Reactie van/aan de Raad

UR 10-119 CvB brief aan UR Organisatie primaire proces



Aan de Universiteitsraad



uw kenmerk

UR 10-088

telefoon

053 489 3946

ons kenmerk

389.873/PA&O

fax

053 489 3119

datum

22 april 2010

e-mail

a.h.smit@utwente.nl

bijlage(n)

1



onderwerp

Organisatie van het primair proces




Naar aanleiding van uw advies van 25 maart 2010 berichten wij u het volgende.


U adviseert het College de discussie over de organisatie van het primair proces niet uit de weg te gaan en op afzienbare termijn tot een besluit te komen dat leidt tot een transparante en slagvaardige organisatie waarbij de bevoegdheden en de verantwoordelijkheden eenduidig zijn belegd, inclusief een implementatietraject.


Voor de inrichting van de wetenschappelijke organisatie van de UT moet rekening gehouden worden met de drie spanningsvelden, onderzoek, veelal multidisciplinair, opleidingen (idem) en de borging en ontwikkeling van de disciplines. Juist voor de UT, met zijn sterke focus op multidisciplinariteit, is dit een belangrijk organisatievraagstuk, Er is voor gekozen deze drie spanningsvelden te verenigen in het kantelingsmodel. Met uw advies stelt u feitelijk voor af te stappen van dit kantelingsmodel en te kiezen, ook gezien uw advies van 19 februari, voor doorkantelen dan wel terugkantelen van de organisatie. Het College neemt uw advies niet over. Hieronder zullen wij ons standpunt over uw advies nader toelichten.

Op dit moment vinden wij het niet wenselijk grote organisatieveranderingen in gang te zetten. Naar ons oordeel komt de focus dan op de organisatieverandering te liggen, terwijl die volgens ons op de verhoging van de kwaliteit van het primair proces (m.n. onderwijs) moet liggen. De verhoging van de kwaliteit kan plaatsvinden binnen de huidige structuur en is niet afhankelijk van het gekozen organisatiemodel.


Het College kiest op dit moment voor focus op inhoud. Zoals u weet, heeft de kwaliteit van het onderwijs alle aandacht. Wij hebben daarover met u onder meer gesproken in het kader van de nota “vernieuwing van het graduateonderwijs van de Universiteit Twente”. Wij zetten daarbij de schools in als kwaliteitsprogramma’s en niet als separate “virtuele” schools, zoals TGS. Het gaat hierbij om een gedachtegoed om tot kwaliteitsverbetering te komen. Er komen derhalve op dit moment geen nieuwe “virtuele” eenheden bij, in tegenstelling tot wat u in uw brief aangeeft. Op het gebied van onderzoek zijn onze instituten aantoonbaar zeer succesvol. Wij zijn daar trots op en willen de instituten juist ondersteunen bij hun successen. Het College heeft de overtuiging die ondersteuning niet te bieden door de organisatie van de instituten te wijzigen.


Overigens denken wij dat de spanning die in het kantelingsmodel nu naar voren komt, mede veroorzaakt wordt door de financiële krapte, in het bijzonder de sgn. Plasterk-korting. Wij sluiten niet uit dat er de komende tijd opnieuw keuzes in het onderzoeksvolume dat de UT in stand kan houden gemaakt moeten worden.


In uw advies verwijst u naar punten uit het rapport van de Commissie Berger. Ten aanzien van het aantal eenheden is ons bestuurlijk standpunt bekend. Wij menen dat er geen reden is het aantal eenheden, in dit verband het aantal instituten en faculteiten, binnen de UT te verminderen. Dat dit op termijn wel aan de orde kan komen, sluiten wij niet uit.


Wel zijn wij bezig om op een aantal punten te komen tot een verdere optimalisatie van de organisatie. Die optimalisatie sluit aan bij punten uit het rapport van de commissie Berger. Daar kunnen wij naar onze overtuiging aan werken zonder de huidige organisatiestructuur aan te passen. Zo hebben wij bijvoorbeeld de bevoegdheidsverdeling tussen decaan en WD scherper neergezet. In de nota Kaderstelling is meer tijd vrijgemaakt voor het gesprek tussen decaan en WD zodat zij tot goede onderlinge afspraken kunnen komen over de inzet van de leerstoelen. Ook zal het College nadrukkelijker een regierol vervullen en interveniëren als dat nodig is Verder is er binnen het management development programma volop aandacht voor cultuuraspecten. Wij beschouwen het optimaliseren van de organisatie als een continu proces waar voortdurend aandacht voor moet zijn.


U geeft aan dat het moeizaam van de grond komen van de medezeggenschap bij de instituten aangeeft dat de huidige organisatie niet voldoet. Wij zien dit verband niet. Het is een algemene tendens dat het lastig is medewerkers enthousiast te krijgen voor het actief inhoud geven aan medezeggenschap. De UT is daar geen uitzondering in. Wel ziet het College het als een plicht van het management zich mede in te zetten voor de werving van medewerkers voor de instituutsraden. Het College ziet het goed inrichten van de instituutsraden als een onderdeel van de optimalisatie en zegt toe daar inspanningen voor te zullen verrichten.


In de overlegvergadering hebt u aangegeven een openbaar debat te wensen over doorkanteling dan wel terugkanteling. Gezien ons oordeel zullen wij een dergelijk debat niet organiseren. Als daar vanuit de UR wel behoefte aan is, kan de UR zelf de organisatie op zich nemen van een dergelijk debat.


Wij vertrouwen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.


Namens het College van Bestuur,





Mr. H.J. van Keulen

Secretaris van de Universiteit