Regelingen van 5-jarig programma

Handleiding afstuderen

Handleiding


Afstuderen








Uitgave 2004/2005


Laatste wijziging 30 november 2004







Informatie voor ouderejaars studenten

Chemische Technologie


Faculteit Technische Natuurwetenschappen

Universiteit Twente


Eerste uitgave:

Maart 2003


Kenmerk: 041224/TNW84501/vdh


Inhoudsopgave blz.


Inleiding 1


1. Algemene informatie over de afstudeeropdracht 2


2. Planning en procedure 5


3. Wat te doen bij problemen? 9


4. Fasen in het afstudeerproces 10

4.1 Verwerven van een opdracht

4.2 Oriëntatie op de opdracht

4.3 Uitvoering van de opdracht

4.4 Presentatie van de opdracht


5. Begeleiding 14

5.1 Wederzijdse verplichtingen van afstudeermentor en afstudeerder

5.2 Wat kun je het beste in het begin met je afstudeermentor bespreken?

5.3 Werkwijze bij geplande bijeenkomsten

5.4 Problemen met de afstudeermentor


6. Beoordeling van de opdracht 17


7.Wat te doen na het afstuderen? 18



Bijlage 1 Literatuurscriptie en stage 19

Bijlage 2 Goedkeuring afstudeercommissie, D-opdracht

en vakkenpakket; Afstudeercontract 20






Verantwoording

Deze afstudeerhandleiding is gebaseerd op een conceptversie die is gemaakt door de Dienst Informatietechnologie, Bibliotheek en Educatie (ITBE, voorheen Onderwijskundig Centrum van het Dinkel Instituut).

Bij het samenstellen is ook dankbaar gebruik gemaakt van de afstudeerhandleidingen van de opleidingen Informatica, Werktuigbouwkunde en Civiele Techniek.



Redactie

Drs. H.J.van den Hengel, Langezijds 3501, h.j.vandenhengel@utwente.nl

Suggesties voor aanvulling, verbetering e.d. van deze handleiding zijn van harte welkom.


Inleiding



In deze handleiding wordt zo consequent mogelijk gesproken over ‘afstudeeropdracht’, maar in diverse documenten en in het spraakgebruik wordt ook wel ‘D-opdracht’ gebruikt.


Er is geprobeerd om zoveel mogelijk informatie, tips, handige verwijzingen e.d. bij elkaar te zetten. Tijdens het gehele traject van afstuderen zijn diverse andere informatiebronnen nuttig. Een deel daarvan heb je eerder gekregen en al kunnen opbergen in de daarvoor bedoelde CT-Studiewijzer klapper. Een deel is ook op internet te raadplegen: de informatiegids 3e t/m 5e jaar, informatie over de vakgroepvoorlichting, VIST (het on-line vakkeninformatiesysteem) en – heel belangrijk gezien de voortdurende veranderingen – de meest actuele regeling ‘Inhalen van vakken’.

Deze handleiding gaat over afstuderen in het vijfjarig programma, volgens de major-minor opzet bij alle CT-majors (P,M,C,I,B en Mi).

Studenten uit het vijfjarig programma van de generaties 1995 t/m 1998 hebben niet te maken met de major-minor opzet. Zij kunnen deze handleiding echter met kleine aanpassingen (vooral in hoofdstuk 2, tabel 2) prima gebruiken.

Voor studenten uit het vroegere, vierjarige curriculum en voor studenten die het HBO-doorstroomprogramma kunnen de ’algemene’ teksten (o.a. over de procedure, de fasen in het afstudeerproces, de begeleiding en beoordeling) ook nuttig zijn.


Mocht je ondanks deze handleiding nog vragen hebben, dan kun je terecht bij:

•Bureau Onderwijszaken, Langezijds 3505;

•Je mentor;

•De studieadviseur, dr.ir.A.G.J.van der Ham, Langezijds1310;

•De opleidingsdirecteur, prof.dr. J.F.J.Engbersen, Langezijds 3509;

•De secretariaten van de verschillende werkeenheden.


Deze handleiding is on-line te raadplegen op http://www.tnw.utwente.nl/bachelor/ct/studiewijzers/

en zal zonodig regelmatig worden bijgewerkt of geactualiseerd.

Suggesties voor aanvulling, verbetering e.d. van deze handleiding zijn dan ook van harte welkom. Geef ze s.v.p. door aan Drs. H.J.van den Hengel, Langezijds 3501, h.j.vandenhengel@utwente.nl

1. Algemene informatie over de afstudeeropdracht



Doelen

In VIST (http://www.utwente.nl/vist) staat het volgende over de afstudeeropdracht (139923):

“…Onder begeleiding van de (afstudeer-)mentor wordt wetenschappelijk onderzoek verricht dat wordt afgesloten met een verslag. Bij onderzoek en verslag worden eisen gesteld inzake de wetenschappelijke kwaliteit van het werk, de creativiteit, de snelheid van werken en aan de mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid van de student….”


Bij de afstudeeropdracht leer je om zelfstandig een tamelijk complex en omvangrijk onderzoek te verrichten dat voldoet aan wetenschappelijke criteria. De leerdoelen van de afstudeeropdracht kunnen als volgt omschreven worden:

•inwerken in bepaald deelgebied: herkennen van problemen en formuleren van onderzoeksproblemen;

•zelfstandig chemisch-technologisch onderzoek verrichten;

•mondeling en schriftelijk verslag doen van een onderzoek.


In tabel 1 zijn de eindtermen van de opleiding Chemische Technologie weergegeven.

Met de afstudeeropdracht werk je vooral aan de algemene doelstellingen A2 en A3 en de algemene vaardigheden B1 a, b, c en e en B2 a,d en e.


Criteria waaraan een afstudeeropdracht moet voldoen

De werkzaamheden en de interpretatie van de resultaten moeten een academisch niveau vereisen. De afstudeeropdracht moet zodanig zijn dat je de gelegenheid krijgt om kennis en ervaringen die zijn opgedaan in voorafgaande vakken, projecten en practica geintegreerd te gebruiken. Het onderwerp moet je voldoende ruimte geven voor een eigen inbreng: je mag geen ‘meetslaaf’ zijn van een AIO.


Eisen

Je moet een voldoende prestatie leveren op het gebied van wetenschappelijke kwaliteit, creativiteit in het werk, snelheid en methodiek van werken, en mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid. Je moet blijk geven na te denken over het hoe en waarom van het onderzoek en in staat zijn relaties te leggen met hetgeen je in de voorafgaande studie hebt geleerd en wat al bekend is over het onderwerp in de literatuur.

Je moet tijdens de afstudeeropdracht in toenemende mate een eigen inbreng vertonen en het werk moet helder worden gerapporteerd, zowel mondeling als schriftelijk.

Je moet aan het eind van de opdracht kunnen komen met gefundeerde conclusies over de resultaten van het onderzoek en goede suggesties kunnen doen voor verder onderzoek.


Oefening of toets?

De afstudeeropdracht kan worden beschouwd als een oefening, maar ook als een toets. Het mag niet louter als toets gezien worden, want het kunnen doen van een toets impliceert dat je geen begeleiding en ondersteuning nodig hebt om aan de gestelde eisen te voldoen. Dat is natuurlijk niet het geval bij een afstudeeropdracht.

Aan de andere kant is het ook weer niet louter een oefening. Er wordt wel degelijk verwacht dat je een zekere zelfstandigheid ontwikkelt en je wordt daar ook op beoordeeld. In principe heb je de meeste vaardigheden die nodig zijn bij de uitvoering van de opdracht al eerder in de opleiding kunnen oefenen. In de afstudeeropdracht wordt dan getoetst of je voldoet aan de einddoelen die de opleiding stelt aan een ingenieur.

Begeleiding blijft noodzakelijk, maar de hoeveelheid benodigde begeleiding en de aard daarvan hebben natuurlijk wel invloed op het eindoordeel.

Dit wil echter niet zeggen dat het positief gewaardeerd wordt als je zo weinig mogelijk overlegt met je afstudeermentor. Als je veel contact hebt met je afstudeermentor, betekent dat nog niet dat je niet zelfstandig werkt, het kan ook betekenen dat je een volwaardige discussiepartner wordt of bent in het onderwerp dat je bewerkt.

