Agendapunten

UR 09-232 Reglement Universiteitsraad





Reglement Universiteitsraad



INHOUDSOPGAVE

PREAMBULE 4

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN 4

Artikel 1 Begripsbepalingen 4

Artikel 2 Taak van de UR 4

HOOFDSTUK 2 SAMENSTELLING EN ZITTINGSDUUR 5

Artikel 3 Samenstelling 5

Artikel 4 Zittingsperiode 6

HOOFDSTUK 3 VERKIEZINGEN 5

Artikel 5 Organisatie 5

HOOFDSTUK 4 ALGEMENE BEVOEGDHEDEN 6

Artikel 6 Algemene bevoegdheden 6

Artikel 7 Overlegvergadering 6

Artikel 8 Openbaarheid van de overlegvergadering 6

Artikel 9 Instellen adviescommissies 7

Artikel 10 Huishoudelijk reglement 7

HOOFDSTUK 5 VERDERE BEVOEGDHEDEN 7

Artikel 11 Instemmingbevoegdheid van de UR 7

Artikel 12 Adviesrecht van de UR 8

Artikel 13 Nadere regels 9

Artikel 14 Procedure bij verlenen instemming of advies 9

Artikel 15 Adviesaanvraag 9

Artikel 16 Instemmingvraag 10

Artikel 17 Landelijke commissie voor geschillen 10



HOOFDSTUK 6 RECHTEN EN PLICHTEN 10

Artikel 18 Informatieplicht 10

Artikel 19 Initiatiefrecht 11

Artikel 20 Bescherming tegen benadeling 11

Artikel 21 Geheimhouding 11

Artikel 22 Voorzieningen van de UR 12

HOOFDSTUK 7 BEVOEGDHEDEN VAN DE FACULTEITSRADEN 12

Artikel 23 Algemene bevoegdheden faculteitsraden 12

Artikel 24 Instemming- en adviesrechten faculteitsraad 13

Artikel 25 Bevoegdheden personeelsgeleding 13

Artikel 26 Huishoudelijk reglement 14

HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALINGEN 14

Artikel 27 Vaststelling en wijziging van dit reglement 14

Artikel 28 Inwerkingtreding 14

Artikel 29 Citeertitel 14





Preambule



Het College van Bestuur,

gelet op de bepalingen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,

na verkregen instemming van de Universiteitsraad,

heeft vastgesteld op het Reglement Universiteitsraad UT 2009.

Het reglement is, gezien de bepaling in artikel 28, op….2009 van kracht geworden.



Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen


Artikel 1 Begripsbepalingen

1. Dit reglement verstaat onder:


a.

Universiteit

De Universiteit Twente


b.

College van Bestuur

Het College van Bestuur van de universiteit


c.

UR

De universiteitsraad van de universiteit


d.

Decaan

De decaan van de faculteit die als bestuurder van de faculteit optreedt


e.

Overlegvergadering

De vergadering, waarin de UR en het College van Bestuur gezamenlijk overleggen


f.

Wet, WHW

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek


g.

BBR

Bestuurs- en beheersreglement UT

h.


Personeelsgeleding

Het deel van de UR dat uit en door het personeel is gekozen


i.

Studentgeleding

Het deel van de UR dat uit en door de studenten is gekozen


j.

Secretaris

De ambtelijk secretaris van de UR


2. Overal waar in dit reglement de mannelijke vorm wordt gebruikt, kan ook de vrouwelijke vorm worden gelezen.


Artikel 2 Taak van de UR

1.De taak en functie van de UR is gelegen in het door uitoefening van medezeggenschap bevorderen van de ontwikkeling en implementatie van beleid in het belang van de universiteit, rekening houdend met de verschillende visies die leven in de universiteit.

1.In het kader van deze algemene taakstelling worden de volgende bijzondere taakgebieden genoemd:

a. De UR bevordert naar vermogen de kwaliteit van de primaire processen, het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, binnen de universiteit alsmede van de daarvoor benodigde voorzieningen, waaronder de campusvoorzieningen;

b. De UR bevordert de betrokkenheid van personeel en studenten bij de algemene gang van zaken in de universiteit;

c. De UR bevordert naar vermogen openheid, openbaarheid en onderling overleg in de universiteit.

