Agendapunten

UR 08-310 Gemeenschappelijk OER


ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING

(OER)

(ex artikel 7.13 en 7.59 WHW)


Bacheloropleidingen UT


Versie …12 september……. 2008



De decaan van de faculteit,

gelet op de artikelen 9.5, 9.15, eerste lid, onder a, 7.13, eerste en tweede lid, 9.38, onder b, en 9.18, eerste lid, onder a, en 7.59 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,


gehoord het advies van de opleidingscommissie en de instemming dan wel het advies van de faculteitsraad ten aanzien van de opleidingsspecifieke bijlage van de betreffende opleiding


besluit vast te stellen de onderwijs- en examenregeling van de hierna genoemde opleiding: …………………………………………………………..



Paragraaf 1 - Algemeen

Artikel 1 – Begripsbepalingen

De in deze regeling voorkomende begrippen hebben, indien die begrippen ook voorkomen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), de betekenis die deze wet eraan geeft.


In deze regeling wordt verstaan onder:


a.de wet: de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, afgekort tot WHW, staatsblad 593 en zoals sindsdien gewijzigd,

b.de decaan: het hoofd van de faculteit,

c.examen: toetsing, waarbij door de examencommissie overeenkomstig artikel 7.10 van de wet wordt vastgesteld of aan alle verplichtingen met betrekking tot het propedeuse- resp. bachelorexamen is voldaan,

d.examencommissie: de examencommissie van de opleiding ingesteld overeenkomstig artikel 7.12 van de wet,

e.examinator: degene die conform artikel 7.12 lid 3 van de wet door de examencommissie wordt aangewezen ten behoeve van het afnemen van tentamens,

f.instelling: Universiteit Twente,

g.instellingssystemen: informatiesystemen die de studie en het onderwijs ondersteunen,

h.onderwijseenheid: een onderwijseenheid van de opleiding als bedoeld in artikel 7.3 leden 2 en 3 van de wet, alsmede een praktische oefening,

i.opleiding: de bacheloropleiding bedoeld in de bijlage bij de OER,

j.onderwijsprogramma: de specifieke invulling van onderwijseenheden die een individuele student in het kader van zijn opleiding zal gaan afleggen met inbegrip van eventuele keuzes daarbij,

k.praktische oefening: een praktische oefening als genoemd in artikel 7.13 lid 2 onder d van de wet, is een onderwijseenheid of een deel ervan, waarbij de nadruk ligt op de activiteit van de student zelf, zoals:

1.verrichten van een literatuurstudie, maken van werkstuk of proefontwerp, schrijven van een scriptie, een artikel of 'position paper' of verzorgen van een openbare presentatie;

2.uitvoeren van een ontwerp- of onderzoekopdracht, uitvoeren van proeven en experimenten, deelnemen aan practica, oefenen van vaardigheden;

3.doen van een stage, deelnemen aan veldwerk of een excursie;

4.deelnemen aan andere noodzakelijk geachte onderwijsleeractiviteiten, gericht op bereiken van de beoogde vaardigheden,

l.studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar. Het studiejaar beslaat 60 EC of 1680 uur,

m.student: degene die als zodanig bij een opleiding staat ingeschreven conform artikel 7.34 en 7.36 van de WHW.

n.studiepunt: eenheid van studiebelasting, deze wordt uitgedrukt in EC (European Credit) conform het European Credit Transfer System (ECTS); één studiepunt heeft een studiebelasting van 28 uur,

o.studiegids: de gids (papier) of beschrijving van de opleiding (internet) die specifieke informatie met betrekking tot de opleiding bevat,

p.studiesnelheid: een getal dat weergeeft welk deel van de opleiding volgens nominale planning in een bepaalde periode is afgerond,

q.werkdag: maandag tot en met vrijdag met uitzondering van de erkende feestdagen en de afgesproken brugdagen waarop het personeel vrij heeft,

r.tentamen: een onderzoek naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de student met betrekking tot een onderwijseenheid, alsmede de beoordeling van dat onderzoek door tenminste één daartoe door de examencommissie aangewezen examinator,

s.studieadviseur door de decaan aangewezen persoon die als contactpersoon optreedt tussen student en opleiding, en als zodanig de belangen van de student behartigt en een mentor- en adviesrol vervult,

t.StudentInformatie- webapplicatie voor de registratie van alle relevante

Systeem (SIS) gegevens van student en studie,

u.studiefase: fase van de studie (P, B1, B2 of B3) waar een student op grond van datum van inschrijving bij nominaal studieverloop is aangeland, of op basis van nadere afspraak met de studieadviseur wordt geplaatst,

v.studieplan een door de student opgesteld plan voor het doorlopen van het onderwijsprogramma.