Tabel 1 Opleidingseindtermen Chemische Technologie


A. Algemene doelstellingen van de opleiding


1. Het aanbrengen van voor de latere beroepspraktijk toereikende technisch-wetenschappelijke kennis op hoog academisch niveau:

a)In de chemische technologie: zodanig breed en diep dat de vakwetenschappelijke wereldliteratuur toegankelijk is.

b)In aanverwante technische disciplines en de wiskunde: van een zodanige breedte en diepgang als nodig is ter ondersteuning van de eigen vakdiscipline en om te kunnen communiceren met vakdeskundigen van die disciplines.

c)In economische en maatschappijwetenschappelijke disciplines: in die mate dat de professionele vraagstukken in relatie kunnen worden gebracht met vraagstukken van milieu, veiligheid en (bedrijfs)economie.

2. Het ontwikkelen van een wetenschappelijke instelling in de eigen vakdiscipline, maar ook in de disciplines waarmee in de beroepspraktijk wordt samenge­werkt. Onder een wetenschappelijke instelling wordt verstaan: een instelling die gericht is op het verwerven van kennis om van daaruit een probleem te kunnen analyseren, abstraheren en een zo mogelijk grensverleggende oplossing te synthetiseren.

3. Het ontwikkelen van vaardigheden om te kunnen functioneren in een ingenieursomgeving gericht op het maakbare en het vinden van een (technische) oplossing voor vraagstukken binnen duidelijk omschreven randvoorwaarden.

4. Het ontwikkelen van vaardigheden die het mogelijk maken om als scheikundig ingenieur op maatschappelijk verantwoorde wijze te functioneren, d.w.z. dat de ingenieur zodanig wordt toegerust dat hij/zij in staat is het beroepsmatig handelen voortdurend kritisch te toetsen aan de maatschappelijke context waarin dat handelen plaats vindt, het te verantwoorden en zo nodig bij te stellen.



B. Te realiseren algemene vaardigheden van de opleiding


De afgestudeerde ingenieur zal de volgende vaardigheden moeten verkrijgen:

1. Algemene academische vaardigheden:

a)Kunnen signaleren van kennisbehoeften en daarin kunnen voorzien.

b)Zelfstandig kunnen werken en initiatief kunnen nemen.

c)Kenniselementen kunnen integreren.

d)Kunnen samenwerken in (multidisciplinair) teamverband en daarvoor de noodzakelijke sociale vaardigheden, waaronder discussievaardigheden en vergadertechnieken, hebben ontwikkeld.

e)Schriftelijk en mondeling kunnen communiceren en rapporteren en in staat zijn kennis over te dragen.

2. Specifieke ingenieursvaardigheden:

a)Kunnen omgaan met niet-gedefinieerde problemen met ontoereikende informatie en toch tot creatieve en werkbare oplossingen kunnen komen.

b)In staat zijn om op een methodische wijze te ontwerpen, d.w.z. op basis van geformuleerde behoeften een realiseerbare oplossing kunnen ontwerpen in geordende stappen.

c)In staat zijn tot een systeem-, functie- en procesgerichte benadering.

d)In staat zijn tot het maken van prioriteitskeuzes in een niet-gestructureerde omgeving.

e)Kunnen plannen en organiseren.

f)Samen met anderen projectmatig kunnen werken.

3. Specifieke vaardigheden van een ingenieur scheikundige technologie:

a)In staat zijn om processen en/of produkten te ontwerpen (zie B.2.b.).

b)In staat zijn om de invloed van processen en produkten op de samenleving en omgeving te beoordelen.


Onderwijs of onderzoek?

Het onderwijsaspect van de afstudeeropdracht is belangrijker dan het onderzoeksaspect. Het is natuurlijk leuk als je onderzoek spectaculaire uitkomsten heeft, maar het belangrijkste is dat je leert om zelfstandig een onderzoek te doen. Het belang van de onderzoeksresultaten doet dan minder ter zake.


Intern of extern?

In principe doen afstudeerders een interne opdracht (bij een werkeenheid), maar in speciale gevallen is onder bepaalde voorwaarden extern afstuderen (bij een bedrijf of onderzoeksinstituut) mogelijk (zie de Onderwijs- en examenregeling vijfjarig curriculum, bijlage 5 lid 9, te vinden op http://www.tnw.utwente.nl/bachelor/ct/regelingen/index.html

In de meeste gevallen zul je een onderzoeksopdracht doen. Andere mogelijke soorten opdrachten zijn ontwerpopdrachten, of een combinatie van onderzoek en ontwerp. De opdracht die je uitvoert zal meestal een onderdeel zijn van het onderzoek van de werkeenheid waarbij je afstudeert.


2. Planning en procedure



Planning

In tabel 2 is aangegeven op welke momenten je iets moet kiezen, wanneer je kunt beginnen met het oriënteren op een opdracht, wanneer je allerlei formele zaken moet regelen om uiteindelijk tijdig te kunnen afstuderen e.d.

Gebruikelijk is het om direct voorafgaand aan de afstudeeropdracht de literatuurscriptie te doen (zie bijlage 1).

N.B. Het tijdschema is gebaseerd op een nominaal studieverloop, dwz. in 5 jaar afstuderen, van generatie 2000, de laatste generatie vóór invoering van het bachelor-master-systeem. Als je langer over de studie wílt doen, of moét doen omdat je vertraging hebt opgelopen, zul je de nominale planning moeten aanpassen aan je eigen situatie en rekening houden met de inmiddels sterk gewijzigde opzet van de studie (bachelor-master, kwartielen-semesters, veel vakken die een andere plaats in het curriculum hebben gekregen e.d.).


Procedure

De tekst in dit hoofdstuk is een bewerking van de desbetreffende artikelen uit het Studentenstatuut CT waarin opgenomen de Onderwijs- en Examenregeling vijfjarig curriculum (ligt ter inzage bij BOZ-CT en is te vinden op:

http://www.tnw.utwente.nl/bachelor/ct/regelingen/index.html ).

Aan deze handleiding kun je geen rechten ontlenen, aan het Studentenstatuut wél!


1. Je bepaalt voor jezelf op welk gebied je een afstudeeropdracht wilt uitvoeren en je kiest een lid van het wetenschappelijk personeel van de afdeling CT met wie je een voorstel voor de afstudeeropdracht formuleert (dit wordt jouw afstudeermentor, jouw directe begeleider tijdens de afstudeeropdracht).

Zie hoofdstuk 4.1 voor het uitzoeken van een opdracht. Reglementair uiterlijk 1 maand voordat je met de afstudeeropdracht wilt beginnen moet a. een verzoek tot goedkeuring van de afstudeeropdracht, b. de samenstelling van de afstudeercommissie, c. een lijst van vrij te kiezen examenonderdelen,d. het advies van de afstudeercommissie over a. en c.en e. een afstudeercontract worden ingediend bij de examencommissie (zie ook punt 3). Het is daarom verstandiger om minstens 3 maanden voordat je met een opdracht wilt beginnen een afstudeercommissie samen te stellen.


2. De afstudeermentor samen met zijn/haar hoogleraar zorgt ervoor dat er binnen vier weken een afstudeer­commissie wordt samengesteld van minimaal 3 en maximaal 5 personen.

De samenstelling van de afstudeercommissie moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

- De hoogleraar van de afstudeermentor moet deel uitmaken van de commissie.

- De afstudeermentor moet deel uitmaken van de commissie.

- Er moet minstens één lid in zitten van het wetenschappelijk personeel van een andere werkeenheid dan die waarbij je de afstudeeropdracht uitvoert. Dat mag ook iemand van een andere UT-faculteit zijn.

- Als je de afstudeeropdracht in het bedrijfsleven uitvoert moet er naast de hiervoor genoemde personen nog een extra bedrijfsmentor in de commissie zitten.

- Voor de CT-richtingen CT-informatica en Milieutechnologie geldt dat er een CT-i resp. Milieutechnologie-mentor in de commissie zitting moet hebben.

De afstudeercommissie benoemt uit haar midden een voorzitter, bij voorkeur de hoogleraar van de werkeenheid waar de student de doctoraalopdracht uitvoert. De voorzitter van de afstudeercommissie is verantwoordelijk voor een goede uitvoering van de procedure rond de afstudeeropdracht.

De afstudeercommissie belast de afstudeermentor met de dagelijkse begeleiding van de student. Als deze afstudeermentor geen lid is van de faculteit (bv. een bedrijfsmentor), benoemt zij een ander lid uit de commissie die wel lid is van de faculteit, tot tweede mentor en hebben beide afstudeermentoren, in samenwerking, de verantwoordelijkheid voor de dagelijkse begeleiding.