De UR waakt voorts in de universiteit in het algemeen voor discriminatie op welke grond dan ook en bevordert in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtonen.



Hoofdstuk 2 Samenstelling en zittingsduur


Artikel 3 Samenstelling

1.De UR bestaat uit 18 leden, te weten 9 leden gekozen uit en door het personeel en 9 leden gekozen uit en door de studenten.

2.De UR kiest al dan niet uit zijn midden een voorzitter en een of meer plaatsvervangend voorzitters. De voorzitter, of bij diens verhindering de plaatsvervangend voorzitter(s), vertegenwoordigt de UR in rechte.

3.Het presidium van de UR, dat wordt gekozen voor een periode van 1 jaar, bestaat uit tenminste 3 en ten hoogste 5 leden. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter(s) maken deel uit van het presidium.

4.Het presidium heeft ondermeer tot taak het voorbereiden van vergaderingen. Het presidium maakt daartoe met het College van Bestuur afspraken over de te volgen procedures.

5.Het College van Bestuur benoemt, na overleg met het presidium, een secretaris van de UR als ondersteuning van de UR. De secretaris draagt ondermeer zorg voor de opstelling van vergaderagenda’s, de verzending van stukken en het maken van verslagen van vergaderingen.


Artikel 4 Zittingsperiode

1.De zittingsperiode van de leden van de UR vangt aan op 1 september van het jaar waarin de verkiezingen hebben plaatsgevonden.

2.De leden van de personeelsgeleding van de UR worden verkozen voor een periode van twee jaar. De leden van de studentgeleding van de UR worden verkozen voor de periode van één jaar.

3.Aan het einde van hun zittingsperiode treden de geledingen in hun geheel af.

4.De aftredende leden van de UR zijn terstond herkiesbaar voor een nieuwe zittingsperiode.


Hoofdstuk 3 Verkiezingen


Artikel 5 Organisatie

De wijze en de organisatie van de verkiezingen van de leden van de UR worden geregeld in het Kiesreglement Universiteitsraad, dat als bijlage aan dit reglement is toegevoegd en dat daarvan deel uitmaakt.



Hoofdstuk 4 Algemene bevoegdheden


Artikel 6 Algemene bevoegdheden

1.Onverminderd het gestelde in artikel 18 en de bevoegdheden van de faculteitsraden, is de UR bevoegd tot bespreking van alle aangelegenheden die de universiteit betreffen.

2.De UR wordt op grond van het gestelde in artikel 9.3. en 9.7. WHW vertrouwelijk gehoord over het voorgenomen besluit tot benoeming en ontslag van leden van de Raad van Toezicht en het College van Bestuur.

3.De personeelsgeleding van de UR heeft de volgende bevoegdheden inzake de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in de universiteit, bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit onderwijs:

a.zij wordt in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken dan wel te worden gehoord;

b.zij heeft het recht om een verzoek om wetstoepassing te doen, of

c.zij heeft het recht een bezwaarschrift in te dienen.


Artikel 7 Overlegvergadering

1.Het College van Bestuur stelt de UR tenminste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de universiteit met het College van Bestuur te bespreken.

2.Het College van Bestuur en de UR komen binnen redelijke termijn bijeen, indien daartoe onder opgave van redenen wordt verzocht door het College van Bestuur, de UR, de personeels- of de studentgeleding.

3.De voorzitter bepaalt tijd en plaats van de vergadering. De bijeenroeping geschiedt door de secretaris, door middel van een schriftelijke kennisgeving.

4.De vergadering kan slechts plaatsvinden indien tenminste de helft van de leden van de UR aanwezig is.