Artikel 2 - Inhoud van de opleiding

1. Wat betreft de opleiding zijn in de opleidingsspecifieke bijlage tenminste opgenomen, beschrijvingen van:

a.inhoud van de opleiding en van het daaraan verbonden examen,

b.inhoud van de afstudeerrichtingen,

c.inrichting van de praktische oefeningen,

d.studielast van de opleiding en van elk van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden,

e.aantal en de volgtijdelijkheid van de tentamens en praktische oefeningen,

f.aard van de opleiding: voltijd, deeltijd, duaal, conform de registratie in het centraal register opleidingen hoger onderwijs (CROHO),

g.aard van de tentamens: mondeling, schriftelijk, individueel, groep e.d.

h.volgorde-eisen: of het met goed gevolg afgelegd hebben van tentamens voorwaarde is voor toelating tot deelname aan onderwijs of andere tentamens; toelatingseisen en verplichtingen met betrekking tot deelname aan praktische oefeningen,

i.eisen die gesteld worden aan de invulling van de vrije ruimte van de opleiding en aan de te maken keuzes,

j.overgangsregelingen, bedoeld in artikel 25 OER,

k.taal waarin het onderwijs wordt gegeven en de tentamens/het examen worden afgenomen,

l.masteropleiding(en) die aansluit(en) op de (afstudeerrichting van de) bacheloropleiding.

2. De opleidingsspecifieke bijlage maakt integraal onderdeel uit van deze regeling.

Artikel 3 - Eindtermen van de opleiding

De eindtermen van de bacheloropleiding zijn ontleend aan de zgn. Dublin Descriptoren en betreffen:
a. Kennis en inzicht:

de student heeft aantoonbare kennis en inzicht van een vakgebied, waarbij wordt voortgebouwd op het niveau bereikt in het voortgezet onderwijs en dit wordt overtroffen; functioneert doorgaans op een niveau waarop met ondersteuning van gespecialiseerde handboeken, enige aspecten voorkomen waarvoor kennis van de laatste ontwikkelingen in het vakgebied vereist is.

b. Toepassen kennis en inzicht:

de student Is in staat om zijn/haar kennis en inzicht op dusdanige wijze toe te passen, dat dit een professionele benadering van zijn/haar werk of beroep laat zien, en beschikt verder over competenties voor het opstellen en verdiepen van argumentaties en voor het oplossen van problemen op het vakgebied

.

c. Oordeelsvorming:

de student Is in staat om relevante gegevens te verzamelen en interpreteren (meestal op het vakgebied) met het doel een oordeel te vormen dat mede gebaseerd is op het afwegen van relevante sociaal-maatschappelijke, wetenschappelijke of ethische aspecten.

d. Communicatie:

de student Is in staat om informatie, ideeën en oplossingen over te brengen op een publiek bestaande uit specialisten of niet-specialisten.

e. Leervaardigheden:

de student bezit de leervaardigheden die noodzakelijk zijn om een vervolgstudie die een hoog niveau van autonomie veronderstelt aan te gaan.

In de bijlage worden deze eindtermen per opleiding verder uitgewerkt en kunnen nadere criteria worden gebruikt.

Artikel 4 - Toelating tot de opleiding

1. Toegang tot de opleiding wordt verkregen indien is voldaan aan één van de vooropleidingseisen voor inschrijving in het wetenschappelijk onderwijs, conform de wet art. 7.24, 7.25, 7.28 en 7.29.


2. Vrijstelling op grond van toelatingsonderzoek: colloquium doctum

De nadere regeling hiervan is opgenomen in de brochure Colloquium Doctum,

getiteld “universiteit Twente, Student en Onderwijs Service Centrum:
http://www.utwente.nl/studentenbalie/blauwe_balie/toelatings/UTwente%20CBT%
20brochure%20_Nederlands_%202008.pdf

Artikel 5 - studieplan

1.De student is verplicht een studieplan in te leveren de dit te laten registreren in het SIS zonder welke acties niet aan een tentamen/examen kan worden deelgenomen.