Tabel 2 Planning afstudeeropdracht (voor generatie 2000)

Tijdstip

Activiteit

Opmerkingen

2e jaar (01/02)



2.2-trimester

WTM-vak kiezen

Kies uit interesse, slechts incidenteel zal de keuze voor een WTM-vak een relatie hebben met de afstudeeropdracht

2.3-trimester

Vakgroepvoorlichting

Werkeenheden en bijzondere majors (I, B en Mi)(Mol, Mat en PT) presenteren zich


2.3-practicum

Je kunt een onderwerp (bij een bepaalde werkeenheid) kiezen en zo kijken of een bepaalde richting je iets lijkt


Informatiegids 3e t/m 5e jaar

Verschijnt in juni; biedt hulp bij de orientatie op 3e t/m 5e jaar en de planning daarvan


Wel/niet kiezen voor major CT-i

Als je CT-I kiest, volg je een minor Informatica; enkele minorvakken volg je dan in je 3e jaar


Kiezen 3.1-keuzevak(ken)

Als je geen CT-i doet

3ejaar (02/03)



3.1-trimester

Voorlichtingsbijeenkomst 3e jaars (september)

Orientatie op 3e t/m 5e jaar; ‘hoe kun je strategisch keuzevakken kiezen?’


Keuzevak(ken) doen

Trimester heeft ruimte voor keuzevak(ken) 


Nadenken over keuzevakken in 3.2-/3.3-trimester; globale planning t/m afstuderen

Globaal tijdstip van afstuderen vaststellen en dan ‘terugrekenen’. Invulling van keuzevakken in het 3e jaar kan hierdoor bepaald worden

3.2-trimester

Volgen keuzevakken 


3.3-trimester

Volgen keuzevakken 



Vakgroepvoorlichting

Misschien wil je de voorlichtingsbijeenkomsten van bepaalde werkeenheden nog eens bezoeken


Keuze voor een minor

Er zijn informatiebijeenkomsten over de minormogelijkheden en in juni moet je je inschrijven voor een minor voor het komende studiejaar

Het is wenselijk om in het derde jaar een idee te krijgen van de afstudeerrichting. Als je dat nog niet weet, wordt het lastiger om keuzevakken zodanig te kiezen dat je – zonder tijdverlies – meerdere mogelijkheden open houdt!

4e jaar (03/04)



4.1-trimester

Informatiebijeenkomst stage

Naast de stagehandleiding is er een informatiebijeenkomst over de stage


Plannen stage

(bijlage 1)

Afhankelijk van je specifieke wensen voor een stageplaats heb je het tijdstip niet zelf in de hand


Laatste verplichte vak

In dit trimester zit nog 1 verplicht vak


Volgen keuzevakken 



Volgen minor

Meestal 7 SP/10 EC per trim.; wordt 10 EC per kwartiel

4.2-trimester

Volgen keuzevakken 



Volgen minor

Meestal 7 SP/10 EC per trim.; wordt 10 EC per kwartiel

4.3-trimester

Volgen keuzevakken 



Planning afstudeerjaar

Afhankelijk van de stage, moet je misschien al vóór de stage de afstudeeropdracht regelen en de cursus Wetenschappelijke Informatieverwerving en de literatuurscriptie plannen.

Gezien allerlei termijnen is het goed om uiterlijk 3 maanden voordat je met de afstudeeropdracht wilt beginnen de afstudeercommissie in het leven te roepen!

5e jaar (04/05)



5.1-/5.2-kwartiel

Stage

(bijlage 1)

(Afhankelijk van je specifieke wensen voor een stageplaats heb je het tijdstip niet zelf in de hand)

Uiterlijk 1 maand voordat je met de afstudeeropdracht wilt beginnen moet de D-examencommissie de samenstelling van de commissie, formulering van de opdracht en vakkenpakket goedkeuren!

5.2-kwartiel

Literatuurscriptie

(bijlage 1)

Ca. 4 weken; cursus aan begin van elk kwartiel, zie master-roosters (tijdig plannen en aanmelden)

5.2-kwartiel

Afstudeeropdracht


5.3-/5.4-kwartiel

Afstudeeropdracht


Juli/augustus

Afstudeercolloquium +

diploma-uitreiking

Tijdig colloquiumverklaring halen bij BOZ!

 De keuzeruimte die je hebt bestaat uit 4 groepen: a. verplichte vakken per major, b. ‘beperkte keuze’-vakken per major, c. vrije keuzevakken en d.WTM-keuzevakken. Als je vakken moet kiezen terwijl je nog niet weet welke major en/of welke afstudeerrichting je gaat doen, zul je ‘slim’ moeten kiezen: kies vakken die op meerdere manieren nuttig kunnen zijn. Advies daarover kun je krijgen bij de studie-adviseur.



3. De afstudeercommissie stelt in overleg met jou de definitieve formulering van de afstudeeropdracht op. Vervolgens stel je je pakket keuzevakken samen. Het is verstandig om dat in overleg met je afstudeermentor te doen, omdat er meestal wel een aantal vakken zijn die je moet bestuderen om de afstudeeropdracht zinvol te kunnen uitvoeren.

Het is overigens uitdrukkelijk de bedoeling dat er ook ruimte overblijft voor vakken die niet rechtstreeks met de afstudeeropdracht samenhangen (de zogeheten ‘vrije keuzevakken’).

De afstudeercommissie adviseert de D-examencommissie over het goedkeuren van het afstudeer­pakket. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met praktische haalbaar­heid vanwege redelijke wensen over de termijn waarop het D-examen wordt behaald.

De afstudeercommissie kan van maximaal twee vakken eisen dat ze in het vakkenpakket worden opgenomen. In de praktijk vindt het overleg over de formulering van de afstudeeropdracht en het vakkenpakket plaats tussen de afstudeermentor, de voorzitter van de afstudeercommissie en de student.


4. De samenstelling van de afstudeercommissie, de definitieve formulering van de afstudeeropdracht en je voorgestelde lijst keuzevakken moeten worden goedgekeurd door de D-examencommissie.

In de praktijk gebeurt dit door het dagelijks bestuur van de D-examencommissie.

Deze goedkeuring moet je zelf aanvragen m.b.v. een speciaal daarvoor bestemd formulier. Tegelijk met het goedkeuringsformulier moet een afstudeercontract, ondertekend door jezelf, je afstudeermentor en de voorzitter van de afstudeercommissie, en een kopie van het bewijs van deelname aan de cursus Wetenschappelijke Informatieverwerving worden ingeleverd.

Goedkeuringsformulier en contract (zie bijlage 2) zijn verkrijgbaar bij de secretaresse van de werkeenheid waar je gaat afstuderen, bij BOZ en te downloaden van internet (zie bijlage 2).

Bij dat aanvraagformulier voeg je een overzicht van je behaalde vakken. Dat overzicht is verkrijgbaar bij Bureau Onderwijszaken CT: het zogeheten S506-formulier.

De aanvraag moet worden ondertekend door jezelf en de voorzitter van de afstudeercommissie (de afstudeermentor mag niet ondertekenen in diens plaats!).

Bij die ondertekening moet de voorzitter van de afstudeercommissie het genoemde S506-formulier kunnen raadplegen (het moet dus bij de stukken zitten).

Als je niet aan alle voorwaarden voldoet om met de afstudeeropdracht te mogen beginnen (zie punt 6), moet er aan het formulier een schriftelijk en beargumenteerd verzoek om ontheffing worden toege­voegd, opnieuw ondertekend door jezelf en de voorzitter van de afstudeercommissie. Dit alles dient te gebeuren tenminste één maand voordat je met de afstudeeropdracht wilt beginnen. Inleveren bij Bureau Onderwijszaken CT.


5. De D-examencommissie mag het pakket keuzevakken alleen toetsen naar omvang en niveau (dus niet naar inhoud) en geeft je binnen vier weken bericht. Als de D-examencommissie het pakket niet goedkeurt moet ze dat motiveren na jou gehoord te hebben. Van de beslissing van de D-examencommissie krijg je schriftelijk bericht. De voorzitter van de afstudeercommissie ontvangt een afschrift.


6. Je mag pas met de afstudeeropdracht beginnen als je voor de vakken (exclusief de WTM-vakken) geslaagd bent of als je een ontheffing krijgt van de D-examencommissie.