5.In de overlegvergadering worden de aangelegenheden de universiteit betreffende aan de orde gesteld, waarover hetzij het College van Bestuur, hetzij de UR overleg wenselijk acht of waarover ingevolge het bij of krachtens de wet bepaalde overleg tussen het College van Bestuur en de UR moet plaatsvinden.

6.Het overleg wordt voor het College van Bestuur gevoerd door de voorzitter of diens plaatsvervanger. Hij kan zich laten bijstaan door een of meer bij de universiteit werkzame personen.

7.De overlegvergadering wordt geleid door de voorzitter van de UR of diens plaatsvervanger.

8.De agenda van de overlegvergadering bevat aangelegenheden die door het College van Bestuur, door de UR, door de personeelsgeleding of de studentgeleding bij de secretaris van de UR voorafgaand aan het overleg zijn aangemeld.

9.Een overlegvergadering wordt geschorst door de voorzitter, wanneer het College van Bestuur of de UR ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid afzonderlijk beraad wenselijk acht.

10.De secretaris draagt zorg voor een verslag van de vergadering.


Artikel 8 Openbaarheid van de overlegvergadering

1.De overlegvergaderingen zijn openbaar, tenzij de aard van de aangelegenheid zich tegen openbaarheid verzet naar het oordeel van de voorzitter van de overlegvergadering, het College van Bestuur of de UR. Een besluit tot het houden van een besloten vergadering dient te worden gemotiveerd.

2.Indien bij een (deel van een) overlegvergadering een persoonlijk belang van een van de leden van de UR in het geding is, kan de UR besluiten dat het betrokken lid aan (dat deel van) de overlegvergadering niet deelneemt. De UR besluit dan tevens dat de behandeling van de betreffende aangelegenheid in een besloten (deel van de) overlegvergadering plaatsvindt.

3.Van een besloten (deel van een) overlegvergadering wordt een vertrouwelijk verslag gemaakt.


Artikel 9 Instellen adviescommissies

1.De UR kan voor de behandeling van onderwerpen adviescommissies instellen en deskundigen raadplegen.

2.In een adviescommissie kunnen behalve leden van de UR ook andere personen door de UR worden benoemd. Benoeming van leden van buiten de universiteit is mogelijk indien daarover overleg met het College van Bestuur heeft plaatsgevonden.


Artikel 10 Huishoudelijk reglement

De UR kan voor zijn werkwijze en de bijeenkomsten van zijn interne vergaderingen een huishoudelijk reglement vaststellen, dat niet strijdig mag zijn met de wet en dit reglement. Het reglement bevat dan in elk geval regels omtrent de wijze van bijeenkomen, van de interne vergaderingen en de openbaarheid daarvan, de agendering, de stemprocedure, de besluitvorming en de verslaglegging.



Hoofdstuk 5 Verdere bevoegdheden


Artikel 11 Instemmingbevoegdheid van de UR

1. Het College van Bestuur behoeft, met inachtneming van het bepaalde in artikel 13, de voorafgaande instemming van de UR voor elk door het College van Bestuur te nemen besluit met betrekking tot de vaststelling of wijziging van:

a.Het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2. WHW;

b.De vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18 eerste lid WHW, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid tweede volzin WHW;

c.Het studentenstatuut, bedoeld in artikel 7.59 WHW;

d.Het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4. WHW;

e.Regels op het gebied van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn;

f.De keuze uit de medezeggenschapsstelsels, bedoeld in artikel 9.30 WHW;

g.De regelingen inzake de financiële ondersteuning van studenten, als bedoeld in artikel 7.51 vierde lid WHW.

2. Het College van Bestuur behoeft, met inachtneming van het bepaalde in artikel 13, de voorafgaande instemming van de personeelsgeleding van de UR voor elk door het College van Bestuur te nemen besluit met betrekking tot aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel in de universiteit, alsmede majeure veranderingen van in het Instellingsplan vermelde hoofdlijnen op het gebied van personeelsbeleid.

