Reactie van/aan de raad

UR 11-285 UR opmerkingen op Format Reorganisatieplan 12 okt. 2011



Aan het College van Bestuur




uw kenmerk


telefoon

053 - 489 2027

ons kenmerk

UR 11-285

fax


datum

12 oktober 2011

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

bijlage(n)

Opmerkingen UR format Reorganisatieplan

cc.


Onderwerp

Format Reorganisatieplan RoUTe 14 +




Geacht college,



In de overlegvergadering van 5 oktober heeft een eerste bespreking plaatsgevonden van het Reorganisatieplan RoUTe 14+. Daarbij zijn onder meer de vereisten voor een goed reorganisatieplan aan de orde gekomen. Het CvB heeft de URaad uitgenodigd om aan te geven wat daar in de huidige versie aan ontbreekt. Bijgaand treft u onze opmerkingen aan.


De raad heeft daarbij uiteraard gebruik gemaakt van de reorganisatiecode en de daarin opgenomen afspraken over het reorganisatieproces en wettelijke dan wel CAO-vereisten. De reorganisatiecode beschrijft, naast de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de actoren, dat het plan gebaseerd moet zijn op duidelijke doelstellingen (financieel en/of beleidsinhoudelijk), de organisatie voor en na de reorganisatie, de kwalitatieve en kwantitatieve bezetting in termen van (aantallen) functies en de verwachte rechtspositionele gevolgen van het plan. Daarnaast is het mogelijk het personeelsplan toe te voegen. Blijkbaar maakt het college geen gebruik van deze mogelijkheid, hoewel dat voor een deel het gebrek aan informatie zou kunnen oplossen, bijvoorbeeld door de raden het personeelsplan op vertrouwelijke basis beschikbaar te stellen.


Vanzelfsprekend is de vertaling van bovenstaande generieke vereisten aan interpretatie onderhevig en dient deze bovendien naar een concrete casus vertaald te worden. Het zou denkbaar zijn om in het geval van deze casus meer te differentiëren per faculteit.


De reacties van de faculteitsraden, van betrokken leerstoelen en van (individuele en groepen van) personeelsleden bevestigen het beeld van een gebrek aan draagvlak. Onze voorlopige conclusie op grond van bijgaande analyse is dan ook dat het reorganisatieplan bijgesteld dient te worden zodat het beter beoordeeld kan worden op basis van begrip voor en inhoud van de voorgenomen maatregelen. Het verschaffen van de noodzakelijk informatie (zoals de motivering van de keuzes bij de toepassing van de criteria) is daarbij een voorwaarde om de inhoudelijke discussie over de reorganisatieplannen zowel decentraal als centraal goed te kunnen voeren.


Ons pré-advies, waarbij dankbaar gebruik gemaakt is van de literatuur over de inrichting van een reorganisatieplan en van de beschikbare adviezen van de FR-en,

geeft aan hoe wij de nu voorliggende tekst bezien en wij kunnen ons voorstellen dat het CvB het voorstel op basis hiervan bijstelt om draagvlak voor het plan te creëren bij de komende formele advisering.




Met vriendelijke groet,

namens de Universiteitsraad,




drs. F.L. Lagendijk

voorzitter




Opmerkingen URaad t.a.v. het Format reorganisatieplan Route 14+


A.Helder en transparant in:

1.Consistentie. Daar de reorganisatie grote gevolgen heeft voor het betrokken personeel dient het plan voor alles helder te zijn: helder in de financiële en beleidsmatige noodzaak maar ook helder in de doelen die bereikt moeten worden. In het huidige plan ontbreekt (los van het inhoudelijk debat over noodzaak en doelen) de terugkoppeling van de uitkomsten op de geformuleerde noodzaak en doelen: op welke wijze draagt de uitkomst bij aan het vooraf gestelde doel. Een algemene referentie aan het R14+ document of financiële documenten is daarbij onvoldoende en te weinig specifiek.

2.Onderbouwing. Om op zijn minst begrip te kweken voor de reorganisatieplannen - maar ook voor de inhoud van het debat - moet de onderbouwing uiterst zorgvuldig zijn. Deze onderbouwing is essentieel daar het college ervoor gekozen heeft het opheffen van leerstoelen en functies te baseren op een kwalitatieve beoordeling. Betrokkenen hebben dan (ook in juridische zin) recht op de weging van de vastgestelde criteria en bijkomende strategische overwegingen die tot de voorgenomen maatregelen hebben geleid. De afwegingen dienen helder en houdbaar te zijn, ook voor de rechter bij mogelijke juridische procedures.
In het plan ontbreekt volledig bij de kwaliteitsbeoordeling van de leerstoelen de onderbouwing van de eerder vastgestelde criteria. Inclusief de overige strategische afwegingen die daarbij mogelijk gemaakt zijn.


