Agendapunten

Inkomsten

AANVRAGE VOOR EEN TWEEJARIGE MASTEROPLEIDING


MEDISCHE PSYCHOLOGIE


UNIVERSITEIT TWENTE



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Februari 2008

Samenvatting


De Universiteit Twente dient een verzoek in tot accreditatie van een tweejarige masteropleiding Medische Psychologie.

De noodzaak een opleiding Medische Psychologie te starten is duidelijk geworden door een aantal sociale en demografische ontwikkelingen. Door vergrijzing neemt het aantal chronisch zieken in de komende jaren aanzienlijk toe. De bevolking van Nederland is in vergelijking met de ons omringende landen nog relatief jong, maar in 2010, zo is de verwachting, telt Nederland ongeveer 1,1 miljoen 75-plussers. De vraag naar zorg zal verhoudingsgewijs sterk toenemen. Ook zijn de gevolgen van een ongezonde levenswijze en het blootstaan aan gevaarlijke psychosociale en fysieke omstandigheden evenals van de veranderingen in de specialistische zorg - wel of niet in ziekenhuizen - en de verplegingsduur in de ziekenhuizen, merkbaar in de vraag naar eerstelijnszorg. Deze vraag doet een steeds zwaarder beroep op de huisarts. Een toenemend tekort aan huisartsen leidt echter tot een situatie van afnemende zorgverstrekking in de eerstelijnsgezondheidszorg. De afnemende zorg wordt nog versterkt doordat de problemen die de huisarts te behandelen krijgt in toenemende mate van psychosociale aard zijn en er een discrepantie optreedt in de aansluiting van de verlening van zorg op de geconstateerde klachten. Bovendien neemt de vraag naar preventieve zorg (o.m. bij overgewicht, diabetes, en hart- en vaatziekten) sterk toe.

Om veranderingen te kunnen doorvoeren dienen ten eerste instellingen, beroepsbeoefenaren, zorgverzekeraars en patiënten het erover eens te zijn, dat niet alle vragen van patiënten door artsen beantwoord moeten worden. Die vragen worden immers steeds meer divers, niet alleen in de eerste lijn, maar ook in de ziekenhuiszorg. Ten tweede moeten de partijen het erover eens zijn, dat er sprake is van diversiteit in deskundigheid onder hulpverleners. De door artsen gepercipieerde eindverantwoordelijkheid voor wat andere hulpverleners in de eerstelijns gezondheidszorg doen, is historisch te verklaren, maar dient wijzigingen te ondergaan, mede gezien bovengenoemde ontwikkelingen en samenhangende veranderingen in de aard van de te behandelen zorgproblemen en van de verantwoordelijkheid te nemen door andere zorgprofessionals.

Deze ontwikkelingen en de consequenties ervan voor de omvang van de zorgverlening en de kwaliteit van de zorgverlening vergroot de noodzaak psychologisch opgeleide scientist practitioners (academisch gevormde professionals die diagnose en behandeling baseren op methoden en uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek en ook eigen ervaringen en bevindingen terugkoppelen naar het wetenschappelijke forum) in te zetten in de gezondheidszorg. De aanvrage die de Universiteit Twente hierbij indient voorziet in deze behoefte door het aanbieden van een tweejarige masteropleiding Medische Psychologie. De masteropleiding is gericht op het opleiden van psychologen die grondige kennis van de klinische psychologie en de gezondheidspsychologie combineren met gedegen kennis van relevante onderdelen van de geneeskunde, en die bij de praktische uitoefening van hun werk beschikken over klinische vaardigheden op het terrein van diagnose, indicatiestelling en behandeling. De voorgestelde opleiding voorziet in een behoefte waarin bestaande vierjarige opleidingen (drie jaar bachelor en een masterjaar) niet kunnen voorzien. Deze behoefte betreft de inzet van medisch-psychologische professionals in een zorgomgeving waar problemen niet zozeer medisch maar in sterkere mate psychosociaal van aard zijn. Het is deze combinatie van psychologische kennis, klinische vaardigheden en medische kennis, die een tweejarige opleiding noodzakelijk maken. Het model van de ‘scientist practitioner’ zorgt voor de juiste wetenschappelijke opleidingsomgeving.

In samenwerking met de eerste-, tweede- en derdelijnsgezondheidszorg in de regio Twente kan een opleidingsklimaat worden gecreëerd dat borg staat voor een verantwoorde en gedegen medisch-psychologische opleiding. In dat verband zullen universitaire hoogleraren en docenten voor de belangrijke kennisbasis zorgen en zorgen praktijkhoogleraren en –begeleiders voor de afstemming van kennis en vaardigheden in de klinische praktijk. Samenwerkingsafspraken in de regio Twente, Salland en de Achterhoek met huisartsen, algemene ziekenhuizen, instellingen voor geestelijke gezondheidszorg, instellingen voor bedrijfsgeneeskundige zorg en reïntegratie, een revalidatiecentrum, en de universiteit zijn daartoe gemaakt. De tweejarige masteropleiding medische psychologie kan optimaal van deze kennisinfrastructuur profiteren. De specialistische taakherschikking die als gevolg hiervan in de eerstelijnsgezondheidszorg optreedt, leidt tot een weloverwogen en oplossingsgerichte taakverdeling tussen huisartsen en psychologen.

De hier voorgestelde tweejarige master Medische Psychologie gaat verzorgd worden door docenten die nu reeds aan de opleiding Psychologie zijn verbonden, alsmede door nieuw aan te trekken docenten en een hoogleraar Gezondheidspsychologie en door docenten van de opleiding Technische Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen van de Universiteit Twente en door de aan die opleidingen verbonden docenten van de Radboud Universiteit Nijmegen.

De Universiteit van Tilburg heeft eveneens een aanvrage voor een tweejarige masteropleiding medische psychologie ingediend. Inmiddels is deze aanvrage gehonoreerd. In de voorbereiding van het voorstel van de Universiteit Twente heeft overleg plaatsgehad met de collega’s in Tilburg en zijn de voorgestelde curricula op elkaar afgestemd.


Inhoud





Hoofdstuk 1.

Kenmerken van de instelling

Naam


Universiteit Twente

Adresgegevens


Postbus 217

7500 AE Enschede


Contactpersonen


Prof.dr. J.M. Pieters

Opleidingsdirecteur Psychologie

Universiteit Twente

Faculteit Gedragswetenschappen

Drs. R. van Dijk

Universiteit Twente


Instellingsbestuur










Voorzitter

Dr. A.H. Flierman

Rector

Prof.dr. W.H.M. Zijm

 

Hoofdstuk 2.

Omgevingsverkenning en toetsing macrodoelmatigheid

 

Een nieuwe opleiding dient (a) een bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van de Nederlandse kennissamenleving en (b) te voorzien in de door de overheid erkende behoefte (Beleidsregel Doelmatigheid Hoger Onderwijs, 2003). In dit hoofdstuk worden de resultaten van de omgevingsverkenning en macrodoelmatigheidstoets besproken die een tweejarige masteropleiding medische psychologie rechtvaardigen.

De ontwikkelingen in de gezondheidszorg (2.1) tonen aan dat de omvang en de aard van de behoefte aan medische zorg is veranderd. Deze veranderende zorgbehoefte betekent een herschikking en differentiatie in de gezondheidszorg, vooral binnen de meer traditionele beroepen in de somatische gezondheidszorg. Psychologen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan deze taakherschikking en een taakdifferentiatie betekent een meer prominente positie voor psychologen. In de gezondheidszorg, en dan vooral de somatische gezondheidszorg, zijn al veel psychologen werkzaam. De voorbereiding van psychologen op functies in de somatische gezondheidszorg is tot nu toe vooral een zaak van postdoctorale training en ervaring. Een initiële opleiding is er nog niet. Het bachelor-master syteem biedt de mogelijkheid psychologen op te leiden voor specifieke functies waaraan zeer zeker behoefte bestaat. De vereiste competenties worden beschreven in een sectie over een competente zorgverlening (2.2.) en de noodzaak van een separate opleiding wordt beargumenteerd (2.3). De masteropleiding medische psychologie heeft tot doel psychologen op te leiden die vertrouwd zijn met basisbegrippen uit de geneeskunde en voldoende basiskennis hebben op het vlak van de diagnostiek en begeleiding van psychosociale problemen bij het optreden van somatische en psychische stoornissen. De behoefte aan dit type psychologen wordt uiteengezet (2.4) en de infrastructuur voor de opleiding in Twente wordt toegelicht (2.5).

De aanvrage die de Universiteit van Tilburg indertijd voor een masteropleiding Medische Psychologie heeft ingediend, is gehonoreerd en de opleiding is reeds operationeel. Wij hebben daarvan kennisgenomen en er heeft afstemming plaatsgevonden van analyse van doelmatigheid en van de opzet van het curriculum. In zowel Tilburg als Twente geldt dat een masteropleiding Medische Psychologie een belangrijke bijdrage betekent van de algemene niet-academische ziekenhuizen in de regio. Het streven is niet de totstandkoming van een medische faculteit aan de Universiteit Twente. Wel zal het initiatief van de masteropleiding worden ingepast in de Twente Medical School en zal het ook aansluiting vinden bij het Cluster Technologie en Gezondheid van het Innovatieplatform Twente dat in de regio Twente door verschillende instanties wordt ingevuld.

 

2.1. Ontwikkelingen in de gezondheidszorg

 

De bevolking van Nederland is in vergelijking met de ons omringende landen nog relatief jong, maar in 2010, zo is de verwachting, telt Nederland ongeveer 1,1 miljoen 75-plussers. Tal van studies in opdracht van onder meer NIVEL, van LHV en van NHG tonen aan dat door de vergrijzing het aantal chronisch somatische en psychische klachten aanzienlijk zal toenemen. De vraag naar op deze groep gerichte specialistische zorg zal verhoudingsgewijs sterk toenemen.

Een grotere behoefte aan zorg ontstaat ook als gevolg van de groei in psychologische en medisch-technische behandelmogelijkheden. Minstens zo belangrijk echter is het gegeven dat de aard van de zorgvraag door de forse toename van chronisch zieken de afgelopen twee decennia ingrijpend is veranderd. Was in het verleden vooral sprake van behandelingsmodaliteiten voor medische aspecten van een aandoening, tegenwoordig behelst de behandeling van een chronische aandoening in belangrijke mate een psychologische oriëntatie. Het accepteren van en omgaan met een somatische aandoening of chronische ziekte eisen veel van de patiënt maar zeker ook van zijn omgeving. Daarnaast worden lichamelijke klachten veelal mede veroorzaakt of in stand gehouden door psychische, persoonlijke of sociale problemen. Huisartsen worden daardoor vaker geconfronteerd met problemen die - ondanks eventuele lichamelijke verschijnselen - psychisch van aard zijn, al dan niet voortkomend uit een chronische aandoening. Veel van deze klachten kunnen goed worden aangepakt door een psycholoog: dit betreft vooral chronische pijn of vermoeidheid, depressie, angst- en stemmingstoomissen, emotionele uitputting en andere burn-out verschijnselen. Van de inzet van eerstelijnspsychologen en van psychologen in eerstelijnscentra mag dan ook een bijdrage worden verwacht aan een wezenlijke verlichting van de druk op huisartsen. In de tweedelijnszorg in Nederland worden momenteel zo'n 40.000 patiënten voor diagnostiek, advies of behandeling doorverwezen naar psychologen die in ziekenhuizen op een afdeling Medische Psychologie werken. Nederland kent daarnaast steeds meer transmurale zorg waarbij specialisten buiten het ziekenhuis samenwerken met huisartsen en met thuiszorg bij de behandeling van chronisch zieke patiënten. Dergelijke transmurale activiteiten vormen eveneens een belangrijke mogelijkheid voor inschakeling van psychologen.

Ook zijn de gevolgen van een ongezonde levenswijze en het blootstaan aan gevaarlijke psychosociale en fysieke omstandigheden evenals van de veranderingen in de specialistische zorg - wel of niet in ziekenhuizen - en de verplegingsduur in de ziekenhuizen, merkbaar in de vraag naar eerstelijnszorg (Van der Velden & Hingstman, 2001).

In de huisartsenzorg zelf doen zich de komende jaren drastische veranderingen voor:

(1). De beschikbare huisartsencapaciteit daalt. Het aantal opleidingsplaatsen is te gering in verhouding tot de behoefte. Het Ministerie van VWS heeft het Capaciteitsorgaan ingesteld, dat de opleidingscapaciteit van geneeskunde berekent. Uit de berekeningen blijkt dat er minimaal jaarlijks 502 opleidingsplaatsen voor huisartsen zouden moeten zijn. Als rekening wordt gehouden met ontwikkelingen zoals de feminisering van het beroep, de behoefte aan deeltijd werken, en sociaal-culturele ontwikkelingen, zijn er extra opleidingsplaatsen nodig: volgens het NIVEL (Van der Velden & Hingstman, 2001) een instroom van 670 huisartsen. Het huidige aantal opleidingsplaatsen blijft hier ver bij achter (360).

Volgens de website van het NIVEL waren er per 1 januari 2001 in ons land 7.763 werkzame huisartsen. Bijna de helft is in de leeftijd tussen de 45 en de 55 jaar. De uitstroom van huisartsen zal in de komende tien jaar verhoudingsgewijs sterk toenemen, omdat een groot aantal huisartsen de pensioengerechtigde leeftijd gaat bereiken. Ook blijken huisartsen op steeds jongere leeftijd te stoppen met werken.

Het aandeel vrouwen binnen de totale huisartsen populatie (in 2000 25%) zal volgens het NIVEL stijgen tot 45% in 2010. Dit heeft invloed op het aanbod van de huisartsenzorg omdat vrouwen gemiddeld meer in deeltijd werken. Naar verhouding zal met de toename van vrouwelijke artsen het aanbod van de huisartsenzorg dus minder snel stijgen dan het aantal personen.

(2). Solopraktijken van huisartsen verdwijnen geleidelijk. In 1980 werkte nog 72% van alle huisartsen in een solopraktijk, tegenwoordig is dat nog slechts 38%. De rest werkt of in een duopraktijk (33%), of in een groepspraktijk (29%). Ook praktijkzoekende huisartsen, eveneens volgens de gegevens van het NIVEL, wensen tegenwoordig ook nauwelijks in een solopraktijk te werken. Ongeveer de helft heeft een voorkeur voor het werken in een groepspraktijk en iets minder dan de helft ambieert een duopraktijk. Een zeer gering aantal zou het liefst in een solopraktijk willen werken.

(3). De vraag naar de diensten van de huisarts neemt toe, in absolute zin en qua diversiteit. Het aantal patiënten dat de huisarts bezoekt is in Nederland de laatste jaren niet gestegen. Ruim 75% van de Nederlanders bezoekt zijn of haar huisarts minstens een maal per jaar. Gemiddeld hebben patiënten per jaar vier contacten met de huisarts, met relatief iets meer contacten met de allerjongsten en de ouderen en bij vrouwen. Gelet op de vergrijzing van de omvangrijke babyboomgeneratie stijgen de komende tien jaar het aantal ouderen en de specifiek voor deze groep kenmerkende stoornissen. Door de bevolkingsgroei en de bevolkingssamenstelling zal volgens het LIHN op basis van een raming uit 2000 de vraag in 10 jaar tijd met 7,4% stijgen. Het aantal mensen dat gebruik maakt van huisartsenzorg wordt dus niet groter, maar het aantal en de aard van contacten per gebruiker wel. Hier staat tegenover dat volgens NIVEL-gegevens de groei van het aantal huisartsen kleiner is, 5,4% in de periode van 1996 tot 2001.  

 

2.2. Competente zorgverlening

 

Mede op grond van bovenstaande wordt het duidelijk dat de huidige beroepenstructuur in de gezondheidszorg in Nederland aanscherping behoeft teneinde kwalitatief en kwantitatief voldoende zorg te kunnen leveren (KNMG, 2002; VWS en OCW, 2003). De inbreng van psychologen in de eerstelijns-, tweedelijns- en transmurale zorg is dan ook in overeenstemming met de toegenomen vraag naar deskundigheid en competenties van hulpverleners in het kader van deze taakherschikking in de gezondheidszorg.

Het rapport Taakherschikking in de gezondheidszorg van de Raad voor de Volksgezondheid & Zorg (RVZ, 2002) benadrukt dat het probleem van hulpverlening aan patiënten niét moet worden opgelost via de hiërarchie van de traditionele beroepenstructuur. Volgens de RVZ moet taakherschikking beoordeeld worden op de mate waarin zij een bijdrage levert aan de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. Deskundigheid en competenties van hulpverleners dienen richtinggevend te zijn voor de vraag wie de patiënt kan helpen - niet de hiërarchie van een oude beroepenstructuur, aldus de RVZ.

Nurse-practitioners en praktijkondersteuners richten zich op het uitvoeren van verpleegkundige taken (inclusief de eerste, directe, emotionele opvang) en het verrichten van basiscontroles, evenals het voorlichten van patiënten over ziekten en leefgewoonten die hierop van invloed zijn. In aanvulling op deze inbreng van paramedische hulpverleners met een verpleegkundige achtergrond kunnen psychologen een belangrijke bijdrage leveren op het niveau van de psychische en emotionele aspecten van lichamelijke en psychische aandoeningen.

Deze psychologen richten zich op psychologische diagnostiek en het toepassen van gerichte gedragsinterventies bij de preventie en behandeling van lichamelijke ziekten, bijv. de begeleiding van hartinfarct- en kankerpatiënten. In deze begeleiding kan de nurse-practitioner ook een duidelijke inbreng hebben. Andere ondersteuning bij de oplossing van psychosociale problemen betreft het leren omgaan met de aandoening, preventie van complicaties, compliance bevordering, secundaire preventie van co-morbide aandoeningen. Daarnaast kan de psycholoog actief zijn in de diagnostiek en behandeling van psychosociale klachten die samenhangen met technologische (invoering van medische technologie zoals smart protheses; biotechnologie zoals gentechnologie en IVF), sociale (veranderingen in sociale structuren, posities en status), demografische (meer mensen op leeftijd) en ruimtelijke (zoals volgebouwde omgeving, stank- en geluidsoverlast en visuele overdosis) problemen. Deze werkzaamheden vereisen echter wel een effectieve en doelgerichte basisopleiding die psychologen voorbereidt op het terrein van niet alleen de geestelijke maar zeker ook de somatische gezondheidszorg.

Het Ministerie van VWS heeft mede op grond van bovengenoemde ontwikkelingen het spanningsveld tussen vraag en aanbod in de huisartsenzorg erkend door uitbreiding van de praktijkondersteuning op HBO-niveau te realiseren. In hoeverre deze ondersteuning de werkdruk op de huisarts voldoende doet afnemen, is mede gelet op kwantitatieve (demografische ontwikkelingen, zoals vergrijzing) als kwalitatieve (grotere verscheidenheid in de aard van de aandoening met een belangrijke toenamen van psychosociale problemen) ontwikkelingen volgens het NIVEL vooralsnog moeilijk in te schatten. Het aantal praktijken dat gebruik maakt van ondersteuning door o.m. nurse practitioners en fysiotherapeuten, neemt gestaag toe. Verdere ondersteuning op academisch niveau bij de diagnose, indicatiestelling en eerste behandeling van de in aantal toenemende psychosociale problemen is echter dringend gewenst. (Medisch) psychologen opgeleid als scientist-practitioner, kunnen hierin uitstekend voorzien.

In 2003 heeft de commissie LeGrand (commissie Implementatie Opleidingscontinuüm en Taakherschikking) op verzoek van de staatssecretaris OC&W en de minister van VWS het rapport De Zorg van Morgen: Flexibiliteit en Samenhang samengesteld VWS en OCW, 2003). Daarin wordt een sterk pleidooi gehouden voor een verandering van opleidingen- en beroepenstructuur ten einde een goed antwoord te kunnen geven op huidige en toekomstige vragen aangaande adequate zorg. De voorgestelde taakherschikking moet een bijdrage leveren aan de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. Deskundigheid en competenties van hulpverleners dienen richtinggevend te zijn voor de vraag wie de patiënt kan helpen. Deze verandering in de organisatie van de zorg versterkt het innovatieve vermogen van de sector. In de Verenigde Staten is dit ook onderkend met betrekking tot de samenwerking tussen de psychologische en medische professie. Tovian (2004) spreekt van een health psychology marketplace. Hij suggereert de mogelijkheid dat psychologen een belangrijke rol kunnen gaan spelen in de eerstelijns zorgvoorziening in de positie van poortwachter. Wel pleit hij voor een sterke nadruk in de gezondheidspsychologie, ook uit kostenoverwegingen, voor preventie en voor de ontwikkeling van doelgerichte programma’s (zie ook Smith, Orleans, & Jenkins, 2004).

Taakherschikking heeft ook toegevoegde waarde voor de arbeidsmarkt. Door taakherschikking ontstaan meer perspectieven voor mensen met verschillende verwachtingen van beroepsuitoefening en carrière. Naast inbreng vanuit het HBO zou zeker ook de inbreng van gekwalificeerde psychologen een belangrijke bijdrage kunnen leveren (zie het pleidooi van Tovian, 2004; onderstreept door Keefe & Blumenthal, 2004).

Uit onderzoek uitgevoerd in opdracht van de commissie LeGrand blijkt dat consumenten graag snel geholpen willen worden. Een ruime meerderheid van de respondenten wordt op de EHBO liever opgevangen door een gespecialiseerde verpleegkundige, die binnen 15 minuten helpt, dan in een volle wachtkamer te moeten wachten op de arts. Verder bleek dat consumenten taakherschikking in het algemeen steunen, maar dat een gering aantal aangeeft niet in te kunnen schatten in hoeverre de zorgverleners deskundig zijn. De RVZ pleit dan ook voor goede voorlichting over taakherschikking en over de inzet en de kwaliteit van de nieuwe zorgprofessionals.
Tevens wordt ervoor gepleit, ten einde de toegankelijkheid van de zorg te vergroten, een voorziening te creëren, waar patiënten 24 uur per dag en zeven dagen per week telefonisch terecht kunnen voor een eerste screening en eventueel voor telefonisch advies. Ook kan de toegankelijkheid vergroot worden door walk-in-centra, door diagnostische centra en door rechtstreekse toegankelijkheid van paramedische beroepen mogelijk te maken. Om de verdere ontwikkeling van nieuwe vormen van zorg en organisaties in de eerste lijn te stimuleren, beveelt de RVZ duidelijkheid aan over het basistakenpakket van de huisarts.

