Reacties van de Raad

8. Brief UR nieuwe bekostigingssystematiek

logo URaad UT

universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 300/302



Aan het College van Bestuur,



Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 08-099

Fax


Datum

28 maart 2008

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

Betreft: voorlopig UR standpunt t.a.v. Herziening Bekostigingssystematiek en reactie CvB op preadvies UR ter zake.


Geacht college,


In de FVA-commissievergadering van 19 maart 2008 is uw voorstel “Uitwerking herzien UT - Verdeelmodel “en het begeleidende schrijven reeds aan de orde geweest, maar niet alle aspecten zijn besproken. Tevens hebben we geconstateerd dat het wenselijk is bepaalde aspecten ook in het overleg aan de orde te laten komen.

Onderstaande zaken willen we met u bespreken:


Naar aanleiding van de aanbiedingsbrief

De URaad heeft zich in de interne vergadering verontrust getoond over de houding van het college jegens de URaad die uit deze brief blijkt. Ondanks het feit dat in de commissie FVA werd gezegd, dat het “niet zo bedoeld was”, kunnen we er niet anders uit lezen dat u niet op het URaad-advies wenst in te gaan, omdat de raad de bestuurlijke uitgangspunten van het college niet accepteert. Ten aanzien van het verdeelmodel wordt met zoveel woorden gesteld dat de raad geen recht heeft om commentaar te leveren op “de techniek” van het verdeelmodel. Onze perceptie van de (pre)adviezen die de raad heeft gegeven is een geheel andere.

Het is de raad niet duidelijk:

Welke bestuurlijke uitgangspunten het college bedoelt en in welk document deze hoofdlijnen van beleid zijn vastgesteld (met instemming van de raad).

Waarom het college in het verleden herhaaldelijk heeft geweigerd om bij beleidstukken een vertaling in financiële termen te geven en nu bij het voorstel tot wijziging van de bekostigingssystematiek geen reactie wil geven op adviezen die de raad daarbij van groot belang vindt.

In het overleg horen we graag uw reactie op bovenstaande alvorens het overleg over de inhoud te starten.


Voorlopige standpunten van de raad over strategische aspecten van het verdeelmodel

1.Naar het oordeel van de Universiteitraad is het noodzakelijk om de geconstateerde teruggang in de onderwijskwaliteit te corrigeren door structureel meer geld voor onderwijs vrij te maken.
Toelichting: zoals u bekend, is de raad van mening dat de teruggang in de externe kwaliteitsbeoordelingen vooral te wijten is aan het 6 jaar geleden ingezette beleid waarbij de middelen voor onderwijs en onderzoek gescheiden zijn en parallel daarmee gescheiden bestuurlijke verantwoordelijkheden voor deze primaire activiteiten. In de faculteiten heeft dit geleid tot bezuinigingen op het onderwijs en daarmee gepaard gaande gevolgen. Deze nadelige effecten kunnen o.i. op termijn alleen worden teruggedraaid indien structureel meer geld naar het onderwijs gaat. De overheadtoerekening pakt in het vigerende model zeer nadelig uit voor de onderwijsbekostiging. De technisch aanpassing op korte termijn die wij voorstellen is om de collegegelden (nationaal en internationaal) te


behandelen als tweede of derde geldstroominkomsten, en dus niet voor 30% aan te slaan. De collegegelden van niet-EER-studenten komen dan geheel ten goede aan het onderwijs, een incentive voor internationalisering. Dit leidt tot een verruiming van het onderwijsbudget met M€ 2.4 miljoen. Tevens herhalen we het advies om tot een structurele oplossing te komen voor de toenemende problematiek rondom de overheadtoerekening indien de directe Rijksmiddelen in de toekomst nog verder afnemen.

2.De Universiteitraad acht het noodzakelijk dat het college op zo kort mogelijke termijn het volumebeleid ten aanzien van de te matchen onderzoekprojecten alsnog tot stand brengt.
Toelichting: Ondanks de toezegging van het college in drie achtereenvolgende jaren dat een volumebeleid zal worden ingevuld door de WD-en i.o.m. de decanen, is daarvan nog steeds geen sprake. Toch worden nu minimumprijzen door het college gegarandeerd. Het garanderen van prijzen is gezien de vrees voor prijsinflatie uit het verleden begrijpelijk, maar bestuurlijk ongewenst (want het leidt tot overschrijding van budgetten) en in strijd met de filosofie die het college uitdraagt ten aanzien van het verdelen van middelen (het college sluit immers een relatie van middelen met kosten uit). Prijzen zullen, zoals bij alle activiteiten aan de UT, mee moeten ademen met de beschikbare middelen, onderzoekspremies horen daar geen uitzondering op te zijn. Indien men daar decentraal toch voor kiest, hebben de onderzoeksinstituten voldoende reserves om dit (ter overbrugging!) uit eigen budget te bekostigen. Dan is het ook een prikkel om tot invulling van het volumebeleid te komen.