2.In het eerste semester van het eerste studiejaar omvat het studieplan alle onderdelen van het eerste semester van het eerste jaar van de opleiding. Indien door omstandigheden niet al deze onderdelen gevolgd kunnen worden, of indien de opleiding in die periode niet eenduidig vastgelegde onderdelen kent, dient de student zo spoedig mogelijk zijn studieplan in SIS te registreren en te bespreken met zijn studieadviseur.

3.Voor het begin van ieder volgend semester registreert de student zijn studieplan voor het volgende semester in SIS. Indien dat studieplan afwijkt van de het standaard onderwijsprogramma geeft de studeiadviseur advies over het studieplan.

4.De studieadviseur merkt het studieplan aan als voor gezien in het SIS. De student wordt automatisch ingeschreven voor de onderwijseenheden en eventuele tentamens van zijn studieplan indien aan alle overige voorwaarden gesteld aan die deelname - zoals bijv. studievoortgangseisen - is voldaan.

5.Een student kan zijn studieplan aanpassen na overleg met de studieadviseur.
Het SIS assisteert de studieadviseur en de student bij de afwikkeling van de aanpassing van het studieplan.

6.Door aanpassing van zijn studieplan kan een student zich tot vijf werkdagen voor een zitting van een tentamen terugtrekken.

Artikel 6 - studiebegeleiding

1.De decaan draagt zorg voor studiebegeleiding van de studenten, mede ten behoeve van de oriëntatie op studiewegen binnen of buiten de opleiding.

2.In de opleiding zijn één of meer studieadviseurs aangewezen.

3.Iedere student heeft een studieadviseur die de student gedurende zijn opleiding begeleidt, van advies dient over zaken - anders dan vakinhoudelijke - die de studie betreffen of desgewenst over persoonlijke aangelegenheden, en die de student attent maakt op faciliteiten voor specialistische vormen van begeleiding binnen of buiten de universiteit. De studieadviseur adviseert de student over diens studieplan.

4.Halverwege het eerste studiejaar bespreekt de studieadviseur met de student het te verwachten advies aan het eind van het eerste verblijfsjaar, de prestaties en de omstandigheden van de student in aanmerking genomen.

5.In het studieplan wordt voor vertraagde studenten de aard van de begeleiding en de aard van andere voorzieningen voor studenten afgesproken. Slechts aan de afspraken in een studieplan kunnen rechten worden ontleend.

a.Studenten die door aantoonbare overmacht of persoonlijke omstandigheden achterop raken hebben recht op begeleidingsafspraken in een studieplan.

b.Het recht op bovengenoemde voorzieningen betreft het recht op individuele studiebegeleiding en indien nodig en mogelijk, dispensatie tot deelname en/of het beschikbaar zijn van afwijkende faciliteiten voor bijvoorbeeld het afronden van onderwijseenheden.

c.Studentactivisme is een geaccepteerde grond voor vertraging indien deze bij de studieplan is afgesproken. Er zijn regelingen voor financiële compensatie voor vertragingen bij erkend activisme (bijlage 5 Instellingsspecifiek deel Studentenstatuut).

d.In het eerste studiejaar wordt geen activisme geaccepteerd als reden voor individuele voorzieningen.

e.Studenten die een ernstige studievertraging hebben, krijgen het advies geen activisme te bedrijven en zullen vervolgens voor door hen bedreven activisme niet worden gefaciliteerd.

6.Voordat de student voor de vierde keer een tentamen in een onderwijseenheid aflegt dient de student een begeleidingsplan voor deze onderwijseenheid op te stellen in overleg met de studieadviseur en de examinator van het onderdeel.
De examinator beslist over het begeleidingplan.

7.Aan iedere student wordt uiterlijk aan het eind van zijn eerste jaar van inschrijving voor de opleiding een schriftelijk advies uitgebracht over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de opleiding. Het advies is gebaseerd op de behaalde studieresultaten en het advies van de studieadviseur van de student. Het verstrekken van het advies is door het College van Bestuur gemandateerd aan de decaan.

8.De decaan draagt zorg voor registratie en tijdige bekendmaking van de tentamenresultaten van de individuele studenten in het SIS van de instelling.

Artikel 7- Studeren met een functiebeperking

1.Onder een functiebeperking wordt verstaan een langdurige lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis die de student kan beperken in de studievoortgang.