3.Aan de instemming met het Instellingsplan als bedoeld in lid 1 onder a. wordt verbonden dat de navolgende onderwerpen, ter instemming aan de UR zullen worden voorgelegd:

1. Majeure veranderingen van in het Instellingsplan vermelde hoofdlijnen op het gebied van ondermeer:

a.Onderwijsbeleid;

b.Onderzoeksbeleid;

c.Dienstverlening.

2.Majeure organisatieveranderingen voortkomend uit nieuw beleid.

4. In relatie tot het Instellingsplan gelden de volgende instemmingbevoegdheden van de UR:

a.nieuw beleid inzake onderwerpen die in het Instellingsplan behoren te worden opgenomen, alsmede majeure uitwerkingen van in het Instellingsplan voorgenomen beleid;

b.instellen en beëindigen van (postinitiële) bachelor- en masteropleidingen die leiden tot een UT-graad;

c.bindend studieadvies;

d.overige (andere) regelingen inzake financiële ondersteuning van studenten;

5. Aan de instemming met het studentenstatuut als bedoeld in lid 1 onder c. wordt verbonden dat het beleid met betrekking tot de studenten-voorzieningen ter instemming aan de UR zal worden voorgelegd.

6. Het College van Bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de UR voor het centraal ARBO-beleid.


Artikel 12 Adviesrecht van de UR

1. Het College van Bestuur legt behoudens het bepaalde in artikel 13 aan de UR voor ter advisering elk ter zake voorgenomen besluit met betrekking tot:

a.De begroting;

b.De aangelegenheden die het voortbestaan en de goede gang van zaken binnen de universiteit betreffen.

2. Het College van Bestuur behoeft behoudens het bepaalde in artikel 13 het advies van de studentgeleding van de UR voor elk door het College van Bestuur te nemen besluit met betrekking tot aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel van de universiteit, voor zover dit instemming behoeft van de personeelsgeleding van de UR, alsmede majeure veranderingen van in het Instellingsplan vermelde hoofdlijnen op het gebied van personeelsbeleid.

3. Het College van Bestuur vraagt de UR verder advies over elk voorgenomen besluit inzake:

a.ingrijpende wijzigingen in de bekostigingssystematiek;

b.instelling numerus fixus;

c.aangaan van voor de UT belangrijke duurzame samenwerking met andere instellingen; daaronder begrepen allerlei rechtsvormen

d.richtlijnen ethiek en instellen commissie;

e.begrotingsrichtlijnen;

f.grote projecten op het gebied van ruimtelijke ordening;

g.emancipatie en anti-discriminatiebeleid;

h.milieubeleid;

i.gedragscode buitenlandse taal;

j.deelname aan of beëindiging van grote onderwijskundige projecten of experimenten;

k.beleid met betrekking tot studieadvies, studiebegeleiding en studie-voorlichting;

l.regeling vakantie en indeling studiejaar;

m.beleid met betrekking tot onderwijsvoorzieningen;

n.aantrekken van een extern adviseur betreffende een belangrijke aangelegenheid.

o.beleid, alsmede majeure wijzigingen daarvan, met betrekking tot het oprichten van privaatrechtelijke rechtspersonen, met het oogmerk zeggenschap over onderwijs en onderzoek of substantiële delen daarvan over te dragen.


Artikel 13 Nadere regels

De bepalingen opgenomen in artikel 11 en 12 zijn niet van toepassing voor zover de betrokken aangelegenheid voor de universiteit reeds inhoudelijk is geregeld in een bij of krachtens de wet gegeven voorschrift of CAO

of indien en voor zover ter uitwerking van de betrokken aangelegenheid uitvoeringsvoorschriften ter zake van de rechten en verplichtingen van individuele werknemers aan het OPUT ter instemming worden voorgelegd.


Artikel 14 Procedure bij verlenen instemming of advies

1. Een door het College van Bestuur te nemen besluit dat de instemming of het advies van de UR behoeft, wordt door het College van Bestuur schriftelijk aan de UR voorgelegd. Het College van Bestuur verstrekt daarbij ongevraagd die informatie die de UR nodig heeft om advies of instemming te kunnen geven over het te nemen besluit.

