Reacties van de Raad

6. Brief UR promovendibeleid

logo URaad UT

universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 500


Aan het College van Bestuur,



Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 08-024

Fax


Datum

24 januari 2008

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

Betreft: Promovendibeleid



Geacht college,



In de december cyclus is tijdens de rondvraag het aanstellen van beurspromovendi (‘promotiestudenten’) kort aan de orde geweest. Het College gaf op dat moment aan dat een verdere discussie voorbij het doel van een rondvraag ging en nadere voorbereiding nodig was. Naar aanleiding van de kritische brief van het OPUT dd. 17 januari 2008 (kenmerk OPUT/08/001/JS-MS) over dit onderwerp wil de UR tijdens de overlegvergadering op 30 januari dit onderwerp op de agenda plaatsen.

Het vernieuwen van promotietrajecten is bij verschillende gelegenheden aan de orde geweest, zoals bij de onderzoeksnota, nota groei en bij personeelsbeleid bij het onderwerp “battle for brains”. Wij zien momenteel niet in hoe het verslechteren van arbeidsvoorwaarden voor promovendi positief kan bijdragen aan deze battle. Tot slot willen wij een opmerking plaatsen ten aanzien van de volgende quote van dhr. Flierman uit de concept notulen: “En dat er zo af en toe, met wederzijds goedvinden, een experiment plaatsvindt hoeft dan geen probleem te zijn.” Belangrijk hierbij is allereerst dat deze experimenten juridisch haalbaar zijn. Gezien de brief van het OPUT is dit voor ons een vraagteken. Bovendien is er van “wederzijds goedvinden” bij dit plan geen sprake, tenminste, als met ‘wederzijds’ de UR en het college bedoeld wordt. Ten derde is de algemene regel dat indien personen voor het zelfde werk worden aangetrokken, deze een zelfde beloning dienen te verkrijgen. In de vorige overlegvergadering is verder aangegeven dat er “[...] een notitie in voorbereiding is over promotiestudenten. Daarin zou staan dat het niet de intentie van de UT is om beurzen uit te gaan geven voor promovendi.” Waarom ondersteunt het college dan wel deze pilot?


Het is de UR op dit moment niet duidelijk of de gekozen inrichting van vernieuwing promotietrajecten juridisch mogelijk is. Daarnaast stelt hij vraagtekens bij de wenselijkheid van het gekozen beleid. Graag krijgen wij van u een update tijdens de komende overlegvergadering. Verder willen wij de eerder door het OPUT verstuurde brief als uitgangspunt voor discussie gebruiken, waarin o.a. de volgende vragen aan de orde zullen komen:

Wat is de huidige status van de genoemde promotiestudenten notitie en op welke termijn kunnen wij het stuk verwachten?

Waarom wil het college binnen een faculteit een pilot uit laten voeren die gezien de uitspraken van gerechtelijke instanties in vergelijkbare zaken weinig kans van slagen heeft?



Met vriendelijke groet,

namens de Universiteitsraad,




ir. T.M.J. Meijer

voorzitter





Bijlage



Voor de volledigheid volgt hieronder het betreffende gedeelte uit de concept notulen van de overlegvergadering van 19 december 2007:


“De voorzitter informeert naar het beleid inzake het aanstellen van beurspromovendi. Het lijkt alsof de UT actief mensen gaat werven om als beurspromovendi naar de UT te komen. Hij doelt daarbij met name op de pilot die bij EWI wordt gestart, waarbij binnen de faculteit is gezegd dat het de bedoeling is voor het hele traject van 2+3 = 5 jaar mensen aan te stellen als beurspromovendus. Is dat bewust beleid van het college of gaat het hier om een invulling die EWI er zelf aan geeft?

Flierman zegt niet precies te weten welke invulling de faculteit kiest. Wat hier gebeurt is niet zozeer gebaseerd op collegebeleid, maar op subsidiemogelijkheden vanuit het ministerie. In algemene zin is het zo dat er een notitie in voorbereiding is over promotiestudenten; daarin staat ook dat het niet de intentie van de UT is om beurzen uit te gaan geven voor promovendi.

Zijm legt uit dat EWI bezig is met een vijfjarig experiment, waarbij de afstudeerfase veelal niet extern maar in het eigen laboratorium zal plaatsvinden. Dat laat onverlet dat de opleiding zodanig moet zijn dat, mocht onverhoopt besloten worden niet door te gaan met de promotie van een betrokkene, het werk wel leidt tot een volwaardig masterdiploma voor de periode van twee jaar.

De voorzitter is met name benieuwd naar de rechtspositionele randvoorwaarden; hij heeft de indruk dat EWI de betrokkenen als beurspromovendus wil aanstellen in de laatste drie jaar. Zijm stelt dat het niet de bedoeling is op grote schaal aio’s te vervangen door beurspromovendi. Wel kan met dit traject vroegtijdig gepreludeerd worden op een vervolgtraject. Maar dat zal niet noodzakelijkerwijs voor de volle vijf jaar een beurstraject zijn. De laatste drie jaren zouden ook gefinancierd kunnen worden door een extern project.

Uiteindelijk gaat het volgens Wormeester om de vraag wat er gebeurt als het niet lukt het project af te maken. Als iemand het mastertraject afsluit, hoe wordt dan de financiering geregeld? Moet de UT dan een aio-plaats aanbieden? Kortom: gaat de UT als zelfstandige organisatie mensen aanstellen als beurspromovendus?

Flierman merkt op in z’n algemeenheid al een antwoord te hebben gegeven. En dat er zo af en toe, met wederzijds goedvinden, een experiment plaatsvindt hoeft dan geen probleem te zijn.

Een verdere discussie gaat deze rondvraag te boven, aldus Flierman.