Agendapunten

Verslag overleg 2008-06-25

logo Universiteitsraad UT

universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 300/302


Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 08 292

Fax


Datum

4 september 2008

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad op dinsdag 25 juni 2008


Aanwezig:

Leden UR:

Becht, Brinkman, Ferreira Pires, Hoogerdijk, Houweling, Koet, Landheer, Lodewijks, Meijer (vz), H.Poorthuis, N.Poorthuis, Terpoorten, Vernooij, Vogelzang, Wormeester, Ziehmer

College van Bestuur:

Van Ast, Flierman, Zijm

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)

Afwezig: Pol




1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent om 13.05 uur de laatste overlegvergadering van het academisch jaar en heet allen welkom. Voor velen is dit tevens de laatste overlegvergadering die zij als lid van de Universiteitsraad bijwonen.


De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld.


2.Mededelingen

College:

RoUTe 14: Het UMT heeft zich twee dagen lang intensief beziggehouden met de verdere invulling van RoUTe 14. De bijeenkomst was zeer succesvol. Voor verdere informatie wordt verwezen naar agendapunt 16c.

Personele zaken:

-Prof. Gerard van der Steenhoven is aangesteld als decaan van de faculteit TNW.

-Prof. Feijen gaat eind 2008 met pensioen, zodat er dan een vacature ontstaat voor de functie van WD van BMTI. Zoals bekend is het de bedoeling TG en BMTI te combineren tot één instituut. Er ligt inmiddels een strategische visie. Na de zomer zal begonnen worden met de werving.

-De procedure t.b.v. de opvolging van de rector verloopt voorspoedig.

Vooraanmeldingscijfers: De UT staat op -3% t.o.v. vorig jaar. Maar nog steeds geldt dat er verschillende cijfers circuleren. De verwachting is dat er uiteindelijk een plus van 3 à 5% gerealiseerd wordt. Delft staat op +16%, Eindhoven op -7%.

Bij de opleidingen is een heel gedifferentieerd beeld zichtbaar. De grootste tegenvallers zitten bij opleidingen met veel Duitse studenten, maar vooral t.a.v. de Duitse studenten zijn er nog vraagtekens bij de tellingen.

Op de vraag of het college denkt dat allen die zich bij de UT hebben aangemeld zich ook bij de IB Groep zullen melden wordt geantwoord dat een groot aantal dat na de eerdere storing zeker zal doen; overigens gaat het hier om vooraanmeldingscijfers, hetgeen zal betekenen dat een aantal studenten uiteindelijk toch iets anders zal gaan doen.

Kennispark: Een week geleden is een overeenkomst getekend met Kondor Wessels Projecten m.b.t. het verder ontwikkelen van het Kennispark. Daarmee komt de ontwikkeling daadwerkelijk in gang.

ECIU: Per 1.6.2008 is het voorzitterschap naar Twente gegaan.


UR:

Catering: Er is overeenstemming bereikt over de uitgangspunten voor het sociaal plan en het reorganisatieplan. Daarmee heeft het college zijn sociale gezicht wat meer laten zien dan eerder het geval was, zo is de beleving van betrokkenen.


3.Verslag van de overlegvergadering van 7 mei 2008 (UR 08-160)

Het verslag wordt ongewijzigd vastgesteld.


Naar aanleiding van het verslag:

Pag. 1 r.51/52: Dhr. Daalmans zal terugkomen op de vraag of studenten een stem krijgen in het beoordelen van de bibliotheek.


4.Nieuwe opleidingen

4a. Medische Psychologie (UR 08-195, UR 08-236)

De UR heeft inmiddels kunnen vaststellen dat er gelukkig een financiering voor twee jaar komt. Dit zal in het UR-besluit worden opgenomen in de vorm van een toezegging dat het financiële kader zal worden aangepast aan de nieuwe inzichten. De voorzitter zegt ervan uit te gaan dat de gewijzigde stukken ter informatie aan de UR toegezonden zullen worden.

Zijm wijst erop dat het van belang is dat bekostigd wordt via het hoge tarief.

Wormeester merkt op dat door faculteiten gezegd wordt dat zij verwachten een hogere opslag te krijgen aangezien er voor vier jaar wordt gereserveerd. Klopt dat? Ook Zijm heeft dat geluid gehoord – hij zal er nader met de faculteiten over spreken.