2. Het College van Bestuur motiveert het voorgenomen besluit en duidt voor zover mogelijk aan welke gevolgen het besluit naar zijn oordeel zal hebben voor de instelling, voor het personeel en voor de bij de instelling ingeschreven studenten, alsmede welke maatregelen er naar zijn oordeel bij de uitvoering van het besluit moeten worden genomen.

3. De UR maakt met betrekking tot een voorgenomen besluit als bedoeld in het eerste lid van dit artikel geen gebruik van zijn bevoegdheid tot medezeggenschap voor zover over de betreffende aangelegenheid overleg is gevoerd met het College van Bestuur, tenzij beide partijen te kennen geven aan dit overleg geen behoefte te hebben.

4. Zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 30 dagen nadat het voorgenomen besluit in een overlegvergadering aan de UR is voorgelegd brengt de UR schriftelijk advies uit aan het College van Bestuur dan wel deelt de UR mede of de gevraagde instemming is verleend, met dien verstande dat een voorgenomen besluit en de in lid 1. en lid 2. bedoelde informatie tenminste 18 dagen voor de overlegvergadering bij het secretariaat van de UR moet zijn aangeboden.

5. Van de termijnen genoemd in lid 4 van dit artikel kan worden afgeweken indien het College van Bestuur en het presidium van de UR dit overeenkomen.

6. Het niet of niet tijdig nemen van een besluit door het College van Bestuur staat gelijk aan een besluit.

7. Indien de UR het oordeel uitspreekt dat het College van Bestuur een besluit van het College van Bestuur had moeten voorleggen aan de UR, brengt de UR dit gemotiveerd ter kennis van het College van Bestuur. Het College van Bestuur overlegt met de UR. Indien na dit overleg het College van Bestuur het besluit niet alsnog aan de UR voorlegt en de UR besluit het standpunt te handhaven en dit ter kennis brengt van het College van Bestuur, dan is sprake van een geschil waarop artikel 17 van toepassing is.


Artikel 15 Adviesaanvraag

1. Indien een door het College van Bestuur te nemen besluit krachtens dit reglement vooraf aan de UR ter advies dient te worden voorgelegd, draagt het College van Bestuur er zorg voor dat:

a. het advies van de UR wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming;

b. de UR in de gelegenheid wordt gesteld met hem overleg te voeren voordat advies wordt uitgebracht, behoudens art. 14, lid 3;

c. de UR zo spoedig mogelijk, maar tenminste binnen zes weken nadat het College van Bestuur het schriftelijke advies heeft ontvangen, schriftelijk in kennis wordt gesteld van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven, en

d. de UR, indien het College van Bestuur het advies niet of niet geheel wil volgen, schriftelijk en met redenen omkleed hiervan op de hoogte wordt gesteld en in de gelegenheid wordt gesteld nader overleg met hem te voeren alvorens het besluit definitief wordt genomen;

e. indien het uiteindelijke besluit in afwijking van het advies van de UR wordt genomen, dit met redenen omkleed op het besluit wordt vermeld.

2. Indien het College van Bestuur een besluit heeft genomen en daarbij het uitgebrachte advies niet of niet geheel volgt en de UR van oordeel is dat daardoor de belangen van de universiteit of de belangen van de UR ernstig worden geschaad, dan wordt de procedure als beschreven in artikel 9.39 e.v. WHW, gevolgd.


Artikel 16 Instemmingvraag

1. Indien een door het College van Bestuur te nemen besluit krachtens dit reglement vooraf aan de UR ter instemming dient te worden voorgelegd, draagt het College van Bestuur er zorg voor dat de instemming van de UR wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat het overleg over het voorgenomen besluit een wezenlijke invloed op het definitieve besluit kan hebben.

2. De UR besluit niet over het al dan niet verlenen van instemming dan nadat over het voorgenomen besluit overleg is gevoerd, behoudens art. 14, lid 3.