Om de voorgestelde veranderingen daadwerkelijk te kunnen benutten, moeten aanvullende wijzigingen worden doorgevoerd. Ten eerste moeten instellingen, beroepsbeoefenaren, zorgverzekeraars en patiënten het erover eens zijn, dat niet alle vragen van patiënten door artsen beantwoord moeten worden. Die vragen worden immers steeds diverser, niet alleen in de eerste lijn, maar ook in de ziekenhuiszorg. Ten tweede moeten de partijen het erover eens zijn, dat er sprake is van diversiteit in deskundigheid onder hulpverleners. De door artsen gepercipieerde eindverantwoordelijkheid voor wat andere hulpverleners in de eerstelijns gezondheidszorg doen, is historisch te verklaren, maar zal wijzigingen ondergaan, mede gezien bovengenoemde ontwikkelingen en samenhangende veranderingen in de aard van de te behandelen zorgproblemen en van de verantwoordelijkheid te nemen door andere zorgprofessionals.

Binnen de bedrijfsgezondheidszorg wordt een toenemende behoefte aan psychosociale preventie zorg en begeleiding geconstateerd mede als gevolg van het feit dat de werkgever tegenwoordig verplicht is om kosten van de eerste twee jaar ziekte van werknemers voor zijn rekening te nemen.

Bovengenoemde ontwikkelingen en de consequenties ervan voor de omvang van de zorgverlening en de kwaliteit van de zorgverlening vergroot de noodzaak psychologisch opgeleide scientist practitioners (academisch gevormde professionals die diagnose en behandeling baseren op methoden en uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek en ook eigen ervaringen en bevindingen terugkoppelt naar het wetenschappelijke forum) in te zetten in de gezondheidszorg.

In een onlangs verschenen handboek op het terrein van de klinische gezondheidspsychologie wordt deze trend uitgebreid besproken evenals de consequenties voor de opleiding van klinisch psycholoog in de gezondheidszorg (Llewelyn & Kennedy, 2003). De auteurs wijzen op de noodzaak van een versterking van de geestelijke gezondheidszorg in het licht van recente sociale en demografische ontwikkelingen. In zijn editorial in de British Medical Journal pleit Kroenke (2002) ook voor een vergroting van de aandacht voor de psychologische aspecten van medische assessment en behandeling. Kroenke benadrukt de specialistische taakherschikking die in de eerstelijnsgezondheidszorg optreedt, leidend tot een weloverwogen en oplossingsgerichte taakverdeling tussen huisartsen en psychologen. De verwachtingen over de inbreng en de betekenis van de klinische gezondheidspsychologie in deze eeuw zijn in ieder geval hooggespannen (Belar, 1997).

Bovengenoemde gegevens uit het wetenschappelijke en professionele veld laten de behoefte zien naar specialistisch opgeleide psychologen die problemen van psychosociale aard in een somatische context na adequate consultatie en klinische assessment kunnen herkennen, diagnosticeren en via een behandelplan in de eerstelijn kunnen oplossen.

De hier voorgestelde tweejarige masteropleiding Medische Psychologie aan de Universiteit Twente, die voortbouwt op de reeds aanwezige Bacheloropleiding Psychologie, wil een bijdrage leveren aan deze taakherschikking. De opleiding bevordert de ontwikkeling van specialistische kennis in de gezondheidszorg, en komt tegemoet aan een maatschappelijk gebleken en door de overheid erkende behoefte aan nieuwe beroepen binnen de gezondheidszorg. Hierdoor beantwoordt deze masteropleiding aan twee belangrijke doelmatigheidseisen zoals die zijn verwoord in de Beleidsregel Doelmatigheid Hoger Onderwijs (2003).

 

2.3. Differentiatie ten opzichte van bestaande opleidingen psychologie

 

De huidige basisopleidingen voor psychologen bereiden voor op het werkveld dat binnen de (geestelijke) gezondheidszorg centraal staat. Het vakgebied van de medische psychologie onderscheidt zich van meer traditionele toepassingsgebieden in de psychologie, die vaak nadrukkelijk gericht zijn op preventie (gezondheidspsychologie) of op geestelijke gezondheidszorg (klinische psychologie). De medische psychologie concentreert zich vooral op het belang van psychologische processen binnen de medische context en de masteropleiding medische psychologie heeft een ander perspectief dan de opleiding gezondheidspsycholoog en de opleiding klinisch psycholoog. In de eerste plaats is de masteropleiding medische psychologie een basisopleiding en geen specialisatie, dit in tegenstelling tot de postinitiële opleidingen GZ-psycholoog en klinisch psycholoog. Daarnaast is deze masteropleiding ook inhoudelijk verschillend van de genoemde specialisaties. De GZ-opleiding heeft een meer generalistische oriëntatie en is grotendeels gericht op het zelfstandig werken als behandelaar van psychische stoornissen. GZ-psychologen zijn dan ook vaak actief op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Klinisch psychologen functioneren op een meer specialistisch niveau en beschikken ook over kennis met betrekking tot management en de organisatie van zorginstellingen. Binnen het deskundigheidsgebied van de klinisch psycholoog ligt een belangrijk accent eveneens op het werkterrein van de GGZ. De masteropleiding Medische Psychologie richt zich inhoudelijk in eerste instantie op het diagnosticeren en begeleiden van patiënten met een lichamelijke aandoening of stoornis maar zal zich daartoe niet beperken indien een psychische stoornis duidelijke lichamelijke klachten veroorzaakt. Dit veronderstelt een basisopleiding waarbij kennis en vaardigheden uit de klinische gezondheidspsychologie worden gecombineerd met inzicht in en kennis van onderdelen van de geneeskunde.

Op nationaal vlak wordt de noodzaak om de basisopleidingen psychologie aan te vullen met een nieuwe masteropleiding onderschreven door de beroepsgroep Psychologen Algemene Ziekenhuizen (PAZ) van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). Zie daarvoor de inmiddels gehonoreerde aanvrage voor een tweejarig Master Medische Psychologie van de Universiteit van Tilburg. Daarin wordt betoogd dat binnen deze beroepsgroep de overtuiging bestaat dat psychologen die binnen hun basisopleiding kennis hebben gemaakt met geneeskundige elementen sneller en effectiever inzetbaar zullen zijn in de somatische gezondheidszorg. Ook op internationaal vlak wordt het belang erkend van de medische psychologie, vaak onder de benaming van clinical health psychology, zoals onder meer blijkt uit het pleidooi dat recentelijk in de prestigieuze British Medical Joumal werd gehouden voor deze discipline (Kroenke, 2002). In de Verenigde Staten namen de American Psychological Association (Division 38) en de Society of Behavioral Medicine het initiatief om opleidingen te organiseren die psychologen moeten voorbereiden op het werken in de somatische zorg.

De Universiteit Twente wil evenals de Universiteit van Tilburg met de tweejarige masteropleiding Medische psychologie in het perspectief van de taakherschikking deze ineffectiviteit in het bestaande onderwijsaanbod in Nederland opvullen. De opleiding is goed in te passen in het geheel van de bestaande capaciteit en regionale infrastructuur, waardoor wordt voldaan aan een derde doelmatigheidseis zoals die is verwoord in de Beleidsregel Doelmatigheid Hoger Onderwijs (2003). Samenvattend biedt deze nieuwe opleiding de volgende voordelen: relatief korte en effectieve opleiding ter aanvulling op bestaande opleidingen binnen de gezondheidszorg; doelgerichte opleiding met specifieke aandacht voor belangrijke psychologische aspecten van vaak voorkomende lichamelijke en psychische aandoeningen; gericht op het verbeteren van de kwaliteit van preventieve zorg, dit in het kader van de groeiende noodzaak van adequate zorg voor patiënten met een chronische ziekte; en gericht op samenwerking met huisarts en medisch specialist, dit in het kader van vermindering van druk op deze beroepen in de eerste en tweede lijn.

 

2.4. Behoefte aan medisch psychologen

 

Huisartsen schatten volgens informatie van LHV, dat ongeveer 20% van het ziekteaanbod te maken heeft met psychische klachten. De huisarts handelt 80-90% van de gevallen zelfstandig af, maar dat kost in toenemende mate extra tijd en specifieke vaardigheden.  

Als we daarbij ander onderzoek betrekken (waarin hogere percentages van psychosociale problemen dan de 20% van de LHV worden gerapporteerd waarmee de huisarts wordt geconfronteerd en waarin wordt gemeld dat er toenemende mate sprake is van co-morbiditeit), dan zal de vraag naar medisch-psychologische hulp zeker toenemen. De eerstelijns psychologen, verenigd in het NIP en in de LVE, verwachten in de komende jaren een duidelijke toename in de eerstelijns psychologische hulp. Deze twee gegevens betekenen een andere kijk op de toekomstige uitoefening van werkzaamheden door de huisarts.

Kwantitatieve gegevens van de behoefte naar dit type opgeleide personen zijn (nog) niet aanwezig. Een voorzichtige schatting van de (manifeste dan wel latente) behoefte aan medisch psychologen naast of in huisartsenpraktijken gaat uit van: één medisch psycholoog op tien solopraktijken, één medisch psycholoog op vijf duopraktijken en één medisch psycholoog op één groepspraktijk. Dit zou een behoefte van 966 medisch psychologen betekenen (uitgaande van de NIVEL-telling van 2001). Bij dit aantal past uiteraard de kanttekening, dat de behoefte zich momenteel het duidelijkste aftekent in groepspraktijken en gezondheidscentra.

Naar schatting vanuit de bedrijfsgeneeskundige praktijk heeft 50% van het ziekteverzuim in de sector Onderwijs, 35% van het ziekteverzuim in de sector Gezondheidszorg, 40-50% van het ziekteverzuim in de sectoren ICT, bankwezen, accountancy, en 25% van het ziekteverzuim in het "overige" bedrijfsleven een psychosociale oorzaak dan wel een psychosociale component.

Over de inzet van medisch psychologen bij bedrijfsgeneeskundige diensten is een eerste schatting vanuit het veld, dat behoefte bestaat, c.q. gaat ontstaan aan één medisch psycholoog per 2-3 bedrijfsartsen. Er zijn in Nederland ruim 2000 bedrijfsartsen werkzaam. De (manifeste dan wel latente) behoefte aan medisch psychologen binnen de bedrijfsgezondheidszorg komt daarmee op circa 800. Ook hier geldt, dat de behoefte niet bij alle bedrijfsgeneeskundige diensten gelijktijdig even sterk aanwezig zal zijn. Bedrijfsartsen zijn thans eerder dan huisartsen geneigd om assessment van psychosociale aspecten van ziekte uit te besteden omdat de clientèle vanwege het werkgeversbelang gemakkelijker een financiële vergoeding kan krijgen voor psychosociale hulp (bijv. korte cursussen stressmanagement, maar ook het verbeteren van zelfinzicht in het functioneren van "vastlopende" medewerkers). Hoewel formeel sprake moet zijn van direct arbeidsgerelateerde problematiek, is de praktijk in de bedrijfsgezondheidszorg veelal, dat ook hulp wordt aangeboden waar het gaat om het grijze gebied tussen privé-problematiek en problemen op het werk. De afstemming tussen bedrijfsarts en huisarts wordt geleidelijk geïntensiveerd. De bedrijfsarts zal als regel verwijzing naar een (medisch) psycholoog overwegen na twee gesprekken met de cliënt. Overigens hebben bedrijven soms ook zelf bedrijfsgezondheidspsychologen in dienst (bijv. ABN/AMRO). Een specifieke deelgroep binnen deze categorie vormt de plaatsingsmogelijkheid van medisch psychologen bij UWV-keuringsartsen omdat bij de (her)keuring, c.q. de toetsing van de belastbaarheid van WAO'ers veelal mede sprake is van afkeuring wegens psychische klachten. Een voorzichtige schatting is, dat er plaats is voor enkele tientallen medisch psychologen bij de UWV. In totaal ontstaan daardoor op middellange termijn circa 1800 arbeidsplaatsen; dit aantal is nog exclusief een aantal functies binnen ziekenhuizen en in revalidatiecentra.

Naast duidelijke signalen die uit onderzoek naar de noodzaak van een versterking van de inzet van professionele medisch-psychologische hulpverlening komen, wordt er al op grote schaal geëxperimenteerd met de inzet van psychologische expertise in de eerstelijns gezondheidszorg. Er lopen twee grote landelijke projecten waaruit deze praktijk duidelijk blijkt: het Korte Lijnen project en het Diabolo-project (voor een beschrijving van deze projecten, zie bijlage 1).

Recentelijk zijn initiatieven genomen te komen tot IZIT (Innovatie van Zorg en ICT in Twente) dat een innovatief ICT-programma beoogt voor duurzame zorg in Twente. Via een aantal projecten, zoals het Regionaal Zorgportaal en Zorgzame buurt en Telediensten is door middel van het creëren van een sluitende ICT-keten tussen patiënt en alle relevante instellingen van gezondheidszorg een vermindering van het aantal (huisartsen)consulten tot stand komen. Echter, de druk op de eerstelijns gezondheidszorg neemt volgens de initiatiefnemers in de komende 10-15 jaar aantoonbaar zodanig toe (geschat op 26%), dat zelfs door de invoering van de beoogde geïntegreerde zorgketen slechts minder dan de helft van de autonome toename van de zorgvraag wordt gecompenseerd: 3500 van de 8000 banen. Er zullen dus naast de invoering van de sluitende ICT-zorgketen andere instrumenten moeten worden ontwikkeld om de druk op de huisartsen en andere eerstelijns zorgverleners te verminderen. Binnen het Cluster Technologie en Gezondheid van het Innovatieplatform Twente worden meerdere projecten uitgevoerd die van groot belang zijn voor de versterking van de gezondheidsinfrastructuur.

Initiatieven zoals IZIT en Cluster Technologie en Gezondheid en de eerder genoemde projecten "Korte Lijnen" en "DIABOLO" zullen onmiskenbaar, elk langs verschillende wegen, leiden tot een taakverlichting van de huisarts. Wel is bij al deze initiatieven zichtbaar dat er een infrastructuur van nieuwe overkoepelende organisaties ontstaat die een extra overhead vergen, terwijl er in de gezondheidszorg al een zeer groot aantal organisaties en een aanzienlijke overhead bestaat. Het inzetten van afgestudeerde medisch psychologen in huisartsenpraktijken, gezondheidscentra en bedrijfsgeneeskundige diensten heeft ten opzichte van de eerder genoemde initiatieven sprake is van verhoging van deskundigheid in het veld zonder verdere uitbreiding van infrastructuur en overhead.

De werkgroep deskundigheidsbevordering van de LVE heeft op basis van het rapport "Nascholing eerstelijnspsychologen" (LVE, 2002) een vergelijking van competenties opgesteld tussen de GZ-psycholoog en de eerstelijnspsycholoog. De GZ-competenties laten zich, behoudens de medische en specifiek klinisch-gezondheidspsychologische aspecten, goed vergelijken met de voor de medisch psycholoog in de eerste lijn gewenste competenties (zie bijlage 2). Deze inhoudelijke vergelijking is belangrijk omdat ook GZ-psychologen en eerstelijns psychologen al functies vervullen die vallen onder de hierboven geraamde behoefte van 1800 medisch psychologen. De LVE heeft circa 1200 leden, die overigens in een breed spectrum van functies werkzaam zijn en dus de in de huidige aanvrage gepresenteerde banen voor medisch psychologen maar zeer ten dele overlappen. Hetzelfde geldt voor de GZ-psychologen, die binnen het NIP in de sector Gezondheid zijn vertegenwoordigd.

Om belemmeringen in wet- en regelgeving voor taakherschikking weg te nemen en het juridische kader toekomstbestendig te maken, doet de RVZ voorstellen om wetten aan te passen en deskundigheidsomschrijvingen in de wet BIG te veranderen.

Voor medisch psychologen is naar onze mening vooralsnog geen aparte BIG-registratie noodzakelijk. Na de masteropleiding Medische Psychologie afgerond te hebben zou de medisch psycholoog een traject kunnen volgen van een jaar om als GZ-psycholoog te worden geregistreerd. Overleg hierover met de relevante instanties dient te worden gestart. Mocht echter als gevolg van boven aangestipte wijzigingen in de opleidingen- en beroepenstructuur in de gezondheidszorg een vernieuwd BIG-stelsel worden ingevoerd dan valt het sterk te overwegen een aparte registratie voor medisch psychologen in te stellen.

Bovenstaande betekent dat er binnen Nederland behoefte bestaat aan het instellen van enkele op dit beroepenveld toegesneden (tweejarige) Masteropleidingen in de Medische Psychologie, met een jaarlijkse output van ca. 20-30 afgestudeerden per Masteropleiding. De Universiteit Twente wil hieraan evenals de Universiteit van Tilburg een bijdrage leveren door middel van de instelling van een tweejarige Masteropleiding Medische Psychologie.

Situering van Medische Psychologie als mastertrack binnen de huidige éénjarige Masteropleidingen Psychologie biedt geen soelaas omdat daarmee het psychologische en medische wetenschappelijke fundament noch de benodigde praktijkervaring kan worden opgedaan. Bij de behandeling van de eindtermen en het curriculum in deze aanvrage worden nadere argumenten gegeven ter onderbouwing van een tweejarige masteropleiding.


2.5. Inbedding in de regionale kennisinfrastructuur

 

Binnen de faculteit Gedragswetenschappen van de Universiteit Twente zijn Prof.dr. E.R. Seydel, Dr. H. Boer, Dr. C. Drossaert, Dr. E. Taal, Dr. J.M. Gutteling, Dr. M. Pieterse, Prof.dr. M.A.F.J. van der Laar, Prof.dr. J.J. Rasker succesvol in onderzoek naar Psychosociale factoren bij gezondheids- en veiligheidsvraagstukken. Dit wordt gedaan vanuit een psychologische, communicatiewetenschappelijke en een medische invalshoek.Het gaat daarbij om het voorkomen, vroegtijdig opsporen, verlichten dan wel oplossen van problemen op het gebied van gezondheid (AIDS, kanker, genetische aanleg voor ziektes, en reumatische aandoeningen zoals reumatoïde artritis en fibromyalgie), en op het terrein van veiligheid, waar het gaat om risico’s ten aanzien van het milieu, verkeer en om maatschappelijke effecten van nieuwe technologieën. Onderwerpen zoals e-health, coping, sociale steun, lotgenotencontact, therapietrouw en pijnbeleving komen eveneens aan de orde. Ook de afdelingen van Prof.dr.ing. W. Verwey (Psychologische Functieleer), Prof.dr. A. Pruyn (Consumentenpsychologie) en Prof.dr. C. Glas (Methoden en technieken van sociaal-wetenschappelijk onderzoek, maar ook betrokken bij epidemiologisch onderzoek) van GW zijn bij psychologisch onderzoek in de gezondheidszorg betrokken.

Binnen de faculteit Gedragswetenschappen is een aantal bijzondere leerstoelen ondergebracht die nauw verwant zijn met de Medische Psychologie. Het betreft hier naast de hierboven genoemde leerstoelen om de leerstoel “Sociale en communicatieve aspecten van de psychiatrie“ (Prof.dr. H. Kraan) en de leerstoel “Gezondheidspsychologie, in het bijzonder aspecten van conflict, communicatie en gezondheid“ (Prof.dr. J.J. Baneke). Binnen de Universiteit is ten behoeve van onderzoek en onderwijs op het terrein van Biomedische Technologie, Technische Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen een groot aantal voorzieningen op leerstoelniveau gecreëerd en wordt op grote schaal onderzoek uitgevoerd naar technische, medische, psychologische, bedrijfskundige en communicatiekundige aspecten van de menselijke gezondheid en van de gezondheidszorg. Zo zijn binnen het Biomedisch Technologisch Instituut (BMTI) een groot aantal hoogleraren van technische natuurwetenschappen en elektrotechniek werkzaam, onder andere: Prof.dr. C.A. van Blitterswijk (Tissue Regeneration), Prof.dr. C. Figdor (Cell Biophysics), Prof.dr. H.J. Hermens (Neuromuscular Control), Prof.dr. E. Marani (Neuroanatomy), Prof.dr. J.S. Rietman (Rehabilitation and Technology), Prof.dr. W.L.C. Rutten (Neurotechnology) en Prof.dr. M.J. IJzerman (Health Services Research/Medical Technology Assessment). In het Centrum voor Telematica en Informatietechnologie (CTIT) zijn op het terrein van ICT in de zorg onder andere werkzaam: Prof.dr. W. Albers (Statistics and Probabiulity), Prof.dr. P.M.G. Apers (Databases), Prof.dr. R.J. Boucherie (Stochastic Operations Research), Prof.dr. J. van Hillegersberg (Information Systems and Change Management), Prof.dr.ir. C.H. Slump (Signals and Systems), Prof.dr. R.A. Stegwee (eHealth Architectures and Standards) en Prof.dr. R.J. Wieringa (Information Systems). Uitkomsten van onderzoek kunnen de weg van de toepassing vinden in de opleiding Medische Psychologie.

Van belang voor de opleiding Medische Psychologie is de reeds hierboven vermelde substantiële deelneming van de Universiteit Twente in het Cluster Technologie en Gezondheid van het Innovatieplatform Twente. Het Cluster staat onder leiding van Prof.dr. M. IJzerman en Prof.dr. J.H. Kingma (Medisch Spectrum Twente). Hierin werken vertegenwoordigers van de ziekenhuizen in Twente, van de gemeente Enschede en de provincie Overijssel, van thuiszorgorganisaties, van zorgverzekeraars en van hoger onderwijs- en onderzoeksinstellingen in Twente samen het Cluster stimuleert de ontwikkeling van de regionale zorg en technologie als economische, kennisintensieve sector. De taskforce houdt zich onder meer bezig met de afstemming van vraag en aanbod, het bundelen van regionale initiatieven, het analyseren van trends in de sector zorg en technologie en het initiëren van business development. Daarnaast is de taskforce vooral bedoeld om de verschillende belangen met elkaar in balans te brengen, vanuit drie invalshoeken: ten eerste, de noodzaak tot economische ontwikkeling van zorg en technologie, ten tweede de vraag van professionals in de zorg en de noodzaak tot continue kennisontwikkeling, en ten derde een patiëntgerichte benadering.

De faculteit Gedragswetenschappen van de Universiteit Twente waar de opleiding Psychologie is ondergebracht kent al een groot aantal onderzoeks- en onderwijscontacten met de regio, maar ook daarbuiten, in het kader van de Medische Psychologie.