Zijm verwacht dat er wel mogelijkheden zijn om het aantal stageplaatsen te vergroten, ook als het om Duitsland gaat. Er is overigens nog wel even tijd – de opleiding start met het studiejaar 2009/2010. Ook zal geprobeerd worden een bepaalde vorm van selectie toe te passen als de instroom te groot wordt; dat zou bijvoorbeeld kunnen door de “Tilburgse methode” toe te passen, te kijken naar de vooropleiding en te kijken naar de persoonlijke motivatie. Zijm zegt expliciet toe dat een numerus fixus zoveel mogelijk voorkomen zal worden.


De UR besluit – met inachtneming van de gemaakte opmerkingen – in te stemmen met de start van de masteropleiding Medische Psychologie.


4b. Post-initiële opleiding IMBA (UR 08-206, UR 08-232)

Zijm zegt toe dat de opleiding op zorgvuldige wijze zal worden ingebed in het facultaire kwaliteitszorgsysteem van de faculteit MB.


Hoogerdijk informeert of het wel verstandig is om als UT ongewijzigd in te zetten op het aanbieden van postacademische opleidingen, terwijl het aan de andere kant moeilijk is om personeel te vinden voor deze opleidingen die niet direct bijdragen aan het opleiden van de “eigenlijke” studenten.

Zijm acht dat wel degelijk verstandig, omdat er in het kader van life long learning een enorme vraag wordt gegenereerd naar postacademisch onderwijs. Kennis veroudert namelijk steeds sneller, en daar moet op worden ingesprongen. Hij verwacht dat de markt zich zo zal ontwikkelen dat het ook mogelijk zal zijn medewerkers aan te trekken die daarop ingezet kunnen worden. Wat de verhouding tussen postacademisch en gewoon onderwijs betreft: juist dat type onderwijs kan zeer veel materiaal aandragen dat gebruikt kan worden in het cursusmateriaal voor het reguliere onderwijs.


De UR besluit – conform UR 08-232 – in te stemmen met de Toets Nieuwe Opleiding IMBA.


5.Opheffing bacheloropleiding Telematica (UR 08-204, UR 08-233)

Inmiddels is door Zijm toegezegd dat het college zorg zal dragen voor een schriftelijke evaluatie van de start, het verloop en het opheffen van de opleiding, maar daarnaast ook van de interne organisatie van de opleiding, de communicatie en voorlichting rondom de opleiding en de veranderende omgevingsfactoren. Deze evaluatie zal intern gebeuren, namelijk door EWI, onder meer op basis van gesprekken met externe relaties. Afgesproken wordt in het UR-besluit bij de toezegging op te nemen dat het onderzoek wordt uitgevoerd met betrokkenheid van een andere partij dan EWI.


Op de vraag of het opheffen van de opleiding ook betekent dat nu gerealiseerde EC’s Telematica als afloopfinanciering weer terugvloeien naar UT centraal antwoordt Zijm dat dat niet het geval is.


De UR besluit – conform het aangepaste document UR 08-233 – in te stemmen met het opheffen van de bacheloropleiding Telematica.


6.Reorganisatiecode (UR 08-220, UR 08-249)

Poorthuis vraagt of de zin op pagina 5 van de Reorganisatiecode, namelijk: “Dit betekent dat een sociaal plan alleen wordt opgesteld als beide partijen (OPUT en College van Bestuur) menen dat een aanvulling op het Kader voor Sociaal Beleid nodig is”, wel voldoet. Volgens Flierman is dat het geval, omdat het in goed overleg met alle partijen tot stand is gekomen. Stel dat het college een sociaal plan niet nodig zou achten en de vakbonden wel, dan zal dat in de discussie altijd een rol spelen en blijkt wel of dat echt een strijdpunt wordt of niet. Naar zijn mening zal er altijd wel een oplossing komen.


De personeelsgeleding van de UR besluit – conform UR 08-249 – in te stemmen met de Reorganisatiecode.

De studentgeleding besluit – conform UR 08-249 – positief te adviseren t.a.v. de Reorganisatiecode.


7.Reorganisatieplan Inkoop (UR 08-215, UR 08-156/157/203/214 UR 08-230)

Koet merkt op dat de studentgeleding er niet van op de hoogte was dat er een nieuw document is. Als gegarandeerd kan worden dat de wijzigingen niet anders zijn dan aangegeven, is het wat de studentgeleding betreft akkoord.


De personeelsgeleding van de UR besluit – conform UR 08-230 – in te stemmen met het Reorganisatieplan Inkoop.

De studentgeleding besluit – conform UR 08-230 – positief te adviseren t.a.v. het Reorganisatieplan Inkoop.