2.a. Op basis van een intakegesprek met studieadviseur en/of de studentendecaan wordt in overleg met de student vastgesteld welke aanpassingen voor deze student het meest doeltreffend geacht worden. Bij het treffen van aanpassingen dient het bereiken van de eindtermen te zijn gewaaarborgd.

b. Op basis van het onder a. bedoelde gesprek stelt de studieadviseur of studentendecaan een schriftelijk verzoek tot verlening van aanpassingen op.

c. Het verzoekschrift wordt, zo mogelijk drie maanden voordat de student zal deelnemen aan onderwijs, tentamens en praktische oefeningen, ingediend bij de faculteitsdecaan.

d. Het verzoekschrift wordt onderbouwd door bescheiden (zoals een verklaring van een arts of een psycholoog of, indien er sprake is van bijvoorbeeld dyslexie, van een BIF-, NIB-, of NVO- geregistreerd testbureau) die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling ervan.

3. a. De decaan beslist binnen een termijn van 20 werkdagen na ontvangst , of zoveel eerder als de urgentie van de aanvraag noodzakelijk maakt, over de toewijsbaarheid van het verzoek bedoeld in lid 2, en stelt de student en de betrokken studieadviseur van zijn oordeel in kennis in kennis.

b. Indien de decaan het verzoekschrift niet of niet geheel honoreert, stelt de decaan de student van de daaraan ten grondslag liggende motieven op de hoogte, en wijst de student op de mogelijkheid van bezwaar en beroep.

c. Bij toekenning van aanpassing wordt aangegeven voor welke periode deze toekenning geldig is. Voor het einde van de periode zal door aanvrager en betrokken studieadviseur een evaluatie plaatsvinden. Hierin zal zowel de effectiviteit van de geboden aanpassingen als de noodzaak tot voortzetting ervan besproken worden.

Artikel 8 - Faciliteiten (volgens art. 7.59 WHW)

1.Bij informatievoorziening voor en over de studie, alsmede administratieve procedures wordt het inter- of intranet gebruikt. De UT hanteert een elektronische leeromgeving. Bij sommige opleidingen is een laptop verplicht (zie bijlage). Studenten kunnen hiervoor gebruik maken van een aanbod van de universiteit via het Notebook Service Centrum (NSC). Met de laptop zijn studenten in staat gebruik te maken van het netwerk van de universiteit, waarmee zij toegang hebben tot intra- en internet.

2.De universiteit beschikt over hoor- en werkcollegezalen, accommodaties voor begeleid en onbegeleid studeren, een bibliotheek, en onderzoeksvoorzieningen die het onderwijs ten dienste staan. De universiteit heeft beperkt faciliteiten voor vrije toegang tot computers.

3.De opleiding stelt aan de studievereniging ruimte ter beschikking voor de uitvoering van hun activiteiten.

Paragraaf 2 - Tentamens

Artikel 9 – Frequentie en tijdvakken van tentamens

1.Tot het afleggen van schriftelijke en mondelinge tentamens wordt twee maal per jaar de gelegenheid gegeven. Praktische oefeningen kunnen tenminste één keer per jaar worden afgerond. De regels die gelden voor een praktische oefening worden bij de aanvangvan de onderwijseenheid gecommuniceerd.

2.Eén maand voor het begin van het studiejaar wordt het tentamenrooster voor dat studiejaar bekend gemaakt.

3.Voor het begin van het semester wordt bekend gemaakt op welk tijdstip in dat semester de tentamengelegenheden zijn verroosterd.

4.Het verplaatsen van een tentamen naar een ander tijdstip dan in het rooster is aangegeven, is alleen toegestaan na toestemming van de decaan. De student wordt van deze verplaatsing op de hoogte gesteld.

5.De examencommissie kan in bijzondere gevallen toestaan dat wordt afgeweken van het aantal malen en de wijze waarop tentamens kunnen worden afgelegd.

Artikel 10 - Mondelinge tentamens

1.Het mondeling afnemen van een tentamen is openbaar, tenzij de examencommissie in een bijzonder geval anders heeft bepaald.

2.De examencommissie stelt regels op voor de goede gang van zaken bij het mondeling afnemen van tentamens.

Artikel 11 - Geldigheidsduur tentamens

1.De geldigheidsduur van een tentamenresultaat is 6 jaar.

2.Op verzoek van de student verlengt de examencommissie de geldigheidsduur met een door haar vast te stellen termijn, tenzij daartegen overwegende bezwaren zijn.