Medewerkers van de afdeling Onderzoekmethoden en Data-analyse zijn betrokken bij de psychometrische en epidemiologische projecten in samenwerking met de discipline klinische gezondheidspsychologie in Tilburg en met het AMC te Amsterdam, alsmede bij gezamenlijke data-analytische activiteiten met de GGZ-instelling Mediant in Enschede.

De faculteit heeft onder leiding van prof. E.R. Seydel en dr. M. Pieterse in samenwerking met de Universiteit van Maastricht de Minimale Interventie Strategie ontwikkeld, dat nu algemeen wordt toegepast in de huisartsenpraktijk. Mensen die met roken willen stoppen kunnen daarvoor advies vragen aan hun huisarts. In 2003 hebben naar schatting 65.000 mannen en 65.000 vrouwen hun huisarts geconsulteerd over het stoppen met roken. Het merendeel van hen is tussen de 40 en 60 jaar. De Minimale Interventie Strategie (MIS) is een effectief gebleken protocol waarmee huisartsen, verpleegkundigen en cardiologen rokende patiënten kunnen stimuleren om te stoppen met roken (zie: http://www.trimbos.nl/default13591.html).

Samenwerking met en binnen de eerstelijnsgezondheidszorg kan binnen Twente geschiedt door een afstemming van werkzaamheden tussen de UT en het STELT (Stichting geïntegreerde eerstelijnszorg Twente). In deze stichting werken samen de Districts Huisartsen Vereniging Twente, de Regionale Huisartsen Vereniging Enschede, Ziekenhuis MST, MENZIS Zorgverzekeraar en de Gemeente Enschede. STELT is opgericht als denktank waarbij alle partners die bij de eerstelijns gezondheidszorg betrokken zijn aan één tafel zitten met als doel een bijdrage te leveren aan het oplossen van de capaciteitsproblemen van de eerstelijns zorgaanbieders in Enschede en vervolgens in geheel Twente. Voorts wil STELT een optimale organisatie van de gezondheidszorg in Enschede stimuleren.

Samenwerking in de tweedelijn heeft gestalte krijgen in de Twente Medical School, onder leiding van Prof.dr. M. van der Laar. Daarin werken de UT, MST, Roessingh en Mediant samen. Studenten van de opleiding Psychologie voeren in het kader van de studie reeds opdrachten bij genoemde instanties uit. Het inschakelen van medisch psychologen in huisartsencentra, bedrijfsgeneeskundige diensten en ziekenhuizen kan daartoe ook een bijdrage leveren. In bijlage 4 zijn steunbetuigingen voor de tweejarige masteropleiding Medische psychologie opgenomen. Daarin worden de wens en de bereidheid tot samenwerking op regionaal niveau met nadruk geuit. 

Hoofdstuk 3.

Doelstellingen opleiding

 

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de domeinspecifieke eisen die aan de masteropleiding worden gesteld, er wordt een overzicht gegeven van de noodzakelijke competenties op bachelor- en masterniveau en –competenties, en de wetenschappelijke oriëntatie wordt toegelicht..

 

3.1 Domeinspecifieke eisen

 

De masteropleiding Medische Psychologie beoogt psychologen op te leiden die competenties verwerven op het gebied van klinische assessment, diagnostiek en behandeling van psychosociale problemen die optreden bij psychische en somatische stoornissen en van coaching bij verdere oefening en therapie. Ook wordt bijgedragen aan beter inzicht in de medisch-psychologische aspecten van chronische aandoeningen. Cynthia Belar heeft in haar Presidential Address voor de Division Health Psychology in 1996 het belang van de hier onderscheiden delen van de klinische gezondheidspsychologie aangegeven. In de masteropleiding sluiten wij ons bij de door haar genoemde indeling aan (Belar, 1997). Met de opleiding tot medisch psycholoog kan aldus een bijdrage worden geleverd aan de oplossing van een aantal kwantitatieve en kwalitatieve problemen in de Nederlandse gezondheidszorg. Problemen ontstaan onder meer vanwege vergrijzing van de bevolking en daarmee samenhangende veranderingen in het optreden van (chronische) aandoeningen. Deze veranderingen zijn verantwoordelijk voor een groeiende discrepantie tussen aard en diversiteit van de zorgvragen en de aanbodmogelijkheden van de medische hulpverlening in zowel de eerste als de tweede lijn. Gevolg hiervan zijn onder meer wachtlijst- en werkdrukproblemen die de kwaliteit van de geleverde zorg onder druk zetten. Van taakherschikking in het zorgaanbod wordt een positieve bijdrage verwacht aan de oplossing van genoemde kwantitatieve en kwalitatieve problematiek.

De masteropleiding Medische Psychologie wil een bijdrage leveren aan de beoogde taakherschikking en taakdifferentiatie door het bevorderen van de ontwikkeling en toepassing van medisch-psychologisch specialistische kennis in de gezondheidszorg. Ze komt daarmee tegemoet aan een maatschappelijk gebleken en door de overheid erkende behoefte aan nieuwe beroepen binnen de gezondheidszorg. Hierdoor wordt voldaan aan de eerste twee doelmatigheidseisen (a en b), zoals verwoord in de Beleidsregel Doelmatigheid Hoger Onderwijs (2003).

Het specialisme Medische Psychologie met een basis in de Klinische Gezondheidspsychologie en de (Huisarts)geneeskunde kan aan de vraag naar psychosociale eerstelijnszorg voldoen. Daarmee vindt het aansluiting bij het Raamplan 2001 Artsenopleiding (Metz, Verbeek-Weel & Huisjes, 2001), vooral waar het de samenwerking tussen medische en paramedische disciplines betreft. Met de aanduiding Medische Psychologie wordt een zinvolle en effectieve integratie van deze vakgebieden beoogd. Een integratie die algemeen als succesvol en zinvol wordt beschouwd (Smith, Kendall, & Keefe, 2002). In de vorm van een tweejarige masteropleiding aansluitend op de bachelor Psychologie kan het aanbod van gespecialiseerde krachten worden geconcretiseerd.

De Klinische Gezondheidspsychologie, als belangrijkste deelgebied van de Medische Psychologie is een samenvoeging van de Klinische Psychologie en de Gezondheidspsychologie. De Klinische Psychologie richt zich op de analyse van psychische problemen en de oplossing ervan met behulp van gedragsinterventies en de Gezondheidspsychologie richt zich op de bevordering van gezond gedrag, eveneens met behulp van gedragsinterventies. De Klinische Gezondheidspsychologie betreft evenals de Medische psychologie het vakgebied binnen de Psychologie dat zich richt op de analyse en oplossing van psychosociale problemen die zijn ontstaan als gevolg van psychische en somatische klachten. Daarnaast heeft de Klinische Gezondheidspsychologie ook grote aandacht voor de psychosociale klachten die samenhangen met technologische (invoering van medische technologie zoals smart protheses; biotechnologie zoals gentechnologie en IVF), sociale (veranderingen in sociale structuren, posities en status), demografische (meer mensen op leeftijd) en ruimtelijke (zoals volgebouwde omgeving, stank- en geluidsoverlast en visuele overdosis) problemen. Het belang van de klinische gezondheidspsychologie voor de medische psychologie is krachtig verwoord door Belar (1997).

De masteropleiding Medische Psychologie heeft tot doel om medisch psychologen op te leiden die zowel in de eerste lijn van de (geestelijke) gezondheidszorg, binnen algemene ziekenhuizen, binnen instellingen voor geestelijke gezondheidszorg, als in de transmurale zorg, zoals de arbeidsgeneeskunde en de revalidatiegeneeskunde, inzetbaar zijn om bij te dragen aan het wetenschappelijk niveau en de kwaliteit van de zorgverlening. Medisch psychologen zijn in staat om taken die bij uitstek psychologische kennis en vaardigheden vereisen, over te nemen van de huisarts, van een psychiater in een eerstelijns geestelijk gezondheidscentrum, van de medisch specialist in een algemeen ziekenhuis, van de psychiatrisch specialist in een tweedelijns instelling voor geestelijke gezondheidszorg, als van de bedrijfsarts en de revalidatiearts. Gegeven de hiervoor beschreven problematiek zullen medisch psychologen vooral in aanraking komen met:

a. chronische ziekten met gerelateerde psychosociale problemen;

b.   psychologische problemen die samenhangen met lichamelijk herstel en functieherstel;

c.   specifieke groepen somatische patiënten, zoals neurologische of geriatrische patiënten;

d.   patiënten met verslavings- en verwaarlozing- en geweldsproblemen; en

e. arbeidsgerelateerde aandoeningen alsmede psychologische problemen die samenhangen met werkloosheid en reïntegratie;

3.1.1 Chronische ziekten en gerelateerde psychosociale problematiek

Risicofactoren zoals angst of depressie hebben bij bepaalde chronische aandoeningen een negatief effect op het verloop van de ziekte. Dit brengt een verhoogd risico met zich mee van heropname en vroegtijdig sterven. Ter versterking van de behandeling van somatische ziekten kan de medisch psycholoog, ook binnen de eerstelijnsgezondheidszorg, een belangrijke aanvullende rol spelen door adequate gedragsinterventies die de kwaliteit van leven aanmerkelijk kunnen doen verbeteren. In een recent speciaal nummer van de Journal of Health Psychology wordt het belang van psychologische interventies bij chronische ziekten in diverse studies onderkend en er wordt op gewezen dat de laatste jaren belangrijke vorderingen op theoretisch en praktisch niveau hebben laten zien (Petrie & Revenson, 2005).

3.1.2 Lichamelijk herstel en functieherstel

Patiënten die herstellen van een zware operatie, bijv. een open-hart operatie of een hersenoperatie, kunnen vaak moeilijk accepteren dat herstel zo lang moet duren en interpreteren het uitblijven van een snel herstel niet zelden als het falen van de ingreep. Voor de acceptatie van de duur van het herstel en van de vaak daarmee gepaard gaande vermindering van de lichamelijke conditie is medisch-psychologische expertise noodzakelijk. Belangrijk aandachtsgebied van de medische psychologie is, naast de levensverwachting van patiënten, ook de kwaliteit van leven. Doordat patiënten jaren kunnen leven met een chronische aandoening wordt ook psychologische aanpassing van deze patiënten vereist. Aangezien ziekenhuisopname veelal van korte duur is betreffen deze problemen van kwaliteit van leven vooral de eerstelijnsgezondheidszorg.

3.1.3 Specifieke groepen patiënten

Medisch psychologen krijgen vaak doorverwijzingen van neurologen, bijvoorbeeld patiënten met een herseninfarct (CVA), de ziekte van Alzheimer, hersenletsel of neurodegeneratieve of reumatische aandoeningen. Aandoeningen van deze aard nemen sterk toe als gevolg van de vergrijzing van de bevolking. Deze trend is ook waarneembaar in de huisartsbezoeken. Voor de medisch psychologen is diepgaande kennis over dergelijke specifieke groepen van groot belang voor de ontwikkeling van verdere mogelijkheden om hulp te verlenen. Vroegtijdige signalering kan daardoor de gewenste effecten hebben.

Veel patiënten die hun huisarts consulteren (sommige onderzoekers spreken van 50%) hebben te kampen met een ernstig psychisch probleem. Ook veel medisch onverklaarbare symptomen (zoals chronische vermoeidheid en vage pijnklachten, en reumatische aandoeningen als fybromyalgie) zijn geënt op onderliggende psychische problemen (Deary, 1999). Bij kinderen geldt eveneens dat vage lichamelijke klachten (zoals buikpijn) vaak samenhangen met psychische problemen. De medisch psycholoog is geschoold in het vroegtijdig diagnosticeren van oorzaken van pijnklachten en het behandelen ervan.

3.1.4 Verslavings-, verwaarlozings- en geweldsproblematiek

Medisch-psychologische hulp is vereist bij de opvang en behandeling van verslaafden. Ook de daaraan gerelateerde problemen van verwaarlozing en decorumverlies en de geweldsdelicten die daaraan gekoppeld zijn, vereisen aandacht van de medisch psycholoog die tevens geschoold is in de forensische psychologie. Deze problemen dienen zich veelal aan op het niveau van de eerste lijn (huisarts, RIAGG, eerstelijnpsycholoog; in Twente en omstreken is de Stichting Tactus actief) en gekwalificeerde medisch-psychologen kunnen op dit niveau een belangrijke rol vervullen en zorgen voor een kwaliteitsverbetering in de diagnose en behandeling van deze klachten.

3.1.5 Arbeidsgerelateerde aandoeningen, werkloosheid en reïntegratie

Psychosociale problemen liggen vaak ten grondslag aan disfunctioneren in arbeidssituaties. Stress, burnout en oververmoeidheid hebben een sterke psychologische component. De medisch psycholoog kan met een bedrijfsgeneeskundige kennis deze problemen signaleren en voor eerste opvang en korte interventies zorgen. Ook kan de medisch psycholoog psychologische problemen die samenhangen met werkloosheid en reïntegratie helpen oplossen.


3.2 Bachelor en Master: Competenties

 

De masteropleiding Medische Psychologie is gericht op de verwerving van vier kerncompetenties: klinische assessment, consultatie en diagnose, behandeling en coaching. Deze vier kerncompetenties kennen elk een onderverdeling waarin de integratie van medische en psychologische wetenschappelijke kennis en praktische uitoefening van zorg- en hulpverlening tot uitdrukking komt.

De vier kerncompetenties en de deelcompetenties zijn bepaald op grond van raadpleging van relevante beroepsbeoefenaren op wetenschappelijk (universiteiten en onderzoeksinstituten), klinisch (huisartsen, eerstelijnspsychologen en ziekenhuizen) en beleidsmatig terrein, alsmede door bestudering en analyse van relevante wetenschappelijke bronnen en van ontwikkelingen in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. De indeling van de competenties is gebaseerd op de zogenoemde Dublin-descriptoren.

3.2.1. Kennis en inzicht

Aantoonbare kennis van en inzicht in de Klinische gezondheidspsychologie, gebaseerd op de kennis en het inzicht op het niveau van Bachelor Psychologie en die deze overtreffen en/of verdiepen, alsmede een basis of een kans bieden om een originele bijdrage te leveren aan het ontwikkelen en/of toepassen van ideeën, vaak in onderzoeksverband. Deze eindkwalificaties betreffen gerichte uitbreiding in de richting van de klinische psychologie en de gezondheidspsychologie, van de in de bacheloropleiding psychologie verworven basiskennis op het gebied van de psychologie. Deze betreffen vooral de relevante psychologische vaardigheden op het terrein van assessment, consultatie, behandeling en coaching. Daarnaast hebben de eindkwalificaties vooral betrekking op het verwerven van kennis en inzicht op medisch gebied, meer specifiek gericht op medisch denken en handelen, beslisprocessen en interventiemogelijkheden. Bovendien moet de psycholoog die werkzaam is binnen het domein van de somatische en geestelijke gezondheidszorg goed ingevoerd zijn in de structuur, organisatie en werkwijzen binnen de gezondheidszorg en dient hij of zij kennis te hebben van (chronisch) somatische en psychische ziektebeelden.

Voor de Medische Psychologie komt dit naast de relevante klinisch-psychologische en gezondheidspsychologische competenties neer op:

- Inzicht hebben in het denken en handelen van scientist practioners in de eerste- en tweedelijnsgezondheidszorg.

- Bekend zijn met het proces van het medisch oplossen van problemen.

- Inzicht hebben in de omstandigheden waarin somatisch en psychisch zieke patiënten verkeren.

- Kennis hebben van interventiemogelijkheden door psychiaters, psychotherapeuten en andere gespecialiseerde hulpverleners.

- Inzicht hebben in de structuur en de organisatie van de gezondheidszorg, en daarbij behorende landelijke richtlijnen, geldende protocollen en zorgprogramma's.

3.2.2 Toepassen van kennis en inzicht

Is in staat om kennis van en inzicht in de Klinische gezondheidspsychologie en relevante probleemoplossende vermogens toe te passen in nieuwe of onbekende omstandigheden binnen een bredere (of multidisciplinaire) context die gerelateerd is aan het vakgebied; en is in staat om kennis te integreren en met complexe materie om te gaan. Bij het toepassen van kennis en inzicht gaat het vooral om eindkwalificaties die het de medisch psycholoog mogelijk maken om zelfstandig, op basis van zijn of haar kennis en kunde, te kunnen bijdragen aan psychodiagnostiek en behandeling van specifieke patiëntengroepen of problemen, een bijdrage te leveren in de zorg voor patiënten met chronische aandoeningen, inclusief in situaties waarin sprake is van bijvoorbeeld somatisering of co-morbiditeit. Daarnaast moet de medisch psycholoog in staat zijn tot het uitvoeren van zelfstandig klinisch wetenschappelijk onderzoek. Voor de opleiding betekent dit dat deze onderdelen moet bevatten waarin theoretisch en praktisch wordt ingegaan op diagnostiek en behandeling van patiënten met (chronische) somatische of psychiatrische aandoeningen, leeftijdgebonden aandoeningen en psychosomatische aandoeningen. Bovendien moet de medisch psycholoog ruime ervaring kunnen opdoen met het diagnosticeren en behandelen van patiënten in de praktijk. Naast het klinisch handelen is ook het wetenschappelijk handelen onderdeel van het opleidingsprogramma. Ook hierin staat het zelfstandig leren handelen centraal. Vanwege de nauwe integratie tussen de medische en psychologische aspecten op het toepassingsterrein wordt het onderwijs bij voorkeur verzorgd/begeleid door experts uit beide beroepen.

Dit komt neer op:

- In staat zijn om de meest voorkomende psychosociale aspecten van chronische somatische en psychische aandoeningen aan te pakken. Daarbij het hanteren van de juiste psychodiagnostiek en het kiezen van het juiste beleid voor problemen bij kinderen, volwassenen en ouderen.

- In staat zijn om actief bij te dragen aan de zorgverlening bij somatische en psychische aandoeningen, inclusief het voorkomen van risicogedrag, het verlichten van lijden en ongemak bij deze aandoeningen, alsmede het leren omgaan met beperkingen.

- In staat zijn om een deel van de noodzakelijke kortdurende therapeutische interventies zelf uit te voeren.

- In staat zijn om somatisatieproblemen te onderkennen en tijdig te melden aan de behandelende arts. Dit geldt ook voor co-morbide stoornissen op het vlak van depressie, angst en paniek.

- In staat zijn om problemen met therapietrouw te onderkennen, te signaleren en waar mogelijk te behandelen.

- In staat zijn om klinisch wetenschappelijk onderzoek op te zetten en uit te voeren. De vraag van het onderzoek en de toepassing van de resultaten moeten gekoppeld zijn aan de sector waarbinnen de medisch psycholoog werkzaam is.

3.2.3 Oordeelsvorming

Is in staat om oordelen te formuleren op grond van onvolledige of beperkte informatie en daarbij rekening te houden met wetenschappelijke, sociaal maatschappelijke en ethische verantwoordelijkheden, die zijn verbonden aan het toepassen van de eigen kennis en oordelen. De master in de medische psychologie moet kunnen handelen volgens de wetenschappelijke principes binnen de context van het scientist-practitioner model. De master medische psychologie dient volgens dit model zowel tot behandelaar als tot wetenschapper te worden gevormd. In het programma wordt dit gewaarborgd door het binnen de klinische stage opzetten en zelfstandig uitvoeren van een voor de klinische praktijk relevant wetenschappelijk onderzoeksproject.

Voor de Medische Psychologie:

Kunnen oordelen en handelen met kennis en inzicht in de klinische praktijk volgens wetenschappelijke principes binnen de context van het scientist-practitioner model.

3.2.4 Communicatie

Is in staat om conclusies van professionele en wetenschappelijke aard, alsmede de kennis, motieven en overwegingen die hieraan ten grondslag liggen, duidelijk en ondubbelzinnig over te brengen op een publiek van specialisten of niet-specialisten. Tot de eindkwalificaties van de master medische psychologie behoort dat deze in staat moet zijn om vertegenwoordigers van andere ondersteunende beroepsgroepen en multidisciplinaire teams te adviseren, te coachen en te superviseren. In het programma wordt deze kwalificatie op theoretisch niveau vertaald in cursorisch onderwijs op het gebied van diagnostiek en behandelingsmethoden bij verschillende groepen patiënten. De verworven kennis en vaardigheden moet de aankomend master in de medische psychologie vervolgens in de praktijk kunnen toepassen in de voorziene klinische stage, waarin uitgebreid aandacht bestaat voor de integratie van medisch en psychologisch handelen, en voor het onderling uitwisselen van kennis en vaardigheden in multidisciplinair verband.

Uitwerking in het programma van Medische Psychologie:

Begrip hebben en kunnen omgaan met de taal en cultuur binnen de geneeskunde en daarmee in staat zijn te functioneren in de medische wereld. In staat zijn om vertegenwoordigers van andere ondersteunende beroepsgroepen en multidisciplinaire teams te adviseren, te coachen en te superviseren.

3.2.5 Leervaardigheden

Bezit de leervaardigheden die noodzakelijk zijn om nieuwe professionele en wetenschappelijke kennis en inzichten op een hoog niveau van autonomie te verwerven. De psycholoog die werkzaam is in een medisch-psychologische context dient medische en psychologische vakliteratuur te kunnen raadplegen, bijhouden en met elkaar in verband brengen. Ook moet hij of zij in staat zijn om snel en doeltreffend in te spelen op nieuwe ontwikkelingen binnen de medische en specialistische psychologische zorg. De verwerving van deze vaardigheden wordt eigenlijk beoogd met het gehele theoretische en praktijkgebonden onderwijs. Meer specifiek wordt erop ingegaan in zowel de psychologische als de medische vakken ten einde de vakliteratuur te kunnen analyseren in het kader van de nagestreefde evidence-based practice.

Uitwerking in Medische Psychologie:

Heeft kennis van en inzicht in de medische en psychologische vakliteratuur, kan deze vakliteratuur raadplegen, bijhouden en met elkaar in verband brengen. Is in staat om snel en doeltreffend in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en nieuwe inzichten toe te passen binnen de medische en psychologische zorg.