Houweling vraagt zich of de Faculteitsraden niet opnieuw advies moeten uitbrengen, omdat ook zij het nieuwe document niet kennen. De voorzitter geeft aan dat in de commissie afgesproken is dat de meest betrokken faculteiten en diensten met meer inkoopmedewerkers advies zouden uitbrengen. Een nieuwe adviesronde lijkt hem gezien de aard van de wijzigingen niet noodzakelijk.


8.Instellingskwaliteitszorgsysteem (UR 208-205, UR 08-231)

In UR 08-231 geeft de UR aan in plaats van een zesjaarlijkse Mid Term Review liever een vorm van jaarlijkse aandacht te willen voor de verbeterpunten en mogelijke risico’s in de P&C-cyclus. Ook ziet de raad liever een centrale kaderstelling als ondersteuning van de decentrale kwaliteitszorg. De UR zou graag een advies van de UCO over het IKS willen ontvangen.

Hoogerdijk meldt dat Inmiddels een deel van het UCO-verslag van het OLD-overleg is ontvangen, waaruit opgemaakt kan worden dat er veel kritische geluiden zijn. De UR heeft over dit verslag nog niet intern kunnen spreken en houdt daarom besluitvorming vooralsnog aan.

Zijm merkt op dat over de zwaarte van de MTR verschillend wordt gedacht, maar dat het belang van een IKS als zodanig, ook op instellingsniveau, niet alleen wordt onderschreven maar zelfs onontkoombaar wordt geacht. Het CvB is van mening dat het altijd goed is niet alleen intern maar ook extern te kijken; als middel daarvoor is gekozen voor een periodieke MTR. Hierbij kan nog opgemerkt worden dat voor wat betreft externe partijen gedacht wordt aan onderwijskundigen van andere universiteiten.

Het college kan zich wel vinden in het idee van het OLD-overleg om afhankelijk van de situatie bij de opleidingen uit te gaan van verschillende zwaarteniveaus van een MTR.

Overigens kan de UCO gevraagd en ongevraagd advies geven. Als men een advies had willen geven, had men dat moeten doen.


Zijm legt nog uit dat een MTR er juist is om te voorkomen dat het met de echte evaluatie fout gaat omdat zaken te laat worden gesignaleerd. Als er problemen zijn, zullen er in het vierde jaar van de zesjaarlijkse cyclus additionele maatregelen genomen worden.

Wat het kader betreft: Het meest belangrijke kader is het QANU-kader. Andere zaken worden met name belangrijk als het kwaliteitssysteem wordt uitgebreid naar andere systemen, zoals het studentvolgsysteem. Hij kan zich wel voorstellen dat als handreiking aan faculteiten een soort format voor best practice wordt aangeleverd.

Uiteindelijk moet er een systeem zijn dat ervoor zorgt dat de kwaliteitszorg op instellingsniveau geregeld kan worden en niet meer op opleidingsniveau hoeft plaats te vinden.


Volgens Koet is het goed dat er een raamwerk komt voor de faculteiten. De vraag is nog wel of niet meer nadruk gelegd moet worden op aandacht voor verbeterpunten. Zijm antwoordt dat geprobeerd zal worden wat meer maatwerk te leveren naar gelang de resultaten van de QANU-evaluatie. Dus daarmee krijgt ook de verbeterfunctie meer nadruk.

Terpoorten informeert of de UT mee wil doen aan de pilot die in het najaar van start gaat met de instellingsaudits. Zijm vertelt dat de instellingen niet zelf besluiten tot deelname. De Radbouduniversiteit en de TU Delft zullen aan de pilot meedoen.


De voorzitter meent te mogen concluderen dat de verschillen wat minder groot zijn dan ze eerder leken. Er moet echter wel een zodanige formulering komen dat die tot een positieve besluitvorming kan leiden. Omdat dat nog even tijd vraagt is er ruimte om de UCO te vragen alsnog een advies uit te brengen, zodat dat betrokken kan worden bij de definitieve besluitvorming. Is het college daartoe bereid?

Zijm betreurt het dat hiermee enige vertraging ontstaat, maar is bereid de UCO formeel om advies te vragen.


Brinkman informeert tot slot nog of er een verbinding ligt met OSIRIS voor een IKS. Zijm antwoordt ontkennend. OSIRIS is vooral een studentinformatiesysteem – een kwaliteitssysteem is toch iets anders.


De UR neemt nog geen besluit met betrekking tot het al dan niet instemmen met het IKS en wacht het advies van de UCO af.