B.Logische en volledige opbouw:

1.Omdat de reorganisatie per faculteit is ingevuld, van advies wordt voorzien door de faculteitsraden en uitgevoerd wordt door de decanen, geldt de gewenste duidelijkheid ook voor de beargumenteerde (hoogte van de) bezuinigingstaakstelling per faculteit en het deelplan van de faculteit. Eerder is in dit verband met de URaad overeengekomen dat de decanen hun plan zullen voorzien van een opgave op welke wijze dit plan zich verhoudt tot het vigerend facultair beleidsplan.
Deze opgave ontbreekt vrijwel geheel. De informatieverschaffing aan de faculteitsraden varieert van al dan niet presentatie van de kleuring van leerstoelen tot samenvattende oordelen over negatief beoordeelde leerstoelen.

2.Om een goed beeld te krijgen van de inhoud van de reorganisatie moet de oude en nieuwe situatie tegen elkaar worden afgezet. In het plan ontbreekt een adequate beschrijving van de oude en nieuw te vormen organisatie. Bovendien ontbreekt een migratie pad met tijdsplanning en hoe continuïteit van taken wordt gewaarborgd. De verhoudingen tussen aantallen dienstverleners en medewerkers-primair-proces voor en na de reorganisatie worden niet gegeven, hoewel die verhouding een van de uitgangspunten in Route 14+ is.

3.Om een goed inzicht te krijgen in de oude en nieuw te vormen organisatie is de wijziging in functies van belang. In het plan ontbreekt een opgave van de verschillen in aantallen en typen functies per organisatieonderdeel. Tevens wordt niet aangegeven wat er met medewerkers in tijdelijke dienst dan wel in tijdelijke dienst met uitzicht op een vast dienstverband gebeurt, mede in relatie tot de deels weer opgeheven vacaturestop, noch wat daarvan financieel en personeel de gevolgen en effecten zullen zijn.


C.Rechtspositionele gevolgen:

Op grond van de (mogelijke) rechtspositionele gevolgen - variërend van wijziging van functie(inhoud) en leidinggevende tot ontslag voor de verschillende groepen van functies - kan met de vakbonden overleg gevoerd worden over een sociaal plan. Het plan bevat hiervoor te weinig gedetailleerde informatie over de verschillende typen van maatregelen en de betrokken aantallen personeelsleden (zie ook B3).


D.Overige punten:

1.Op veel plaatsen in het document staat dat er nog “gesproken wordt” over plaatsing van personen (in andere (sub)eenheden of onderbrengen van groepen in organisatorische eenheden als instituten, faculteiten en diensten (eenheid campus). In een dynamisch veranderde organisatie kan dat het geval zijn maar niet als de organisatie via een reorganisatieplan wordt veranderd.

2.Op geen enkele wijze wordt aangegeven hoe het mogelijk is om met substantieel minder mensen dezelfde of zelfs meer taken uit te voeren. Dat geldt voor de wetenschappelijks staf maar ook voor de dienstverlening.

3.Op geen enkele wijze wordt aannemelijk gemaakt dat de nieuw te vormen groepen en eenheden een adequate bekostiging op basis van een helder nieuw takenpakket krijgen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het opheffen van opleidingen en opleidingsvarianten als vervolg op (of gevolg van) de reorganisatie moet worden gezien in plaats van een onderdeel hiervan.

4.De overzichten van de kwantitatieve bezetting zijn onvolledig omdat alleen de “uit te faseren” functies (in 7 jaar tijd) worden gepresenteerd en niet alle aangekondigde nieuwe medewerkers, tenure trackers, postdocs of medewerkers die thans in tijdelijke dienst zijn.

5.Op geen enkele wijze wordt aannemelijk gemaakt dat het redelijk is dat juist de 58-plussers zwaar oververtegenwoordigd zijn bij het opheffen van functies en daarmee riskeert de UT verdacht te worden van leeftijdsdiscriminatie.

6.Het beleid ten aanzien van de uitstroom van 58-plussers is inconsistent: enerzijds wordt vervroegd vertrek gestimuleerd (via “recht op vertrekpremies” voor betrokkenen en incentives voor vervroegd vertrek via het reorganisatiefonds) en anderzijds mogelijk overleg van decaan met betrokkenen over andere taken zonder dat de decaan de keuzes van betrokkenen echt kan beïnvloeden.

7.De functie van decaan wordt bij MB als bezuiniging gepresenteerd, terwijl over het samengaan van MB en GW geen besluit is genomen – en dan nog zou dit een bezuiniging voor deze nieuw te vormen faculteit zijn.

8.Een analyse van de financiële tekorten bij de faculteiten die meer dan de opgelegde bezuinigingstaakstellingen i.h.k.v. R14+ moeten realiseren ontbreekt.

9.Doelen en uitgangspunten voor de bezuinigingen op de centrale dienstverlening en budgetten ontbreken.

10.Er wordt in het plan niet aangegeven hoe over uitvoering en voortgang van de reorganisatie wordt gecommuniceerd en hoe de taakverdeling en verantwoordelijkheden daarbij zijn bij deze centrale maar tegelijk ook decentrale reorganisatie. Dat geldt ook m.b.t. evaluatie ten aanzien van doelstellingen bij het reorganisatieproces.

11.De kortingen op de centrale budgetten (totaal M€ 1.5) is niet onderbouwd via concrete plannen. Zo is de vraag of een substantiële korting op het afstudeerfonds wenselijk en haalbaar is.