 

3.3 Wetenschappelijke oriëntatie

 

In de somatische gezondheidszorg wordt steeds meer nagestreefd behandelingen volgens de principes van evidence-based practice uit te voeren, dat wil zeggen gebaseerd op adequaat gebruik van het wetenschappelijk bewijsmateriaal om beslissingen te nemen voor individuele cliënten en patiënten (Belar, 1997; Smith, Kendall & Keefe, 2002). Onderzoek gericht op evaluatie en bijsturing van behandelingsprotocollen waarin de klinische gezondheidspsychologie een aandeel heeft, is van groot belang. Wetenschappelijk onderzoek in de klinische gezondheidspsychologie dient zich in dit verband niet enkel te richten op de ontwikkeling van theorieën, maar tevens inzicht te verwerven in het ontwerpen van interventies voor assessment, consultatie, diagnose en behandeling. Verder behoort onderzoek in de klinische gezondheidspsychologie gericht te zijn op verklaring van individuele verschillen (persoonlijkheid, stressgevoeligheid, copingvaardigheden) bij psychische en somatische aandoeningen en de gerelateerde risicofactoren. Van groot belang is dat medisch psychologisch onderzoek zich richt op het zichtbaar maken van psychologische risicofactoren die ziekteprocessen nadelig beïnvloeden. Dergelijk onderzoek is noodzakelijk ter aanvulling van de traditionele medische screening op risicofactoren. Ook is onderzoek nodig dat meer inzicht geeft in de consequenties van somatische aandoeningen voor de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen en de mogelijkheid om hier met gerichte interventie op in te spelen. De sterke nadruk op wetenschappelijke kwalificaties stelt bijzondere eisen aan de opleiding tot medisch psycholoog. De medisch psycholoog is in staat om individuele klinische deskundigheid te integreren met klinische evidentie die beschikbaar is via klinisch relevant onderzoek en is in staat om onderzoek naar effectiviteit en evaluatie van interventies uit te voeren.

Het scientist practitioner model dat binnen de voorgestelde opleiding wordt gehanteerd is in belangrijke mate gebaseerd op wetenschappelijk handelen in een praktische context. Deze wetenschappelijk gevormde practitioners zijn academisch gevormde professionals die diagnose en behandeling baseren op methoden en uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek en ook eigen ervaringen en bevindingen terugkoppelen naar het wetenschappelijke forum. De keuze voor dit model impliceert dat klinisch wetenschappelijk werk een inherent onderdeel vormt van, en daarom bewust gekoppeld is aan de klinische stages. Binnen dit model wordt het 'practitioner'-aspect geleerd via de begeleiding en behandeling van individuele patiënten, en het 'scientist'-aspect door de betrokkenheid bij het wetenschappelijk onderzoek bij diezelfde groep van patiënten. Daardoor zijn de masterstudenten medische psychologie al via het behandelen van individuele patiënten betrokken in de uitvoering van wetenschappelijk onderzoek. Dit onderzoek zal veelal een empirisch en kwantitatief karakter hebben. Bij de keuze van onderzoeksthema's worden vraagstellingen uit de praktijk op zodanige wijze geselecteerd en nader uitgewerkt, dat een duidelijke koppeling te maken valt met het onderzoeksprogramma dat uitgevoerd wordt door de betrokken docenten bij de master Medische Psychologie.

 

Hoofdstuk 4.

Programma

 

Het curriculum van de masteropleiding Medische Psychologie kent een duur van twee jaar. Voor deze omvang is bewust gekozen ten einde een gedegen wetenschappelijke en (pre-)klinische opleiding te kunnen garanderen. Het eerste jaar van het programma kent cursorische onderdelen die gericht zijn op de verwerving van wetenschappelijk gefundeerde kennis en vaardigheden op medisch en psychologisch gebied. De combinatie van de somatische en geestelijke gezondheidszorg vereist een gedegen wetenschappelijke voorbereiding in de somatische en de psychologische disciplines. Het tweede jaar kent een deel dat gericht is op het actief ervaren van de praktijk van de huisarts in al zijn facetten (eerste lijn) en van de praktijk van het medische specialisme van de interne geneeskunde, de (forensische) psychiatrie, de bedrijfsgeneeskunde of de revalidatiegeneeskunde (tweede lijn).

De masteropleiding Medische Psychologie staat onder leiding van Prof.dr. E.R. Seydel, hoogleraar aan de Faculteit Gedragswetenschappen van de Universiteit Twente en Dr. E.T. Bohlmeijer, universitair hoofddocent aan dezelfde faculteit.

De volgende facetten worden in dit hoofdstuk onderscheiden:

-          Eisen wetenschappelijk onderwijs

-          Relatie tussen doelstellingen en programma

-          Samenhang programma

-          Studielast

-          Instroom

-          Duur van het programma.

 

4.1 Eisen wetenschappelijk onderwijs

 

4.1.1 Wetenschappelijk onderzoek en onderwijs

Het onderwijs in de masteropleiding Medische Psychologie is nauw verbonden met het onderzoek. Enerzijds zullen studenten via de docenten, die immers zelf onderzoek uitvoeren, op de hoogte worden gebracht van de nieuwste inzichten op het vakgebied en deze docenten vervullen ook een voorbeeldfunctie in de wijze waarop onderzoek wordt uitgevoerd en welke methoden en technieken relevant zijn. Anderzijds maken studenten via hun eigen masteronderzoek, de bestudering van relevante literatuur, de formulering van onderzoekbare vraagstellingen, de uitvoering van het onderzoek zelf, de analyse van de resultaten en de rapportage ervan, kennis met de praktijk van het onderzoek. Daar komt bij dat de studenten in staat worden gesteld het onderzoek uit te voeren in een praktische context waardoor zij geconfronteerd worden met de relevantie en haalbaarheid van medisch psychologisch onderzoek.

4.1.2 Wetenschappelijke onderzoeksvaardigheden

De masterstudent medische psychologie sluit zijn of haar opleiding af met een masterthese die gebaseerd is op zelfstandig verricht wetenschappelijk onderzoek in de klinische praktijk. Dit onderzoek wordt uitgevoerd binnen de klinische setting waar de student op dat moment stage loopt. Het moet relevant zijn voor de praktijk van het medisch handelen in de desbetreffende setting. Dit klinisch wetenschappelijke onderzoeksproject omvat in totaal 60 ECTS, 30 ECTS wordt besteed aan een wetenschappelijke stage in de eerstelijnsgezondheidszorg (huisarts, gezondheidscentrum, eerstelijnspsycholoog, RIAGG), en 30 ECTS binnen de tweedelijnsgezondheidszorg (een afdeling in een algemeen ziekenhuis, een bedrijfsgeneeskundige dienst, een revalidatiecentrum, of een instelling voor geestelijke gezondheidszorg). Het onderzoek wordt begeleid door zowel een 'lokale' expert als door een begeleider van de universiteit. De wetenschappelijke activiteiten van de student dragen aldus bij aan het onderzoekprogramma van Medische Psychologie.

4.1.3 Aansluiting programma bij actuele wetenschappelijke theorievorming

Medisch en psychologisch

In tegenstelling tot de algemeen psychologische opleiding vormt de medisch-wetenschappelijke oriëntatie, die gebaseerd is op de behoeften van artsen en andere medische hulpverleners in de somatische gezondheidszorg, bij de medische psychologie een noodzakelijke component. De integratie van beide disciplines vindt plaats in de wetenschappelijke activiteiten die in de klinische stages worden uitgevoerd. Daarvoor bevat het cursorisch onderwijs voldoende basale medische inhoud en achtergrond te omvatten, teneinde de medisch psycholoog vertrouwd te maken met de somatische kant van aandoeningen. Basisvakken zoals ziekteleer, fysiologie en farmacologie zijn van grote betekenis voor de medische beroepsuitoefening. Daarnaast dient men in de medische psychologie ruimschoots aandacht te besteden aan de kennis van en wetenschappelijke ontwikkelingen betreffende relevante toegepaste psychologische specialismen. Teneinde de integratie op wetenschappelijk niveau tot stand te brengen dient het cursorisch onderwijs actuele psychologische wetenschappelijke kennis en vaardigheden bij te brengen die specifiek van belang zijn in de somatische en geestelijke gezondheidszorg.

Zorgmanagement

Bij de diagnose en behandeling van chronische aandoeningen (zoals reuma, chronische longziekten, hart- en vaatziekten, kanker, depressie, angst, functionele stoornissen) is steeds meer sprake van een multidisciplinaire aanpak in plaats van een strikt medische aanpak. Binnen de opleiding medische psychologie wordt deze integratie beoogd en de medisch psycholoog is hierdoor goed uitgerust een coördinerende rol te vervullen.

Praktisch-wetenschappelijke werkwijzen

In de opleiding wordt het scientist-practitioner model gehanteerd, waarbij de psycholoog zowel tot behandelaar als tot wetenschapper gevormd moet worden om aldus zich te kunnen ontwikkelen tot academisch gevormde professionals die diagnose en behandeling baseren op methoden en uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek en ook eigen ervaringen en bevindingen terugkoppelen naar het wetenschappelijke forum.

 

4.1.4 Beroepspraktijk

Klinische vaardigheden

In de geneeskundeopleiding worden klinische vaardigheden steeds belangrijker: het kunnen inschatten van het psychologisch profiel van de patiënt, alsmede een goede communicatie met de patiënt, bijvoorbeeld het kunnen voeren van een 'slecht nieuws gesprek', is van groot belang. Medisch psychologen brengen dergelijke vaardigheden in praktijk; zij kunnen deze ook overdragen aan artsen en verpleegkundigen en andere paramedici die bij de medische zorg betrokken zijn. Assessment, consultatie en coaching zijn belangrijke begrippen in de opleiding en krijgen ruime aandacht in het cursorisch jaar waar door middel van praktijksimulaties relevante klinische vaardigheden worden geoefend. De basis voor de klinische vaardigheden wordt gelegd in de bacheloropleiding. De Basisaantekening Psychodiagnostiek van het NIP wordt voor een belangrijk deel verworven in deze fase van de opleiding.

Klinische stage

Ervaring in de klinische praktijk is essentieel voor de masteropleiding Medische Psychologie. Vandaar dat in het curriculum een klinisch deel is opgenomen. Dat kan ingevuld worden door het uitvoeren van praktische activiteiten in een algemeen ziekenhuis en binnen een eerstelijns gezondheidscentrum. Opgedane ervaringen bieden de student de mogelijkheid om vertrouwd te raken met de medische context, met artsen, specialisten en patiënten. De klinische stage omvat 12 maanden en bestaat uit 60 ECTS, gereserveerd voor wetenschappelijk onderzoek dat tijdens de stage moet worden uitgevoerd en dat moet uitmonden in de masterthese. De klinische stage betreft het tweede deel van het masterprogramma, waarbij de eerder verworven kennis zal worden toegepast in de praktijk. Hierbij wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een 'scientist-practitioner' attitude, met aandacht voor ethiek en voor bevordering van zelfstandig kunnen werken.

Stagiaires werken op een afdeling Medische Psychologie van een algemeen ziekenhuis of revalidatiecentrum, binnen een instelling voor geestelijke gezondheidszorg, bij een bedrijfsgeneeskundige dienst, dan wel binnen een eerstelijns gezondheidscentrum. Zij werken hier nauw samen met medisch specialisten en/of huisartsen op basis van een taakomschrijving en houden een logboek bij waarin zij een overzicht geven van ziektebeelden waarmee zij zijn geconfronteerd en handelingen die zij hebben verricht. Beoordeling van het klinisch functioneren vindt zowel door een externe begeleider als door een begeleider van de universiteit plaats.

 

4.2 Relatie tussen doelstellingen en programma


De tweejarige masteropleiding Medische Psychologie aan de Universiteit Twente richt zich op het opleiden van wetenschappelijke medisch-psychologische professionals ten behoeve van de eerste- en tweedelijnsgezondheidszorg, met als relevante te verwerven kerncompetenties: assessment, consultatie, behandeling en coaching.

Het is gewenst zich eerst te richten op de medisch-psychologische assessment, een terrein zich het goed leent voor onderzoek en praktijkgericht onderwijs. Bij de afname van anamnestisch en testpsychologisch onderzoek bij diverse populaties (psychiatrische en somatische patiënten, delinquenten, eerstelijnspatiënten, ook in arbeidsorganisaties) hebben studenten reeds in hun bachelorprogramma ervaring opgedaan die uitgebreid en verdiept wordt in de masteropleiding Medische Psychologie. Tevens kunnen zij de relevante vaardigheden actief en uitgebreid verwerven onder begeleiding van een ervaren psycholoog of psychodiagnostisch medewerker in het kader van de verwerving van de Basisaantekening Psychodiagnostiek.

Minstens zo relevant is dat studenten leren probleem- en interventiegericht te werk te gaan bij het verrichten van een assessment en per casus/individu een assessment op maat leren te ontwerpen ten behoeve van een taakgerichte consultatie. Assessment dient mede om te bepalen welke risico's de persoonlijkheid, het gedrag, of de situatie van een bepaald individu (of verzameling individuen) met zich meebrengen en welke interventies nodig en mogelijk zijn om elk van deze factoren te wijzigen in een gewenste richting. Maar ook of er wel een interventie nodig is met het oog op gezondheid en/of veiligheid van de betrokkenen.

Effectieve behandeling binnen de eerstelijns gezondheidszorg is veelal gebaseerd op een beperkt aantal gesprekken. Interventies dienen kortdurend te zijn. Bepaalde therapieën, zoals de cognitieve gedragstherapie, hebben hun kortdurende effectiviteit bewezen. Langdurige behandeling valt buiten de taak van de medische psychologie.

Coaching duidt op een actieve, probleem- en motivatiegerichte ondersteuning van een persoon of groep personen. In die zin sluit die term beter aan bij een op gezondheid gerichte psychologie, dan een term als (psycho)therapie. Coaching impliceert in dit verband niet alleen het ondersteunend leren van patiënten, maar ook coaching van (bijv.) huisartsen, technisch geneeskundigen, fysiotherapeuten, e.a. om hen psychologische skills en tools te verschaffen, waarmee zij de kwaliteit van hun directe behandeling met patiënten kunnen verhogen.

Mede met het oog op de aard van de klachten waarmee eerstelijnshulpverleners worden geconfronteerd zal de Medische Psychologie in Twente niet beperkt blijven tot de psychosociale aspecten van somatische klachten, problemen of stoornissen. Het hele gebied van psychologie en gezondheid binnen een sociale, technologische, demografische en ruimtelijke risicovolle omgeving wordt bestreken, zij het met vooral een gerichtheid op eerstelijnsgezondheidszorg en uiteraard met differentiaties.

Die differentiaties zouden kunnen liggen op het gebied van psychisch (dis)functioneren, somatisch (dis)functioneren en maatschappelijk (dis)functioneren. Maar al deze differentiaties lopen ook weer in elkaar over. Om praktische redenen is tevens een differentiatie gericht op de praktijk van de eerstelijns geestelijke gezondheidszorg, van de neuropsychologische eerstelijn en van de forensische eerstelijn, wenselijk.

In aansluiting op de in het vorige hoofdstuk genoemde competenties worden hier de eindtermen van de masteropleiding Medische Psychologie geformuleerd, onder te verdelen in algemene eindtermen en specifieke eindtermen.

 

Algemene eindtermen

       De master medische psychologie wordt opgeleid voor het op academisch niveau verrichten van onderzoek naar en ontwikkelen van oplossingen voor medisch-psychologische problemen, gebruikmakend van theoretische en empirische evidentie, alsmede naar de toepassing van de gekozen oplossingen.

        De master medische psychologie kan wetenschappelijke psychologische en medische kennis op waarde schatten en heeft kennis van de processen die kennis tot een over te dragen, te communiceren, te benutten en te genereren product maken, ter voorkoming en bestrijding van problemen in een culturele, sociale, technologische en ruimtelijke stressvolle omgeving.

        De master medische psychologie heeft op basis van een brede wetenschappelijke oriëntatie een creatief abstractievermogen ontwikkeld dat zich leent voor het ontplooien van initiatieven en het vertonen van professioneel leiderschap in nieuwe en onbekende zorgvragende situaties.

 

Specifieke eindtermen

 

1.               Academische houding; de master medisch psychologie is als scientist practitioner (psycholoog die praktijkproblemen op wetenschappelijke wijze oplost):

         in staat om onderzoekbare vraagstellingen te formuleren, een klinisch-wetenschappelijk onderzoek binnen de zorgsector op te zetten en uit te voeren, inclusief wetenschappelijke verslaglegging;

         in staat om zelfstandig en in teamverband nieuwe methoden, technieken en systemen op het vakgebied van de klinische gezondheidspsychologie te ontwikkelen;

         in staat om methoden en technieken op het gebied van de klinische gezondheidspsychologie kritisch te evalueren;

         in staat om kennis en inzichten en ontwikkelingen uit andere vakgebieden op relevantie te beoordelen en in het eigen werk binnen de zorg te integreren;

 

2.         Basiskennis; de master medisch psychologie heeft:

         grondige kennis van de medisch-wetenschappelijke, klinisch-psychologische en gezondheidspsychologische basisvakken, zoals ziekteleer, (patho)fysiologie, (gedrags)farmacologie en psychopathologie, die van belang zijn voor een goed begrip van de Medische Psychologie;

         operationele kennis, inzicht en vaardigheden in analyse van en realisatie van oplossingen voor individuele, collectieve en organisatorische vraagstukken en problemen van assessment, consultatie, behandeling en diagnose op het gebied van de Klinische gezondheidspsychologie.

 

3.         Klinisch gezondheidspsychologische kennis; de master medische psychologie heeft:

         ruime en gedetailleerde kennis, inzicht en vaardigheden op de volgende gebieden: Sociale epidemiologie, Psychopathologie en psychopathogenese en Klinische neuropsychologie;

         vaardigheden om een onderzoeksopzet te definiëren en te realiseren voor klinische interventies op de volgende gebieden: Klinische gezondheidspsychologie, Sociale epidemiologie en Psychopathogenese.

4.         Klinische vaardigheden op het terrein van assessment, consultatie, diagnose en behandeling; de master medische psychologie heeft:

         inzicht in het toepassen van methoden en technieken bij het medisch oplossen van problemen door huisarts en medisch specialist;

         kennis van en ervaring in het toepassen recente innovaties van de informatie- en communicatietechnologie bij het oplossen van problemen van assessment, consultatie, behandeling en diagnose;

         kennis van en ervaring met het diagnosticeren van psychosociale gevolgen van chronische somatische en psychische ziekten bij kinderen, volwassenen en ouderen;

         vaardigheid in het vertalen van de behoeften, wensen en eisen van patiënten, huisartsen, specialisten, en hulpverleners in medisch-psychologische specificaties;

         kennis van de belangrijkste functies van de menselijke psyche en het psychisch functioneren. Hij /zij is in staat een experimenteel onderzoeks-, test- of therapeutisch interventieontwerp te vervaardigen voor analyse, ondersteuning en uitvoering.

 

5.         Communicatieve, professionele en organisatorische vaardigheden; de master medische psychologie heeft:

         ervaring in het werken in multidisciplinaire teams;

         ervaring in de advies- en counselingsfunctie;

         vaardigheden in therapeutische en non-therapeutische gesprekvoering;

         vaardigheden in mondeling en schriftelijk communiceren met vak- en niet-vakgenoten en presenteren zowel in het Nederlands als in het Engels.

 

6.         Kennis van de gezondheidszorg en van de maatschappelijke betekenis van medische psychologie; de master medische psychologie heeft:

         inzicht in de strategische betekenis van medische psychologie binnen de gezondheidszorg;

         inzicht in de maatschappelijke impact van nieuwe methoden en technieken op het terrein van de medische psychologie, inclusief de ethische en sociale aspecten;

         inzicht in de organisatorische, personele en humane gevolgen van de invoering van nieuwe technologische, sociale en gedragsmatige therapeutische interventies.

 

4.3 Curriculum


Bij de samenstelling van het curriculum voor de masteropleiding Medische Psychologie is rekening gehouden met een aantal uitgangspunten.

Ten eerste gaat het bij deze master om een weloverwogen en verantwoorde mix van medische en psychologische onderdelen. De medische onderdelen betreffen vooral de disciplinaire basis en de context voor het klinisch handelen in de gezondheidszorg. De psychologische onderdelen betreffen de disciplinaire basis van assessment, consultatie en diagnose van psychosociale problemen in een aantal relevante probleemveroorzakende contexten. De bepaling van de medische en psychologische onderdelen is geschied door bevraging van gespecialiseerde medici en psychologen. In de bepaling is tevens de internationale stand van zaken met betrekking tot de clinical health psychology meegenomen.

Ten tweede is een afweging gemaakt van de inbreng van de praktijk in een academische opleiding. Nieuwe onderwijskundige en leerpsychologische inzichten in de rol van de praktische context bij de ontwikkeling van disciplinaire kennis en de rol in deze van de uitvoering en oefening van vaardigheden geven aan dat juist de confrontatie van de uitvoering van activiteiten en de ervaring die door middel van reflectie wordt geëxpliciteerd met reeds ontwikkelde disciplinaire kennis een goede voedingsbodem biedt voor verdere individuele kennisontwikkeling. Deze werkwijze komt vooral de transfer van verworven kennis en vaardigheden naar verschillende praktijkcontexten ten goede. De rol van de nieuwe inzichten in het gebruik van informatie- en communicatietechnologie hierbij is meer dan enkel ondersteunend, zowel in de opleiding als daarbuiten (zorg op afstand). Tevens is een directe relatie met de medische praktijk en met de geestelijke gezondheidszorg daarbij onontbeerlijk. Deze relatie krijgt binnen de opleiding vorm door de inzet van praktijkdocenten, die in de persoon van bijzondere hoogleraren zorgdragen voor de inbreng van de praktijk in het cursorische deel van de opleiding, maar vooral voor het praktijkrelevant verwerven van vaardigheden in de context van de medische en psychologische praktijkuitvoering.

Ten derde is het van belang dat de student kennismaakt met nieuwe ontwikkelingen in de besluitvorming binnen zorgverlenende instanties. Diagnose is steeds meer het resultaat van een groepsproces waarin hulpverleners van verschillende disciplinaire herkomst gezamenlijk tot een besluit komen. De medisch psycholoog kan daarbij door de verworven multidisciplinaire kennis en vaardigheden een essentiële coördinerende rol vervullen.

Het curriculum kent een onderverdeling van cursorische onderdelen en praktijkuitoefening. Beide delen kennen een duur van een studiejaar (60 ECTS; 1 ECTS = 28 uur). Het studiejaar is opgedeeld in twee semesters van elk 30 ECTS die elk twee collegeblokken kennen.