9.Financiële Regelingen voor studenten (RAVIS- en Topsportregeling) (UR 08-207, UR 08-234)

Het college heeft inmiddels toegezegd dat de RAVIS-regeling na aanpassing aan de UR ter inzage wordt toegezonden. Verder zal gezorgd worden dat de definitieve tekstvoorstellen voor de Topcultuurregeling alsnog worden geleverd (waarschijnlijk in oktober).


De UR besluit – conform UR 08-234 – in te stemmen met de voorliggende wijzigingen van de RAVIS-regeling, en in afwachting van de definitieve tekstvoorstellen vooralsnog niet in te stemmen met de voorgestelde procedure voor de Topcultuurregeling.


10.Inschrijvingsregeling UT (UR 08-169, UR 08-238)

De UR besluit – conform UR 08-238 – positief te adviseren over de nieuwe Inschrijvingsregeling UT 2008-2009.


11.Raamovereenkomst UT-Saxion (UR 08-170, UR 08-235)

De UR besluit – conform UR 08-258 – positief te adviseren over de raamovereenkomst UT-Saxion sport en cultuur.


12.Jaarcirkel 3TU (UR 08-196, UR 08-237)

Zijm is bereid toe te zeggen dat alles in het werk zal worden gesteld om tot een uniforme tentamenperiode te komen, te beginnen in de week vóór de introductie. Dit vraagt echter nogal wat van de betrokken medewerkers m.b.t. het plannen van hun vakantie. Hij wil daarom wel een slag om de arm houden voor het geval zich barrières voordoen die nu nog niet te overzien zijn.


De UR besluit – conform UR 08-237 – positief te adviseren over de invoering van de 3TU-jaarcirkels in de jaren 2009/2010, 2010/2011, 2011/2012.

Tevens besluit de UR om na aanpassing van de daarmee verband houdende toezegging in UR 08-237 positief te adviseren over de invulling van de instellingsspecifieke ruimte.


13.Ontwerpnota Kaderstelling Jaarplan en Begroting 2009 (UR 08-209, UR 08-156, UR 08-163,

UR 08-245)

Ter vergadering wordt een conceptbesluit uitgereikt. Daarop wordt als volgt ingegaan:

Adviespunt 1: De tekst van de begroting 2009 de invulling laten zijn van de geactualiseerde bestuurlijke agenda voor het jaar 2009. Bij vermelde initiatieven dient duidelijk te zijn wie binnen de UT de actor is, wat de doelstelling is voor 2009 en welke financiële inzet gepleegd zal worden.

Van Ast: Met de Nota Risicomanagement heeft het college eerst een kader willen scheppen. Dit moet nog verder ingevuld worden. Het gaat om een signaleringsfunctie. Dat moet zowel in de begroting als in de P&C-cyclus naar voren kunnen komen.

Adviespunt 2: De keuze van prestatie-indicatoren en hun streefwaarden in het perspectief van de doelen van het instellingsplan en de meerjarenbegroting plaatsen.

Van Ast: De UT kent drie sets prestatie-indicatoren die gevolgd worden. Er zal er wel eens een aan toegevoegd moeten worden, misschien is er wel eens een niet meer nodig. Al met al hoopt het college een goede keuze te hebben gemaakt teneinde basiszaken te kunnen registreren en volgen. Ze zijn niet bedoeld om op grond daarvan af te rekenen. Als wordt ingeschat dat het om een verantwoord risico gaat, gebeurt er niets. Ze zijn bedoeld om een juiste reactie op te roepen. Enerzijds moeten ze realistisch zijn, maar aan de andere kant mogen ze op een aantal punten ook taakstellend zijn.

Adviespunt 3: De verkorting van de middelingsperiode van 4 jaar naar 2 jaar van de promotiepremie gepaard laten gaan met een bestuurlijke invulling om recht te doen aan het volledig premiëren van iedere gerealiseerde promotie.

Van Ast: De premies horen thuis waar de prestatie geleverd is. Maar moeten daaraan vanuit de centrale reserve miljoenen toegevoegd worden door verandering van het systeem? Dat is de vraag. Hij zou wel voelen voor een faseringsmodus – dus: van 4 naar 3 naar 2 jaar. Dat laat onverlet dat hij vindt dat de decanen er dan ook wel wat aan moeten doen.

Fasering lijkt ook Wormeester zeer wenselijk.

Adviespunt 4: De wenselijkheid van de zeer grote premiëring van premasters binnen het huidige verdeelmodel heroverwegen.