Artikel 12 - Vaststelling en bekendmaking van de uitslag

1.Ten bewijze dat een tentamen met goed gevolg is afgelegd, wordt ten behoeve van de student van een behaald cijfer voor een onderwijseenheid - in de zin van art.7.11 van de wet - door de desbetreffende examinator(en) een geautoriseerd bewijsstuk aangemaakt.
Een geautoriseerd bewijsstuk is een door, of vanwege, een examinator geparafeerde lijst of een ander schriftuur dan wel een via het in gebruik zijnde StudentInformatieSysteem (SIS) bekend gemaakte uitslag.

2.De examinator stelt binnen één werkdag na het afnemen van een mondeling tentamen de uitslag vast en meldt dit aan de student.

3.Het in lid 2 gestelde is niet van toepassing indien het mondeling tentamen deel uitmaakt van een serie mondelinge tentamens van dezelfde onderwijseenheid, die zich over meer dan één werkdag uitstrekt. In dat geval stelt de examinator na afloop van de serie mondelinge tentamens binnen één werkdag de uitslag vast.

4.De student ontvangt binnen 20 werkdagen het bewijsstuk als bedoeld in artikel 1.
Indien de examinator hiertoe door bijzondere omstandigheden niet in staat is, meldt hij dit met redenen omkleed aan de examencommissie.

De betrokken student(en) wordt (worden) door de examencommissie onverwijld van de vertraging op de hoogte gesteld, onder vermelding van de termijn waarbinnen de uitslag alsnog bekend wordt gemaakt. Indien de examinator naar het oordeel van de examencommissie in gebreke blijft, kan zij een andere examinator opdragen het cijfer vast te stellen.

5.Wanneer een tweede tentamengelegenheid korte tijd na de eerste gelegenheid is gepland, zijn de tentamenuitslagen beschikbaar op een tijdstip waarop de student tenminste 10 werkdagen de tijd heeft om zich op de tweede gelegenheid voor te bereiden.

6.Indien de beoordeling voor een onderwijseenheid verkregen wordt door het schrijven van een verslag of scriptie, geldt de inleverdatum van het verslag of de scriptie als tentamendatum.

7.Indien een student voor eenzelfde onderwijseenheid meerdere keren is beoordeeld, geldt de hoogste beoordeling.

Artikel 13 - Inzagerecht

1.Gedurende tenminste 20 werkdagen na de bekendmaking van de uitslag van een schriftelijk tentamen krijgt de student op zijn verzoek inzage in zijn beoordeelde werk.

2. De in lid 1 bedoelde inzage of kennisneming kan geschieden op een van tevoren vastgestelde plaats en op tenminste twee van tevoren vastgestelde tijdstippen.

Indien de student aantoont door overmacht verhinderd te zijn of te zijn geweest op een aldus vastgestelde plaats en tijdstip te verschijnen, wordt hem een andere mogelijkheid geboden, zo mogelijk binnen de in lid 1 genoemde termijn.

Plaats en tijdstippen bedoeld in de eerste volzin worden binnen vijf werkdagen nadat de uitslag is bekend gemaakt, vastgesteld.

Artikel 14 - Nabespreking van tentamens

1.Ten hoogste 20 werkdagen na de bekendmaking van de uitslag van een mondeling tentamen kan op verzoek van de student dan wel op initiatief van de examinator een nabespreking plaatsvinden tussen de examinator en de student. Alsdan wordt de gegeven beoordeling gemotiveerd.

2.Gedurende een termijn van 20 werkdagen na de bekendmaking van de uitslag kan de student die een schriftelijk tentamen heeft afgelegd, aan de desbetreffende examinator om een nabespreking verzoeken. De nabespreking geschiedt op een door de examinator te bepalen plaats en tijdstip.

3.Indien door of vanwege de examencommissie een collectieve nabespreking wordt georganiseerd, kan de student een verzoek als bedoeld in het vorige lid pas indienen, wanneer hij bij de collectieve bespreking aanwezig is geweest en het desbetreffende verzoek motiveert danwel wanneer hij door overmacht verhinderd is bij de collectieve bespreking aanwezig te zijn.

4.Het bepaalde in lid 3 is van overeenkomstige toepassing, indien de examencommissie dan wel de examinator de student gelegenheid biedt om zijn uitwerkingen te vergelijken met modelantwoorden.

5.De examencommissie kan toestaan dat van het bepaalde in de leden 2 en 3 wordt afgeweken.

