleerbekwaamheid en bij professionele bekwaamheid).

7.

De afgestudeerde is vaardig in het mondeling en schriftelijk rapporteren, en is in staat samen te werken in een team. De afgestudeerde beheerst de vaardigheid zich te blijven ontwikkelen op het gebied van samenwerken. (hoort bij professionele bekwaamheid).

8.

De afgestudeerde heeft zicht op de plaats van de toegepaste wiskunde in de maatschappij en heeft basiskennis van wetenschapsfilosofie (hoort bij academische reflectie).

9.

De afgestudeerde overziet de mogelijkheden na afronding van de studie om zich te specialiseren in de masterfase of een plek te vinden op de arbeidsmarkt (hoort bij academische reflectie).