agendapunten

3. Verslag overleg 2007-05-15

logo Universiteitsraad UT

universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 500




Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 07-196

Fax


Datum

05 juni 2007

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl



Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad op dinsdag 15 mei 2007


Aanwezig:

Leden UR:

Van Andel, Andringa, Brinkman, Ferreira Pires, Fonville, Hoogveld, De Jong, Meijer (vz), Van Nierop, Pol, Poorthuis, Possel, Stek, Van der Velde, Visschedijk, Visser, Wormeester

College van Bestuur:

Van Ast, Flierman, Zijm

Griffie:

Peijster-Terpelle, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)

Afwezig:

Becht, Ribberink (allen m.k.)




1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent om 13.40 uur met een welkom aan de aanwezigen de vergadering. Hij meldt dat het goed gaat met Jacqueline Ribberink en dat zij binnenkort weer op therapeutische basis aan het werk gaat.

De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld.


2.Mededelingen

CvB:

Vooraanmeldingen: Het aantal vooraanmeldingen herstelt zich licht in positieve zin. Het beeld binnen de UT is zeer wisselvallig als het gaat om meer of minder aanmeldingen.

Tot directeur Facilitair Bedrijf is benoemd dhr. David Korringa. Hij start per 1 augustus 2007. De dienstraad was positief over zijn benoeming.


3.Verslag van de overlegvergadering van 3 april 2007 (UR 07-134)

Pag. 1: Zijm was niet aanwezig.

Met inachtneming hiervan wordt het verslag vastgesteld.


Naar aanleiding van het verslag:

Pag. 1 pt. 4b – 3TU-masteropleiding Science Education en Communication: De faculteitsraden GW en EWI hebben positief advies uitgebracht; de UR stemt dan ook in met de instelling van de masteropleiding.

Pag. 1 pt. 4a – 3TU-masteropleiding Systems & Control: Het advies van de faculteitsraad CTW is nog niet door de UR ontvangen. Zijm zal navraag doen.


4.Reorganisatie Dienstverlening UT (UR 07-140, UR 07-152, UR 07-165)

Ter inleiding merkt Poorthuis op dat het nodige valt aan te merken op het proces tot nu toe, hij wil daar echter op dit moment niet opnieuw op ingaan, maar verdere bespreking uitstellen tot de juni-cyclus. In het concept-besluit UR 07-165 is bewust gekozen voor de formulering “besluit niet in te stemmen… tenzij …”, om aan te geven dat de UR veel moeite heeft met de instemmingsvraag op het nu voorliggende plan. Met alleen het plan van 15 maart 2007 zou de UR niet hebben ingestemd, ook niet na de reactie van het CvB. Nu is na uitvoerige discussie een aantal punten geformuleerd waarop van het college een toezegging wordt verwacht teneinde de instemmingsvraag positief te kunnen beantwoorden.


Van Ast gaat in op de gevraagde (in het concept-besluit UR 07-165 van de personeelsgeleding cursief gedrukte) toezeggingen:

Vertaling “criteria voor succes” in toetsbare criteria t.b.v. nulmeting en evaluatie: Er zullen heldere criteria moeten komen teneinde te kunnen volgen of een Shared Service Center zich ontwikkelt zoals het zou moeten. Maar eerst moet duidelijk worden waar we de komende tijd naar toe willen en aan welke voorwaarden dan moet worden voldaan. De opdracht aan de kwartiermakers is dan ook daar waar nodig zaken smarter uit te werken.

Het is niet de bedoeling alweer een interne afdeling neer te zetten, al lijkt dat vooralsnog misschien zo. De centra zullen zich allengs moeten ontwikkelen tot een vorm waarin de vraag/de behoefte van de organisatie centraal staat. De “operationalisering” vindt dus plaats in de definitieve uitwerking van de plannen. In die zin zijn CvB en UR het dus eens. Die plannen zullen ook zeker met de UR besproken worden – niet om instemming op te vragen, want het gaat immers om operationalisering, maar om advies te vragen.

De UR haalt enkele citaten van Strikwerda en Breman aan over shared service centra en verwijst ook naar de frustraties die de inrichting van nieuwe servicecentra in Delft met zich meebracht. Tevens vraagt de raad zich af hoe een efficiencyslag gemaakt kan worden als de succesfactoren nog niet zijn uitgewerkt; belangrijk in dat kader is het feit dat de ICT-systemen nog lang niet op orde zijn.