Artikel 15 - Fouten of onvolledigheden in de administratie

Indien in de tentamenuitslag, een cijferlijst of een overzicht met betrekking tot het studieverloop van een student een kennelijke vergissing is gemaakt, is zowel de opleiding als de student verplicht om dit, direct na constatering ervan, aan de andere partij kenbaar te maken en mee te werken aan het ongedaan maken van de gemaakte vergissing.

Paragraaf 3 - Goedkeuring examencommissie

Artikel 16 - Vrijstelling van een tentamen of praktische oefening

1.De examencommissie kan, eventueel na advies van de desbetreffende examinator te hebben ingewonnen, op verzoek van de student vrijstelling verlenen van een tentamen of praktische oefening.

2.De gronden waarop de examencommissie vrijstelling kan verlenen voor het afleggen van een bepaald tentamen hebben uitsluitend betrekking op het niveau, de inhoud en de kwaliteit van de eerder door de desbetreffende student behaalde tentamens of examens, dan wel van zijn buiten het hoger onderwijs opgedane kennis, inzicht en vaardigheden.

3.De vrijstelling door de examencommissie van de verplichting tot het deelnemen aan praktische oefeningen kan onder meer worden verleend aan studenten die aannemelijk kunnen maken dat zij verwachten in gewetensnood te zullen komen bij of door het moeten uitvoeren van een bepaalde opdracht of praktische oefening. In dat geval bepaalt de examencommissie of de praktische oefening op een andere, door haar te bepalen wijze, kan worden verricht.

Artikel 17 - Vrij programma

De examencommissie van de opleiding beslist over een verzoek tot toestemming voor het volgen van een vrij onderwijsprogramma als bedoeld in art. 7.3c, van de wet. De examencommissie toetst of het programma past binnen het domein van de opleiding, samenhangend is en voldoende niveau heeft in het licht van de eindtermen van de opleiding.

Paragraaf 4 - Examens

Artikel 18 - De aan de opleiding verbonden examens

1.De opleiding heeft een propedeutisch examen en een bachelorexamen.

2.Een student die na twee jaar de propedeuse niet heeft afgerond mag verdere B2 en B3 onderwijseenheden afronden wanneer reeds 80 EC zijn afgerond en studieonderdelen uit de propedeuse met voorrang worden ingepland

3.Een bachelorstudent mag aan onderwijseenheden van de masteropleiding deelnemen indien:

a)hij tenminste 150 EC uit de bachelor heeft afgerond, terwijl de propedeuse geheel is afgerond en

b)over de noodzakelijke voorkennis voor de betreffende onderwijseenheden beschikt en

c)de studiesnelheid in de bacheloropleiding tenminste 0.8 bedraagt.

4. De examencommissie kan op verzoek van de studieadviseur op bijzondere gronden dispensatie verlenen in de gevallen 2 en 3..

Artikel 19 - Tijdvakken en frequentie examen

1.Tot het afleggen van het propedeutisch examen wordt ten minste twee maal per studiejaar door de examencommissie gelegenheid gegeven.

2.De periode waarin de uitslagen van de propedeutische examens worden vastgesteld, wordt vóór het begin van het studiejaar gepubliceerd. De precieze data worden uiterlijk tien weken voor de vaststelling bekend gemaakt.

3.Tenminste twee maal per jaar wordt door de examencommissie de uitslag van het bachelorexamen vastgesteld.

4.De periode waarin de uitslagen van de bachelorexamens worden vastgesteld, wordt vóór het begin van het studiejaar gepubliceerd. De precieze data worden uiterlijk tien weken voor de vaststelling bekend gemaakt.

5.Een student die de uitslag van zijn examen wenst te verkrijgen dient zich daarvoor uiterlijk vier weken voorafgaand aan de desbetreffende vaststelling bij de examencommissie aan te melden.

Artikel 20 -Graad

Aan degene die het bachelorexamen met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de graad Bachelor of Science (BSc) verleend.

Paragraaf 5 - Beroep en bezwaar

Artikel 21 - Individueel beroep en bezwaar

1.Tegen besluiten van de examencommissie of van de examinator kan binnen vier weken nadat het besluit aan betrokkene is bekend gemaakt, beroep worden aangetekend bij het College van Beroep voor de Examens.

2.Tegen besluiten van de decaan op grond van deze regeling kan binnen zes weken nadat het besluit aan betrokkene is bekend gemaakt, bezwaar worden gemaakt bij de decaan.