Het kan zijn dat je nog vakken en/of de literatuurscriptie wilt afronden in de periode tussen het aanvragen van goedkeuring en de datum waarop je daadwerkelijk wilt beginnen met de afstudeeropdracht. In dat geval moet je bij de secretaresse van de werkeenheid of bij BOZ een speciaal formulier halen, dat door de desbetreffende docent(en) laten tekenen en samen met de andere papieren inleveren bij BOZ. Als je dat niet doet krijg je geen toestemming om te beginnen!


7. De werkelijke datum waarop je begint met de uitvoering van de afstudeeropdracht moet worden gemeld bij Bureau Onderwijszaken CT. De secretaresse van de werkeenheid waarbij je de afstudeeropdracht uitvoert heeft daarvoor een formulier.

Een juiste melding van de begindatum is van groot belang voor jezelf. Die datum wordt namelijk ingevoerd in het studieregistratiesysteem. Vanaf die datum gaat dan een teller in dat systeem meelopen, die je naar rato van de verstreken tijd studiepunten toekent voor de afstudeeropdracht. Die studiepunten tellen vervolgens mee voor tempo- of prestatiebeurs. Deze aparte opgave wordt gevraagd omdat in de praktijk is gebleken dat de werkelijke datum nogal eens afwijkt van de datum op de goedkeuringsaanvraag.


8. De afstudeercommissie moet minstens één keer de voortgang van de afstudeeropdracht met je bespreken.

De afstudeeropdracht wordt afgesloten met een colloquium. Daarin verdedig je het verslag van je afstudeeropdracht tegenover de afstudeercommissie en andere belangstellenden (het colloquium is openbaar en wordt vooraf aangekondigd. BOZ regelt de officiële aankondigingen hiervan (internet e.d.).

Dit colloquium moet het allerlaatste onderdeel zijn van je D-programma. Je moet dan dus voor alle andere examenonderdelen voldoen aan de criteria voor reglementair slagen of in het bezit zijn van een ontheffingsverklaring van de D-examencommissie.

Vakken afleggen ná het colloquium is niet toegestaan; het colloquium is het afsluitende onderdeel van je studie. Het is tegelijk voor jou de diploma-uitreiking!

Voor het maken van een afspraak over het tijdstip van het colloquium heb je een ’colloquium-verklaring’ nodig. Die is te verkrijgen bij Bureau Onderwijszaken CT.

Om alles op tijd te kunnen regelen is het nodig dat je minimaal 4 weken voor de beoogde afstudeerdatum die colloquiumverklaring afhaalt bij BOZ. Dit is dan tegelijk jouw aanmelding voor het D-examen.


9. Een exemplaar van het D-verslag moet bij BOZ-CT worden ingeleverd voor registratie bij de bibliotheek.

3. Wat te doen bij problemen?



Studiebegeleiding

Ook in de laatste fase van je studie kun je terecht bij je mentor. Bijvoorbeeld bij persoonlijke problemen of bij planningsproblemen. Naast de mentor kun je voor advies en vragen ook terecht bij de studieadviseur voor het derde t/m vijfde jaar, dr.ir.A.G.J. van der Ham (kamer Langezijds 1310, tst.2619).


Centraal op de UT kun je terecht bij de DiSC (Dienst Studentenvoorzieningen & Campus; hieronder vallen het Bureau Studentendecanen en het Bureau Studentenpsycho­loog).


Studiefinanciering is een zeer belangrijk aspect van het studeren. Als je daarover vragen hebt, kun je bij BOZ-CT terecht voor het inzien van diverse regelingen. De `specialisten' op dit gebied zitten echter bij het Bureau Studentendecanen. Bij hen kun je ook het beste terecht als je om wat voor reden dan zodanig veel studievertraging oploopt dat het gevolgen heeft voor je studiefinanciering.


Twee keer per jaar bekijkt de faculteit de studievoortgang van alle ouderejaars. Mentoren of studieadviseur wordt dan verzocht om contact op te nemen met studenten die een te lage studiesnelheid hebben, of studenten die in het laatste half jaar geen of nauwelijks studiepunten hebben gehaald.


Individuele aanpassingen in het studieprogramma voor studenten met bestuurs- en organisatie-activiteiten

Studenten die vanwege nevenactiviteiten studievertraging oplopen, kunnen in aanmerking komen voor individuele aanpassingen in het onderwijs. Hierbij geldt dat de activiteit in het belang van de universiteit en/of van vormende waarde voor de student zelf is. Hieronder vallen in ieder geval bestuurs- en organisatiewerk bij een vereniging op de campus en de organisatie van activiteiten (bv. symposia) die inhoudelijk met de studie te maken hebben. De aanpassingen kunnen bijvoorbeeld zijn: vervangende of aanvullende opdrachten, vrijstelling aanwezigheidsplicht en verschuiven tentamendata of extra tentamenmogelijkheden.


De student zal bij het aanvaarden van een bepaalde functie of activiteit na moeten gaan of deze activiteiten studievertraging gaan opleveren en in hoeverre aanpassingen in het onderwijs gewenst zijn. Aan de hand van een studieplan, gemaakt door de student, kunnen student en opleiding gezamenlijk bekijken in hoeverre aanpassingen nodig en mogelijk zijn en welke dat zullen zijn. De afspraken die tussen student en opleiding gemaakt worden, worden gedocumenteerd in een dossier. Dit dossier dient voor opleiding en student als leidraad om eventuele misverstanden m.b.t. gemaakte afspraken te voorkomen. Na het maken van de afspraken worden één of meerdere voortgangsgesprekken gepland.


Studenten die menen in aanmerking te komen voor een regeling in verband met bovengenoemde nevenactiviteiten kunnen contact opnemen met bovengenoemde dr.ir.A.G.J.van der Ham die namens de faculteit CT als ‘activisme-coördinator’ optreedt.


Ziekte

Als je (langdurig) ziek bent, kan de afstudeeropdracht vertraging oplopen. Je zult in ieder geval je afstudeermentor moeten inlichten. Indien nodig, neem contact op met Bureau Studentendecanen om te praten over de gevolgen voor jouw studiefinanciering.


De afstudeeropdracht loopt uit

Als door wat voor oorzaken dan ook de afstudeeropdracht uitloopt of dreigt te gaan uitlopen, neem dan contact op met je afstudeermentor. Misschien moeten geplande tussenbesprekingen worden verplaatst, misschien moeten er andere afspraken worden herzien. In alle gevallen is het belangrijk dat je afstudeermentor op de hoogte wordt gebracht. Als de vertraging groter is dan 2 weken moet de afstudeermentor dit onder opgaaf van redenen melden bij BOZ-CT (zie afstudeercontract).

4. Fasen in het afstudeerproces



Het gehele proces van afstuderen kan verdeeld worden in de volgende fasen:

1.Verwerven van een opdracht

2.Oriëntatie op de opdracht

3.Uitvoering van de opdracht

4.Presentatie van de opdracht


In dit hoofdstuk wordt besproken waar je in de verschillende fasen mee bezig bent.



4.1 Verwerven van een opdracht


Het kan geen kwaad om geruime tijd voordat je van plan bent om te gaan afstuderen, her en der eens te informeren naar mogelijke afstudeeropdrachten (de meeste werkeenheden hebben op hun website informatie over beschikbare opdrachten of hebben bij hun secretariaat schriftelijke informatie). Dit is vooral zinvol als je nog geen duidelijk idee hebt van het soort opdracht dat je wilt doen. Als je nog niet precies weet bij welke werkeenheid je wilt afstuderen, dan kun je eens gaan praten met docenten van verschillende werkeenheiden om een indruk te krijgen van het type opdrachten dat je daar zou kunnen doen. De vakgroepvoorlichting kan ook een mogelijke inspiratiebron zijn (het boekje dat daarbij uitkomt is te vinden via http://alembic.ct.utwente.nl onder de button ‘Onderwijs’ en vervolgens ‘vakgroepen). Ook als je al wel in een vroeg stadium weet bij welke werkeenheid je wilt afstuderen, kan het zinvol zijn om oriënterende gesprekken met docenten te voeren.


Minimaal drie maanden voordat je wilt beginnen met een afstudeeropdracht, zul je echt op zoek moeten naar een docent met wie je samen de opdracht formuleert.

Zie de vakgroepvoorlichtingsgids voor de namen van degenen - per werkeenheid of leerstoel - bij wie je terecht kunt voor inlichtingen. Deze contactpersonen kunnen je verwijzen naar docenten die als afstudeermentor kunnen fungeren. Uiteraard kun je ook zelf een docent benaderen.