Van Ast: De eerstejaars worden gehonoreerd volgens het BaMa-model. Circa eenzesde is voor de premasters. Hij wil er wel eens naar kijken of dat geen ongewenste stapeling is, maar dat kan niet vóór 2009. Hij stelt voor dit punt op een later tijdstip eens op te pakken, want hij ziet het niet als een groot knelpunt. Wormeester kan zich daar wel in vinden.

Adviespunt 5: De ontwikkeling van een klein verdeelmodel pas ter hand nemen als blijkt dat WD-en onvoldoende aandacht besteden aan het opzetten van kansrijke perspectieven.

Van Ast: Is bereid toe te zeggen dat dit in ieder geval niet voor de begroting van 2009 plaats zal vinden.

Adviespunt 6: Bij het toekennen van incidentele middelen ter stimulering van een structurele activiteit vooraf te bezien of het mogelijk is dit te laten indalen en wanneer dit niet het geval is een meer structurele oplossing bij aanvang van een project te formuleren.

Zijm: Het college heeft het besluit genomen een aantal incidentele ontwikkelactiviteiten uit de CSOZ te financieren. Voor structurele activiteiten behoort dat niet het geval te zijn – zij dienen onderwerp van gesprek te zijn tijdens het begrotingsoverleg met de faculteiten. Hoe dat precies vorm moet krijgen is nog niet duidelijk; het moet in ieder geval een verhoging van het rendement opleveren. Het is niet de bedoeling tegen de faculteiten te zeggen: “Je zoekt het maar uit”. Het college beseft dat er middelen voor nodig zijn, maar dat moet dan wel op een juiste wijze gebeuren.

Wormeester zou het op prijs stellen als het college de uiteindelijke tekst van het besluit wat preciezer formuleert en het niet alleen heeft over “laten indalen”. De voorzitter benadrukt dat het doel niet alleen is het verhogen van het rendement maar vooral ook het verhogen van het vaardighedenniveau, hetgeen wellicht kan leiden tot een hoger rendement in de vervolgfase.

Adviespunt 7: In algemene zin alleen middelen uit het budget voor centrale stimulering inzetten indien beleidsdoelen van de UT niet binnen de beleidsruimte en financiële stimuleringsmiddelen van faculteiten en instituten gerealiseerd kunnen worden.

Van Ast: Bij de herziening van het verdeelmodel is erop ingezet zowel voor onderwijs als onderzoek 10% van de beschikbare middelen te reserveren, om naast het strategische proces dat een WD geacht wordt te doen ook specifieke dingen te kunnen doen. Het is duidelijk dat een bepaalde inzet nodig is om verbetering in gang te krijgen. Er moet wel ruimte zijn om strategisch mee te sturen; daar is ook geld voor nodig. Het is aan het college om daar op een bepaalde manier mee om te gaan – daarom is dit zo voorgesteld.

Van Ast zal samen met decanen en WD-en bekijken of het gewenst is een deel van de strategische middelen in projecten in te zetten – in die zin is het college bereid het toepassen van het kleine verdeelmodel even uit te stellen, en eenmalig aan het onderzoeksmodel 2009 toe te voegen.

Zijm stelt het heel scherp: het gaat om M€ 6 centrale onderzoekstimulering; M€ 2 wordt strategisch ingezet en M€ 4 valt onder het kleine verdeelmodel. In principe gebeurt er niets zonder nadrukkelijk overleg met de WD-en die daarvoor zijn aangesteld. Wat het kleine verdeelmodel betreft: In principe is er niets op tegen het door de WD-en te laten regelen, als zij het dan ook maar zelf goed oppakken. Dat wordt dus nader besproken, zoals door Van Ast al aangegeven.

Flierman merkt nog op dat er altijd het spanningsveld is: in hoeverre gaat het college per geval beslissen of iets wel of niet gedaan wordt? Er zal altijd iemand teleurgesteld worden. Daar staat tegenover dat het grote voordeel van zo’n model is dat van tevoren transparant en controleerbaar gemaakt wordt op welke basis men wel of niet iets kan krijgen.

Volgens Wormeester is dit een heel andere interpretatie van het kleine verdeelmodel dan hij het begrepen had. Hij is daar blij mee, want transparantie is inderdaad heel goed.


De UR besluit positief te adviseren ten aanzien van de Kaderstelling Jaarplan en Begroting 2009, met dien verstande dat het presidium gemandateerd wordt om in overleg met de portefeuillehouder de tekst hier en daar iets aan te scherpen op basis van de ter vergadering gevoerde discussie. Als toezegging zal in het advies opgenomen worden dat in het najaar bij de nadere besluitvorming over de begroting nader over het onderwerp gesproken zal worden aan de hand van de reactie van het college.