3. Binnen zes weken nadat het College van Bestuur de schriftelijke kennisgeving van de UR heeft ontvangen dat deze zijn instemming niet verleent aan een voorgenomen besluit, deelt het College van Bestuur de UR schriftelijk mee of het voorstel wordt ingetrokken dan wel wordt gehandhaafd.

4. Indien het in lid 3 bedoelde voorstel gehandhaafd blijft, wordt de procedure als beschreven in artikel 9.39 e.v. WHW gevolgd.

Artikel 17 Landelijke commissie voor geschillen

Indien een geschil is ontstaan tussen het College van Bestuur en de UR dan zal dat, met inachtneming van het bepaalde in artikel 9.40 lid 3 WHW, worden voorgelegd aan de landelijke geschillencommissie als bedoeld in artikel 9.39 e.v. WHW, nadat de Raad van Toezicht de mogelijkheid heeft gehad om te bemiddelen.



Hoofdstuk 6 Rechten en plichten


Artikel 18 Informatieplicht

1.Het College van Bestuur verschaft de UR, al dan niet gevraagd, tijdig, doch uiterlijk binnen 3 weken, alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft. Deze termijn kan slechts bij uitzondering overschreden worden en dient gemotiveerd aan de UR te worden medegedeeld.

2.De inlichtingen die het College van Bestuur overeenkomstig het eerste lid verstrekt, worden schriftelijk verstrekt, tenzij anders is overeengekomen.

3.Het College van Bestuur stelt de UR tenminste eenmaal per jaar schriftelijk in kennis van het door hem in het afgelopen jaar gevoerde beleid en van de beleidsvoornemens voor het komende jaar ten aanzien van de universiteit op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied.

4.Het College van Bestuur stelt de UR onverwijld in kennis van belangrijke ontwikkelingen en voornemens met betrekking tot de aangelegenheden beschreven in het Instellingsplan.

5.Het College van Bestuur en het presidium van de UR hebben regelmatig inhoudelijk overleg over lopende zaken.


Artikel 19 Initiatiefrecht

1. De UR is bevoegd over alle aangelegenheden de universiteit betreffende

aan het College van Bestuur voorstellen te doen en standpunten kenbaar

te maken. Het College van Bestuur brengt op de voorstellen binnen 6

weken een schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de UR in de

vorm van een voorstel. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van de

hiervoor bedoelde reactie, stelt het College van Bestuur de UR tenminste

eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen over zijn voorstel.

2. In aansluiting op het bepaalde in artikel 19, tweede lid van het

BBR 2007, meldt het College van Bestuur het voornemen tot het

vaststellen van een richtlijn aan de UR.

De conceptrichtlijn wordt vervolgens aan de UR voorgelegd, waarbij de

UR de inhoud en kaders van de richtlijn toetst aan de wet en desgewenst

een ongevraagd advies geeft.


Artikel 20 Bescherming tegen benadeling

Het College van Bestuur draagt er zorg voor dat de leden van de UR niet uit hoofde van hun lidmaatschap van de UR worden benadeeld in hun positie met betrekking tot de universiteit. Dit is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van kandidaat-leden en voormalige leden.


Artikel 21 Geheimhouding

1. De leden van de UR en de leden van de commissies van de UR, alsmede de geraadpleegde deskundigen zijn verplicht tot geheimhouding van alle aangelegenheden die zij in hun hoedanigheid vernemen ten aanzien waarvan het College van Bestuur dan wel de UR of de betrokken commissie hen geheimhouding oplegt. Het voornemen om geheimhouding op te leggen wordt zoveel mogelijk voor de behandeling van de betrokken aangelegenheid meegedeeld. Degene die de geheimhouding oplegt, deelt daarbij tevens mee, welke schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens onder de geheimhouding vallen en hoe lang deze dient te duren, alsmede of er personen zijn ten aanzien van wie de geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degenen die met het secretariaat van de UR of van een commissie van de UR zijn belast.

3. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet tegenover hen die ingevolge een rechterlijke opdracht zijn belast met een onderzoek naar de gang van zaken in de universiteit.

4. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt voorts niet tegenover hem die door een lid van de UR of door een lid van een commissie van de UR wordt benaderd voor overleg, mits het College van Bestuur, onderscheidenlijk degene die geheimhouding heeft opgelegd, vooraf toestemming heeft gegeven voor het overleg met de betrokken persoon en deze laatste schriftelijk heeft verklaard, dat hij zich ten aanzien van de betrokken aangelegenheid tot geheimhouding verplicht. In dat geval is ten aanzien van de bedoelde persoon het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

5. Een weigering de in het vorig lid bedoelde toestemming te verlenen, wordt door het College van Bestuur, onderscheidenlijk door degene die geheimhouding heeft opgelegd, met redenen omkleed.

6. De plicht tot geheimhouding vervalt niet door beëindiging van het lidmaatschap van de UR of van de betrokken commissies.


Artikel 22 Voorzieningen van de UR

1. Het College van Bestuur staat de UR het gebruik toe van de voorzieningen waarover het kan beschikken, en die de UR voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft.

2. De kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de UR en de commissies van de UR komen ten laste van een door het College van Bestuur vastgesteld budget.

3. De kosten van het raadplegen van een deskundige of benoemen van een extern adviseur door de UR of een commissie van de UR komen ten laste van dit budget.

4. Kosten waarvoor het hier bedoelde budget zou worden overschreden komen slechts ten laste van het College van Bestuur, indien het College van Bestuur van de te maken kosten waardoor het hiervoor bedoelde budget wordt overschreden vooraf in kennis is gesteld en daarmee heeft ingestemd.

Hoofdstuk 7 Bevoegdheden van de faculteitsraden


Artikel 23 Algemene bevoegdheden faculteitsraden

1.De faculteitsraad oefent tegenover de decaan van de faculteit het instemmingsrecht en het adviesrecht uit die toekomen aan de universiteitsraad, voor zover het aangelegenheden betreft die de faculteit in het bijzonder aangaan en de desbetreffende bevoegdheden tevens aan de decaan zijn toegekend.

2.De faculteitsraad wordt vertrouwelijk gehoord over benoeming en ontslag van de decaan.

3.De decaan stelt de faculteitsraad tenminste twee maal per jaar in de gelegenheid de algemene gang van zaken in de faculteit met hem te bespreken. De decaan en de raad komen bijeen, indien daarom onder opgave van redenen wordt verzocht door de decaan, de raad, de personeelsgeleding of de studentgeleding. De vergadering wordt gehouden binnen redelijke termijn nadat daartoe een verzoek is ingediend.

4.De raad is bevoegd over alle aangelegenheden de faculteit betreffende aan de decaan voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. De decaan brengt op de voorstellen binnen zes weken een schriftelijke, met redenen omklede reactie uit aan de raad in de vorm van een voorstel. Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van een reactie, stelt de decaan de raad tenminste eenmaal in de gelegenheid met hem overleg te plegen over zijn voorstel.

5.De decaan verstrekt de raad aan het begin van het studiejaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de organisatie van de faculteit en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid. De decaan stelt de raad tenminste eenmaal per jaar schriftelijk in kennis van het door hem in het afgelopen jaar gevoerde beleid en van de beleidsvoornemens voor het komende jaar. Voorts verschaft de decaan de raad tijdig alle inlichtingen die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft.

6.Indien bij een bepaalde vergadering of een onderdeel daarvan een bij uitstek persoonlijk belang van een van de leden van de raad in het geding is, kan de raad besluiten dat het betrokken lid aan die vergadering of dat onderdeel daarvan niet deelneemt. De raad besluit dan tevens dat de behandeling van de desbetreffende aangelegenheid in een besloten vergadering plaats heeft.

7.De raad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de faculteit betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen. De raad draagt er zorg voor dat de agenda’s en de verslagen van de overlegvergaderingen van de raad worden toegezonden aan de decaan en ter inzage worden gelegd op een algemeen toegankelijke plaats op de faculteit ten behoeve van belanghebbenden.