Het CvB is zich zeer bewust dat aan de gekozen route ook risico’s zitten, maar die moeten ook weer niet overdreven worden: wat er gebeurt is het samenvoegen van een aantal dingen in een lopende organisatie, waarbij het gaat om verbetering/verandering. Strikwerda bedoelt dat het maken van een slag extra moeilijk wordt als je tegelijkertijd een nieuw systeem wilt invoeren. Maar het enige dat bij de UT nog op zich laat wachten is het studentinformatie en studentvolgsysteem – de andere systemen en programma’s zijn er al; dus er gaat niet ineens heel veel veranderen, behalve de daaronder liggende organisatie. De efficiencyverbetering die het CvB beoogt is met dezelfde inzet meer te bereiken. Wat ICTS betreft: wat er ligt is al vergaand uitgewerkt; het kan gedaan worden met verbetering van de samenhang van de systemen die nu operationeel zijn.

Onveranderd functioneren CCO zoals nu vastgelegd in BBR: Het CvB gaat hier in UR 07-140 uitgebreid op in. Samengevat: Het kan een nuttig overlegorgaan zijn, studenten kunnen een rol blijven spelen; ook kan de tekst in het BBR ongewijzigd blijven, zij het dat het functioneren van de CCO er op basis van diezelfde tekst – en dan met name waar het gaat om besluitvorming e.d. – iets anders uit zal zien. De voorzitter wijst erop dat ook de UR van mening is dat de CCO geen besluitvormende bevoegdheden hoeft te hebben, maar wel een belangrijke rol qua afstemming en adviesfunctie t.a.v. besluitvorming in het onderwijsbeleid. Volgens Van Andel is een aantal CCO-leden van mening dat het niet effectief is om álle opleidingsdirecteuren deel uit te laten maken van de nieuwe overlegvorm. Flierman merkt op dat de huidige BBR-tekst wel spreekt van álle opleidingsdirecteuren. Naar zijn mening is het van belang dat een ieder de ruimte heeft om aan te schuiven. Degenen die zitting hebben geven vaak op persoonlijke titel hun mening. Dus in die context, zeker in de gesprekken met de rector, kan het van belang zijn dat wel iedereen aan tafel zit; in andere gevallen zou er wellicht een wat beperktere samenstelling kunnen zijn, maar in dat geval is het wel van belang dat men er met mandaat zit.

Afgesproken wordt de precieze rol en taken van de CCO mee te nemen bij de discussie over het BBR.

Eigen dienstraad voor elk servicecentrum: Op voorstel van het college wordt afgesproken te beginnen met een dienstraad voor elk servicecentrum en in oktober 2008 te evalueren of dat een efficiënte opzet blijkt.

In meerjarenbegroting financiële kaders aangeven waarbinnen de servicecentra zich kunnen ontwikkelen m.b.t. verbetering dienstverlening: Uiteraard zal er een meerjarenperspectief geschetst worden voor de ontwikkeling van de centra, en daar hoort ook bij welke opdracht het college op UT-niveau aan die centra wil geven, evenals een budget. Wat wordt beoogd is dat degenen die vragen ook over de budgetten beschikken. Gebaseerd op de expertise moeten er ook aanvullende vragen gesteld kunnen worden, gevolgd door ontwikkeling.

Archieffunctie onderbrengen bij het SWI: Ja, akkoord.

Onderzoek naar onderwijskundige dienstverlening richten op de taakvelden van de OD; dit zal niet leiden tot extra boventalligheid binnen dit onderdeel OSC: Er is niets veranderd in hetgeen eerder is aangegeven over de beoogde capaciteiten inclusief 5 fte flexibilisering. Er is een misverstand ontstaan, doordat er – ondanks veel vooroverleg – binnen de faculteiten vraagtekens werden gezet bij het aanbod in het werkplan 2007 van de opleidingsdirecteuren; men vroeg zich af of dat wel aansluit bij de vragen die in de faculteiten leven. Het probleem is dat ervan uit is gegaan dat men het eens was, terwijl er geen echte besluitvorming heeft plaatsgevonden.

Het college handhaaft zijn voorstel op dit punt; wat hij heeft gedaan is die accordering opnieuw aan de orde stellen – de decanen zullen zich dus alsnog moeten uitspreken of het pakket aan activiteiten al dan niet in de huidige opzet gevraagd is.

Kortom: de door de UR geformuleerde toezegging is daarmee niet in strijd.