14.Schriftelijke rondvraagpunten (UR 08-248)

14.1. Naamgeving opleidingen

T.a.v. “toegepast”: Zijm voelt wel met de overwegingen van de UR mee en vindt het woord “toegepast” vaak ook een beter passende term, maar de UT heeft nu eenmaal te maken met dat wat besloten is. Niet-instemmen zou betekenen dat de moeizaam bereikte overeenkomst weer zou moeten worden opengebroken.

T.a.v. Advanced Technology: Het blijkt dat de UT de Engelstalige naam wel mag hanteren, dus is daarvoor gekozen.

T.a.v. Technische Geneeskunde: Destijds is van staatsecretaris Nijs expliciet toestemming verkregen om beide namen te hanteren, onder de voorwaarde dat er geen verwarring zou ontstaan en dat studenten zouden weten dat ze niet een verkapte studie geneeskunde zouden doen.

Flierman vertelt dat inmiddels ook de erkenning van de opleiding in de Wet BIG speelt. Bij het ministerie van VWS wordt momenteel volop gediscussieerd over wat de afgestudeerde uiteindelijk aan handelingen vanuit de eigen verantwoordelijkheid mag gaan doen.

T.a.v. Klinische Technologie: De naam klinisch technoloog ligt erg dicht bij klinisch fysicus. Het college wil aan het verschil tussen beide nadrukkelijk vasthouden, ook gezien het feit dat de UT-opleiding zesjarig is. De UT heeft daarin het ministerie van OC&W aan haar zijde, maar binnen VWS is dat nog geen gelopen race.


14.2. Kamerzoekstop

De renovatie van Calslaan-Nieuw zal slechts enkele maanden duren, aldus Van Ast. In de stad is voldoende woonruimte. De communicatie richting met name de eerstejaars studenten zal heel duidelijk moeten zijn, waarbij aangegeven zal worden dat ze niet per 1 september op de campus zullen kunnen wonen, maar hopelijk wel ergens in het najaar. Gezien de korte periode waar het om gaat wordt vooralsnog niet gekozen voor het plaatsen van cabines o.i.d.

Op een vraag van Ziehmer hoe het zit met de internationale studenten zegt Van Ast toe dat hij daarnaar zal informeren en er bij Ziehmer op terug zal komen.


Vernooij informeert of een en ander begeleid wordt door Acasa, waarop Van Ast antwoordt dat de eerstejaars er in principe hun eigen invulling aan zullen moeten geven. Zou men niets kunnen vinden, wat niet in de lijn der verwachtingen ligt, dan zal er via de UT wellicht alsnog iets moeten gebeuren.


Wormeester benadrukt dat het van groot belang is te zorgen dat hier niet een kleine “PR-ramp” ontstaat. Naar zijn mening dient het college hier heel pro-actief mee om te gaan, bijvoorbeeld door de bewoners van Calslaan-Nieuw te stimuleren tijdelijk in de stad te gaan wonen. Het risico is aanwezig dat hetgeen in jaren is opgebouwd in een paar maanden een flinke deuk oploopt.


14.3. Sports@UT

Zijm vertelt dat er lijnen en opdrachten zijn uitgezet, wat erop neerkomt dat het de bedoeling is in intensief overleg te gaan kijken of er een forse facilityshare-operatie in gang gezet kan worden samen met de gemeenten Enschede en Hengelo.


15.Voortgang 3TU-proces

De 3 TU’s zijn bezig een strategie te formuleren voor de volgende 4 à 5 jaar. Er ligt een evaluatie voor van de destijds geformuleerde ambities – zodra dat bestuurlijk is afgedaan is die beschikbaar voor de medezeggenschap. De evaluatie geeft een positief beeld van wat er inmiddels gerealiseerd is of kan worden binnen de planperiode tot 2010. Wat duidelijk achterblijft is de verbetering van de studierendementen. De strategische visie wordt kort na de zomerperiode intensief hernomen.

Er is een behoorlijke discussie gaande over de manier waarop de resultaten van de citatieanalyse verspreid moeten worden. Het knelpunt ligt niet zozeer bij de UT, maar men wil in 3TU-verband één lijn trekken.