4.3.1 Cursorisch onderwijs (eerste jaar)

Algemene ziekteleer (5 ECTS)

Docent: docent huisartsgeneeskunde en docent interne geneeskunde (onderwijs kan mede verzorgd worden door medewerkers van de opleiding Gezondheidswetenschappen van de UT)

In het kader van de algemene interne geneeskunde zal de student in algemene zin geïntroduceerd worden in de basisbegrippen van de algemene ziekteleer. Het gaat daarbij om inzicht in het proces van eerste signalering, van assessment en diagnose van veel voorkomende (chronische) aandoedingen, alsmede een overzicht van veel gehanteerde behandelmethoden. Te bespreken ziektebeelden zijn: hart- en vaatziekten, longaandoeningen, kanker, spijsverterings- en stofwisselingsziekten, en aandoeningen aan het spier-botstelsel. Deze ziektebeelden zullen mede in het licht van leeftijdgerelateerde klachten en afwijkingen worden besproken.

Fysiologie en pathofysiologie (5 ECTS)

Docent: docent cardiologie en fysiologie (ook in samenwerking met de opleiding Gezondheidswetenschappen)

Eveneens in het kader van de algemene interne geneeskunde zal de student in algemene zin kennisnemen van basisbegrippen uit de fysiologie en de afwijkingen die aan de fysiologische systemen als het immuunsysteem, het hormonale systeem en het zenuwstelsel kunnen worden onderscheiden.

Farmacologie en gedragsfarmacologie (5 ECTS)

Docent: docent gedragsfarmacologie

De student verwerft de algemene basisbegrippen van de farmacologie, in het bijzonder toegespitst op de beginselen uit de geneesmiddelenleer met betrekking tot het toedienen van medicatie als interventie bij gedragsproblemen en problemen van emotionele en affectieve aard, alsmede van de bijwerkingen. Tevens zal de student kennisnemen van de invloed en bijwerkingen van medicatie bij (chronische) lichamelijke aandoeningen en haar invloed op het psychisch functioneren.

Algemene psychopathologie en psychopathogenese (5 ECTS)

Docent: docent klinische gezondheidspsychologie

De student verwerft de basiskennis van de diagnostiek en symptomatologie van psychische stoornissen en van praktische zaken als het ontstaan, de eerste signalen, en de verloopsvormen van de klachten. Stoornissen worden belicht vanuit een levensloopperspectief, de kinder-, volwassenen-, en ouderenvarianten van de pathologie. Dit onderdeel biedt de student specifieke medisch-theoretische kennis niet alleen over de basisbegrippen maar in het bijzonder en diepgaand de neurobiologische oorzaken van stoornissen in gedrag, cognitie, emotie en affectie. Aan de orde komen de psycho-organische stoornissen, als gevolg van degeneratie, van cerebrovasculaire traumata, en van misbruik van psychoactieve middelen (alcohol, drugs, medicijnen). Ten tweede de psychotische stoornissen, zoals de pervasieve ontwikkelingsstoornissen, schizofrenie, waanstoornissen en schizo-affectieve stoornis. Ten derde de affectieve stoornissen, zoals de stemmingsstoornissen en angststoornissen. En ten vierde de gedragsstoornissen, dissociatieve-, somatoforme- en persoonlijkheidsstoornissen en worden vraagstukken van co-morbiditeit aan de orde gesteld. Ook zal aandacht geschonken worden aan de relatie tussen deze stoornissen en somatische aandoeningen.

Medische psychologie (10 ECTS)

Docent: docent medische psychologie en docent klinische gezondheidspsychologie

De student maakt in algemene zin kennis met de theoretische en methodische basisbegrippen die verbonden zijn aan de risicopsychologie, gezondheidspsychologie en klinische psychologie. Onderwerpen die aan bod komen zijn risico's op het gebied van gezondheid (bv. AIDS, kanker, genetische aanleg voor ziektes), maar ook aan risico's op het gebied van delinquentie, milieu, verkeer en (gen)technologie, en op het gebied van de persoonlijke veiligheid en geestelijke gezondheid. Belangrijke vragen zijn daarbij hoe dergelijke risico's waargenomen worden, hoe ze worden ervaren en hoe mensen ermee omgaan. Daarnaast wordt in dit onderdeel aandacht besteed aan de wijze waarop mensen omgaan met ziekte en beperkingen in hun (geestelijke) gezondheid. Onderwerpen zoals coping, sociale steun, lotgenotencontact, zelfmanagement, therapietrouw en pijnbeleving komen aan de orde, evenals de rol van assessment, diagnose en behandeling in de geestelijke gezondheidszorg. De forensische psychologie maakt tevens deel uit van dit onderdeel.

Klinische neuropsychologie (5 ECTS)

Docent: docent neuropsychologie en docent klinische gezondheidspsychologie

In dit onderdeel maakt de student in algemene zin niet alleen kennis met basisbegrippen maar ook met heersende opvattingen en theorieën op het terrein van de cognitieve neurowetenschappen, in het bijzonder de relatie tussen het gedrag en de werking van de hersenen. Uitgebreid wordt ingegaan op stoornissen in gedrag, emotie en affectie als gevolg van een veranderde werking van de hersenen door neurologische degeneratie of door neurologische traumata. Deze veranderde werking wordt ook bestudeerd in het licht van leeftijdsgerelateerde neurologische veranderingen.

Sociale epidemiologie (5 ECTS)

Docent: docent medische psychologie en docent sociale epidemiologie (samenwerking met Gezondheidswetenschappen)

De student neemt kennis van en verwerft praktische en wetenschappelijke vaardigheden over het analyseren en evalueren van gezondheidsrisico’s en epidemiologische factoren. Drie epidemiologische factoren komen aan de orde: individueel gedrag, sociale systemen en milieu met aandacht voor leefgewoonten en sociaal-economische en psychosociale invloeden. Deze factoren worden onderzocht in het licht van risicobepalingen en risicobeheersing met de toepassing van toxicologische modellen. Ook wordt aandacht besteed aan preventieve maatregelen op niveau van beleid en van interventies en aan gezondheidskundige maatregelen, waarbij milieu-epidemiologische, toxicologische en sociaal- en rechtswetenschappelijke aspecten worden belicht.

Capita selecta gezondheidszorg

Docent: docent toekomststudies gezondheidszorg en docent medische ethiek (samenwerking met Gezondheidswetenschappen)

De student maakt kennis met het gebruik van ICT bij het medisch, paramedisch en verpleegkundig handelen en verwerft enige vaardigheden om ICT in de zorg te gebruiken. De mogelijkheden doen zich voor op het niveau van de patiënt (registratie en beschikbaarheid van gegevens; beschikbaarheid van informatie over diagnose en behandeling), van de consultatie, assessment en diagnose, en van behandeling. Het gaat hierbij om zowel de directe toepassing van interface- en rekentechnologie als om de communicatietechnologische mogelijkheden. Tevens maakt de student zich vertrouwd met medisch ethische kwesties die gepaard gaan met technologische innovaties in de gezondheidszorg. Ook zullen medisch-juridische zaken in dit verband aan de orde komen.

Assessment

Docent: docent klinische gezondheidspsychologie en docent assessment

Gedegen assessment speelt een essentiële rol bij de bepaling van ingrepen en interventies in de geestelijke gezondheidszorg. Assessment dient mede om te bepalen welke risico's de persoonlijkheid, het gedrag, of de situatie van een bepaald individu (of verzameling individuen) met zich meebrengen en welke interventies nodig en mogelijk zijn om elk van deze factoren te wijzigen in een gewenste richting. Maar ook of er wel een interventie nodig is met het oog op gezondheid en/of veiligheid van de betrokkenen. Afname van anamnestisch en het daaropvolgende testpsychologisch onderzoek bij diverse populaties (psychiatrische en somatische patiënten, delinquenten, eerstelijnspatiënten, ook in arbeidsorganisaties) worden besproken, bestudeerd en geoefend onder begeleiding van een ervaren psycholoog of psychodiagnostisch medewerker. Ook leren studenten probleem- en interventiegericht te werk te gaan bij het verrichten van een assessment en per casus/individu een assessment op maat leren te ontwerpen.

Diagnostiek

Docent: docent klinische gezondheidspsychologie en docent huisartsgeneeskunde

Op theoretisch en praktisch niveau maakt de student kennis met klinische diagnostiek als aanvulling op de medische diagnostiek, van somatische en psychische problemen van kinderen, volwassenen en ouderen.

Behandeling en klinische vaardigheden

Docent: docent klinische gezondheidspsychologie en docent eerstelijnspsychologie

De student maakt kennis met een aantal specifieke (cognitief-) gedragsgeoriënteerde interventietechnieken, met de theoretische basis en de uitvoering in de praktijk. Bijbehorende landelijke richtlijnen, protocollen en zorgprogramma's worden als richtsnoer genomen. De klinische vaardigheden worden via praktijksimulaties geoefend en verworven.

4.3.2 Praktisch-wetenschappelijk onderwijs (tweede jaar)

Een belangrijk middel om de verworven kennis en vaardigheden in de praktijk te brengen en verder aan te scherpen en in nieuwe situaties te beproeven, is de praktijkstage. In de vorm van een klinische stage op het terrein van de eerstelijnsgezondheidszorg  (lokaal gezondheidscentrum of huisartsgeneeskunde) en van de tweedelijn (medisch-psychologisch specialistisch terrein zoals interne geneeskunde, oncologie, psychiatrie, bedrijfsgeneeskunde of revalidatiegeneeskunde) maken de studenten kennis met werkelijkheid van de medische psychologie. Ter voorbereiding op deze stages worden ter voorbereiding twee pre-stages gevolgd, een in de huisartsgeneeskunde met bijzondere aandacht voor de eerstelijns functie van de medische psychologie, en een in een tweedelijnsomgeving (ziekenhuis, psychiatrische eerste hulp, bedrijfsgeneeskundige dienst, revalidatiecentrum) met bijzondere aandacht voor preventie van somatische aandoeningen en de bevordering van gezond gedrag. De pre-stages bevatten een gedegen introductie (5 ECTS) in het praktische domein van de huisartsgeneeskunde respectievelijk de interne geneeskunde, psychiatrie, bedrijfsgeneeskunde of revalidatiegeneeskunde. Vooral wordt aandacht besteed aan het medisch probleemoplossen, aan de mentale modellen die deze professionals daarbij begeleiden en aan de algoritmen en heuristieken die bij het probleemoplossen worden gehanteerd. Ook bekwamen studenten zich in de domeinspecifieke vaardigheden van de assessment, consultatie en diagnose (5 ECTS) ten einde als scientist practitioner binnen een huisartsenpraktijk respectievelijk afdeling medische psychologie dan wel interne geneeskunde, psychiatrische eerste hulp, bedrijfsgeneeskunde of revalidatiegeneeskunde te kunnen functioneren. Tijdens dit tweede onderdeel bereiden de studenten tevens een onderzoek voor dat door middel van casus-analyses wordt uitgevoerd, waarvan de gegevens tijdens de klinische stages worden verzameld. Zowel de stage binnen een eerstelijns organisatie als de stage binnen een tweedelijns organisatie wordt afgesloten met een verslag waarin de bevindingen op wetenschappelijke wijze worden gerapporteerd, de wijze van verzamelen en analyseren van de gegevens wordt verantwoord en conclusies voor toekomstig handelen worden geformuleerd. De volgorde waarin de twee klinische stages worden gevolgd is afhankelijk van de beschikbaarheid van opleidingsplaatsen en het verloop van de studie van de student.

Aangezien de Bacheloropleiding Psychologie aan de Universiteit Twente een substantiële en groeiende instroom van Duitse studenten heeft, zal desgewenst voor degenen die zich voor instroom in de tweejarige Masteropleiding Medische Psychologie kwalificeren de mogelijkheid worden geopend om één of beide stages te volgen bij een van de gezondheidszorginstellingen in het Duitse deel van de Euregio.

 

Klinische praktijkstage eerstelijns voorziening

Pre-stage eerstelijn (10 ECTS)

De student volgt onder leiding van de bijzonder hoogleraar Huisartsgeneeskunde en die van de Eerstelijnspsychologie de twee onderdelen die zijn gericht op het werken en denken van de huisarts en de eerstelijnpsycholoog en op de verwerving van assessment-, consultatie- en diagnostische vaardigheden in de huisartsgeneeskunde en eerstelijnspsycholoog. De twee onderdelen worden verzorgd binnen een speciaal in te richten opleidingsverband van huisartsen en eerstelijnspsychologen (samenwerkingsverband van Universiteit Twente met eerstelijnsorganisaties in de regio Twente). Tevens bereidt de student zowel het praktische deel als het onderzoeksdeel van de klinische stage voor.

Klinische stage eerstelijn (20 ECTS)

Binnen een lokaal gezondheidscentrum of huisartsenpraktijk functioneert de student als scientist practitioner door op wetenschappelijk gefundeerde wijze praktische diagnostische en behandel werkzaamheden te verrichten. De begeleiding is in handen van huisartsen en eerstelijnspsychologen en staat onder verantwoordelijkheid van de hoogleraar Huisartsgeneeskunde. Tijdens de stage zal een aantal casus worden bestudeerd. Daarover zal worden gerapporteerd.

 

Klinische praktijkstage tweedelijns voorziening

Pre-stage tweedelijn (10 ECTS)

De student volgt de twee onderdelen die zijn gericht op het werken en denken van de medisch specialist en op de verwerving van assessment-, consultatie- en diagnostische vaardigheden in de gekozen medische deeldiscipline zoals Interne geneeskunde, Psychiatrie, Bedrijfsgeneeskunde of Revalidatiegeneeskunde. De twee onderdelen worden verzorgd binnen een speciaal in te richten voor opleidingsdoeleinden ingericht medical center (via praktijksimulaties in een samenwerkingsverband van Universiteit Twente met tweedelijnsorganisaties in de regio Twente). Tevens bereidt de student zowel het praktische deel als het onderzoeksdeel van de klinische stage voor.

Klinische stage tweedelijn (20 ECTS)

Binnen een tweedelijnsomgeving (ziekenhuis, psychiatrische eerste hulp, bedrijfsgeneeskundige dienst, revalidatiecentrum) functioneert de student als scientist practitioner door op wetenschappelijk gefundeerde wijze de voorkomende praktische werkzaamheden als medisch psycholoog te verrichten. Tijdens de stage zal een aantal casus worden bestudeerd. Daarover zal worden gerapporteerd.

 

Masterthese

Tijdens de twee klinische stages dient de student onder begeleiding van de opleidingsdocenten en praktijkdocenten een wetenschappelijk onderzoek op te zetten en uit te voeren, met directe relevantie voor de praktijk van het medisch handelen in de setting waar de student werkzaam is. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de methode van de praktisch-wetenschappelijke werkwijze en impliceert dat dit klinisch wetenschappelijk onderzoeksproject inherent onderdeel vormt van, en daarom bewust gekoppeld is aan de klinische stage. Binnen deze werkwijze wordt het praktische deel verworven via de begeleiding en behandeling van individuele patiënten, en het wetenschappelijke deel door de betrokkenheid bij het wetenschappelijk onderzoek bij diezelfde groep van patiënten. Daardoor zijn de masterstudenten medische psychologie al via het behandelen van individuele patiënten betrokken in de uitvoering van wetenschappelijk onderzoek. Dit onderzoek zal veelal een empirisch en kwantitatief karakter hebben. Bij de keuze van het onderzoeksthema voor de klinische stage worden vraagstellingen uit de praktijk op zodanige wijze geselecteerd en nader uitgewerkt, dat een duidelijke koppeling te maken valt met het onderzoeksprogramma Klinische gezondheidspsychologie. Het onderzoek kan een hetzij beschrijvend, hetzij verklarend of hypothesetoetsend karakter hebben, in het kader van evidence-based practice. Een literatuuroverzicht, waarbij de masterstudent zelfstandig literatuur zoekt op basis van de somatische of psychische problematiek die men in de praktijk is tegengekomen (huisartsgeneeskunde voor het eerste deel van de masterthese; psychiatrie, bedrijfsgeneeskunde of revalidatiegeneeskunde voor het tweede deel) vormt de basis van de themakeuze voor de twee delen van de masterthese. De werkzaamheden voor dit literatuuroverzicht vormen onderdeel van de pre-stage. Als wetenschappelijke methoden van empirische gegevensverzameling kunnen onder meer (zelfrapportage)vragenlijsten, observaties en interviews worden gehanteerd. Daarnaast kan het belangrijk zijn om psychofysiologische en medische gegevens te verzamelen. Ook voor dit onderzoek geldt beoordeling door zowel een 'lokale' expert als door een begeleider van de universiteit. De universitaire begeleider is eerste begeleider bij het onderzoek. Voor de onderzoekswerkzaamheden sluit de student een onderzoekscontract, waarin het onderzoeksthema, de globale onderzoeksvraagstellingen en onderzoeksopzet zijn beschreven, alsmede het tijdspad. In het onderzoeksvoorstel zijn de probleemstelling, vraagstelling, onderzoeksopzet en toe te passen methodologie, inclusief de dataverzameling, en de rapportage worden beschreven. De lokale expert functioneert als praktijkbegeleider. Vanuit de universiteit wordt een tweede docent aangewezen als tweede beoordelaar. Bij de beoordeling van het uiteindelijke resultaat (de masterthese) speelt opnieuw de tweede beoordelaar een rol. Voordat de these definitief is vastgelegd wordt deze aan de tweede beoordelaar ter becommentariëring voorgelegd. Het eindoordeel over de masterthese wordt door beide beoordelaars op grond van een aantal vaste beoordelingscategorieën bepaald. In beginsel wordt uitwerking van de these in de vorm van een publiceerbaar wetenschappelijk artikel nagestreefd.

 

Differentiatiemogelijkheden

De klinische stage kan de student lopen bij een aantal instellingen, dat zich onderscheidt in de specifieke doelgroep, de problematiek en de aanpak van de somatische en psychische aandoeningen. De keuze van de student impliceert extra aandacht voor de praktisch-wetenschappelijke achtergrond van het specifieke terrein dat is gekozen. Zij kunnen zich richten op een specifieke doelgroep en/of op specifieke problematiek binnen de medische psychologie om op dat terrein extra verdiepende kennis en vaardigheden te verwerven. Deze differentiatie komt vervolgens ook tot uiting in de keuze van de twee onderwerpen voor het afstudeeronderzoek (masterthese). Ter voorbereiding op de klinische stage in de tweede helft van het praktijkjaar kiezen de studenten een differentiatie ten aanzien van het medisch specialisme, zoals interne geneeskunde, de psychiatrie, de bedrijfsgeneeskunde en de revalidatiegeneeskunde.

 

Eindkwalificaties en onderdelen van het programma

In het volgende schema wordt aangegeven op welke plaatsen de Dublin descriptoren in het onderwijsprogramma terugkomen.

 

 

Programma­onderdelen

kennis en inzicht

toepassing kennis

oordeels­vorming

commu­nicatie

leervaardig­heden

Algemene Ziekteleer

X

 

 

 

X

(Patho)fysiologie

X

 

 

 

X

(Gedrags)farmacologie

X

 

 

 

X

Psychopathologie

X

 

 

 

X

Medische psychologie

X

 

 

 

X

Klin. Neuropsychologie

X

 

 

 

X

Sociale Epidemiologie

X

X

 

 

X

Capita Gezondheidszorg

X

X

X



Assessment

X

X

X

X

X

Diagnostiek

X

X

X

X

X

Klin. beh.vaardigheden

X

X

X

X

X

Stage 1e lijn

X

X

X

X

X

Stage 2e lijn

X

X

X

X

X

Masterthese

X

X

X

X

X

 

  

4.3.3 Didactisch concept

De opleiding profileert zich door de operationalisatie van het onderwijsconcept dat binnen de faculteit Gedragswetenschappen bij een aantal opleidingen is ingevoerd. Dit onderwijsconcept, aangeduid met Initiatie in de academische professie, kent zeer veel waarde toe aan de academische vorming van studenten tot scientist practitioners. Die academische vorming wordt gezien als "…het op basis van een brede wetenschappelijke oriëntatie ontwikkelen van een creatief abstractievermogen dat zich leent voor het ontplooien van initiatieven en het vertonen van professioneel leiderschap in nieuwe en onbekende situaties" (Verhagen, 2000). Het proces van initiatie in de academische professie kent de volgende eigenschappen: beschikbaarheid van een ruime kennisbasis, academische houding verwerven in alle onderdelen van de opleiding, actualisatie van kennis via contacten met de wetenschappelijke en professionele wereld, en het verwerven van relevante projectvaardigheden (plannen, managen, communiceren) en sociale vaardigheden (wetenschappelijke en professionele collegiale en leiderschapskwaliteiten). 

De medisch psycholoog zal werken in een multidisciplinair verband. Hij of zij hoort problemen aan of ziet uitdagingen en zal op basis van analyse komen tot een synthese in de vorm van een test, onderzoek, ontwerp, methode of systeem. De kernbegrippen van de daarbij behorende professionele attitude zijn analyseren, ontwikkelen, toepassen, adviseren, ondersteunen, ontwerpen, opleiden, onderzoeken. De context waarin het product of de dienst moet functioneren zal vaak gegeven zijn.

Communicatie en samenwerken in een multidisciplinaire setting zijn de kernbegrippen waarin de medisch psycholoog getraind dient te zijn wil hij / zij het vak goed kunnen uitoefenen. De zelfstandige en actief lerende student als de belangrijkste actor in het leerproces, is een belangrijk uitgangspunt voor het onderwijs in de psychologie. De docent heeft tot taak het leerproces te faciliteren en te begeleiden. De onderwijsvormen en werkwijzen worden niet door conventie ingegeven maar steeds bewust gekozen. Theoretische en praktische vormen van het onderwijs worden daartoe zoveel mogelijk gekoppeld.

De verwerving van de kerncompetenties assessment, consultatie en diagnose, behandeling en coaching verloopt volgens de leerpsychologische principes van knowledge-in-action. Dit houdt in praktijkgerichte kennisverwerving, via methoden van reflection-in-action en reflection-on-action, van de verwerking en transformatie van praktijkervaring tot wetenschappelijke kennis, met behulp van reflectie gedurende de taakuitvoering en collegiale reflectie na taakuitvoering. Tijdens de opleiding zal gebruik worden gemaakt van klinische praktijksimulaties. De ondersteunende kennis en vaardigheden worden verworven via expositieve wijzen van instructie en training respectievelijk via het verrichten van klinische taken in korte praktische activiteiten.

 

4.4 Samenhang programma


De principes van het model van de ‘scientist practitioner’ en van ‘evidence based practice’ zijn verwerkt in het programma en zorgen voor de samenhang van de psychologische en medisch-wetenschappelijke kennis en vaardigheden.