Paragraaf 6 - Strijdigheid, wijziging en invoering

Artikel 22 - Strijdigheid met de regeling

Indien een studiegids en/of overige regelingen die het onderwijsprogramma en/of het examenprogramma raken, in strijd zijn met deze regeling of de daarbij behorende bijlagen gaat het bepaalde in deze regeling met inbegrip van de bijlagen voor.

Artikel 23 - Wijziging regeling

1.Inhoudelijke wijzigingen van deze regeling worden door de decaan bij afzonderlijk besluit vastgesteld.

2.Inhoudelijke wijzigingen van deze regeling zijn niet van toepassing op het lopende studiejaar. Inhoudelijke wijzigingen kunnen wel van toepassing zijn op het lopende studiejaar indien belangen van de studenten hierdoor redelijkerwijze niet worden geschaad of indien er sprake is van overmacht.

3.Inhoudelijke wijzigingen van deze regeling kunnen niet met terugwerkende kracht een reeds door de examencommissie genomen besluit ten nadele van een student beïnvloeden.

Artikel 24 - Overgangsregeling

1.Indien de samenstelling van het onderwijsprogramma inhoudelijk wijziging ondergaat dan wel indien deze regeling wordt gewijzigd, wordt door de decaan een overgangsregeling vastgesteld die wordt opgenomen in de bij deze regeling behorende opleidingsspecifieke bijlage.

2.Structuur van de overgangsregelingen wanneer het onderwijsprogramma wijzigt:

a)In principe is er te allen tijde per opleiding één geldend, door de decaan vastgesteld, onderwijsprogramma. Regels in examenreglementen behorend bij elke opleiding voor het accommoderen van curriculumwijzigingen worden geformuleerd vanuit dit uitgangspunt.

b)Curriculumwijzigingen worden door de decaan vastgesteld voorafgaand aan het jaar waarin deze worden ingevoerd. Curriculumwijzingen worden zorgvuldig voorbereid en zijn gericht op verbetering van de opleiding en voor - in principe - alle generaties studenten.

c)Studenten kunnen niet claimen dat precies alle onderwijseenheden van de opleiding, zoals dat bestond bij hun inschrijving, tot hun onderwijsprogramma behoren.
Het programma zoals dat het meest recent door de decaan is vastgesteld is uitgangspunt bij het vaststellen van de exameneisen.

3. In voorkomende gevallen wordt in deze overgangsregeling in ieder geval opgenomen:

a)Voor elke opleiding in de meeste gevallen een éénrichtings-equivalentietabel (of meerdere bij opeenstapeling van veranderingen) waarin staat hoe reeds behaalde resultaten voor vervallen onderwijseenheden kunnen worden gebruikt ter vervanging van nieuwe onderwijseenheden. In gevallen waarin een andere vervangingsregel adequater is, voorzien genoemde bijlagen. Deze gevallen kunnen het gevolg zijn van zeer grote of complexe curriculumwijzingen.

b)Indien een onderwijseenheid van een onderwijsprogramma is vervallen, wordt in het studiejaar daarna maximaal tweemaal de gelegenheid geboden het tentamen af te leggen of op andere wijze een beoordeling te verkrijgen.

c)Practica en projecten worden in beginsel niet meer verroosterd of getentamineerd in de jaren nadat ze uit een programma zijn geschrapt. Er wordt tenminste één equivalente onderwijseenheid aangewezen.

d)De examencommissie kan in bijzondere gevallen toestaan dat wordt afgeweken van het aantal malen en de wijze waarop tentamens van vervallen onderwijseenheden kunnen worden afgelegd.

Artikel 25 – Bekendmaking

De Onderwijs- en Examenregeling (OER) en de daarbij behorende bijlagen worden via de website van de instelling en die van de opleiding bekendgemaakt.

Artikel 26 – Inwerkingtreding

1.Deze regeling treedt in werking op 1 september 2009 en treedt in de plaats van de regeling d.d. …………….

2.De OER is van toepassing op alle studenten die staan ingeschreven bij de opleiding.


Voorbeeld van elementen van een Opleidingsspecifieke bijlage van de Onderwijs- en Examenregeling voor de Bacheloropleiding ………………


De regels in deze bijlage zijn onderdeel van het opleidingsdeel van het studentenstatuut, inclusief de onderwijs- en examenregeling, van de bacheloropleiding...................van de faculteit .....................................van de Universiteit Twente, verder te noemen 'OER'.



a.Inhoud van de opleiding en van het daaraan verbonden examen

De opleiding omvat de volgende onderwijseenheden die indien succesvol afgerond toelatingsrecht geven tot het bachelorexamen.

