(Klinische) stage master - specialisatie PPT (in Dutch)

Drie casusverslagen

NB: Studenten die zijn begonnen met het behalen van de BAPD voor 01-11-2009 mogen de casussen schrijven volgens de oude richtlijnen. Deze zijn hier te vinden.

De drie casusverslagen moeten een zo breed mogelijk terrein naar vraagstelling, instrumenten en onderzoeksprocedure bestrijken.

Een casusverslag bevat de overwegingen, keuzes en beslissingen voor elke stap die in het diagnostisch proces worden gezet. De keuzes zijn geëxpliciteerd, met verwijzing naar de gebruikte wetenschappelijke literatuur, en ze zijn toegankelijk voor beoordeling door derden (transparantie). Dit betekent dat het verslag dat bij de commissie wordt ingediend, doorgaans op enkele punten duidelijk verschilt van een verslag zoals dit in de praktijk zou worden afgeleverd.

Voorts wordt aandacht besteed aan de mondelinge en schriftelijke rapportages aan de cliënten en/of de opdrachtgevers en hoe dit is verlopen.

Het casusverslag beslaat maximaal tien pagina’s. Dit is inclusief de ruwe scores en de literatuurlijst. Ieder casusverslag is mede-ondertekend door de supervisor.

Instrumenten

Voor ieder casusverslag geldt dat er instrumenten gebruikt moeten zijn uit ten minste 3 van de hierna beschreven 7 domeinen. Daarnaast dient de selectie van instrumenten voor de drie casusverslagen zodanig te zijn dat in totaal ten minste 5 verschillende domeinen zijn toegepast.

Daarbij gelden de domeinen 1 t/m 4 als verplicht om minimaal in één casus aan bod te komen. Uit de domeinen 5 t/m 7 moet minimaal één domein gekozen worden die in een casus aan bod komt.

De instrumenten moeten afkomstig zijn uit één van de volgende domeinen:

1. intelligentietests: dit is onderzoek ten aanzien van de cognitieve capaciteiten van een cliënt, bijvoorbeeld te meten met een WISC of WAIS, een GIT of een Raven;

2. neuropsychologische tests en functietests: dit is onderzoek naar bepaalde cognitieve functies zoals aandacht (inhibitie/impulsiviteit, interferentiegevoeligheid, gerichte/verdeelde/volgehouden aandacht), geheugen, planning, cognitieve flexibiliteit. Er kan gebruik worden gemaakt van diagnostische richtlijnen zoals uitgegeven door de Nederlandse Vereniging voor Neuropsychologie en andere mono- of multidisciplinaire richtlijnen;

3. persoonlijkheidsvragenlijsten: hierbij wordt meestal aan de hand van verschillende schalen vastgesteld in welke mate bepaalde kenmerken/eigenschappen op de cliënt van toepassing zijn en hoe zijn score zich verhoudt tot een relevante normeringgroep en/of zijn eigen profiel. Tot dit gebied behoren ook de screeningslijsten en (semi-) gestructureerde interviews met betrekking tot DSM-IV-TR persoonlijkheidspathologie (as II);

4. probleemgerichte vragenlijsten: hierbij worden mogelijke klachten op een aantal terreinen geïnventariseerd. Hieronder vallen ook de screeningslijsten en (semi-)gestructureerde interviews voor het classificeren van DSM-IV-TR stoornissen op as I;

5. projectieve technieken: dit is een meer indirecte methode waarbij de cliënt niet direct invloed kan uitoefenen op de uitkomst. Bekende projectieve technieken bestaan uit het laten vertellen van verhalen bij getoonde afbeeldingen (bijvoorbeeld TAT, CAT, Columbus en Rorschach) en zinnenaanvultest (bijvoorbeeld ZAT en ZALC);