Het eerste jaar van de masteropleiding start met een gedegen theoretische introductie in de relevante medisch-somatische onderdelen, zoals de ziekteleer, de fysiologie, de psychiatrie en psychopathologie, de epidemiologie en de farmacologie. In het tweede semester van het eerste jaar komen de methoden en technieken op het terrein van diagnose, consultatie, behandeling en coaching aan de orde. Ook wordt ingegaan op relevante diagnostiek, behandelingsmethoden en klinische vaardigheden op medisch psychologisch gebied en ten aanzien van patiëntgroepen en (chronische) aandoeningen die specifiek relevant zijn voor de medische psychologie. In het tweede jaar volgt de verdieping in de klinische praktijk. Hierin komen de theoretische en toegepaste onderdelen uit het eerste jaar tezamen op een wijze die recht doet aan de wetenschappelijke en klinische aspecten van het werk. De stagewerkzaamheden worden uitgevoerd in de vorm van een klinische stage in een eerstelijns (huisartsenpraktijk) en een tweedelijns context (afdeling van en algemeen ziekenhuis, revalidatiecentrum, bedrijfsgeneeskundige dienst of een waar de eerstelijns en tweedelijns zorg elkaar tegenkomen, de psychiatrische eerstehulpverlening). Tijdens de stagewerkzaamheden wordt een onderzoek uitgevoerd waarvan de voorbereidingen tijdens een pre-stage zijn uitgevoerd.

De theoretische, toegepaste en klinische onderdelen zijn volgens onderstaande tabel gerangschikt.

 

Masteropleidingsprogramma Medische Psychologie

eerste fase (60 ECTS): jaar 1

tweede fase (60 ECTS): jaar 2

semester 1

ECTS

semester 2

ECTS

Klinische stages

ECTSS

Fysiologie

5

Medische psychologie

5

Huisartsgeneeskunde

 

30

Ziekteleer

5

Epidemiologie

5

keuze:

 

30

 

Farmacologie

5

Gezondheidszorg

5

Bedrijfsgeneeskunde

 

 

 

Psychopathologie

5

Diagnostiek

5

Revalidatiegeneeskunde

 

 

 

Neuropsychologie

5

Behandeling

5

Psychiatrie

 

 

 

Medische psychologie

5

Assessment

5

Algemeen Ziekenhuis

 

 

 

4.5 Studielast


Het cursorisch onderwijs in het eerste jaar bestaat uit 12 onderdelen van elk 5 ECTS (conform de omvang van standaardcursussen in het reguliere cursusaanbod van de Universiteit Twente). Deze worden verdeeld over twee semesters van elk 30 ECTS. De klinische stages in het tweede studiejaar omvatten eveneens 60 ECTS, die bestemd zijn voor het opzetten, uitvoeren en rapporteren over het toegepast onderzoeksproject waarin de kwaliteiten van de scientist en practioner samenkomen. Dit betekent dat de masteropleiding Medische Psychologie een studiebelasting kent van in totaal 120 ECTS.

In het eerste studiejaar worden voornamelijk onderwijsvormen als hoor/werkcolleges en practica; kennis en inzicht gehanteerd en wordt er getoetst met behulp van schriftelijke tentamens, practicumverslagen, werkstukken over opdrachten, papers en casusbesprekingen. In het tweede studiejaar wordt in de praktijk het de klinische stage en het onderzoeksproject uitgevoerd onder begeleiding van een praktijkbegeleider/supervisor en een begeleider vanuit de opleiding.

De waardering van de studenten met het programma, de studiebelasting, de kwaliteit en de studeerbaarheid zal via de aan de UT gebruikelijke schriftelijke en mondelinge evaluatieprocedures worden vastgelegd.

 

4.6 Vereisten voor instroom


Studenten kunnen zich aanmelden om tot de Masteropleiding Medische Psychologie te worden toegelaten. Een selectiecommissie bepaalt op basis van de aangeleverde gegevens over de opleidingsvoorgeschiedenis (bachelortraject of vergelijkbare vooropleiding) of overgegaan kan worden tot rechtstreekse toelating dan wel dat er aanvullende eisen worden gesteld. In de regel zullen studenten die een bachelordiploma van de Psychologie-opleiding aan een Nederlandse universiteit bezitten, rechtstreeks tot de masteropleiding worden toegelaten. Daarbij dient te worden aangetekend dat tijdens de bachelor in voldoende mate, dit ter beoordeling van de selectiecommissie, oriënterende vakken op het terrein van de klinische psychologie en de gezondheidspsychologie zijn gevolgd en de daarbij behorende competenties zijn verworven. Deze aanvullende eisen zijn gebaseerd op de vergelijking van de competenties die verworven zijn tijdens de vooropleiding met de vereiste wetenschappelijke basiscompetenties die studenten tijdens de bachelor Psychologie aan de UT verwerven.

 

Instroomverwachtingen

De bacheloropleiding Psychologie aan de UT is in 2002 gestart en kende een instroom van ongeveer 120 studenten. Inmiddels (2007) is de instroom gestegen tot ongeveer 200 studenten. Van de instroom wordt 75% geacht uiteindelijk het bachelordiploma te behalen. Uit peilingen onder de huidige studenten blijkt dat ongeveer 40% belangstelling toont voor het thema Veiligheid & Gezondheid. Dit percentage kan als indicatie dienen voor de belangstelling van het aantal studenten van de eigen bacheloropleiding Psychologie in de masteropleiding Medische psychologie. Met daarbij gevoegd een aantal bachelors van andere Psychologie-opleidingen, kan een instroom van 30 studenten voor de master worden verwacht voor de eerste vijf jaar van wie naar verwachting 20 afkomstig zijn van de eigen bacheloropleiding. De beperking van het aantal opleidingsplaatsen heeft mede te maken met het aantal beschikbare stageplaatsen. Wanneer de opleiding in de nabije toekomst erin slaagt meer betaalbare stageplaatsen te verwerven, kan het aantal opleidingsplaatsen worden uitgebreid.

 

4.7 Noodzaak tweejarige masteropleiding


De masteropleiding medische psychologie kent en omvang van 120 ECTS, verdeeld over twee studiejaren. Het eerste studiejaar is verdeeld in twee semesters van 30 ECTS en kent een theoretische oriëntatie in het eerste semester en een toegepaste oriëntatie in het tweede semester. Het tweede studiejaar omvat een praktische oriëntatie via klinische stages in de eerstelijns gezondheidszorg (eerste semester) en de tweedelijns gezondheidszorg (tweede semester; sector naar keuze) van 60 ECTS, met een pre-stage van 10 ECTS in zowel het eerste als het tweede semester.

De noodzaak om de studieduur te verlengen ten opzichte van reguliere Psychologie-masters komt voort uit de beroepseisen, de medische signatuur en het scientist- practitioner karakter van de opleiding. Ten einde werkzaamheden als medisch psycholoog uit te kunnen voeren is een gedegen basis in de klinische psychologie, de gezondheidspsychologie en de geneeskunde nodig. Het gaat daarbij niet alleen om de theoretische kennis maar in belangrijke mate om de toepassing van die kennis in praktisch medisch-psychologische omstandigheden. Ook kennis van de gezondheidszorg context maakt een gedegen opleiding. Deze onderdelen tezamen betekenen een tweejarige masteropleiding. Om de medische signatuur waar te maken is een adequate inleiding in de geneeskunde noodzakelijk. Dit karakter komt niet alleen tot uitdrukking in de versterking van de theoretische onderdelen maar zeer zeker ook in de praktische training van relevante medisch-psychologische vaardigheden. Het praktijkjaar heeft een belangrijke toegevoegde waarde voor de professionaliteit van de beroepsbeoefening door de medisch psycholoog. Het concept “scientist practitioner” is hierop gebaseerd.

Het NIP (Nederlands Instituut van Psychologen) en de Kamer Psychologie van de VSNU hebben een aantal malen bij de NVAO en bij de minister aangedrongen op de verlenging van de studieduur tot vijf jaar in de vorm van een driejarige bacheloropleiding en een tweejarige masteropleiding. De aard van het vakgebied en van de kennis en vaardigheden die studenten dienen te verwerven, de ontwikkeling van de discipline, van gedragswetenschappelijke tot neurowetenschapplijke inzichten, en de internationale vergelijking zijn de belangrijke ook door ons gedeelde argumenten voor deze instanties.

Uit het advies (november 2006) van een door de NVAO ingestelde commissie onder leiding van Prof.dr. W.J.M. Levelt om te adviseren over de wenselijkheid van de inrichting van een tweejarige masteropleiding Psychologie komt naar voren dat op het terrein van de gezondheidszorgpsychologie een gespecialiseerde beroepstraining van enige omvang vereist is. Volgens de commissie doet een gezondheidszorgpsycholoog interventies die rechtstreekse gevolgen hebben voor het welzijn van een individuele persoon. Dit kenmerk van de beroepsactiviteit impliceert hoge eisen voor de opleiding. In haar advies beveelt de commissie aan dat alle Nederlandse psychologieopleidingen die toegang geven tot de beroepen van gezondheidszorgpsycholoog of van psychotherapeut bij de NVAO een toetsingsbesluit aanvragen voor een tweejarige masteropleiding.

Verlenging kan ook worden gerechtvaardigd en noodzakelijk worden geacht indien daarmee het in internationaal perspectief gewenste eindniveau behaald kan worden. Het EuroPsyT project (1999-2001), gefinancierd door de EU als onderdeel van het Leonardo da Vinci programma, ontwikkelde een raamwerk dat als basis dient voor het toekomstige Europese Psychologiediploma (Project EuroPsyT, 2001). Dit raamwerk is te beschouwen als een standaard waartegen psychologiecurricula geëvalueerd kunnen worden. De standaard bevat een uitgebreid overzicht van aandachtsgebieden of componenten, waarbij per opleiding een andere selectie en samenstelling van componenten kan gelden. De noodzaak van onderdelen van ruime omvang om medische kennis en inzichten en ook bijbehorende competenties te verwerven maakt de master medische psychologie tot een opleiding die wat betreft inhoud en omvang uitstijgt boven de gebruikelijke masteropleidingen in de psychologie. De hierbedoelde medische competenties kunnen niet worden verworven in een post-initieel tweejarig traject zoals gebruikelijk voor de verwerving van BIG-registratie Gezondheidszorgpsycholoog.

4.7.1 Noodzakelijke medische aanvulling op masteropleiding

De masteropleiding medische psychologie voorziet ter oplossing van de hiervoor gesignaleerde problemen in de verwerving van de relevante medische competenties. De opleiding is erop gericht studenten inzicht te geven in het medisch denken en handelen, in de situatie van somatisch en psychisch zieke mensen en de inrichting en werking van de somatische gezondheidszorg. De opleiding voorziet in een gedegen kennis van algemeen-geneeskundige en medisch-psychologische mechanismen die een rol spelen bij het optreden, voortschrijden en behandelen van lichamelijke en psychische aandoeningen. Vandaar de opname in het curriculum van de onderdelen algemene ziekteleer, (patho)fysiologie en (gedrags)farmacologie. Kennis van fysiologie is noodzakelijk om te begrijpen hoe de interacties tussen psychologische factoren en veranderingen in het immuun-, endocrien en zenuwstelsel tot stand komen. Kennis van pathologie is noodzakelijk om te begrijpen hoe deze interacties een rol spelen in het optreden en voortschrijden van een aantal belangrijke (chronische) lichamelijke ziekten. Kennis van farmacologie is noodzakelijk om te begrijpen hoe medicamenteuze behandeling kan inwerken op deze interacties en ook het psychisch functioneren van somatisch zieke patiënten kan beïnvloeden.

De studenten maken in het tweede masterjaar uitgebreid kennis met de gezondheidszorg, in het bijzondere de medische setting en met de psychologische problemen waarmee patiënten in deze setting geconfronteerd worden. Tevens raken de studenten vertrouwd met de medische onderzoeks- en behandelingsmodaliteiten die kenmerkend zijn voor bepaalde specialismen. Daarnaast worden de studenten getraind in diagnostische en therapeutische vaardigheden op het vlak van de medische psychologie en de klinische gezondheidspsychologie, en met de wetenschappelijke onderbouwing ervan via evidence-based werken.

Op deze wijze biedt de masteropleiding medische psychologie een gedegen medisch fundament in de basisopleiding van medisch psychologen. Daarmee komt de opleiding tegemoet aan de behoefte van de beroepsgroep van psychologen die werkzaam zijn in de somatische gezondheidszorg. Ook vanuit internationaal perspectief wordt het belang erkend van de medische psychologie als een hybride discipline op het snijvlak van de geneeskunde en de psychologie (Kroenke, 2002).

De integratie van een gedegen medisch fundament in de basisopleiding van psychologen die werkzaam zijn in de somatische gezondheidszorg kan zoals hiervoor ook al is aangegeven niet gebeuren in een eenjarig masterprogramma. De bijzondere aandacht voor medische problematiek, het accent op evidence-based werken, en de noodzaak om voor de medische psychologie relevante kennis te verwerven binnen een aantal medische specialismen, maken een tweejarige masteropleiding noodzakelijk.

4.7.2 Beperkingen vergelijkbare masteropleidingen

Psychologen met een basisopleiding in de psychologie of de klinische of gezondheidspsychologie zijn vertrouwd met algemene beginselen van diagnostiek en behandelingsmethoden en mogen in staat worden geacht te werken met cliënten of patiënten met psychische of gedragsproblemen. Zij hebben echter in hun basisopleiding niet de medische basiskennis gehad die noodzakelijk is om in de gezondheidszorg optimaal samen te werken met huisartsen en specialisten en die inzicht verschaft in de waardering van de somatische achtergrond van psychosociale problemen. De beroepsgroep Psychologen Algemene Ziekenhuizen (PAZ) van het Nederlands Instituut van Psychologen signaleert echter een aanzienlijke deficiëntie in de basisopleiding van deze psychologen voor een adequate inzet in de tweedelijns gezondheidszorg. Het ontbreken van de mogelijkheid tot verwerving van medische competenties beperkt echter ook de uitstroom in het direct inzetten van hun kennis en vaardigheden in de eerstelijns gezondheidszorg. Zoals hierboven reeds betoogd, maakt dit de snellere en effectievere inzet van medische elementen in de opleiding noodzakelijk.

 




Hoofdstuk 5.

Inzet van personeel

 

5.1 Eisen wetenschappelijk onderwijs


Het onderwijsprogramma van de master medische psychologie wordt gekenmerkt door de praktisch-wetenschappelijke werkwijze., volgens het scientist-practitioner model. De wijze waarop deze benadering is ingevuld in de voorgestelde opleiding in Twente is als volgt. De studenten hebben in hun studie nauwe aansluiting bij het wetenschappelijk onderzoek door middel van de cursorische onderdelen die worden verzorgd door kerndocenten en toegevoegde docenten. De praktijk van de medisch psycholoog wordt vanuit een wetenschappelijk kader gepresenteerd door praktijkdocenten. Deze praktijkdocenten zijn wetenschappelijk gekwalificeerde practici die via een benoeming tot bijzonder hoogleraar de studenten in de praktijk vanuit eigen klinische ervaring kunnen introduceren. Een belangrijk deel van de tweejarige masteropleiding speelt zich af in nauwe samenwerking met de praktijk van de gezondheidszorg. De daar beschikbare kennisinfrastructuur en voorzieningen komen elders aan bod. De masteropleiding medische psychologie wordt gedragen door een aantal kerndocenten. Deze kerndocenten zijn allen hoogleraar in het eigen vakgebied.

De regionale kennisinfrastructuur (Universiteit Twente met een uitgebreid netwerk aan medisch-technologische disciplines, samenwerking met de algemene ziekenhuizen in het Cluster Technologie en Gezondheid van het Innovatieplatform Twente) biedt de master medische psychologie de juiste context voor het wetenschappelijke niveau van de opleiding en ook voor de voorgestelde praktisch-wetenschappelijke werkwijze. Daarmee wordt voldaan wordt aan de vierde doelmatigheidseis die is verwoord in de Beleidsregel Doelmatigheid Hoger Onderwijs (2003). Binnen de masteropleiding Medische Psychologie zal sprake zijn van nauwe samenwerking met de praktijk van de gezondheidszorg.

 

5.2 Kwantiteit personeel


In onderstaand schema is uiteengezet wat de docentbelasting is in uren uitgedrukt. Er is uitgegaan van een instroom van 20 studenten.

 

Onderdeel (1e jaar)

Werkvorm

Contacturen

Toetsing

Docenturen

Ziekteleer

Werkcollege

7x4 uur

Toets

168*

Fysiologie

Werkcollege

7x4 uur

Toets

168

Farmacologie

Werkcollege

7x4 uur

Toets

168

Psychopathologie

Werkcollege

7x4 uur

Toets

168

Medische psychologie

Werkcollege

14x4 uur

Toets

336

Neuropsychologie

Werkcollege

7x4 uur

Toets

168

Sociale Epidemiologie

Werkcollege

7x4 uur

Toets

168

Capita Selecta

Werkcollege

7x4 uur

Toets

168

Assessment

Werkcollege

Practicum

7x4 uur

3x2 uur

Toets

Verslag

168

58**

Diagnostiek

Werkcollege

Practicum

7x4 uur

3x2 uur

Toets

Verslag

168

58

Klinische vaardigheden

Werkcollege

Practicum

7x4 uur

3x2 uur

Toets

Verslag

168

58

Totaal 1e jaar

 

 

 

2190 uur

Onderdeel (2e jaar)

 

 

 

 

Pre-stage 1e lijn

Zelfstudie

    Bespreking

 

8

 

Opzet van onderzoek

 

436***

Klinische stage 1e lijn

Stage

    Begeleiding

 

32

 

Deel 1 masterthese

 

1098****

Pre-stage specialistische geneeskunde

Zelfstudie

    Bespreking

 

8

 

Opzet van onderzoek

 

436

Klinische stage specialistische geneeskunde

Stage

     Begeleiding

 

32

 

Deel 2 masterthese

1098

Totaal 2e jaar

 

 

 

3068 uur

Totaal 1e en 2e jaar

 

 

 

5258 uur

* norm voor verzorging hoor/werkcollege: 30 uur algemene voorbereiding per 5 ECTS + 5 uur specifieke voorbereiding per hc/wc van 2 uur + contacttijd + 40 uur voor beoordeling

** norm voor verzorging practica: 4 uur specifieke voorbereiding per pr + contacttijd + 2 uur voor beoordeling per verslag per student (20 studenten)

*** norm voor bespreking onderzoeksopzet tijdens zelfstudie: 20 uur algemene voorbereiding per 5 ECTS + 3 uur specifieke voorbereiding per bespreking van 2 uur + contacttijd (8 uur per student) + 2 uur beoordeling per student (18 studenten)

**** norm voor stage en masterthese begeleiding: 25 uur per stage per student + contacttijd (32 per student) + 4 uur beoordeling per student (18 studenten)


5.3 Kwaliteit personeel


De onderdelen van de masteropleiding worden verzorgd door ervaren docenten (hoogleraren, UHD’s, UD’s; zie bijlage 3 voor de kwalificaties van deze docenten) van wie een groot aantal al verbonden is aan de opleiding Psychologie. Deze docenten zijn in ieder geval gepromoveerd en doen onderzoek op voor de aangevraagde masteropleiding relevante terreinen. Door middel van hun publicaties hebben zij een grote reputatie opgebouwd. De betrokkenheid van de docenten bij de opleiding Psychologie is groot en de bereidheid veranderingen aan te brengen in hun onderwijs op grond van evaluaties (zie het kwaliteitszorgsysteem), om aldus het niveau hoog te houden, ook. Voor de verzorging van de medische vakken zal worden samengewerkt met de opleidingen Biomedische Technologie, Technische Geneeskunde en Algemene Gezondheidswetenschappen van de Universiteit Twente. In het bijzonder zullen via deze opleidingen deskundigen op het terrein van de cognitieve neurowetenschappen van het F.C. Dondersinstituut (Radboud Universiteit Nijmegen) hun specialistische bijdrage aan de opleiding leveren.

Nieuwe docenten, indien zij niet over onderwijservaring beschikken, worden in de gelegenheid gesteld het Didactisch UT-inwerktraject (DUIT) te volgen. Voorts zijn er jaarlijkse functioneringsgesprekken waarin ook de onderwijsprestaties voor bespreking en beoordeling aan bod komen.

Het inhoudelijk management van de tweejarige masteropleiding komt in handen van de aan te trekken hoogleraar Gezondheidspsychologie, die zich gesteund weet door de opleidingsdirecteur van de bachelor en reguliere masteropleiding.

Ter versterking van de praktische kant van de opleiding (in de zin van de verwerving kennis en oefening van vaardigheden als scientist practitioner), is het streven gericht op het aantrekken van een aantal bijzonder hoogleraren op de voor de opleiding relevante praktijkvelden in de eerste- en tweedelijnsgezondheidszorg.

 

 

 

Hoofdstuk 6.

Voorzieningen

 

6.1 Materiële voorzieningen


De masteropleiding Medische Psychologie wordt ingebed in de faculteit Gedragswetenschappen. De faculteit kent vier opleidingen: Psychologie (bachelor en master), Educational Design, Management & Media (bachelor), Educational Science & Technologie (master), Toegepaste Communicatiewetenschap (bachelor en master), en Wijsbegeerte. Er zal een beroep worden gedaan op de materiële voorzieningen die reeds voorhanden zijn, zoals werkplekken, bibliothecaire voorzieningen (inclusief digitale toegang tot een groot aantal elektronische bibliotheekbestanden), en een studielandschap waarin de noodzakelijke voorzieningen voor ICT-studieondersteuning zijn opgenomen. Voor een aantal voorzieningen (onder meer de bibliothecaire) kan een beroep worden gedaan op de reeds op de UT aanwezige voorzieningen in verband met de opleidingen Biomedische Technologie, Technische Geneeskunde en Algemene Gezondheidswetenschappen. Middelen zijn aanwezig voor extra voorzieningen indien deze bij de vormgeving van de opleiding noodzakelijk worden geacht.

Personele voorzieningen zijn ook aanwezig (zie hieronder). Aanvullende personele inzet wordt binnenkort gerealiseerd.