Zodra vaststaat dat je een bepaalde opdracht gaat uitvoeren stelt de afstudeermentor samen met zijn/haar hoogleraar een afstudeercommissie samen. De definitieve opdrachtformulering gebeurt in overleg met de afstudeercommissie. Ook moet je vakkenpakket vastgesteld en goedgekeurd worden voordat je mag beginnen. Zie voor de formele procedure en verdere afhandeling van zaken in deze fase hoofdstuk 2. Als je aan de formele eisen voldoet om te mogen beginnen met de afstudeeropdracht, gaat de oriëntatiefase in.



Tips voor het verwerven van een opdracht

1. Wacht niet te lang met het kiezen van een afstudeergroep en controleer tijdig of je vakkenpakket voldoet aan de eisen. Zo niet, dan is er misschien nog tijd om de ontbrekende vakken te doen.

Als je halverwege het derde jaar nog niet weet bij welke werkeenheid je wilt afstuderen dan is dat nog geen ramp. Als je de keuze bewust wilt uitstellen, zorg er dan wel voor dat je je keuzevakken ook zodanig kiest dat je er nog meerdere kanten mee op kunt. Om de opleiding binnen vijf jaar te kunnen afronden, moet je aan het eind van het vierde jaar toch wel een keuze gemaakt hebben.


2. Houd ook rekening met je toekomst.

Heb je al ideeën over toekomstig werk, wil je AIO worden, wil je een 2e fase opleiding doen e.d.

3. Houd contact met je potentiële afstudeermentor/afstudeergroep

Wanneer je voor een afstudeergroep hebt gekozen, en al eens met (een) docent(en) gepraat hebt over een mogelijke opdracht, zorg er dan voor dat je niet ‘uit het zicht’ verdwijnt. Als je lange tijd niets van je laat horen - bijvoorbeeld omdat je toch iets later begint met afstuderen dan je aanvankelijk gepland had - weet een werkeenheid ook niet meer of je nog steeds van plan bent om bij hen af te studeren of dat je toch maar een andere werkeenheid hebt gekozen. Gevolg kan zijn dat je opdracht aan iemand anders wordt gegeven…


4. Kies een opdracht die je leuk genoeg vindt om er 7-8 maanden (exclusief vakanties) mee bezig te zijn

Het spreekt misschien voor zich dat je een interessante opdracht zoekt. Maar als het niet direct lukt om iets geschikts te vinden, ben je misschien geneigd (de tijd dringt) om dan maar een opdracht te nemen die ‘wel aardig’ is. Echter, als je niet gemotiveerd bent, is de kans dat je opdracht (op niets) uitloopt aanzienlijk.



4.2 Oriëntatie op de opdracht


Je werkt je in de oriëntatiefase zodanig in dat je een werkplan kunt opstellen voor de verdere uitvoering van de opdracht. Daarvoor kan het nodig zijn dat je bepaalde literatuur leest of praat met deskundigen. Het werkplan bestaat in ieder geval uit de volgende onderdelen:


1.Omschrijving van de opdracht.

(in overleg met de afstudeermentor). Hierin geef je ook de achtergrond weer van de opdracht (het onderzoek). Deze omschrijving kun je later weer gebruiken voor je verslag.


2.Probleemstelling en doel van het onderzoek.

Dit zijn twee verschillende dingen! De probleemstelling geeft aan op welke onderzoeksvraag een antwoord gegeven moet worden. Een omschrijving van het doel van het onderzoek geeft aan wat er met de resultaten gedaan wordt, oftewel waarom het onderzoek uitgevoerd wordt. Het doel kan bijvoorbeeld zijn dat de onderzoeksresultaten bruikbaar zijn voor een ander onderzoek binnen de werkeenheid.


3.Werkwijze.

Hoe ga je het onderzoek uitvoeren? Welke deelactiviteiten onderscheid je?


4.Tijdplan.

Wanneer begin je en wanneer moet de opdracht afgerond zijn? Wanneer voer je de verschillende deelactiviteiten uit? Wanneer worden tussentijdse produkten ingeleverd?


Het werkplan kan in de oriëntatiefase natuurlijk nog niet in detail ingevuld worden. Sommige onderdelen zul je eerst in grote lijnen aangeven en pas in een latere fase nader uitwerken.


Het opstellen van een werkplan is nuttig om een aantal redenen. Ten eerste dwingt het je om al in een vroeg stadium na te denken over de verdere uitvoering, hetgeen verhelderend kan werken. Ten tweede is het werkplan zelf noodzakelijk als leidraad tijdens het verdere verloop van de opdracht. Ten derde is het in verband met de communicatie met je afstudeermentor beter om iets concreets op papier te hebben over je plannen.


Eén van de belangrijkste onderdelen van het werkplan is het tijdplan. Ervan uitgaande dat je fulltime met de opdracht bezig bent, zijn er (netto: exclusief vakanties) zeven maanden nodig voor de voltooiing ervan.

In het tijdplan leg je in ieder geval vast op welke momenten de formele beoordelingen plaatsvinden. Daarna vul je het gedetailleerder in met de verschillende deelactiviteiten.

Na een maand of twee is er meer zicht op een gedetailleerdere invulling van de opdracht en kan de planning bijgesteld worden.

Vergeet niet om tijd in te plannen voor onvoorziene omstandigheden, bv. een week of drie, vier.

Het is belangrijk dat je hierbij reëel plant. Ga voor jezelf na hoeveel uur je per week wilt en kunt besteden. Is 40 uur altijd haalbaar of heb je nog andere werkzaamheden? Denk ook aan eventuele vakanties, niet alleen van jezelf, maar ook die van je afstudeermentor.

Tips voor de oriëntatiefase


1.Schrijf!

In de orientatiefase zul je informatie moeten verzamelen om je in te werken in het onderzoeksgebied. Als je steeds maar meer informatie verzamelt en niet de tijd neemt om eens op te schrijven wat al die informatie nu met het probleem te maken heeft, dan loop je de kans dat je om het probleem blijft heendraaien en niet echt tot de kern ervan doordringt. Vaak kun je je gedachten pas goed ordenen als je kort en bondig opschrijft wat met wat samenhangt. Bovendien kom je al schrijvende op nieuwe vragen, die vaak zijn toegespitst op de acht noodzakelijke informatie.


2.Overleg met anderen

Vooral in deze fase is het belangrijk om met anderen over je opdracht te praten. Hier geldt hetzelfde als bij de vorige tip: al pratende orden je je gedachten, ontdek je verkeerde vooronderstellingen, kom je op nieuwe ideeën enz. Bovendien is overleg met anderen noodzakelijk in verband met eventuele kennis die ze over het onderwerp hebben.


3.Durf keuzes te maken

Bij het doen van onderzoek hoort ook het maken van keuzes. Dit komt vooral aan de orde bij het formuleren van een probleemstelling: in de probleemstelling geef je exact aan wat je gaat onderzoeken, terwijl dat bij een opdrachtomschrijving nog globaler mag zijn. Onderzoek heeft meestal betrekking op een sterk afgebakend onderwerp binnen een onderzoeksgebied. Om te kunnen afbakenen moet je besluiten om bepaalde aspecten niet mee te nemen. Het kan lastig zijn om te bepalen welke aspecten je dan wel meeneemt, maar bedenk dat afbakening geen kwestie is van het enige juiste alternatief kiezen. Er zijn immers vaak meerdere benaderingen van een probleem denkbaar. Het gaat er om dat je de gemaakt keuzes kunt verantwoorden.


4.Maak duidelijke afspraken met je afstudeermentor

Zeer belangrijk is dat je aan het begin van de opdracht een aantal zaken bespreekt met je afstudeermentor, zodat je weet wat je van elkaar verwacht en kunt verwachten. Zie verder hoofdstuk 5.



4.3 Uitvoering van de opdracht


Het werk in de uitvoeringsfase bestaat uit het uitwerken van de probleemstelling en de onderzoeksvragen, het bepalen van de onderzoeksopzet, uitvoeren en rapporteren van een literatuuronderzoek over het onderwerp, het uitvoeren van het onderzoek en bijhouden van een labjournaal, het schriftelijk vastleggen van al je bevindingen en schrijven van het (tussen)verslag. De uitvoeringsfase eindigt met het goedkeuren van het concept-eindverslag door je afstudeermentor en de hoogleraar binnen de afstudeercommissie.


