Reactie van de Raad

UR 09-166 Brief UR aan CvB mbt Evaluatiecriteria Pilot BSA

universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 300/302


Aan het College van Bestuur,





Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 09 - 166

Fax


Datum

19 juni 2009

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl



Betreft: Evaluatiecriteria pilot BSA



Geacht college,


De URaad heeft van u, ter informatie, de Evaluatiecriteria voor de pilot Richtlijn bindend studieadvies ontvangen (UR 09-146). Wij zouden u hierbij graag een aantal adviezen willen geven.


Om te beginnen zouden wij u willen adviseren om bij de drie doelstellingen, genoemd op de eerste pagina onder ‘Doelstellingen’, onderscheid aan te brengen tussen een hoofddoel en subdoelen. Met daarbij onderdeel a) ‘studenten sneller ‘op de juiste plek’ te krijgen’ geformuleerd als hoofddoel. Dit is in overeenstemming met de hoofddoelstelling die beschreven wordt in de Richtlijn bindend studieadvies (UR 08-374), zoals de URaad ermee heeft ingestemd op de overlegvergadering van woensdag 28 januari 2009. De onderdelen b) ‘studenten uitdagen om vanaf het begin hoge studieprestaties te leveren’ en c) ‘geen bedreiging vormen voor extra-curriculaire activiteiten’ zouden dan de subdoelen worden.


Even verderop op de eerste pagina, ook onder ‘Doelstellingen’, wordt gesteld dat er geëvalueerd wordt of de noodzakelijke randvoorwaarden voor het BSA-systeem voldoende aanwezig waren. De URaad constateert dat dit onderdeel van de evaluatie niet expliciet aan bod komt in de opgestelde evaluatie-indicatoren. De URaad adviseert dan ook om de reeds opgestelde indicatoren aan te vullen met indicatoren ter evaluatie van de relevante randvoorwaarden.


Op de derde pagina, in de tabel ‘Effecten van negatief advies’, staat de term ‘Exit-enquete gehele cohort’. De URaad is van mening dat deze formulering verwarrend is. Er wordt bedoeld dat de gehele cohort geënquêteerd wordt na het eerste jaar, maar de toevoeging van ‘exit’ wekt de indruk dat het hier alleen gaat om die studenten die een negatief studieadvies hebben gekregen of om een andere reden de opleiding hebben verlaten. De URaad wil u adviseren om de term ‘Exit-enquete’ te vervangen door een formulering die geen verwarring teweeg kan brengen. Daarnaast wil de URaad adviseren om expliciet criteria op te nemen aangaande studenten met een positief studieadvies.


De titel van het stuk impliceert dat het hier gaat om evaluatiecriteria. Echter zijn het eigenlijk alleen de indicatoren die genoemd worden. Nergens komt aan bod wanneer de pilot BSA als een succes wordt beschouwd en overwogen kan worden deze instellingsbreed door te gaan zetten. In de commissievergadering van 10 juni jl. heeft dhr.


Brinksma al aangegeven dat het belangrijkste criterium waarschijnlijk zal zijn of er een substantiële verbetering geconstateerd wordt op doelstelling a) studenten sneller ‘op de juiste plek’ krijgen. Een substantiële verbetering, dus niet in de orde van een paar procenten. De URaad adviseert u dan ook om naast de indicatoren ook de daadwerkelijke criteria helder te maken.


Tot slot adviseert de URaad om ook te onderzoeken of er met de intrede van een BSA misschien in latere studiejaren alsnog een studiedip ontstaat bij de studenten. Dit naar aanleiding van de vernomen ervaringen bij opleidingen elders in het land.



Tot slot heeft de URaad nog een tweetal vragen bij de Evaluatiecriteria Richtlijn Bindend Studieadvies.


Op de tweede pagina, in de tabel onderaan ‘Beroep bij het College van Beroep voor de Examens (CBE)’ wordt als indicator het zaaknummer genoemd met daarbij o.a. de datum van het beroepschrift en de uitspraak. Hoe zit dit precies met de privacybescherming van studenten? Mogen deze gegevens op deze manier in de evaluatie van de pilot BSA gebruikt worden?


Op de derde pagina, in de laatste tabel ‘Inzet personeel’ wordt als indicator het jaarlijks aantal werkuren besteed aan BSA geformuleerd. De URaad vraagt zich af of dit wel te meten is? Hoe zal deze indicator gemeten gaan worden? Daarnaast relateert deze indicator niet met een gegeven doelstelling.




Met vriendelijke groet,

namens de Universiteitsraad,




drs. F.L. Lagendijk

voorzitter