6.1.1 Inzet Universiteit Twente

In de recente strategienota van de faculteit wordt het thema Veiligheid en Gezondheid als een van de kernthema’s van de faculteit gekenmerkt. Huidig en toekomstig onderzoek zal worden ingezet voor dit thema. Ook de opleidingen Psychologie en Toegepaste Communicatiewetenschap kennen een duidelijk accent op de gezondheidszorg. In de bacheloropleiding Psychologie kunnen de studenten een keuze maken uit een aantal thema’s. Een daarvan is het thema Veiligheid en Gezondheid. Binnen de studie Communicatiewetenschap kunnen de studenten zich bekwamen in de Gezondheidscommunicatie. Naast docenten van de opleiding Psychologie van de UT zijn ook docenten van de opleidingen Gezondheidswetenschappen en Technische Geneeskunde en via deze laatste opleiding docenten van de Radboud Universiteit betrokken bij de masteropleiding.

Prof.dr. E.R. Seydel zal optreden als verantwoordelijk hoogleraar voor de masteropleiding Medische Psychologie. Daarnaast zullen Prof.dr. M.J. IJzerman (opleidingsdirecteur Algemene Gezondheidswetenschappen) en Prof.dr. J.M. Pieters (opleidingsdirecteur Psychologie) nauw betrokken zijn bij de organisatie, vormgeving en verzorging van de masteropleiding Medische Psychologie. Kortelings is een UHD (Dr. E. Bohlmeijer) benoemd op het terrein van de Gezondheidspsychologie, ter versterking van de staf voor de masteropleiding. Voorst zal op korte termijn een hoogleraar Gezondheidspsychologie (de procedure is al gestart) en zullen twee universitair docenten specifiek voor de verzorging van onderwijs binnen de masteropleiding worden aangetrokken. Met de Radboud Universiteit Nijmegen worden afspraken gemaakt om het onderwijs in de (Klinische) Neuropsychologie te verzorgen. Voor een aantal specifiek medische onderdelen zullen docenten van de opleidingen Algemene Gezondheidswetenschappen en Technische Geneeskunde worden ingeschakeld.

Ook zullen medewerkers die onderwijs binnen de opleiding Psychologie van de UT betrokken zijn, een bijdrage leveren aan het onderwijs in de masteropleiding Medische psychologie.


Bij de bachelor- en masteropleiding Psychologie van de UT is de volgende gepromoveerde staf betrokken.

Naam

Opleiding/Onderdelen/Thema’s

Prof.dr. E.R. Seydel*

Leiding Masterprogramma

Medische Psychologie

Thema Veiligheid & Gezondheid

Dr. E. Bohlmeijer, UHD*

Leiding Masterprogramma

Medische Psychologie

Thema Veiligheid & Gezondheid

Vacature (hgl Gezondheidspsychologie)*

Medische Psychologie

Thema Veiligheid & Gezondheid

Prof.dr. J.M. Pieters

Opleidingsdirecteur Psychologie

Prof.dr. M. van de Laar*

Thema Veiligheid en Gezondheid

Prof.dr. A.J.M. de Jong

Inleiding Psychologie

Thema Kennis & Onderwijs

Prof.dr. R. de Hoog

Thema Kennis & Onderwijs

Prof.dr. C. Glas

Onderzoeksmethoden & -technieken

Prof.dr. J.J. Baneke*

Klinische Psychologie, Persoonlijkheidsleer

Thema Veiligheid & Gezondheid

Prof.dr. H. Kraan*

Psychopathologie

Prof.dr. K. Sanders

Thema Arbeid & Organisatie

Prof.dr.ing. W. Verwey*

Neuropsychologie, Functieleer

Thema Cognitie & Media

Prof.dr. A. Pruyn

Thema Consument & Gedrag

Dr. E. Giebels, UHD

Thema Arbeid & Organisatie

Dr. R.R. Meijer*, UHD

Psychodiagnostiek

Dr. J. Gutteling*, UHD

Risicopsychologie

Thema Veiligheid & Gezondheid

Dr. W. van Joolingen, UHD

Thema Kennis & Onderwijs

Dr. E. Taal*, UHD

Thema Veiligheid & Gezondheid

Dr. A. Heuvelman, UHD

Mediapsychologie

Thema Cognitie & Media

Dr. B. Fennis, UHD

Thema Consument & Gedrag

Dr. H. Boer*, UHD

Gezondheidspsychologie

Thema Veiligheid & Gezondheid

Dr. C. Bode

Thema Veiligheid & Gezondheid

Dr. M. Galetzka

Thema Consument & Gedrag

Dr. C. Drossaert*

Sociale Psychologie

Thema Veiligheid & Gezondheid

Dr. C. Hulshof

Psychologisch Ontwerpen, Kennispsychologie

Dr. H. Gijlers

Ontwikkelingspsychologie

Dr. N. Torka

Arbeids- en Organisatiepsychologie

Dr. E. van den Broek

Ergonomie

Thema Cognitie & Media

Dr. R. van der Lubbe

Functieleer

Thema Cognitie & Media

Dr. M. Pieterse*

Thema Veiligheid & Gezondheid

Dr. B. Veldkamp

Psychometrie

Vacature (UD Klin. Gezondheidspsychologie)*

Medische Psychologie

Thema Veiligheid & Gezondheid

Vacature (UD Klin. Gezondheidspsychologie)*

Medische Psychologie

Thema Veiligheid & Gezondheid

* Betrokken bij de masteropleiding Medische Psychologie

 

In samenspraak met de Twente Medical School, de Stichting Bevordering Wetenschappelijk Onderwijs en Onderzoek Geestelijke Gezondheidszorg Twente (STOOGG) en het Universiteitsfonds zal worden nagegaan in hoeverre naast de reeds bestaande bijzondere leerstoelen “Sociale en communicatieve aspecten van de psychiatrie “ (Prof.dr. H. Kraan) en “Gezondheidspsychologie, in het bijzonder aspecten van conflict, communicatie en gezondheid“ (Prof.dr. J.J. Baneke) een aantal bijzondere leerstoelen kan worden ingesteld ter versterking van de praktijkcomponent van de masteropleiding. Hierbij wordt gedacht aan een bijzondere leerstoel op het terrein van de Huisartsgeneeskunde, van de Revalidatiepsychologie, van de Bedrijfsgeneeskunde en van de Eerstelijnspsychologie. Deze leerstoelen zullen naast in het cursorische deel van de opleiding ingezet worden bij de begeleiding van de studenten in het praktijkjaar.

In bijlage 3 is een lijst opgenomen van docenten van de UT die betrokken zijn medisch-wetenschappelijk en gezondheidswetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Voor een aantal medische onderdelen van de opleiding zullen docenten van andere opleidingen betrokken zijn.

6.1.2 Inzet Eerstelijnsgezondheidszorg

Studenten Medische Psychologie lopen klinische stage in het kader van het twee jaar van hun masteropleiding. De eerste klinische stage betreft de eerstelijnsvoorzieningen. Met de eerstelijnsorganisaties (Stichting Gezondheidszorg Enschede, Districtshuisartsenvereniging) in de regio Twente zijn contacten gelegd. Steunverklaringen zijn afgegeven voor het initiatief in Twente te starten met een masteropleiding Medische Psychologie en voor het aanbieden van stageplaatsen voor de studenten. Brieven met steunverklaringen zijn opgenomen in bijlage 4.

6.1.3 Inzet Tweedelijnsgezondheidszorg

In het tweede jaar van de masteropleiding is een klinische stage opgenomen in een tweedelijns zorgsinstelling. De algemene ziekenhuizen van Enschede (MST) en van Hengelo/Almelo (SMT en Twenteborg) hebben reeds steunverklaringen gestuurd en zijn bereid studenten plaatsen te bieden voor de klinische stage. Ook het Revalidatiecentrum Roessingh (Enschede) en de ARBOdienst Drienerlo te Enschede zijn bereid studenten een klinische stage aan te bieden. In bijlage 4 zijn brieven met steunverklaringen opgenomen. Met andere zorginstellingen worden nog contacten gelegd om een verantwoord aantal stageplaatsen te realiseren.

 

6.2 Studiebegeleiding


De begeleiding van de studenten aan de UT kent een drietal fasen, voor, tijdens en bij afronding van de opleiding. Voor de start van de opleiding worden de studenten geïntroduceerd in het gebruik van de bibliotheek en informatiebestanden, in het coursemanagement systeem van de UT (TeleTOP) en in het effectief studeren. De vaardigheden worden getraind in korte pre-master cursussen. Tijdens de opleiding worden de eerstejaarsstudenten begeleid door een docent-mentor en een student-mentor. Ouderejaars studenten kunnen met studieproblemen terecht bij de studieadviseur van de opleiding. Bij de afronding van de opleiding kan de student gebruik maken van een aantal cursussen waarin ingegaan wordt op sollicitatie en communicatievaardigheden. Tevens wordt de student in de gelegenheid gesteld een cursus Stressmanagement te volgen.

De UT kent een aantal informatiesystemen die de opleiding, de opleidingsdirecteur, de docenten en begeleiders van studenten in staat stellen snel en adequaat informatie over de vorderingen van de studenten te raadplegen.

 

 

 

Hoofdstuk 7.

Interne kwaliteitszorg

 

7.1 Aanpak


De kwaliteitszorg van de masteropleiding Medische Psychologie zal ingebed zijn in de kwaliteitszorg van de faculteit Gedragswetenschappen (GW). De inbedding van de interne kwaliteitszorg GW is vastgelegd in de Korte notitie kwaliteitszorg GW november 2003, GW.10.03.009. De facultaire kwaliteitszorg sluit aan bij recente ontwikkelingen op instellingsniveau zoals die zijn vastgelegd in de notities Kwaliteitsmanagement in het onderwijs aan de UT. De verdere ontwikkeling van kwaliteitsmanagement gericht op kwaliteitsverbetering en accreditatie, November 2001, BB/337.458/Wbk/Pls; Interne kwaliteitszorg en accreditatie: noodzakelijk en kansrijk. Eindrapportage analyse kwaliteitszorgsystemen UT-opleidingen, ITBE april 2003.

In de interne kwaliteitszorg van de faculteit GW gaat om gesloten cirkels die bestaan uit normstelling, uitvoering, evaluatie, bespreking, afspraken over verbetering die op hun beurt worden geëvalueerd. De kwaliteitscirkels hebben betrekking op de volgende objecten: opleidingsdoelen, de inhoud van het curriculum, het onderwijsproces, toetsing, resultaat en instroom, doorstroming en rendement. Ook de kwaliteitszorg zelf is jaarlijks object van evaluatie.

 

7.2 Betrokkenen


Actoren in de kwaliteitszorg zijn studenten, docenten, alumni, het opleidingsmanagement en op enige afstand het werkveld.

Studenten geven feedback op het onderwijs en denken mee over verbeteringen. Zij zijn volgens het studentenstatuut verplicht desgevraagd mee te werken aan evaluatie. De rol van studenten krijgt vorm in

a.                  college-responsgroepen: een informeel door de studievereniging georganiseerd en door de faculteit gefaciliteerd evaluatiemiddel tijdens de uitvoering van het onderwijs;

b.                  vakevaluatie na afloop van een onderdeel onder verantwoordelijkheid van de docent, gefaciliteerd door de faculteit;

c.                  de opleidingscommissie in de adviezen aan het opleidingsmanagement over verbetering en aanpassingen op grond van eigen inzichten en de openbare vakevaluatierapportages.

Docenten ontwikkelen onderwijs en voeren het uit, evalueren en verbeteren het onderwijs  conform de doelen van de opleiding. Vakevaluaties worden ondersteund door de faculteit. Resultaten en verbeteringen worden systematisch besproken in docententeams met het opleidingsmanagement na afloop van een onderwijsperiode (semester). De bijdrage van de docent aan de kwaliteit van de opleiding is een vast item in de functionering- en beoordelingsgesprekken van docenten in de faculteit. Docenten nemen ook via opleidingscommissie deel in de advisering van het opleidingsmanagement.

Alumni worden betrokken in de kwaliteitszorg direct na het afstuderen in een exit-evaluatie en anderhalf tot twee jaar later in de WO-monitor waarin de werkervaring wordt betrokken. Via de alumnivereniging wordt op informeel niveau informatie uitgewisseld over curriculumontwikkelingen en arbeidsmarktervaring.

Voor contacten met het werkveld (anders dan alumni) maakt de opleiding gebruik van relatienetwerken van de betrokken docenten en hun afdelingen, vooral ook van afstudeercoördinatoren. Hiervan wordt ad hoc gebruik gemaakt door het opleidingsmanagement om informatie te verwerven uit relevante werkvelden.

Het opleidingsmanagement draagt er zorg voor dat alle hierboven genoemde objecten periodiek worden besproken met de betrokkenen en controleert de voortgang in de realisering van de afgesproken verbetering. De kwaliteitscirkels zijn elk met een eigen periodiciteit ingebed in jaarcirkels van opleidingsmanagement, onderwijsondersteuning, faculteitsbestuur en instellingsbestuur.

 

 

 

Hoofdstuk 8.

Condities voor continuïteit

 

8.1 Afstudeergarantie


De Universiteit Twente staat garant voor de voorzieningen ten behoeve van voortzetting en afronding door studenten. De financiële basis voor deze garantie wordt hieronder besproken (in 8.3).

 

8.2 Investeringen


De Universiteit Twente, in het bijzonder de Faculteit Gedragswetenschappen en het universitaire onderzoeksinstituut IBR (Institute for Behavioral Research), heeft al een aantal investeringsbeslissingen genomen ten aanzien van de ontwikkeling van het vakgebied Medische Psychologie. Deze investeringen komen mede ten goede aan de versterking van het Thema Veiligheid & Gezondheid in de reguliere bachelorsopleiding en de eenjarige doorstroommaster. De investeringen betreffen de inrichting van een leerstoel Klinische Gezondheidspsychologie en het aantrekken van twee docenten Klinische Gezondheidspsychologie. De procedure tot werving van een hoogleraar Klinische Gezondheidspsychologie is gestart en op korte termijn zullen de docenten worden aangetrokken. In samenspraak met de Twente Medical School, de Stichting Bevordering Wetenschappelijk Onderwijs en Onderzoek Geestelijke Gezondheidszorg Twente (STOOGG) en het Universiteitsfonds zal worden nagegaan in hoeverre naast de reeds bestaande bijzondere leerstoelen “Sociale en communicatieve aspecten van de psychiatrie “ (Prof.dr. H. Kraan) en “Gezondheidspsychologie, in het bijzonder aspecten van conflict, communicatie en gezondheid“ (Prof.dr. J.J. Baneke) een aantal bijzondere leerstoelen kan worden ingesteld ter versterking van de praktijkcomponent van de masteropleiding. Hierbij wordt gedacht aan een bijzondere leerstoel op het terrein van de Huisartsgeneeskunde, van de Revalidatiepsychologie, van de Bedrijfsgeneeskunde en van Eerstelijnspsychologie. De faculteit Gedragswetenschappen beschikt al over twee bijzondere leerstoelen op het terrein van de gezondheidszorg, de leerstoel “Reumatologie en Samenleving“ (Prof.dr. M. van der Laar) en de leerstoel “Toekomststudies Gezondheidszorg“ (Prof.dr. Th. De Vries). Ook deze leerstoelen zullen en bijdrage aan de masteropleiding Medische Psychologie geven.

 

8.3 Financiële voorzieningen


Op centraal niveau worden jaarlijks middelen gereserveerd en ingezet voor de ontwikkeling en opstart van nieuwe bachelor- en masteropleidingen die van strategisch belang zijn voor de Universiteit Twente. Deze middelen worden enerzijds ingezet voor de ontwikkeling van nieuwe vakkenpakketten voor de betreffende nieuwe bachelor- dan wel masteropleidingen. Anderzijds worden de middelen aangewend voor de zogenaamde aanloopbekostiging van de nieuwe opleidingen: voorfinanciering van nieuwe opleidingen is noodzakelijk omdat in het bekostigingsmodel van het ministerie van OCenW de nieuwe opleidingen pas volledig inkomsten genereren twee jaar na de diplomering van de bachelor- dan wel masterstudenten. Jaarlijks is een bedrag van M€ 3,3 beschikbaar voor de stimulering van strategisch onderwijsbeleid vanuit het College van Bestuur en het Universitair Managementteam, waarvan een deel wordt aangewend voor de ontwikkeling en opstart van nieuwe bachelor- en masteropleidingen die van strategisch belang zijn voor de Universiteit Twente. Uit het feit dat de Universiteit Twente op basis van haar meerjarenraming 2003-2015 en de daaruit voortvloeiende ratio's ten aanzien van solvabiliteit en liquiditeit na een uitgebreide offerteronde onlangs een contract met de ABN-Amro heeft kunnen afsluiten ter financiering van haar vastgoed voor een bedrag van M€ 165, kan de conclusie getrokken worden dat de Universiteit Twente bedrijfseconomisch ook door financiers zeer wel in staat wordt geacht om de bestaande en nieuwe opleidingen blijvend aan te bieden.


8.3.1 Kosten aanloopfase

In de voorbereidingsfase en in de fase van de ontwikkeling van het programma zijn de volgende kosten voorzien. Darbij dient te worden aangetekend dat de Universiteit Twente (zie hiervoor) jaarlijks een bedrag van M€ 3,3 beschikbaar stelt voor de stimulering van strategisch onderwijsbeleid, waarvan een deel wordt aangewend voor de ontwikkeling en opstart van nieuwe bachelor- en masteropleidingen die van strategisch belang zijn voor de Universiteit Twente. De bijdrage die een opleiding verstrekt wordt voor de ontwikkeling van een vak is berekend op k€ 3,5 per nieuw te ontwikkelen ECTS met een te financieren maximum van 86 ECTS. Voor de eerste verzorging van het vak is € 76 per ECTS per student beschikbaar. De overige kosten voor de voorbereiding van de opleiding, de inzet van de opleidingsdirecteur en van adviseurs en van de ambtelijke ondersteuning, zijn pro memorie. Uitgaande van een instroom van 20 studenten met een rendement van 90% is de universiteitsbijdrage aan de ontwikkeling en eerste verzorging van het onderwijs gerekend over een termijn van twee jaar:


-ontwikkelkosten: 86 ECTS * k€ 3,5 = € 301.000

-aanloopfinanciering: 60 ECTS * 20 * € 76 + 60 ECTS * 18 * € 76 = € 173.280


8.3.2 Structurele kosten

In een stabiele situatie na de eerste verzorging van de master Medische psychologie is met een instroom van 20 studenten per jaar het overzicht van inkomsten en uitgaven. De eerstegeldstroom onderwijsfinanciering is gebaseerd op inkomsten via collegegelden (38 studenten * k€ 1,5 = € 57.000) en de diplomafinanciering (uitgaande van een rendement van 90%; 18 * k€ 8,7 = € 157.000). De onderzoeksinkomsten bestaan uit een rijksbijdrage van k€ 144 en een bijdrage van het facultaire ondrzoeksinstituut in de vorm van en bijdrage aan de financiering van het onderzoekdeel van twee universitaire docenten van k€ 70.

 

Referenties

 

Ash, P. and Goldstein, S.I. (1995). Predictors of retuming to work. Bulletin American Academy Psychiatry Law, 23, 205-210.

Belar, C.D. (1997). Clinical health psychology: A specialty for the 21st century. Health Psychology, 16(5), 411-416.

Beleidsregel Doelmatigheid Hoger Onderwijs. Ministerie OC&W, 19 september 2003.

Deary, I.J. (1999). A taxonomy of medically unexplained symptoms. Journal of Psychosomatic Research, 47, 51-59.

Fiedeldij Dop, M.J.C. & Verhaak, P.M.F. (2000). Psychologen in de algemene gezondheidszorg. In A.A. Kaptein, B. Carssen, J. Dekker, H.W.J. van Marwijk, P.J.G. Schreurs, R. Beunderman (Red.). Psychologie en geneeskunde. Houten: Bonn Stafleu Van Loghum, pp. 32-47.

Friessen, M.N., Yassi, A., & Cooper, J. (2001). Return-to-work: The importance of human interactions and organizational structures. Work, 17(1), 11-22.

Kaptein, A.A. (2000). Psychologie en geneeskunde: behavioral medicine. In A.A. Kaptein, B. Carssen, J. Dekker, H.W.J. van Marwijk, P.J.G. Schreurs, R. Beunderman (Red.) Psychologie en geneeskunde. Houten: Bonn Stafleu Van Loghum, pp. 3-14.

Keefe, F.J. & Blumenthal, J.A. (2004). Health psychology: What will the future bring? Health Psychology, 23(2), 156-157.

KNMG (2002). De arts van straks. Een nieuw medisch opleidingscontinuüm. KNMG DMW-VSNU, VAZ, NVZ en LCW.

Kroenke, K. (2002). Psychological medicine: Integrating psychological care into general medical practice. British Medical Journal, 324:1536-1537.

Llewelyn, S.P and Kennedy, P. (2003). Handbook of Clinical Health Psychology. Sussex: Wiley.

LVE (2002). Nascholing eerstelijns psychologen. Rapport van de Werkgroep Deskundigheidsbevordering van de Landelijke Vereniging van Eerstelijns Psychologen (LVE).

Metz, J.C.M., Verbeek-Weel, M.M., & Huisjes, H.J. (Red.) (2001). Raamplan 2001 artsopleiding; bijgestelde eindtermen van de artsopleiding. Nijmegen, 2001. Nijmegen: Universitair Publicatiebureau.

NIVELL (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg), http://www.nivel.nl/.

Petrie, K.J. & Revenson, T.A. (2005). Editorial: New psychological interventions in chronic illness: Towards examining mechanisms of action and improved targeting. Journal of Health Psychology, 10(2), 179-184.

RVZ (2002). Taakherschikking in de gezondheidszorg. Advies uitgebracht door de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Zoetermeer.

Smith, T.W., Kendall, P.C., Keefe, F.J. (2002). Behavioral medicine and clinical helath psychology: Introduction to the special issue, A view from the decade of behavior. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 2002, 70(3), 459-462.

Smith, T.W., Orleans, C.T., & Jenkins, C.D. (2004). Prevention and health promotion: Decades of progress, new challenges, and an emerging agenda. Health Psychology, 23(2), 126-131.

Soons, P.H. (2000). 50 years of medical psychology services in Dutch general hospitals. International Journal of Behavioral Medicine, 7(1), 223-224.

Tovian, S.M. (2004). Health services and health care economics: The health psychology marketplace. Health Psychology, 23(2), 138-141.

Van der Velden, L.F.J. & Hingstman, L. (2001). Vraag en aanbod huisartsen: bronnenoverzicht en raming 2000-2010. Utrecht: NIVEL.

VWS. Een gezonde spil in de zorg. Rapport Commissie Toekomstige Financieringsstructuur Huisartsenzorg. Den Haag: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

VWS en OCW (2003). De zorg van morgen; flexibiliteit & samenhang.