6. simulaties: alle opdrachten waarbij de cliënt in het kader van het onderzoek een rol op zich moet nemen waarbij zijn direct waarneembare en/of (digitaal) vastgelegde gedragingen worden beoordeeld conform een vooraf vastgestelde beoordelingsmethode. Per simulatie moeten tenminste twee van de volgende simulaties worden gebruikt:

a. rollenspelen: proces waarin met een acteur of met gestandaardiseerde filmpjes het gedrag van de cliënt digitaal wordt vastgelegd en gescoord. Rollenspelen kunnen bestaan uit onderhandelingsgesprekken, beoordelingsgesprekken, adviesgesprekken,

coachingsgesprekken;

b. postbakoefeningen: managementsimulaties (digitaal of niet) waarin het plannen en organiseren van het eigen werk centraal staat;

c. presentatieopdrachten: cliënt moet een presentatie geven aan een geselecteerd publiek;

d. trainingsopdrachten: cliënt moet een training(onderdeel) geven aan een geselecteerd publiek.

7. organisatiediagnose-instrumenten: instrumenten die bij leden van een (afgebakend geheel van een) arbeidsorganisatie worden afgenomen om hiermee een beeld te krijgen van een deel (bijvoorbeeld een afdeling) en/of van een organisatie als geheel. Niet het individu staat hierin centraal, maar in het bijzonder hoe de gedefinieerde groep organisatiepsychologische onderwerpen als organisatiecultuur, werkbeleving, taakkenmerken, werkdruk, regelruimte, etc. beoordeelt. Het instrumentarium kan persoonsgebonden en/of context- cq. organisatiegebonden elementen bevatten. NB. Zie artikel 3b (instrumenten) voor speciale regels met betrekking tot de toepassing van dit domein.

Uitzondering op het hierboven genoemde geldt voor een casusverslag uit domein 7. Het is de psychodiagnost toegestaan maximaal één casus in te dienen die niet voldoet aan de eis van minimaal 3 domeinen per casus. Dit omdat domein 7 zich soms moeilijk laat verenigen met onderzoek naar de andere domeinen (het behoort niet tot de algemene individuele psychodiagnostiek in engere zin). De eisen aan de inhoud van de drie casusverslagen bij elkaar m.b.t. het aantal en verplichte karakter van sommige domeinen blijft onveranderd.

Het zevende domein behoort niet tot de ‘psychodiagnostiek’ in engere zin, omdat hier groepen het onderwerp zijn van de test en niet het individu.

Indien ervoor wordt gekozen dit domein toe te passen, gelden enkele afwijkende regels:

1. In een casus waarin domein 7 wordt toegepast, hoeven geen instrumenten uit de zes andere domeinen gebruikt te worden.

2. Domein 7 mag slechts in één van de drie casus worden toegepast. Deze casus heeft betrekking op minimaal één afdeling of één organisatieonderdeel. Zowel persoonsgebonden als contextgebonden elementen dienen in het instrument(arium) vertegenwoordigd te zijn.

3. De andere twee in te leveren casusverslagen dienen samen de verplichte domeinen 1 t/m 4 te bevatten (meer domeinen mag) en per casus minimaal drie domeinen te bevatten.

4. De richtlijnen voor het schrijven van de casus (zie paragraaf 3d) dienen zo veel mogelijk parallel te worden toegepast op de opbouw van een casus met instrumenten uit domein 7.

Verslaglegging

De volgende onderwerpen dienen aan bod te komen in het verslag:

1.

Cliëntgegevens

2.

Reden van aanmelding

3.

Klachten, anamnesische gegevens en hulpvraag

4.

Hypotheses en onderzoeksvragen

5.

Gekozen instrumenten

6.

Observaties en indrukken

7.

Onderzoeksresultaten en toetsing van de hypotheses

8.

Conclusies en aanbevelingen

9.

Evaluatie

10.