16.Bespreking Algemene gang van zaken in aanwezigheid van leden van de Raad van Toezicht

Namens de Raad van Toezicht komen de heren Van Essen en De Boer binnen. Op de vraag of de heren specifieke punten aan de orde willen stellen merkt Van Essen op dat zij als leden van de RvT toezichthouder zijn en geen beleidsmaker. Zij willen dan ook graag getuige zijn van het overleg tussen de Universiteitsraad en het college rondom de algemene gang van zaken bij de universiteit.


16a. Jaarverslag en Financieel verslag 2007 (UR 08-177, UR 08-083, UR 08-076)

Dit punt is niet aan de orde geweest.


16b. Notitie voorlopige instroomcijfers UT 2008-2009 (UR 08-210)

Desgevraagd stelt Flierman dat het proces rondom de vooraanmeldingscijfers ongrijpbaar blijft. Ook landelijk is dat zo. In vergelijking met de landelijke trend kan heel globaal gesteld worden dat daar waar de UT het goed doet, zij het beter doet dan gemiddeld; en daar waar de UT het slechter doet, is het slechter dan gemiddeld. Los daarvan zijn ook bij de UT ontwikkelingen zichtbaar die oprispingen kunnen zijn, zoals bijvoorbeeld bij MB. Maar ook het aantal Duitse studenten speelt een rol. Dit najaar zal heel nadrukkelijk geëvalueerd worden wat de achtergronden van de cijfers kunnen zijn. Dan zal ook de nieuwe wervingscampagne die nu twee jaar loopt geëvalueerd worden. Daarbij zullen de afspraken die recentelijk rond het profiel van de UT, en het aspect onderwijs daarin, gemaakt zijn van belang zijn.

Het college is van mening dat het profiel van de UT zeer aantrekkelijk is. De ligging in dit deel van het land maakt nu eenmaal dat niet iedereen de locatie zo maar aantrekkelijk vindt. Daarom zal de universiteit het moeten hebben van een scherpe profilering en een zeer goede, zo niet de best denkbare, kwaliteit.

Zijm vult aan dat de UT al een aantal jaren inzet op stimulering van bèta/techniek. Het gaat langzaam, maar het begint zoden aan de dijk te zetten. Kijkend naar EWI heeft de beperkte instroom voor elektrotechniek te maken met de beeldvorming op de middelbare scholen – dat komt omdat het domweg geen vak is. Hij ziet echter grote kansen in vergroting van de internationale instroom. En in de ICT-sector in zijn algemeenheid ziet hij een grote verbreding van activiteiten door een opschuiven naar de creatieve sector vanuit de hard science kant; dat impliceert studenten met een andere belangstellingssfeer. EWI zet daar ook specifiek op in.


16c. Voortgang RoUTe 14

UReka vraagt zich af of activisme gestimuleerd zou kunnen worden via het interne UT-verdeelmodel. Van Ast merkt op dat het college meer mikt op bevordering van activisme door studentassistentschappen e.d. Dus door te kijken welke activiteiten geschikt zijn om meer door studenten te worden ingevuld. Flierman haakt hierop in door te vertellen wat er aan de orde is geweest tijdens het zojuist afgesloten tweedaagse Strategisch Beraad van het UMT, dat tot doel had een bouwwerk op hoofdlijnen te maken van RoUTe 14. Het UMT was te gast bij de École Politechnique Fédérale Lausanne, een van de twee Zwitserse technische universiteiten. Het UMT heeft daar veel herkend van de eigen gedachten en er veel inspiratie opgedaan. Decanen, instituutsdirecteuren en collegeleden hebben besloten zich te committeren aan de daar met elkaar gemaakte afspraken en gezamenlijk de verantwoordelijkheid te nemen voor de komende ontwikkelingen. Wat het UMT wil is dat de UT over vijf jaar zichtbaar is in de Europese top, dankzij haar hoge wetenschappelijke kwaliteit, haar ondernemende karakter en haar bijzondere onderwijs. Om dat te bereiken willen decanen, instituutsdirecteuren en college samen zorgen voor:

Vier duidelijk onderscheiden pijlers in het onderwijs: Pre-university programma’s, undergraduate onderwijs, een Graduate School voor onderzoekers naast een School of Engineering en een School of Social Sciences, en tot slot executive en life long learning programma’s. Kleinschalig onderwijs, intensieve begeleiding, ruim aandacht voor activisme en ondernemerschap.

Een continu levendige campus, waar ook de bewoners van de omliggende steden zich thuis voelen.

Een aansprekend nieuw high tech ontmoetings- en onderwijsgebouw.