3.Hoogte en doel van de “opleidingsspecifieke overhead” dienen verduidelijkt te worden om te voorkomen dat wederom discussies over onderlinge verrekeningen moeten plaatshebben.
Toelichting: een deel van de overhead (BOZ, ICT-ondersteuning) is inmiddels overgeheveld naar centraal budget (het gaat om vele miljoenen). Toch handhaaft het college het budget en de verdeelsleutel voor deze “opslag”en noemt deze nu “opleidingsspecifieke overhead”. Het is de raad niet duidelijk welke kosten opleidingen daaruit moeten betalen. In ieder geval de facultaire onderwijsorganisatie en studentenbegeleiding. En uiteraard specifieke technische onderwijsvoorzieningen. Ten aanzien van de onderwijsruimten is dat onduidelijk. Opleidingen kunnen kiezen voor “eigen zalen”, die dan wellicht uit dat budget betaald moeten worden (moet het aan die opleiding toegeleverd onderwijs voor gebruik van die zalen dan betalen?). Indien de opleidingen kiezen voor gebruik van poolzalen, zouden ze dit moeten betalen uit het poolzalenbudget dat aan de ECTS-bekostiging is toegevoegd (en houden ze dan over aan het opleidingsspecifieke budget?). Het voorstel van het college werkt dus onduidelijkheid en inefficiëntie in de hand.
Is het college voornemens om alle onderwijsruimtes onder centrale regie te brengen om een optimale inzet te waarborgen? En past daarbij niet dat alle onderwijsruimtes uit hetzelfde budget betaald worden (In het voorstel worden onderwijsruimtes deels in ECTS-prijs en deels in opslag verwerkt?

4.Het college dient het doel van het gewijzigde verdeelmodel uit te dragen, namelijk dat aan de WD-en en decanen veel ruimte wordt geboden om toegekende budgetten strategisch in te (kunnen) zetten en dat daarmee het business unit model voor de leerstoelen de facto is afgeschaft.
Toelichting: De overfocussering op het financieel presteren van (kleine en dus financieel kwetsbare) leerstoelen in het oude financiële model is alom als probleem ervaren. In plaats van directe budgettering van leerstoelen is nu een “interface” van sturing door WD-en en decanen aangebracht., waardoor de eerste geldstroominkomsten niet meer door “marktwerking” tot stand komt. Toch kunnen WD-en en decanen, ondanks hun uitgebreide sturingsmogelijkheden in het voorstel, budgetverantwoordelijkheid naar de leerstoel door delegeren. Hoewel dit niet expliciet de bedoeling is van het college is dit wel de meest

waarschijnlijke werkwijze bij de technische faculteiten. Daarmee is het beleidsrijker maken van de P&C - cyclus op het laagste niveau tot mislukken gedoemd.


Overige opmerkingen en vragen:

Bekostigingsniveau premaster ECTS: hier had de opmerking geplaatst moeten worden dat we voor deze activiteiten geen rijksbekostiging ontvangen en dat deze activiteiten tijdelijk als bacheloronderwijs zullen worden bekostigd in afwachting van de afbouw door samenwerking met de HBO-instellingen.

Welke bestuurlijke afwegingen hebben geleid tot verhoging van de opslag voor IO per 2009? En waarom geldt dat niet voor andere technische opleidingen?

Gezien de inspanningen (blijkend uit het aantal contacturen, werken in kleinere groepen) die de niet zwaar-technische (maar wel technische) opleidingen zich getroosten in verhouding tot de maatschappijwetenschappelijke opleidingen, die bovendien allerlei schaalvoordelen hebben, is de volledig gelijkgeschakelde bekostiging onrechtvaardig.

Waarom heeft het college niet overwogen om bredere vaste voeten in te voeren voor technische en/of infrastructurele faciliteiten op gebied van zowel onderzoek als onderwijs?
Toelichting: De claim die blijkbaar BMTI hiervoor heeft gelegd is begrijpelijk. Het college heeft als leerpunt uit de “stage van het 3TU-DB” meegenomen dat infrastructurele voorzieningen bieden een begin van bloei van onderzoek kan zijn. Het zou beter zijn als niet leerstoelen (financieel) verantwoordelijk zijn voor de bedrijfsvoering van dure faciliteiten (zie ook opmerking over het business unit model). Daarmee wordt ook een grotere mate van financiële stabiliteit bereikt. Ook elders (Delft) wordt stabiliteit bevorderd door infrastructurele kosten van de universiteit direct uit de SCO te bekostigen.

Wanneer heeft het college de criteria voor toekenning van centrale stimuleringsmiddelen gereed?

In de begroting 2008 wordt de huidige dienstenstructuur na de reorganisatie gebruikt, dit is niet terug te zien in het verdeelmodel, als gekeken wordt naar het ‘Totaaloverzicht normatieve en strategische budgetten 2008’. Het zou begrijpelijker en duidelijker zijn om de nieuwe diensten en bijbehorende veranderingen in het verdeelmodel op te nemen.






Met vriendelijke groet,

namens de Universiteitsraad,





ir. T.M.J. Meijer

voorzitter