Ethiek

Bijlagen

1. Cliëntgegevens

Alle persoonlijke gegevens (NB voor een casus uit het 7e domein is de cliënt een vertegenwoordiger van een organisatie c.q. opdrachtgever met een managementvraagstuk) die voor een casus van belang zijn, zoals leeftijd, sekse, gezinssamenstelling, werk-/schooltype, onderzoekssetting en aanmelder moeten worden vermeld. Houd rekening met de privacygevoeligheid van de informatie. Geef expliciet aan dat de gegevens zijn geanonimiseerd. Gebruik geen namen van instellingen. Verwijder namen van familieleden, onderzoeksdata, geboortedata, beroep, plaatsnamen en dergelijke of pas deze aan.

2. Reden van aanmelding

De reden van aanmelding wordt in enkele zinnen aangegeven.

3. Klachten, anamnestische gegevens en hulpvraag

Beschrijf de klachtbeleving (subjectieve kijk op de huidige klachten) van de cliënt, de anamnestische gegevens en de hulpvraag van de cliënt. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van een samenvatting van het intakegesprek en/of een dossieranalyse.

4. Hypotheses en onderzoeksvragen

Formuleer op basis van de klachten en de hulpvraag een aantal hypotheses: onderkennende hypotheses over mogelijk aanwezige stoornissen en/of verklarende hypotheses over mogelijke verklaringen voor de klachten. Hierbij moet worden gerefereerd aan wetenschappelijke literatuur, systematische casuïstiek of gedocumenteerde klinische ervaringskennis. De hypotheses moeten worden omgezet in onderzoeksvragen.

5. Gekozen instrumenten

Vermeld hoe de hypotheses (onderzoeksvragen) worden onderzocht. Gebruik hierbij instrumenten zoals vragenlijsten, tests, projectieve technieken, observaties, interviews en dossieranalyse. De instrumenten kunnen variëren in psychometrische kwaliteit. Per instrument (indien aan de orde) aangeven of en hoe er bij de toepassing aandacht aan bijzondere bevolkingsgroepen is gegeven (bijv. in het kader van culturele minderheden). In de rapportage wordt inzicht geboden in de gevolgen daarvan voor de toetsing en interpretatie van de verkregen informatie.

6. Observaties en indrukken

Beschrijf hier relevante observaties zoals contact en motivatie, die zijn opgedaan tijdens het onderzoek. Deze beschrijven de context van de totstandkoming van de meting en op welke wijze deze meewegen in de interpretaties en conclusies.

7. Onderzoeksresultaten en toetsing van de hypotheses

Op grond van de resultaten per onderzoeksinstrument wordt vermeld welke hypotheses aanvaard, verworpen of aangehouden worden en hoe de vraagstelling wordt beantwoord.

8. Conclusies en aanbevelingen

De onderzoeksuitkomsten worden samengevat en geïntegreerd in het kader van de oorspronkelijke hulpvraag en de geïnventariseerde klachten. Op grond van de aangenomen hypotheses worden aanbevelingen gedaan voor interventies of mogelijk nader onderzoek.

9. Evaluatie

Er wordt gereflecteerd op de casus. Er kan bijvoorbeeld iets worden opgemerkt over het verloop van het diagnostische proces of er kunnen persoonlijke opmerkingen worden geplaatst.

10. Ethiek

Er wordt gerelateerd aan de beroepsethische aspecten in de casus.

Bijlagen

Vermeld indien gewenst in een bijlage de ruwe onderzoeksresultaten. Deze mogen ook in de rapportage zelf worden verwerkt zolang de interpretaties en conclusies maar transparant en toetsbaar zijn voor de lezer. In het rapport wordt aangegeven van welke literatuur gebruik is gemaakt (gerefereerd volgens de APA-normen). De literatuurlijst staat in een bijlage bij de rapportage. De casus dient zo geschreven te zijn, dat conclusies en aanbevelingen duidelijk aansluiten op de beantwoording van de vraagstelling en de diagnostische hypothesen en op basis van de onderzoeksresultaten.

Reglement BAPD, 2009