Artikel 24 Instemming- en adviesrechten faculteitsraad

1. De decaan behoeft de instemming van de faculteitsraad voor elk ter zake voorgenomen besluit met betrekking tot de volgende onderwerpen:

a.het faculteitsreglement, als bedoeld in artikel 9.14 WHW;

b.de onderwijs- en examenregeling, als bedoeld in artikel 7.13 WHW met uitzondering van de onderwerpen genoemd in het tweede lid van artikel 7.13, de onderdelen a t/m g.

2. Het instemmingsrecht heeft verder betrekking op:

a.het facultaire beleidsplan;

In relatie tot het facultaire beleidsplan gelden de volgende bevoegdheden van de faculteitsraad:

Het leerstoelenplan is onderdeel van het beleidsplan en majeure afwijkingen van in het beleidsplan vermelde hoofdlijnen behoeven de instemming van de faculteitsraad.

b.de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg als bedoeld in artikel 1.18 WHW, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, als bedoeld in artikel 2.9 WHW;

c.aangelegenheden op het gebied van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid in de faculteit; het facultaire arbo- en milieubeleid.

3. Het adviesrecht heeft betrekking op:

a.het facultaire begrotingsplan en bijbehorende jaarplan;

b.de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13 WHW ten aanzien van de onderdelen a t/m g;

c.de onderwijs- en studentenvoorzieningen;

d.het huisvestingsbeleid en onderwijskundige projecten

e.het facultaire pr- en voorlichtingsbeleid.


Artikel 25 Bevoegdheden personeelsgeleding

1.De decaan voorziet er in dat de personeelsgeleding van de faculteitsraad tijdig in de gelegenheid wordt gesteld advies aan de decaan uit te brengen en overleg te voeren over voorgenomen maatregelen met betrekking tot:

a.de wijze waarop de arbeids- en dienstvoorwaarden bij de faculteit worden toegepast;

b.de wijze waarop het algemeen personeelsbeleid bij de faculteit wordt uitgevoerd;

c.aangelegenheden op het gebied van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid bij de faculteit;

d.de organisatie en werkwijze bij de faculteit

e.de technische en economische dienstuitvoering bij de faculteit;

2.Onder het gestelde in het eerste lid wordt in ieder geval verstaan het adviesrecht ten aanzien van reorganisatieplannen, conform de reorganisatiecode.

3.De in het eerste lid bedoelde rechten van de personeelsgeleding kunnen worden uitgeoefend in de mate waarin de decaan via mandaat van het College van Bestuur over de desbetreffende bevoegdheden beschikt.

4.De personeelsgeleding is bevoegd de decaan voorstellen te doen met betrekking tot de in het eerste lid genoemde aangelegenheden.

5.De decaan behoeft de voorafgaande instemming van de personeels-geleding voor elke maatregel die hij bevoegd is te nemen en waarover de personeelsgeleding op grond van het eerste lid heeft geadviseerd.

6.De decaan stelt, in overeenstemming met de personeelsgeleding, een reglement vast in verband met de uitoefening van de rechten, bedoeld in het eerste, vierde en vijfde lid.


Artikel 26 Huishoudelijk reglement

De faculteitsraad kan voor zijn werkwijze en de orde van de interne vergaderingen een huishoudelijk reglement vaststellen, dat niet strijdig mag zijn met de wet en dit reglement.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen


Artikel 27 Vaststelling en wijziging van dit reglement

Dit reglement en elke wijziging daarvan wordt door het College van Bestuur aan de UR voorgelegd en wordt niet door het College van Bestuur vastgesteld dan nadat het, na overleg al dan niet gewijzigde, reglement de instemming van twee derde van het aantal leden van de UR verworven heeft.



Artikel 28 Inwerkingtreding

Dit reglement treedt in werking op ……….. 2009.


Artikel 29 Citeertitel

Dit reglement kan worden aangehaald als:

Reglement Universiteitsraad UT 2009.