De waarheid is, helaas, dat er geen ideale studiemethode bestaat. Er is geen nieuwe, leukere techniek die je huidige studiemethode voorgoed kan vervangen. Uiteindelijk zul je nog steeds je neus in de boeken moeten steken, pen op papier moeten zetten en je hoofd moeten breken over oefenvragen – dat zal niet veranderen. Uiteindelijk komen alle studiemethodes op dezelfde kernprincipes neer, dus rest jou de vraag: welke past het beste bij jou? Ik heb er een aantal voor je uitgeprobeerd én gerangschikt op effectiviteit.
1. De Feynman-techniek
Vernoemd naar, je raadt het, de beroemde natuurkundige Richard Feynman.
Zeggen dat je de Feynman-techniek gaat gebruiken is eigenlijk gewoon een fancy manier om te zeggen dat je de komende vijf uur tegen jezelf gaat praten. Maar zonder gein: het werkt echt. Met deze methode breek je complexe concepten op in kleinere, eenvoudige onderdelen, en vervolgens leg je ze in eigen woorden uit, alsof je het aan iemand anders vertelt. Zie jezelf als de leraar. Hoe zou jij dit concept uitgelegd willen krijgen?
Dus, hoe pak je dat aan? Eerst kies je een concept dat je wilt bestuderen. Je doel is om je kennis te verdiepen, dus schrijf op wat je al weet en probeer de puzzelstukjes in elkaar te passen. Zo identificeer je eventuele gaten in je kennis en overbrug je ze terwijl je bezig bent. Raadpleeg je hulpmiddelen – het internet, je studieboek, medestudenten of je docent – en probeer al die kennis vervolgens samen te vatten op een manier die zelfs een vijfjarige zou kunnen begrijpen. Het belangrijkste punt is: als je het onderwerp niet in eenvoudige bewoordingen kunt uitleggen, dan begrijp je het nog niet goed genoeg.
2. De SQ3R-methode
SQ3R staat voor ‘survey’ (verkennen), ‘question’ (vragen), ‘read’ (lezen), ‘recite’ (opzeggen), en ‘review’ (herhalen) – vandaar de drie R’s. Deze methode houdt in dat je niet direct in de stof duikt, maar – als we een zwemanalogie gebruiken – eerst even langs de rand van het zwembad loopt om te kijken hoe diep het eigenlijk is. Verken het materiaal dat je gaat leren eerst door hoofdstuktitels, tussenkopjes en andere opvallende onderdelen te scannen. Het idee is dat je jezelf eerst vertrouwd maakt met de inhoud voordat je er echt induikt.
Nadat je vertrouwd bent geraakt met de stof, begin je met lezen. Tijdens het lezen – en zelfs ervoor – stel je jezelf voortdurend vragen om actief met de stof bezig te blijven, ook al worden die vragen misschien al in de volgende zin beantwoord. Na het lezen vat je de informatie samen in je eigen woorden. En voor de laatste R kijk je terug naar het materiaal en beoordeel je je begrip ervan.
3. De PQ4R-methode
In plaats van drie R’s hebben we er nu vier, en de letters staan voor ‘preview’ (vooruitblikken), ‘question’ (vragen), ‘read’ (lezen), ‘reflect’ (reflecteren), ‘recite’ (opzeggen), en ‘review’ (herhalen). Het belangrijkste verschil met de SQ3R-methode is – jawel – het reflectie-gedeelte. Reflecteren betekent even afstand nemen van het lezen en nadenken over wat je hebt geleerd. Terwijl je nadenkt, kun je jezelf vragen stellen zoals: “Waarom leer ik dit?”, “Waarom is dit belangrijk?”, of “Hoe hangt dit samen met wat ik al weet?”. Zo geef je jezelf de kans om het grotere plaatje te zien en te begrijpen waarom het relevant is.
4. Het Leitner-systeem
Met deze methode, vernoemd naar psycholoog Sebastian Leitner, gebruik je flashcards om informatie beter te onthouden. Je hebt hiervoor een paar doosjes nodig. In het eerste doosje zitten alle flashcards die je nog niet hebt gememoriseerd – je begint dus met alleen dit ene doosje. Als je de informatie op een kaart goed hebt onthouden, verplaats je die naar het volgende doosje. Heb je een kaart fout? Dan zakt deze in de hiërarchie of blijft ‘ie in doos 1 als hij daar al zat.
De kern van dit systeem is gespreide herhaling, waarbij elk doosje bepaalt hoe vaak je de kaarten moet bestuderen. Bijvoorbeeld: de kaarten in doosje 1 bekijk je elke dag, omdat je ze nog niet goed kent. De kaarten in doosje 2 bekijk je om de dag, die in doosje 3 om de drie dagen, enzovoort. Uiteindelijk wil je natuurlijk dat je geen enkele kaart meer in het eerste doosje hebt – dat zou betekenen dat je alles tenminste enigszins kunt onthouden.
5. Retrieval (ophalen uit je geheugen)
Niet vernoemd naar iemand in het bijzonder, maar retrieval is een studietechniek die eigenlijk gewoon neerkomt op het onthouden om later te onthouden. Als je het antwoord op een vraag waar je tijdens je vorige tentamen op vastliep nu ineens wél herinnert – uren of dagen na het tentamen – dan blijft die informatie beter hangen dan wanneer je het opzoekt in je boek. Je moet de kennis dus zelf uit je geheugen halen, zonder spiekbriefjes of flashcards. Dat betekent dus gewoon je dag vervolgen na het studeren en op willekeurige momenten proberen belangrijke concepten of tentamenvragen te herinneren.
6. De Pomodoro-techniek
De Pomodoro-techniek staat zo laag op de lijst omdat niemand zich er ooit echt aan houdt. Elke student kent deze methode, maar zodra je in een geconcentreerde studiesessie zit, lijkt het stoppen na 25 minuten juist funest voor je flow en motivatie.
Het idee is simpel: zet een timer op 25 minuten, studeer tot de timer afgaat en neem dan een korte pauze van ongeveer vijf minuten. Je hebt nu een pomodoro voltooid. Na elke vierde pomodoro neem je een langere pauze van 15 tot 30 minuten. Het probleem? Je tentamen is over een paar dagen, en als je elke 25 minuten stopt, verlies je veel tijd – vooral als het beantwoorden van één vraag soms al 25 minuten kost. Wat voor mij beter werkt zijn pomodoro’s van een uur, gevolgd door een pauze van 15 minuten. Die originele 25/5-verdeling is handiger voor papers schrijven of lezen dan voor echt studeren.
7. Kleuren coderen
Ik ben zelf geen groot fan van aantekeningen maken, dus deze staat laag op de lijst omdat het voor mij niet werkt. Maar elke keer dat ik andermans aantekeningen lees, waardeer ik het als belangrijke info in verschillende kleuren is gemarkeerd. Al heb ik ook weleens aantekeningen gezien waarin letterlijk elk woord op de pagina gearceerd was – dat slaat natuurlijk nergens op.
Gebruik in elk geval warme kleuren (rood en geel) om belangrijke info te markeren. Warmtekleuren verhogen zogenaamd de aandacht en ‘roepen informatie op’, al zou ik dat met een korreltje zout nemen.
8. Mindmapping
Mindmappen is handig als je voor een vak veel schijnbaar losstaande concepten moet kennen en je de tussenliggende verbanden wilt zien. Zelf heb ik er nooit echt een toepassing voor gevonden in mijn opleiding (Werktuigbouwkunde), dus ik gebruik deze methode niet.
Het proces van mindmappen sluit aan bij hoe ons brein informatie opslaat en ophaalt – we proberen altijd oorzaak-gevolgrelaties en verbanden te zien. Als je het grotere geheel wilt begrijpen, begin dan met een mindmap.
Hopelijk helpen de bovenstaande methodes je om te voorkomen dat je nachten moet doorhalen voor je tentamens. Is dit je eerste tentamenweek op de universiteit? Dan is dit hét moment om te ontdekken wat voor jou het beste werkt. Zorg er in elk geval voor dat je, naast het lezen van je aantekeningen, ook oude tentamens oefent als onderdeel van je voorbereiding. Succes!