Tips voor de uitvoeringsfase

1. Maak uittreksels van literatuur

Je zult veel artikelen en andere literatuur verzamelen en om daarover overzicht te houden is het handig om uittreksels te maken. Vermeld in dat uittreksel ook waarom je het betreffende artikel nodig denkt te hebben.

Dit is ook erg nuttig voor het maken van een literatuuroverzicht dat dient als inleidend hoofdstuk in het eindverslag.

2. Houd rekening met bestellingen en reserveringen

Houd er in je tijdplanning rekening mee dat materialen, labruimte, pc’s en software beschikbaar moeten zijn. Als er iets aangekocht moet worden (apparatuur, pc, software enz.) zorg dan dat je dat ruim van tevoren regelt. En zorg er bij de planning van experimenten voor dat er labruimte en eventuele begeleiding beschikbaar is om die experimenten uit te voeren.


3.Werk vooral meetwaarden direct uit.


4.Maak voor je daadwerkelijk gaat schrijven al zo gedetailleerd mogelijk een hoofdstuk- en paragraafindeling van het verslag

Het komt je verslag ten goede als je van te voren bepaalt hoe je het gaat opbouwen. Daarmee voorkom je namelijk dat het een rommelig geheel wordt waarin de rode draad ontbreekt. Een huis wordt ook niet gebouwd zonder dat er een tekening van een architect voorhanden is.

Je maakt dus een raamwerk waarin je aangeeft waar je welke informatie gaat behandelen. Ga tijdens het eigenlijke schrijfproces echter wel flexibel om met zo’n raamwerk: het is een hulpmiddel, geen dwangbuis.

4. Blijf schrijven aan het verslag, stel het schrijven niet uit tot het eind

Het is misschien een open deur, maar we willen er hier toch nog op wijzen dat je niet met schrijven moet wachten tot je alle gegevens verzameld hebt. Als je tijdens het uitvoeren van het onderzoek blijft schrijven, dwing je jezelf om na te blijven denken over de rode draad van het onderzoek (=probleemstelling). Bovendien verklein je het risico dat je zaken vergeet.

5. Zet een keer een punt achter het onderzoek

Maak dat ook duidelijk aan je afstudeermentor, die meestal nog wel even verder wil…Het is misschien moeilijk om op een gegeven moment te besluiten dat het onderzoek af is, vooral ook omdat onderzoek (in brede zin) eigenlijk nooit af is. Er is altijd vervolgonderzoek nodig. Jouw onderzoek is echter af als de - binnen de tijdskaders gestelde - probleemstelling afdoende beantwoord is. Het is wèl gewenst dat je zelf aangeeft welk vervolgonderzoek nuttig kan zijn: in het verslag vermeld je dit in een slotparagraaf of –hoofdstuk.


6. Maak een planning van de eindfase

Gezien de procedure voor de totstandkoming en goedkeuring van het afstudeerverslag is het belangrijk dit goed te plannen en rekening te kunnen houden met de afwezigheid van commissieleden. Dit geldt vooral als de eindfase in een vakantieperiode valt en/of je echt voor een bepaalde datum wilt afstuderen.



4.4 Presentatie van de opdracht


Het laatste deel van het afstudeerproces bestaat uit het bijwerken van het goedgekeurde concept-eindverslag en het voorbereiden van het afstudeercolloquium.

Zie hoofdstuk 6 voor de aspecten waarop verslag en colloquium worden beoordeeld.




5. Begeleiding


De begeleidende docenten bij de afstudeeropdracht vormen samen de afstudeercommissie. Dit hoofdstuk concentreert zich op de interactie met de directe begeleider, de afstudeermentor, omdat dit contact het meest bepalend is voor de inhoud en het verloop van de opdracht.

De afstudeermentor is meestal een AIO, iemand die bezig is met een promotie-onderzoek. De afstudeeropdracht is vaak onderdeel van het promotie-onderzoek van de AIO.

Het is goed om je te realiseren dat de belangen van de afstudeermentor en jouw belangen tegengesteld kunnen zijn: jij moet leren van de afstudeeropdracht en wordt tegelijkertijd getoetst of je het vereiste niveau hebt bereikt, de afstudeermentor heeft jouw onderzoek nodig.



5.1 Wederzijdse verplichtingen van afstudeermentor en afstudeerder


Een afstudeermentor heeft bepaalde taken als hij een afstudeerder begeleidt. Daarnaast verwacht een afstudeermentor ook een aantal dingen van een afstudeerder. Hier worden niet de zaken bedoeld die inhoudelijk met het afstuderen te maken hebben (zie de hoofdstukken 1 en 6), maar meer met de eisen die personen aan elkaar stellen als ze samenwerken.

Wat je minimaal van een afstudeermentor kunt verwachten is:

•controleren of de opdracht uitvoerbaar is binnen de tijd die ervoor staat en of de opdracht voldoende niveau heeft

•zorgen voor een werkplek, pc e.d.

•zorgen voor volledige afstemming van de afstudeeropdracht met de afstudeerhoogleraar

•geven van aanwijzingen voor het uitvoeren van de opdracht

•aandragen van literatuur

•geven van feedback op ingeleverd materiaal

•bewaken van de voortgang van de opdracht

•stimuleren en motiveren

•beoordelen van de opdracht


Wat een afstudeermentor van jou tenminste verwacht, is dat je:

•afspraken/beloftes nakomt

•op tijd komt

•inzet en initiatief toont

•de voortgang van de opdracht bewaakt


5.2 Wat kun je het beste in het begin met je afstudeermentor bespreken?


Het is aan te raden om in het begin een aantal zaken te bespreken en om afspraken te maken met je afstudeermentor, dat verkleint voor beiden de kans op onaangename verrassingen en misverstanden op een later tijdstip.

Het gaat om de volgende punten:


Wat verstaat de afstudeermentor onder begeleiding?

Bespreek met welke vragen en problemen je bij hem terecht kunt. En informeer ook wat hij onder zelfstandigheid verstaat. In hoeverre beïnvloedt je gedrag (verzoeken om hulp, vragen, voortgang) je uiteindelijke cijfer? Zijn er bepaalde zaken waar hij als beoordelaar extra waarde aan hecht? In hoofdlijnen zullen de beoordelingscriteria wel hetzelfde zijn voor alle docenten, maar in de praktijk ontkom je er vaak niet aan dat elke afstudeermentor zijn eigen aandachtspunten heeft.


Probeer er achter te komen welke stijl van begeleiden hij hanteert.

Dit is iets anders dan wat hierboven genoemd is; daar ging het om de taken van een afstudeermentor. Hier gaat het meer om de persoonlijke invulling van die taken. Die invulling zal van persoon tot persoon verschillen. Is je afstudeermentor iemand die afwachtend is, of overlaadt hij je met adviezen? Is hij iemand die alle puntjes op de i wil hebben? Beperkt hij de begeleiding tot inhoudelijke aspecten of kun je er ook voor morele steun terecht? Hoewel je in latere fasen vaak pas aan den lijve ervaart hoe iemand werkelijk is, kan het toch geen kwaad om in het begin eens te onderzoeken wat voor vlees je in de kuip hebt.


Geef aan wat de afstudeermentor van jou kan verwachten.
Ben je van plan om extra tijd uit te trekken voor de opdracht omdat je bewust een extra moeilijk probleem wilt aanpakken, of koester je (bijvoorbeeld vanwege je beperkte resterende studieduur) wat minder hoogdravende verwachtingen? Kun je fulltime aan de opdracht werken of heb je nevenactiviteiten? (Voor een goed verloop van de afstudeeropdracht is het erg belangrijk om zo min mogelijk ‘parttime’ te moeten werken)

Heb je zelf behoefte aan regelmatig overleg?


Maak afspraken over de bereikbaarheid van beide partijen.
Is je afstudeermentor gedurende de week op bepaalde dagen afwezig? Zal hij tijdens je afstudeeropdracht een maand naar het buitenland gaan? Wanneer heeft hij vakantie? Wanneer wil jij vakantie houden? Vraag ook aan je afstudeermentor of je hem informeel kunt raadplegen: kun je elk moment binnenvallen of moet je eerst een afspraak maken? Mag je hem thuis bellen?


Bespreek in hoeverre de afstudeermentor de voortgang van het proces zal bewaken.
Natuurlijk is het vooral je eigen verantwoordelijkheid om op de voortgang te letten, maar het kan zijn dat je hierbij wat extra steun kunt gebruiken. Je kunt bijvoorbeeld in overleg met je afstudeermentor deadlines vaststellen.