Wassenaer, A.G., ea. (1997). Effects of thyroxine supplementation on neurologie development in infants born at less than 30 weeks' gestation. New England Journal of Medicine, 336, 21-26.

Wolff, J.L., Starfield, B., & Anderson, G. (2002). Prevalence, expenditures, and complications of multiple chronic conditions in the elderly. Archives of Interna! Medicine, 162:2269-2276.






Bijlagen

Bijlage 1

Korte beschrijving van het Korte lijnen project en het Diabolo project.

 

 

Het project "Korte Lijnen", uitgevoerd door het NIZW in samenwerking met het Trimbos Instituut kent een looptijd van 2001-2005. Opdrachtgevers zijn onder meer de Landelijke Huisartsen Vereniging en de Landelijke Vereniging Eerstelijns Psychologen. De website van het project biedt geïnteresseerden de mogelijkheid om zelf samenwerkingsprotocollen te maken zodat de samenwerking tussen huisarts, eerstelijns psycholoog en het AMW soepeler verloopt. Daartoe is een uitgebreid werkboek beschikbaar. De resultaten van de eerste projectronde zijn inmiddels geëvalueerd. Daaruit komt naar voren dat er sprake is van een verbetering in de samenwerking tussen relevante instanties zonder dat een daadwerkelijke inzet van medisch psychologen in een gezondheidscentrum of huisartsenpraktijk wordt beoogd. Doorverwijzing van huisarts naar eerstelijns psycholoog gebeurt met een standaard verwijsformulier, en alleen als de patiënt dit wil. Het gaat niet alleen om verwijzen, maar ook om terugkoppeling en casuïstiekbespreking. Structureel cliëntoverleg en het voorleggen van afspraken aan cliëntenpanels zullen naast ontlasting ook extra belasting voor de huisarts met zich meebrengen. Effecten van vermindering van de druk op de huisarts door een verbetering van de communicatie worden nog niet gemeld.

 

Het "DIABOLO-project" heeft vergelijkbare doelstellingen en een wat bredere scope van participerende instanties. De werkwijze bestaat uit directe consultatie (onderzoeken van patiënten, systems consultation, telefonische consultatie, deskundigheidsbevordering en team-intervisie) en uit het bevorderen van de communicatie tussen betrokkenen, tot uitdrukking komend in een versterkte voorlichting en in het werken aan een convenant: over niveau van samenwerking, over partners, en over onderlinge afspraken. De website van het project bevat tevens informatie over zo'n 15 in gang gezette of reeds voltooide DIABOLO-projecten.

 

Uit een aantal DIABOLO-deelprojecten blijkt de inzet van psychologische expertise.

Project Feyenoord (Rotterdam). De specifieke doelstelling is inzicht te krijgen in de kostenstructuur in relatie tot de hulpvraag wanneer een andere werkwijze wordt gehanteerd. De inzet van middelen heeft vooral te maken met bekostiging van enkele 'achtervangers' die door de eerstelijnswerkers kunnen worden geconsulteerd, maar die zelf ook kortdurende GGZ-behandelingen kunnen verrichten en tevens de onderlinge verwijzing en de multidisciplinaire overlegstructuur stroomlijnen.

Project GGZ Delfland (Rijnmond). De website van het project gaat in op het ontwikkelde samenwerkingsprotocol (verwijsafspraken, beslissingsmomenten, werkprocessen en taakafspraken. Aanleiding voor het project vormde de lange wachttijden en het capaciteitstekort (1 fte beschikbaar op 10.000 inwoners, terwijl het VWS-target 1: 6000 is), ook in de eerstelijns psychologie, en een gebrek aan structurele samenwerking met duidelijke aanspreekpunten. Financiën worden benut voor het aanstellen van een eerstelijns psycholoog (maar deze zal uitvoerend verbonden zijn aan het regionale team AMW), een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en (beperkte inzet van) een vaste psychiater.

Project samenwerking huisartsen - GGZ Den Haag. 60% van de Haagse huisartsen is bij dit project betrokken. Doel is versterking van de eerstelijns hulpverlening, onder meer door de inzet van 'front office' medewerkers (SPV, psychologen, psychotherapeuten) die consultatie aan huisartsen aanbieden, en de nadere vormgeving van de samenwerking van het AMW en de eerstelijns psychologen. Verankering van het project zou moeten komen door structurele budgetverhoging voor de GGZ en allocatie van reguliere AWBZ-middelen naar het project. Er worden nu 30 huisartsenpraktijken méér bediend, het aantal cliënten is gegroeid en de positieve effecten, aantal cliënten neemt niet schrikbarend toe en de doorverwijzing naar de tweedelijn is met 40% gereduceerd.

Project Winterswijk. Een SPV'er (0.8 f.t.e) is beschikbaar gesteld aan zes huisartsen in vier praktijken, met daarbij een helder beschreven stappenplan vanaf introductie door de huisarts tot en met evaluatie met de huisarts.

Project RIAGG Zwolle. Ook hier en versterking door de inzet van 10 fte consulenten op 125 huisartsenpraktijken, vijf instellingen voor maatschappelijk werk en twee groepen van eerstelijns psychologen met 17 praktijken.

Toronto project Buitenpost. Dit is een proefproject voor 2,5 jaar, met detachering van een psychiater (diagnosticeert op verzoek van de huisarts / SPV / ELP, en adviseert de huisarts over de behandeling) en een (SPV) counselor (kortdurende begeleiding en crisisinterventie) bij de zes huisartsenpraktijken in Harlingen. De huisarts blijft integraal betrokken en (eind)verantwoordelijk. De verwachtingen lijken uit te komen: meer verwijzingen binnen de eerstelijn, minder naar de tweedelijns GGZ; AMW'ers en ELP én worden deskundiger, de werkbelasting van huisartsen ten aanzien van GGZ-problematiek neemt af.

 

Bijlage 2

Profiel van de eerstelijnspsycholoog

De LVE ziet het beroep van eerstelijnspsycholoog als een specialisme dat een eigen opleidingstraject rechtvaardigt. De opleiding tot GZ-psycholoog is weliswaar een onmisbare basis voor de uitoefening van de eerstelijns psychologie, maar is onvoldoende toegesneden op de specifieke eisen die de eerste lijn stelt.  Zo vraagt het kortdurend behandelen van een breed scala aan klachten die niet thuishoren in de tweede lijn om o.a.  het vermogen om scherp en snel te kunnen diagnostiseren en een indicatie te kunnen stellen.  In het streven naar een eigen opleiding die hier recht aan doet, is het volgende profiel ontwikkeld. Het profiel is gebaseerd op het rapport Nascholing eerstelijns psychologen (LVE 2002) en gecomplementeerd door de werkgroep deskundigheidsbevordering van de LVE. De competenties van de ELP zijn afgezet tegen die van de GZ-psycholoog, zoals omschreven door Bosma in de notitie De cursorische opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog.  Tot slot worden de themagebieden genoemd die in modules moeten worden uitgewerkt.

Competenties GZ-psycholoog           Competenties ELP             

1. De gz-psycholoog is in beginsel in staat als zelfstandige professional te werken in de geestelijke en somatische gezondheidszorg en, na een inwerkperiode, ook in de revalidatie en de (verstandelijk) gehandicaptenzorg.

 

+ eindverantwoordelijkheid en dito aansprakelijkheid i.t.t. de geestelijke en somatische tweedelijns of derdelijns gezondheidszorg, die vanuit multidisciplinaire teams werken. Leidraad voor de ernst van de problematiek, die de ELP als professional zelfstandig kan managen, is de GAF-schaal 51 tot 100 van de DSM-IV.

2. De gz-psycholoog kan in deze sectoren werken met kinderen/jeugdigen, volwassenen en ouderen.

 

+ signaalfunctie m.b.t. specifieke kinder- en jeugdproblematiek waarvoor geëigende diagnostiek en behandeling nodig is. De ELP beschikt over K&J-vakkennis om zelf te kunnen diagnosticeren/behandelen, dan wel streeft binnen zijn/haar lokale ELP-netwerk naar adequate samenwerkingsafspraken met collega's die hier wel over beschikken.

3. De gz-psycholoog is in staat in genoemde sectoren, ten behoeve van genoemde doelgroepen, psychodiagnostiek en psychologische behandeling te verrichten bij psychische stoornissen, lichamelijke ziekten, cognitieve stoornissen, invaliditeit en problemen in de levenssfeer.

+ extra aandacht voor indicatiestelling. Omdat er een grote instroom plaatsheeft in de eerste lijn, en de ernst van de klachten fors uiteen kan lopen, dient de ELP aan de voordeur goed te indiceren welke behandeling tot welke klachtreductie leidt, en dit adequaat te communiceren met de cliënt, en zonodig door te verwijzen naar de tweede lijn. De ELP dient vast te kunnen stellen wat behandelbaar is in de eerste lijn en wat niet. De indicatiestelling gebeurt in nauw overleg met de verwijzer, huisarts, in de eerste lijn.

 

4. De (psycho)diagnostische kennis en vaardigheden betreffen testmethoden, observatiemethoden en interviewmethoden.

+ test- en interviewmethoden die niet alleen informatie opleveren over de aanwezigheid van de klachten (volgens het LVE-codeboek) en eventueel over de DSM-IV categorisering, maar ook over de persoonlijkheidsstructuur (structurele diagnostiek), mede in relatie tot het klachtenpatroon. Dit geeft o.a. informatie over de therapiemogelijkheden van de cliënt in de eerste lijn.

 

5. De psychologische behandelingsmethoden

waarover de gz-psycholoog moet kunnen beschikken zijn: advisering, begeleiding van individuen, groepen en gezinnen/paren,

gesprekstherapie, protocollaire behandeling, klachtgerichte behandeling (bijvoorbeeld met behulp van gedragstherapeutische en cognitieve methoden, interpersoonlijke therapie, kortdurende interventiemethoden).

 

+ Gezien de lichte tot matige ernst van de problematiek (GAF 51 tot 100) behoren een aantal kortdurende behandelmethoden tot de mogelijkheden. De ELP is in staat om in korte tijd een behandelrelatie aan  te gaan en zo te werk te gaan dat klachtenvermindering in korte tijd haalbaar is.

 

 

+ Diagnostiek en behandeling van werkgerelateerde problematiek. Ook het begeleiden van reïntegratie behoort hierbij.

De ELP moet in staat zijn om efficiënt samen te werken met bedrijfsartsen en ARBO-artsen en om dit netwerk te onderhouden.

 

6. De gz-psycholoog heeft voldoende (beroepsspecifieke) kennis en vaardigheden om te kunnen werken in teamverband, crisissituaties te hanteren, advies- en consultatiegesprekken te voeren, processen in behandeling en diagnostiek te hanteren.

 

+ Goede kennis van de sociale kaart en de organisatie van de gezondheidszorg. De ELP kan betekenisvol samenwerken met de andere partners in de eerste lijn (HA, AMW, en ARBO-arts), conform het Kwaliteitshandboek van de LVE en het project Korte Lijnen. Consultatie geven en ontvangen, zowel binnen de eerste lijn als tussen de lijnen. Hierbij is aandacht voor de rol van de ELP in relatie tot de tweede lijn als het gaat om casemanagement: de zorg om de cliënt delen, in nauw overleg, en gerichte verwijzing.

Begeleiden van een intervisiegroep bestaande uit ELP-ers in opleiding.

 

7. De gz-psycholoog heeft weet van de voor zijn beroep en werkterrein relevante elementen. Deze betreffen o.a gezondheidsrecht (WGBO, BOPZ, tuchtrecht, etc.) forensische psychologie, problematiek van en hulpverlening aan allochtonen, beroepsethiek, criteria voor de kwaliteit van praktijkvoering /beroepsuitoefening.

 

+ Zelfstandige en verantwoorde praktijkvoering volgens het Kwaliteitshandboek van de LVE en kennis van de juridische wetgeving in de gezondheidssector.

Zelfstandige praktijkvoering impliceert de durf en capaciteit om snel beslissingen te nemen, eigen verantwoordelijkheid te nemen en je toetsbaar op te stellen. Intercollegiale toetsing en intervisie nemen hier een cruciale plaats in.    

Verslaglegging jaargegevens volgens het codeboek van de LVE.

 

 

 

Bijlage 3

Informatie over hoogleraren en docenten betrokken bij medische en gezondheidswetenschappelijke opleidingen en onderzoeksprojecten


Prof.dr. E.R. Seydel, Faculteit Gedragswetenschappen, Universiteit Twente

Leerstoel: Sociaal-psychologische aspecten van organisatie- en gezondheidsvraagstukken

Prof. Seydel is gasthoogleraar aan enkele buitenlandse universiteiten en heeft een adviesfunctie bij het Staff College System van de Verenigde Naties te New York en Turijn (UN Staff College System) op het terrein van strategische communicatie. Hij was van 1996 tot 2003 decaan van de Faculteit der Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen van de Universiteit Twente.

Zijn onderzoek richt zich in hoofdzaak op communicatie en veranderings-

processen in sociale systemen.

Erwin Seydel vervult tal van bestuurstaken en adviseurschappen in de wetenschappelijke wereld, de gezondheidszorg, het bedrijfsleven en de overheid in binnen- en buitenland. Hij geeft veel (key-note) lezingen op het terrein van strategische communicatie, visieontwikkeling, veranderingsprocessen en leiderschap. Seydel maakte deel uit van verschillende door het kabinet ingestelde commissies, zoals de commissie ‘Toekomst overheidscommunicatie’ (de zg. commissie Wallage) en recentelijk de commissie ‘Biotechnologie en Voeding’ (de zg. 'Commissie Terlouw'). Op dit moment maakt hij deel uit van de adviescommissie ‘Leef­stijl­campagnes’.


Dr. E.T. Bohlmeijer, Faculteit Gedragswetenschappen, Universiteit Twente

Universitair hoofddocent Gezondheidspsychologie.

Opleiding: Klinische Psychologie Universiteit Leiden; Opleiding Preventie Radboud Universiteit Nijmegen; Voorlichting in de gezondheidszorg Hogeschool Rotterdam; Narratieve psychotherapie RINO Amsterdam; promotie-onderzoek Reminiscence and depression in later life, Vrije Universiteit Amsterdam. Recente onderzoeksprojecten: Informal care-givers in balance: A Randomized Controlled Trial on the effects of a new intervention aiming at the prevention of burnout of informal care-givers (ZonMw, 2006);

Proefimplementatie van een bibliotherapie voor depressieve klachten (ZonMw, 2006);

De ontwikkeling en evaluatie (RCT) van reminiscentie in verzorgingshuizen (utsOhra, 2006); Ontwikkeling en implementatie lesmodule narratieve psychologie HBO en Universiteiten (ZonMw, 2006); The stories we live by. A Randomized Controlled Trial on the effects of integrative reminiscence on psychological distress in older adults (ZonMw, 2007); en Een review en meta-analyse van ‘positive psychology’ (VWS, 2007).


Prof.dr. M.A.F.J. van de Laar, Faculteit Gedragswetenschappen, Universiteit Twente

Bijzondere leerstoel: Reumatologie en samenleving

Prof. van de Laar is opleider reumatologie in het Medisch Spectrum Twente. Daarnaast organiseert hij landelijke postacademische nascholingen zoals het post-Eular symposium en het Lagerhuisdebat.

Het onderzoek van Mart van de Laar richt zich op het raakvlak van de reumatologie en de samenleving. Het onderzoek wordt uitgevoerd binnen ‘Reumatologie Twente’ een samenwerkingsverband van de afdelingen reumatologie van het Medisch Spectrum Twente in Enschede en de ziekenhuizen van de Ziekenhuisgroep Twente in Hengelo en Almelo en de afdeling Communicatiewetenschap van de Universiteit Twente.

In het onderzoek zijn de volgende onderzoekslijnen te onderscheiden: psychosociale aspecten, paramedische behandeling en assessment; klinische farmacoepidemiologie; en beeldvormende technieken.


Prof.dr.ing. W. Verwey, Faculteit Gedragswetenschappen, Universiteit Twente

Leerstoel: Psychologische Functieleer

De fundamentele vraag in het onderzoek van Willem Verwey is hoe het komt dat door herhaalde uitvoering (‘oefening’) van bepaalde taken, zoals autorijden of pianospelen, het gedrag automatiseert en steeds minder aandacht vergt. Deze capaciteit is essentieel voor menselijk gedrag. Hoe zouden we intelligent gedrag kunnen vertonen als we zouden moeten denken bij elke beweging of handeling die we uitvoeren. Hoe zou je bijvoorbeeld een auto kunnen besturen als je steeds moet nadenken over welk pedaal de rem en welk pedaal het gaspedaal is, en hoe ver het stuur gedraaid moet worden gegeven een bepaalde bocht? Psychologische theorieën gaan er vanuit dat er door herhaald uitvoeren van een taak steeds taakspecifiekere representaties in het geheugen ontstaan. Deze representaties zijn een soort directe verbindingen tussen wat we waarnemen en wat we doen en zijn veelal uitgedrukt in termen van ruimtelijke en motorische codes. Dus, als je autorijdt en een rood licht ziet ga je direct het rempedaal intrappen zonder eerst na te denken wat een rood licht zou kunnen betekenen, wat je moet gaan doen, en waar dat (verd…) pedaal zit. En in deze tijd van methoden om ‘in’ werkende hersenen te kijken is een logische vervolgvraag wat dit dan betekent voor de processen in de hersenen en wat de rol is van diverse hersenstructuren (zoals de prefrontale cortex, de basale ganglia, het cerebellum, de supplementary motor area, en de primaire motor cortex). Hiertoe voeren we op onze afdeling hersenonderzoek uit met EEG, en in samenwerking met anderen, met hersenscanmethoden (fMRI) en stimulatie van hersendelen bij proefpersonen met (onschuldige!) magnetische velden (TMS). Mijn experimenten in het laboratorium houden veelal in dat proefpersonen een bewegingssequentie (een serie toetsdrukken of opeenvolgende doelgerichte bewegingen) leren, en vervolgens onderzocht wordt wat er in het gedrag en/of de hersenactiviteit gebeurt als de taak gewijzigd wordt.


Dr. J.M. Gutteling

Jan Gutteling is Sociaal-Psycholoog en Communicatiewetenschapper. Zijn interesse richt zich op risicoperceptie en risicocommunicatie, met speci­fieke interesse in het gebied van de (strategische aspecten van) crisis- en risicocommunicatie in brede zin. Thema’s die daarbij aan de orde komen zijn: externe veiligheid, biotechnologie en genomics, risico en watermanagement, het gebruik van ICT bij de crisis- en risicocommunicatie, de rol van corporate communicatie en corporate social responsibility bij crisiscommunicatie van organisaties. Zijn onderzoek gaat over deze onderwerpen, evenals het meeste van zijn onderwijs.


Dr. R.R. Meijer

My research is aimed at the development and the application of innovative measurement techniques to improve psychological measurement. My recent research aims at the application of new measurement methods in the personality and the cognitive domain with an eye toward personnel selection and recruitment. Furthermore, I am interested in the application of new technology to improve selection and assessment. At the moment two externally funded projects deal with the development of computer adaptive tests for personality and cognitive tests for selection purposes and the development of computer-based assessment instruments.


Dr. E. Taal

Erik Taal is van oorsprong sociaal psycholoog. Zijn expertise ligt op het terrein van gezondheidsvoorlichting aan publiek en patiënten en psychosociale aspecten van de gezondheidszorg, in het bijzonder met betrekking tot reumatische aandoeningen.

Het onderzoek van Erik Taal richt zich op psychosociale aspecten van reumatische aandoeningen. Het onderzoek wordt uitgevoerd binnen ‘Reumatologie Twente’ een samenwerkingsverband van de afdelingen reumatologie van het Medisch Spectrum Twente in Enschede en de ziekenhuizen van de Ziekenhuisgroep Twente in Hengelo en Almelo en de afdeling Communicatiewetenschap van de Universiteit Twente.

In het onderzoek zijn drie onderzoekslijnen te onderscheiden: voorlichting en ondersteuning van patiënten, paramedische behandelingen, en evaluatie van instrumenten voor het meten van gezondheidstoestand en kwaliteit van leven.


Dr. H. Boer

- Psychologie van preventief gedrag en de mogelijkheden om door communicatie preventief gedrag te bevorderen.

- Centraal staat de verdere ontwikkeling sociale cognitiemodellen, zoals de Protectie Motivatie Theorie en de Theory of Planned Behaviour, door het nagaan van de invloed van contextuele variabelen, zoals cultuur (gender roles), communicatie-netwerken, zelfbeeld, stigmatisering en het geloof in mythen op

de sociale cognities die deze modellen onderscheiden.

- De toepassing van sociale cognitiemodellen in ontwikkelingslanden met bijzondere aandacht voor Afrika en Zuid-Amerika, waarbij de invloed wordt nagegaan van de hierboven genoemde contextuele variabelen op sociale cognities gericht op HIV preventief gedrag.

- De rol van communicatie bij het bevorderen van primaire preventie gericht op het beïnvloeden van de genoemde sociale cognities.

- De rol van communicatie bij het bevorderen van secundaire preventie door vroege opsporing (bevolkingsonderzoek borstkanker) en door vrijwillig testen (SOA).

- Onderzoek gericht op de bevordering van de acceptatie van preventieve technologie (de bejegening en ervaringen van gebruikers van secundaire preventie met behulp van diagnostische apparatuur).


Dr. C. Drossaert

Stans Drossaert heeft Gezondheidsvoorlichting en –opvoeding gestudeerd aan de Universiteit van Maastricht, is gepromoveerd op “psychosociale aspecten van borstkankerscreening” en is momenteel werkzaam als Universitair Docent. Haar interesses liggen op het gebied van de gezondheidscommunicatie.


Dr. M. Pieterse

Marcel Pieterse heeft de opleiding Gezondheidswetenschappen gevolgd in Maastricht. Hierin is hij afgestudeerd op gezondheidsvoorlichting en –opvoeding. Hij deed promotie-onderzoek naar stoppen-met-roken adviezen in de huisartspraktijk.

Na zijn promotie werkte hij enkele jaren buiten de universiteit, eerst bij een organisatie-adviesbureau dat zich richt op de gezondheidszorg, daarna als senior-adviseur bij het Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie (NIGZ). Sinds juli 2002 is hij weer fulltime in dienst van de UT.

Naast het thema roken bestaat zijn expertise uit toegepast onderzoek gericht op het ontwerpen van (gezondheids)communicatieve interventies en gericht op implementatievraagstukken.










Bijlage 4

Ondersteuning