I het eerste studiejaar – de propedeutische fase


ECs

onderwijsvorm

beoordeling

volgorde-eisen

Studiejaar 1 ..

60



ten aanzien van de projecten gelden eisen ten aanzien van de studiesnelheid
















Vak 2




.











Project 3










II het tweede studiejaar


EC's

onderwijsvorm

beoordeling

volgorde-eisen

Studiejaar 2 ..

60













































III het derde studiejaar


ECs

onderwijsvorm

beoordeling

volgorde-eisen

Studiejaar 3 ..

60



……

Minor




.











B-opdracht




……























b.Inrichting van de praktische oefeningen

in de tabel bij a. zijn de onderwijs- en tentamenvormen vermeld. Daarbij is duidelijk geworden welke onderwijseenheden geheel of gedeeltelijk uit (een) praktische oefening(en) bestaan. Voor praktische oefeningen geldt inschrijf- en deelnameplicht en wordt binnen de cursus aangegeven hoe de onderwijseenheid zal worden afgerond.


Een stage kan in het onderwijsprogramma worden opgenomen in plaats van de bacheloropdracht wanneer de student na het behalen van het bachelordiploma wil uitstromen naar een maatschappelijke functie. Het doel van een dergelijke stage is het opdoen van voor de opleiding relevante ervaring in een bedrijf of instelling buiten de universiteit. Voor studenten die na het behalen van het bachelordiploma een masteropleiding gaan volgen, zal een stage in de regel in het masterprogramma zijn opgenomen.



c.Studielast van de opleiding en van elk van de daarvan deel uitmakende onderwijseenheden

De studielast van de onderwijseenheden is aangegeven onder a.




d.Volgtijdelijkheid van en toelatingseisen voor tentamens en praktische oefeningen. De toelatingseisen in verband met voorkennis zijn vermeld onder a.



e.De eindtermen van de opleiding

Uitwerking op basis van de Dublin descriptoren en indien gewenst met uitbreiding van de Meijers criteria.

f.Vorm van de opleiding

De opleiding is een voltijds opleiding tenzij anders vermeld. Indien er een deeltijds- en/of een duale variant is gelden de in bijlage x genoemde wijzigingen ten opzicht van de voltijdse OER. (Studielast per jaar, geldigheidsduur tentamens, eisen ten aanzien van de studievoortgang en daaraan gekoppelde deelnamerechten.)



g.Vorm beoordeling en tentamens

De tentamenvorm van de onderwijseenheden is vermeld onder a.



h.De onderwijseenheden waaruit de student een keuze kan maken voor de invulling van de vrije ruimte van de opleiding. Indien de student hierbinnen een keuze maakt, is geen aparte goedkeuring van de opleiding nodig.


Onderwijseenheid

………………….

………………….

………………….

i.De aangewezen masteropleiding die aansluit op de bacheloropleiding of de afstudeerrichting binnen de bacheloropleiding, is

……………………………………………………………



j.Specifieke kenmerken van de opleiding

Uiterlijk twee weken voor het begin van de onderwijsperiode (semester of kwartiel) waarin het onderwijs voor een onderwijseenheid wordt aangeboden, maakt de desbetreffende Examencommissie in VIST de volgende aspecten van het onderwijs bekend: omvang, vereiste voorkennis en inhoud van de onderwijseenheid, het studiemateriaal, de tentameneisen, de wijze van tentaminering, en de vormgeving van het onderwijs. In het geval van een boek als studiemateriaal, maakt de Examencommissie van de onderwijseenheid dit minimaal 10 weken voor aanvang van de colleges bekend.

Aan het werken in een laboratorium worden veiligheidseisen gesteld. De student is gehouden kennis te nemen van dit reglement (www...) en de regels na te leven.

Vanwege het internationale karakter van de staf, zullen verschillende onderwijseenheden in het Engels worden gegeven. Wanneer de docent/begeleider de Nederlandse taal niet machtig is zal de verslaglegging en presentatie door de student in het Engels dienen te geschieden.

Numerus Fixus?

Gewetensbezwaarden?

Laptop verplicht?



k.Overgangsregelingen:

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………