Bespreek welke werkwijze gevolgd wordt bij geplande bijeenkomsten.
Een geplande bijeenkomst is - in tegenstelling tot het meer informele overleg - van te voren gepland en gaat meestal over een substantieel deel van de opdracht. Je hebt dan iets ingeleverd, bijvoorbeeld het werkplan of een deel van het (eind)verslag en wenst daar commentaar op. In de volgende paragraaf wordt een advies gegeven over de procedure bij dergelijke bijeenkomsten, maar bespreek ook met je afstudeermentor wat hij wenselijk vindt.


Bespreek tijdig wanneer het onderzoek beëindigd wordt

Bij de afstudeeropdracht wordt uitgegaan van 7-8 maanden (31 SP / 44.3 ECTS = 31 weken, resp. 30 SP / 42.9 ECTS = 30 weken, exclusief vakanties). Bij het opstellen van het afstudeercontract worden hierover afspraken gemaakt. Wanneer de opdracht neigt uit te lopen moeten daarover opnieuw duidelijke afspraken worden gemaakt.

5.3 Werkwijze bij geplande bijeenkomsten


Voorafgaand aan een geplande bijeenkomst moet in ieder geval het volgende gedaan zijn:

•Afspreken van het tijdstip en de duur van de bijeenkomst.

•Inleveren van de stukken die besproken moeten worden. Vraag ook aan je afstudeermentor hoeveel dagen van te voren je stukken moet inleveren!

•Opstellen en inleveren van een agenda. Een agenda bestaat idealiter uit een aanduiding van:

§De duur van de bijeenkomst;

§Het doel van de bijeenkomst;
Wat betreft het doel: probeer het doel en de gewenste resultaten van de bijeenkomst zo concreet mogelijk te omschrijven, anders loop je het risico dat je met een ontevreden gevoel weggaat of dat je een dag later beseft dat je niet duidelijk genoeg hebt aangegeven wat je wilde weten en daarom nog niets bent opgeschoten.

§De gesprekspunten.
Wat betreft de gesprekspunten: als je ideeën wilt bespreken, of de resultaten van bepaalde activiteiten, probeer die dan altijd op papier te zetten. Een afstudeermentor kan pas concreet advies geven als er iets duidelijks op tafel ligt.
Het is aan te raden om de volgende zaken als vaste gesprekspunten op te nemen:

-Nagaan welke afspraken vorige keer zijn gemaakt en controleren of deze zijn nagekomen. Zo nee, waarom niet?

-De voortgang. Ga samen na of je nog op schema ligt en zo nee, hoe dat komt en wat voor consequenties dat heeft. Kun je de geplande einddatum nog halen? Moeten er misschien bepaalde activiteiten geschrapt worden, de omvang van het onderzoek beperkt worden?


Houd tijdens de bijeenkomst in de gaten of het gesprek nog over de juiste onderwerpen gaat. Lukt het om alles binnen de gestelde tijd te bespreken? Zo nee, ga het gesprek dan niet afraffelen maar vraag of je op korte termijn een vervolgafspraak kunt maken of dat de bijeenkomst verlengd kan worden.


Het is te overwegen om van de bijeenkomst een kort verslag te maken waarin de acties staan die voortkomen uit het gesprek (bijvoorbeeld: afstudeermentor belooft een bepaald artikel op te zoeken; student stelt tijdplan bij, wijzigt bepaalde onderdelen in het verslag).



5.4 Problemen met de afstudeermentor


Het kan natuurlijk voorkomen dat je niet de begeleiding krijgt die je verwacht of dat het anders loopt dan was afgesproken. Het is verstandig om dat in zo’n geval met je afstudeermentor te bespreken.

Als het probleem op die manier niet is op te lossen, kun je het beste contact opnemen met de voorzitter van de afstudeercommissie.

Mocht dit alles niet helpen neem dan contact op met de studie-adviseur of de opleidingsdirecteur.


6. Beoordeling van de opdracht


De opdracht wordt beoordeeld op de volgende punten:

•Wetenschappelijke kwaliteit van het werk (de uitvoering van het onderzoek);

•Creativiteit, de mate van eigen inbreng en zelfstandigheid, snelheid van werken;

•Schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid (het verslag);

•Mondelinge uitdrukkingsvaardigheid (het colloquium).


In de praktijk geeft de afstudeercommissie vaak één cijfer voor de eerste beide aspecten en één cijfer voor de laatste twee. De bespreking is er dan verder op gericht om te komen tot één eindcijfer. De voorzitter van de afstudeercommissie gaat bij de mondelinge toelichting op de beoordeling – ná het colloquium - in op de verschillende aspecten van het eindcijfer.


De wetenschappelijke kwaliteit

Is het onderzoek deugdelijk uitgevoerd? Niét: is de uitkomst van het onderzoek opzienbarend? Er wordt gelet op onderdelen als:

-de formulering van de probleemstelling

-de verzameling en verwerking van literatuur

-keuze van de onderzoeksopzet

-uitvoering van de experimenten

-analyse van de gegevens

-beantwoording van de probleemstelling


De mate van eigen inbreng en zelfstandigheid

Het wordt gewaardeerd als je:

-met eigen ideeën komt over de aanpak en voortzetting

-eigen sterke punten en zwakke punten kunt inschatten

-kritische vragen stelt

-niet wacht tot de afstudeermentor met literatuur komt, maar ook zelf op zoek gaat

-kritiek kunt verwerken

-tijdig hulp vraagt

-regelmatig iets van je laat horen en de voortgang bewaakt


Het verslag

Het verslag is bij de afstudeeropdracht het belangrijkste middel waarmee je duidelijk kunt maken hoe je het onderzoek hebt uitgevoerd. Bij de beoordeling zal o.a. gelet worden op:

-opbouw (indeling in hoofdstukken, paragrafen, bijlagen, voetnoten, is opbouw tekst logisch?)

-leesbaarheid en toegankelijkheid:

. inhoudsopgave

. inleiding(en), leeswijzer, samenvatting

. duidelijkheid formuleringen

. functionaliteit vormgeving, illustraties

-afstemming stijl op doel / doelgroep (moeilijkheid, exactheid, volledigheid, informatiedichtheid)

-discussie van resultaten; conclusies en suggesties voor verder onderzoek

-literatuurverwijzingen


Het colloquium

Belangrijke aspecten bij het colloquium:

-opbouw van de presentatie en duidelijkheid van de structuur tijdens de gehele presentatie

-gebruik van media

. functionaliteit

. verzorging (bijv. leesbaarheid sheets)

-begrijpelijkheid van de informatie

-presentatievaardigheid:

. interactie met het publiek

. spreekgedrag (verstaanbaarheid, tempo, geen monotone stem)

. vasthouden van de aandacht, enthousiasme

-beantwoorden van vragen

7. Wat te doen na het afstuderen?


Opruimen

•Geef een losbladig, enkelzijdig bedrukt exemplaar van je complete verslag aan de secretaresse van de werkeenheid. Als later iemand een exemplaar van je verslag zou willen hebben, kan er makkelijk een kopie worden gemaakt.

•Geef boeken, verslagen, apparatuur, diskettes CD-Rom’s enz. die je hebt geleend, terug aan de bibliotheek, aan de eigenaar enz.

•Ruim je computer van de werkeenheid op (opruimen bestanden, archiveren van bestanden / verslag op server e.d.).


Uitschrijven en restitutie collegegeld na afstuderen

Voltijdstudenten die meerdere jaren het wettelijk tarief hebben betaald, kunnen zich tijdens een studiejaar uitschrijven in geval van afstuderen.

De restitutie is in tienden: de maanden juli en augustus tellen niet meer mee; dwz. dat je bij afstuderen in juni niets meer terugkrijgt).


Beëindiging kan op schriftelijk verzoek plaatsvinden m.i.v. de maand volgend op die waarin het doctoraalexamen is behaald (= de maand waarin je het laatste examenonderdeel hebt afgerond). Hiervoor kun je bij CSA een standaard-formulier krijgen. Deze aanvraag dient uiterlijk binnen een maand na het afstuderen te worden ingediend.

Restitutie van collegegeld vindt plaats nadat CSA een officiële slaagdatum van de faculteit heeft doorgekregen.