Excellent onderzoek rond specifieke maatschappelijke toepassingsgebieden.

Tenure tracks voor talentvolle jonge onderzoekers.

Actieve rekrutering van internationale toppers.

Een actieve lobby.

Een wat uitgebreider overzicht van deze afspraken wordt ter vergadering uitgedeeld en zal aan alle medewerkers en studenten toegezonden worden.

Vanuit de UR worden vragen gesteld die ten doel hebben wat verder op de diverse punten in te gaan. Er kunnen op dit moment slechts globale antwoorden gegeven worden. Een diepgaande discussie is nog niet mogelijk, omdat er eerst een verdere uitwerking moet plaatsvinden. Het streven van het college is in september een visiedocument te presenteren.

Op de vraag hoe de RvT terugkijkt op het RoUTe 14-proces tot nu toe en wat zijn reactie is op hetgeen nu voorligt, antwoordt Van Essen dat de RvT met regelmaat is meegenomen in de discussie en er enthousiast door is geworden. De UT heeft als onderliggende titel “ondernemende universiteit”, en bij ondernemen hoort bruisendheid en bedrijvigheid. Met RoUTe 14 wordt naar een bruisende toekomst gekeken. Natuurlijk zullen vormgeving en implementatie veel aandacht moeten gaan krijgen, maar in ieder geval is het een proces waar veel energie in zit. Naar het oordeel van de RvT zet de UT zich hiermee zeer kansrijk op de kaart, zowel in Nederland als internationaal. De Boer voegt daaraan toe dat het voorstel van het UMT een felicitatie waard is. Het is zeer concreet en vrij snel in ontwikkeling gebracht – het heeft heel veel goede elementen in zich die op korte termijn tot concrete zaken kunnen komen.


17.Rondvraag

Koet: Er is in de pers een bericht verschenen over een masteropleiding Pabo van de UT en Saxion Deventer. Kan dat toegelicht worden?

Zijm vertelt dat wordt gedacht over dit soort opleidingen, maar dat het persbericht volstrekt voorbarig was. Als de plannen in die richting zich concretiseren zal de UR uiteraard tijdig geïnformeerd worden.


Ferreira Pires: Er zijn vaak klachten van mensen in de Zilverling aan de voorzijde over trillingen en geluid van de bouwwerkzaamheden, waardoor men zich moeilijk kan concentreren. Is dat bekend bij het college?

Van Ast zegt daar wel iets over gehoord te hebben, maar weet niet of er echt veel aan te doen is. Hij wil daar wel naar laten kijken; indien mogelijk zullen er maatregelen genomen worden, maar hij kan niets beloven.


Landheer: Wat vindt het college van het plan van de minister van Onderwijs om met eerstejaars studenten eerst een intakegesprek te voeren, met als doel een verhoging van het studierendement?

Zijm vindt de gedachte zo gek niet. De UT selecteert niet aan de poort, en zal dat ook niet gaan doen. Maar de intentie is wel om in het eerste jaar snel zoveel mogelijk goede studenten op de goede plek te krijgen. Het is zeer van belang om te proberen dat in het individuele contact met de studenten te realiseren – voor de student zelf maar ook voor de studie-efficiency. Kortom, Zijm steunt dat streven, maar in administratieve zin heeft het nogal wat gevolgen en daar is hij niet helemaal gerust op.


18.Sluiting

Voor een groot deel van de U-Raad is bijna het definitieve einde van hun zittingsperiode bereikt. Een afscheid volgt nog. Maar Wormeester vertrek al in augustus naar het buitenland. De voorzitter maakt daarom nu al van de gelegenheid gebruik om hem namens de raad te bedanken voor de zeer substantiële bijdrage die hij gedurende zes jaar geleverd heeft. Zowel de inhoud van zijn bijdrage als de wijze waarop hij die heeft geleverd is altijd met veel waardering ontvangen.

Flierman merkt op dat de UR en het college het lang niet altijd met elkaar eens waren, maar het vaak uiteindelijk toch wel werden. Dat is in belangrijke mate te danken aan de manier waarop Wormeester zich heeft ingezet in alle discussies – deskundig, maar ook met een bestuurlijke blik, genoeg om er samen uit te komen. Het college heeft hem als een stabiele figuur leren kennen, die het UR-werk altijd goed wist te combineren met zijn wetenschappelijke werk. Het college is hem zeer erkentelijk voor wat hij in het belang van de raad en de universiteit heeft gedaan.


Om 17.15 uur sluit de voorzitter de vergadering.


*****