Reacties_van_de_raad

4. Brief UR Nota Onderzoeksbeleid 2007-2008

logo Universiteitsraad UT

universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 500



Aan het college van bestuur



Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 07 - 223

Fax


Datum

21 juni 2007

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

Betreft: besluitvorming Nota Onderzoekbeleid



Geacht college,



Na het uitstellen van de besluitvorming in het overleg van 12 juni 2007 hebben we in de commissievergaderingen van 19 juni de mogelijkheden voor overeenstemming verkend. Tijdens de interne vergadering op dezelfde dag bleek dat een minderheid van de raad de mondelinge toezeggingen van het college een voldoende basis acht om tot een positief instemmingbesluit in het overleg van 26 juni te komen. De meerderheid van de raad is echter nog niet zo ver. Ten eerste wil men de toezeggingen op papier uitgewerkt zien en ten tweede wil men de instituutsraden en faculteitsraden over deze uitwerkingen raadplegen. Belangrijkste overweging daarbij is dat succesvolle uitvoering van het voorgenomen beleid in belangrijke mate afhangt van de inzet van de betrokken bestuurders en hun medezeggenschapsorganen. Zeker gezien het feit dat bij een eerdere consultatie een beperkt draagvlak is gebleken is een toets op uitvoerbaarheid van de aanvullende afspraken, die we centraal maken, op zijn plaats.
De voltallige raad is overigens van mening dat loskoppelen van de inhoud van het onderzoeksbeleid en de uitgangspunten voor financiële sturing ongewenst is. De raad zet liever in op overeenstemming over het geheel door te werken aan het oplossen van geconstateerde knelpunten.


De URaad stelt daarom (in meerderheid) voor uitwerking te geven aan de volgende, reeds besproken aspecten (en is uiteraard bereid aan de uitwerking ervan mee te werken):

1.Integraal beleid en medezeggenschap erop.
-
één van de belangrijkste doelstellingen van het nieuwe onderzoeksbeleid is de oplossing van de matchingproblematiek door volumebeleid: op centraal niveau betekent dat dat omvang en verdeling van convenants- en premiemiddelen periodiek heroverwogen worden: de URaad zal moeten instemmen met deze strategische heroverweging.
- De overeenstemming van een decaan met WD-en (en, voor het instituut, van WD met decanen) over meerjarige afspraken ten aanzien van strategische keuzen en bekostiging van leerstoelen, gegeven de aan de instituten centraal toegekende budgetten, wordt een openbaar document.
- Dit document betrekt de decaan bij het formuleren van zijn integrale beleid ten aanzien van onderwijs, onderzoek en personeel (leerstoelenplan). Indien de FR er niet mee instemt omdat naar zijn mening de genoemde afspraken een goed beleid belemmeren, zal de decaan de afspraken met de WD-en moeten herzien.
- Voor Instituutsraad en WD geldt het overeenkomstige.
- Indien WD-en en decanen niet tot overeenstemming geraken, geeft het college na overleg met de Universiteitsraad een bindend advies.

2.De meerjarige afspraken van decanen en WD-en zouden moeten omvatten:
- Verdeling van convenants- en premiemiddelen voor meerdere jaren.
- Strategische keuzen t.a.v. onderzoek en t.a.v. omvang van benodigde middelen en hoe deze worden vrijgemaakt (nieuw voor oud, groei/krimp wetenschapsgebieden). Hierbij worden ook het onderwijsgebonden onderzoek en de OO-middelen betrokken.
-Via bovengenoemde punten volumebeleid ten aanzien van leerstoelen concretiseren.

3.De medezeggenschap bij instituten: de door de URaad (i.o.m. Instituutsraden) voorgestelde verbeteringen van de positie van IR-en worden door het college overgenomen. Tevens wordt voorgesteld om de Instituutsraden direct uit het aan het instituut verbonden personeel te verkiezen, om belang en zichtbaarheid van de Instituutsraden te vergroten.

4.Bevoegdheden WD-en en decanen en uitgangspunten verdeelmodel voor zover van belang voor onderzoekbeleid:
- Zeggenschap WD-en ten aanzien van onderzoekmiddelen: convenantbijdragen en volumebeleid premies.
- Helderheid over verdeling van OO-middelen (naar faculteiten)
- Voortzetting business unit model / begrotingseenheid leerstoel/capaciteitsgroep en daarmee samenhangend duidelijkheid over de financiële rechten en plichten van leerstoelen (incl. reservebeleid).


De afspraken ten aanzien van de medezeggenschap zouden in een overlegprotocol kunnen worden vastgelegd. De URaad is van mening dat, indien op voortvarende wijze invulling gegeven wordt aan bovengenoemde aspecten van het voorgestelde beleid, er mogelijkheden zijn om een breder draagvlak voor de besluitvorming te creëren. De raad wil deze veronderstelling graag toetsen door een bijeenkomst met de decentrale raden te beleggen.


Op dinsdag 26 juni wil de URaad graag met u over bovenstaande overleggen en tevens bezien of er voldoende tijd voor een zinvolle raadpleging van Instituutsraden en Faculteitsraden kan worden ingeruimd.



Met vriendelijke groet,

namens de Universiteitsraad,




ir. T.J.M. Meijer

voorzitter