Vraag bij twijfels altijd tijdig (voordat je afstudeert) informatie bij CSA (Bastille 213, tel. 2123 / 2121)


Werk zoeken

Zie de informatie onder ‘Service’ op de site van de Dienst Studentenzaken en Cultuur, DiSC: http://www.utwente.nl/disc/organisatie/infotheek/index.html


Begin tijdig met solliciteren!



Bijlage 1 Literatuurscriptie en stage


Literatuurscriptie


Scriptiecoördinator dr.ir.J.E.ten Elshof, Langezijds 1743, tst.2695


De opzet is dat je de literatuurscriptie direct voorafgaand aan de afstudeeropdracht doet. Omdat gestreefd wordt naar voldoende breedte in de opleiding, doe je de literatuurscriptie niet bij de werkeenheid waar je de afstudeeropdracht uitvoert maar bij een werkeenheid van (een van) de bijvakrichting(en) die je hebt gekozen. Het is dus uitdrukkelijk niet bedoeld als het begin van de afstudeeropdracht. Het doel van de literatuurscriptie is om te leren in een beperkte tijd een kritische, evaluererende verhandeling te schrijven over een onderwerp uit de recente onderzoeksliteratuur. De begeleiding en beoordeling is in handen van de CT-docent van wie je het scriptie-onderwerp hebt gekregen. Om aan dit studie-onderdeel te kunnen beginnen, moet je het grootste gedeelte van het (keuze)vakkenpakket (incl. stage) en de minor hebben afgerond. Een andere voorwaarde is dat je een cursus Wetenschappelijk Informatieverwerving door de informatiespecialist hebt gevolgd. Deze wordt vier keer per jaar gegeven (zie B3- en master-roosters).

Na verkregen toestemming van de scriptiecoördinator brengt deze je in contact met de scriptieverantwoordelijke van de betreffende werkeenheid/leerstoel.



Stage


Op het web (http://www.stage.utwente.nl ) is beschikbaar de “Handleiding voor de Doctoraalstage”.


Voor die studenten die in het kalenderjaar 2005 op stage denken te gaan, d.w.z. voor studenten van de generaties 2000 of eerder, wordt op donderdag 30 september 2004 van 16.00 tot ca. 17.30 in CT 1812 een voorlichtingsbijeenkomst gehouden. Tijdens deze bijeenkomst zal o.a. worden ingegaan op het doel en de organisatie van de stage alsmede op de (on)mogelijkheden van stage in binnen- en buitenland. Omdat daar informatie wordt verstrekt die nergens anders te vinden is, is aanwezigheid een must. Niemand kan zich op een later tijdstip op onwetendheid beroepen.

Studenten die in 2005 op stage willen, dienen bijlage 1 uit bovengenoemde handleiding persoonlijk ’s ochtends bij de stagecoördinator CT, ing. H.A.Akse, LA 3506, ingevuld in te leveren tijdens het intakegesprek. Gelijktijdig moet een volledig overzicht van de reeds afgeronde keuzevakken en de nog te volgen verplichte en keuzevakken (ingedeeld per kwartiel) overhandigd worden. De intakegesprekken vinden plaats in de oktober 2004.




Bijlage 2 Goedkeuring afstudeercommissie,

D-opdracht en vakkenpakket; Afstudeercontract

Aan: D-examencommissie CT p/a Bureau Onderwijszaken CT


Van: ……………. Werkeenheid/leerstoel: …………….

(naam student)

Studentnr.: …………….


Betreft: Goedkeuring afstudeercommissie, D-opdracht en vakkenpakket; Afstudeercontract

Hierbij verzoek ik u, conform artikel 4.10 van de Onderwijs- en Examenregeling CT (OER-CT), uw goedkeuring te hechten aan de hierna vermelde samenstelling van de afstudeercommissie, omschrijving van de D-opdracht, samenstelling van het vakkenpakket en het afstudeercontract.


Planning

•Startdatum opdracht: ……….

•Bij de start van de D-opdracht voldoe ik wel/niet aan de voorwaarden daarvoor.

•Mede in aanmerking genomen de nog af te leggen vakken streef ik naar het behalen van mijn doctoraal diploma in (maand, jaar) ……


Afstudeercommissie conform artikel 4.10 lid 1 en bijlage 5 van de OER-CT

Voorzitter: ……………………

Lid andere werkeenheid: ……………………

Mentor: ……………………

Lid: ……………………

Lid: ……………………

CT-i-mentor: ……………………

CT-Milieu-mentor: ……………………


________________________________ _____________________________

(handtekening student) (handtekening voorzitter afstudeercommissie voor akkoord )

N.B. Om op de geplande datum te kunnen beginnen met de D-opdracht moet dit verzoek inclusief alle bijlagen uiterlijk 1 maand voor de geplande begindatum van de D-opdracht worden ingediend bij Bureau Onderwijszaken CT. Die maand is nodig voor de administratieve afhandeling. Het is echter beter om dit verzoek langer dan 1 maand van tevoren in te dienen!


Bijlagen:

1.Omschrijving van de D-opdracht.

2.Samenstelling van het vakkenpakket .

3.Overzicht behaalde vakken (S506). Verkrijgbaar bij Bureau Onderwijszaken CT.

4.Afstudeercontract.

5.Kopie van bewijs van deelname aan de cursus Wetenschappelijke Informatieverwerving.

Afstudeercontract D-opdracht


Student: ……………………….…. Voorzitter D-commissie: …………………..

studentnummer: …………………………. Mentor: ………………………………………


Werkeenheid: …………………………..



1. Nog af te leggen tentamens en andere studieverplichtingen Totaal: ……..….SP/……..….EC

(vermelden van vakken met vakcode en aantal SP/EC en geplande tentamendatum of datum van afronding van een vak)








2. Nevenactiviteiten leidend tot afwijkingen van voltijdse besteding

(als iemand minder dan 40 uur per week kan werken aan de D-opdracht door bijbaantjes, nevenactiviteiten buiten de studie e.d.)







3. Geplande onderbrekingen Totaal: ………weken

(kortere of langere vakanties, operaties, e.d., perioden vermelden)







4. Planning D-opdracht (rekening houdend met de punten 1. t/m 3.) Realisatie

Aantal SP/EC (1 SP = 1 week van 40 uur, 1 EC = 28 uur): ….

Startdatum D-opdracht: ………… …………..

Data verplichte tussentijdse bespreking ………… …………..

+ inleveren van tussenverslag : ………… …………..

evt. data geplande extra voortgangsbesprekingen: ………… …………..

zijn er extra tussenverslagen gepland ja / nee

zo ja, wanneer moeten die klaar zijn: ………… …………..

Week waarin gepland is om met eindverslag te beginnen: ………… …………..

Week waarin colloquium is gepland: ………… …………..

Geplande afstudeerdatum: ………… …………..





Vervolg volgende bladzijde

•De werkeenheid/leerstoel garandeert een adequate begeleiding. Bij de start van de D-opdracht zal nog een plaatsvervangend mentor worden aangewezen.


•De mentor zal er op toezien dat voor vakken genoemd onder 1. voldoende tijd wordt ingeruimd om deze vakken succesvol af te ronden.


•De student zal wijzigingen in bovenstaande punten 2. en 3. z.s.m. melden aan de mentor. De student zal andere omstandigheden die leiden tot vertraging van de D-opdracht (bv. ziekte, vastlopen van de opdracht) z.s.m. melden aan de mentor 5


•De mentor (of bij diens afwezigheid de plaatsvervangend mentor of de voorzitter van de afstudeercommissie) zal afwijkingen groter dan 2 weken van de bij 1. vermelde planning melden aan Bureau Onderwijszaken CT, onder opgaaf van redenen.


•De student heeft recht op minimaal een tweewekelijkse bespreking van de voortgang met de mentor.




Voor akkoord getekend,



Enschede, …- ………… …20…



______________________ ___________________ __________________________

(student) (mentor) (voorzitter afstudeercommissie)



Eén exemplaar van dit contract wordt uiterlijk 1 maand voor de geplande begindatum van de D-opdracht ingeleverd bij BOZ. Eén exemplaar wordt de student behouden en één exemplaar wordt behouden door de werkeenheid waarbij de student de D-opdracht uitvoert.

Op het exemplaar dat door de student wordt behouden, noteert de student de realisatie van de planning.

Dit exemplaar wordt bij de aanvraag van de colloquiumverklaring (Onderwijs- en examenregeling bijlage 6, punt 4b), eventueel voorzien van een toelichting, ingeleverd bij BOZ.



(Indien nodig, in te vullen door de student) Toelichting op gerealiseerde planning: