Reactie van de Raad

6. Brief UR preadvies verdeelmodel

logo URaad UT

universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 500



Aan het College van Bestuur, Concept




Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 07-402

Fax


Datum

12 december 2007

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

Betreft: Concept preadvies gewijzigd verdeelmodel



Geacht college,


Na een eerste bespreking (in het overleg van 14 november 2007) van de uitgangspunten voor een gewijzigd verdeelmodel, dat per begrotingsjaar 2009 moet worden doorgevoerd, heeft de Universiteitsraad aangekondigd een preadvies uit te zullen brengen over dit concept - voorstel van het college. Dit advies gaat niet alleen in op de uitgangspunten zoals die in het voorstel zijn verwoord, maar ook op impliciete uitgangspunten en al of niet bedoelde effecten van de verdeelwijze.

Voor de Universiteitraad is het belangrijk dat het college erkent dat een verdeelmodel niet alleen dient te verdelen, maar ook “eerlijk” moet verdelen, in de volgende zin: waar er sprake is van toekennen van budgetten voor “prestaties” (of, liever, gewenste primaire activiteiten), moet er een (grofmazige) relatie zijn tussen de kosten van die activiteiten en de toebedeelde budgetten. Gezien de door het college aangebrachte differentiatie in onderzoeksprijzen en erkende tekorten op onderzoeksbekostiging kan het college het niet oneens zijn met dit uitgangspunt. De functie van het verdeelmodel moet ook zijn om helder te maken wie welke kosten voor een activiteit draagt. In het geval van onderzoek is dit veelal geen probleem. Echter onderwijs is van nature een samenspel van vele actoren waarbij helderheid noodzakelijk is. Aan de onderwijskant dient ook de wijze waarop prestaties gemeten worden duidelijk en verifieerbaar te zijn.


Het voorgestelde verdeelmodel continueert de gekozen 2 prijsniveaus voor de infrastructurele opslag. Deze opslag wijkt af van de differentiatie zoals door het ministerie wordt gehanteerd. De opleidingen at, bmt, ct, el, tn en wb kennen een hoge prijs, terwijl de andere technische opleidingen met een externe hoge prijs gelijk gesteld worden met de maatschappijwetenschappelijke opleidingen. Hierdoor ontstaat een duidelijke overdracht van middelen vanuit de technische naar de maatschappijwetenschappelijke richtingen van ruim M€ 3. Hier wordt een beleidskeuze gemaakt ten aanzien van de inrichting van het maatschappijwetenschappelijk onderwijs, i.e. een qua onderwijsactiviteit vergelijkbare intensiteit van bijvoorbeeld inf en psy. Een dergelijke keuze geeft ook verplichtingen voor de ontvangende partij. Zijn de maatschappijwetenschappelijke opleidingen duidelijk meer onderwijsintensief dan vergelijkbare opleidingen in Nederland? Als dit niet het geval is, wat is dan de ratio achter dit beleid? De gekozen interne verdeling is ook niet in lijn met de collegegelden voor niet EER studenten. De interne toewijzing van middelen zou een goedkoper tarief voor inf, tw, io etc. suggereren.


Voor de UR is het opstellen van een onderwijsbegroting door faculteiten een randvoorwaarde voor het functioneren van een verdeelmodel. Dit maakt het mogelijk om waar noodzakelijk differentiatie in onderwijsbekostiging te maken op basis van gewenste verschillen in onderwijsvormen in opleidingen. De differentiatie kan dan op het juiste niveau gemaakt worden


en kan de uitvoerbaarheid en de kwaliteit van de opleidingen beter waarborgen. Binnen het huidige voorstel is differentiatie binnen een opleiding (gezien de bevoegdheden van de decaan) en binnen een onderzoekprogramma (gezien de bevoegdheden van de WD) mogelijk. Op dit moment lijken binnen faculteiten verschillende modellen voor het verdelen van onderwijsmiddelen naar onderwijsinspanning gebruikt te gaan worden. Dit varieert van pure ECTS telling tot het beter belonen van bepaalde typen onderwijs en niet ECTS taken. Een pure ECTS doorsluizing is vaak niet bevorderlijk voor onderwijskwaliteit. Op welke wijze wil het college faculteiten beoordelen op de wijze waarop zij onderwijsmiddelen inzetten?


Het door het college voorgestane verdeelmodel is ook een invulling van een bestuurlijke breuk ten aanzien van de positie van leerstoelen. De tot nu toe vooral financiële besturing door de mores van het centrale verdeelmodel wordt verlaten ten faveure van beleidskeuzes door decaan en WD die vertaald dienen te worden in een langjarig (financieel) committent richting leerstoel. De UR kan slechts zijn hoop uit spreken dat realisatie van dit voornemen tot de zeer gewenste financieel stabielere situatie op leerstoel niveau zal leiden. Toetsing of en hoe dit verloopt, is echter wenselijk. Een dergelijke toetsing staat of valt echter met een nulmeting van de huidige situatie. Is het college van plan om nu al te starten met de evaluatie van de verandering in aansturing van leerstoelen?


Het hieronder volgende advies moet bezien worden vanuit het hierboven beschreven uitgangspunt dat kosten en budgetten op faculteitsniveau gerelateerd moeten zijn en vanuit het uitgangspunt dat belangen van de primaire activiteiten onderwijs en onderzoek financieel gelijkwaardig behandeld moeten worden.


De Universiteitsraad adviseert:

1.De overhead van de universiteit op gelijkwaardige wijze aan onderwijs- en onderzoeksactiviteiten toe te rekenen.
Collegegelden zijn vergelijkbaar met 2
e en 3e geldstroom activiteiten. Zowat 10.000 particulieren geven door betaling van het collegegeld aan een activiteit van de UT af te willen nemen. Het rijk hecht grote waarde aan deze activiteit en geeft een forse premie voor EER studenten. In tegenstelling tot reguliere 2e en 3e geldstroom activiteiten worden collegegelden wel volledig aangeslagen voor het ondersteunen van centrale activiteiten. Inmiddels zijn de collegegelden 20% van de inkomsten voor onderwijs, met een duidelijk stijgende tendens. Een meer gelijkwaardige verdeling is op korte termijn te realiseren door de collegegelden zonder overheadtoerekening aan het onderwijscompartiment toe te rekenen. Voor de lange termijn dient een plan ontwikkeld te worden hoe de overheadtoerekening aan alle activiteiten, mogelijk stapsgewijs, gerealiseerd kan worden.

2.Omvang en prestatiemaat voor de onderwijsopslag te heroverwegen.
Ten eerste dient centraal te worden vastgesteld welke onderwijskosten door welke deelnemer aan het onderwijs worden gedragen. Een verdeling waarbij daadwerkelijk invloed kan worden uitgeoefend op kosten is daarbij leidraad.
Ten tweede dient bij de omvang rekening te worden gehouden met de verlaging van de facultaire kosten door de vorming van de service centra.
Ten derde dient de keuze voor gelijkschakeling van een aantal technische opleidingen en maatschappijwetenschappelijke opleidingen door een bestuurlijke motivatie onderbouwd te zijn. Zonder deze motivatie is een dergelijke herverdeling niet te verdedigen.
Ten vierde dienen alle onderwijszalen (“pool” en “facultair”) binnen dit budget bekostigd te worden en voor een efficiënte inzet onder centrale regie te worden gebracht.
Ten vijfde dient de verdeelsleutel, momenteel het aantal eerstejaars van de opleiding, heroverwogen te worden, tegen alternatieven als het aantal ingeschreven studenten en/of het deels overgaan op vaste voeten per opleiding.
Ten zesde dient vooraf helder te zijn of een vak als bachelor of als master zal tellen. Door een overvloed van programma’s en gebruik van dezelfde vakken in bachelor- en masterfase (efficiency!) is een duidelijke definitie gewenst.

3.De beleidsmatige invulling van het volumebeleid zichtbaar te maken.
Na drie jaar alleen bevriezen van matchingbudgetten, moeten de WD-en in overleg met de decanen het volumebeleid voor de verschillende wetenschapsgebieden concretiseren. Hier dienen termijnen bij gesteld te worden en het tijdig realiseren hiervan dient vastgesteld te worden.

4.Uit te dragen dat leerstoelhouders vooral op hun bijdrage aan het onderwijs en onderzoek worden aangesproken in plaats van hun verantwoordelijkheid voor het financiële resultaat van de leerstoel (en dus de leerstoel als “business unit” af te schaffen).
WD-en en decanen kunnen, ondanks hun uitgebreide sturingsmogelijkheden in het voorstel, budgetverantwoordelijkheid naar de leerstoel door delegeren. Hoewel dit niet expliciet de bedoeling is van het college is dit wel de meest waarschijnlijke werkwijze bij de technische faculteiten. Daarmee is het beleidsrijker maken van de P&C - cyclus op het laagste niveau tot mislukken gedoemd.

5.Toekenningscriteria voor centrale stimulering vast te leggen.
De vrij summiere toelichting waarbij 2/3 van deze premies op basis van past performance toe wordt gewezen via een normatief model geeft geen enkel houvast om over de wenselijkheid van dit compartiment te kunnen oordelen. De door het college voorgestane onderzoeksnota mist ook de gewenste verduidelijking. Zonder duidelijk beleidsvoornemen is het niet zinvol om met dit compartiment verder te gaan.






Met vriendelijke groet,

namens de Universiteitsraad,




ir. T.M.J. Meijer

voorzitter