Vervolgens reageert Van Ast op de gevraagde (in het concept-advies UR 07-165 van de studentgeleding cursief gedrukte) toezeggingen:

Medezeggenschap: Het college gaat akkoord met deelname van studenten aan de gebruikersraad, zeker voor ICTS en OSC. Het overleg over sport en cultuur blijft zoals het is. Wat het facultaire management betreft: daar zit een stukje vrijheid voor de decanen om er studenten bij te betrekken, net als nu het geval is.


Na een korte schorsing wordt overgegaan tot besluitvorming.

Er worden enkele correcties c.q. aanvullingen overeengekomen in de geformuleerde toezeggingen. Vervolgens stemt de personeelsgeleding in met het reorganisatieplan met een meerderheid van 5 tegen 3 stemmen. De studentgeleding adviseert unaniem positief.


Besluit:

De personeelsgeleding van de UR stemt met een meerderheid van drie tegen vijf stemmen in met het reorganisatieplan Efficiënte, Moderne Bedrijfsvoering conform de overeengekomen gewijzigde tekst van het concept-besluit UR 07-165.

De studentgeleding van de UR adviseert unaniem positief t.a.v. het reorganisatieplan Efficiënte, Moderne Bedrijfsvoering conform de overeengekomen gewijzigde tekst van het concept-advies UR 07-165.


De voorzitter wenst het college succes en sterkte met de verdere uitwerking. Gezien de discussie in de afgelopen periode is de UR uiteraard zeer geïnteresseerd in die verdere uitwerking.

Het college is blij met de instemming en het positieve advies. Nu kan aan de medewerkers verdere helderheid gegeven worden. Iedere medewerker die betrokken is bij enig proces dat verband houdt met de nota zal de komende week schriftelijk nader geïnformeerd worden.


5.Nota Onderzoek (UR 07-142, UR 07-158)

Zoals afgesproken ligt de instemmingsvraag t.a.v. de Nota Onderzoek voor in de volgende vergadercyclus. Voorafgaand daaraan wordt in de onderhavige vergadering gediscussieerd over de nota en het (ongevraagde) advies dat de UR daarover heeft geformuleerd.

Flierman laat weten enigszins verbaasd te zijn over het concept UR-advies, omdat de Onderzoeksnota primair een document is dat iets zegt over de inhoud en de koers van het onderzoek, terwijl het advies daar helemaal niet over gaat. Wil dat dus zeggen dat de UR het met koers en inhoud helemaal eens is?

Wat er gebeurd is, is het in twee opzichten afronden van het proces dat al lang gaande was: het regelen van de bestuurlijke verhouding tussen wetenschappelijk directeuren en decanen en het in instituten onderbrengen van al het onderzoek dat daar nog niet in zat. In december is de kantelingsbrief naar alle betrokkenen gegaan (met afschrift naar de medezeggenschap) ter bevestiging van de structuur die reeds bestond maar op het UMT-niveau steeds tot discussie leidde – volledigheidshalve is de strekking daarvan nog weer in de nota opgenomen.

Het college is het niet eens met de suggestie van de UR dat daarmee onvoldoende integratie en samenhang is georganiseerd. De decaan is in het bijzonder ook verantwoordelijk voor de relatie tussen onderwijs en onderzoek en dient ervoor te zorgen dat het onderwijs door voldoende onderzoek wordt gesteund en geborgd. Iedere faculteitsraad kan daar voor zich een oordeel over vormen en ook komt het weer terug in de faculteitsbegroting – er zijn dus verschillende beoordelingsmomenten om te zien of de integratie voldoende tot stand komt. En waar nodig kan het college een knoop doorhakken.

Kortom: volgens het college is de integraliteit van bestuur wel gewaarborgd, waarbij benadrukt zij dat die systematiek ook niet echt gewijzigd is (die was al jaren gebruikelijk of op zijn minst beoogd).

Wat betreft de medezeggenschap op instituutsniveau: als de UR het gevoel heeft dat er dingen niet goed lopen, hoort het CvB dat graag, zodat naar een oplossing gezocht kan worden.


De voorzitter stelt dat het nu gaat om de rol van de medezeggenschap in het geheel. Tien jaar geleden is bij de overgang naar de MUB besloten integraal management in te voeren. Met de komst van rector Van Vught kwam het voorstel voor het instellen van Schools and Institutes, ofwel het afschaffen van faculteiten en instellen van onderwijs- en onderzoeksinstituten. Dit heeft indertijd tot heftige discussies geleid – het is niet voor niets dat dat systeem uiteindelijk uitmondde in onderzoeksinstituten en faculteiten. Wat het college nu doet is alsnog het systeem van Schools and Institutes doorvoeren. De integrale aanpak wordt zeer bemoeilijkt door de wijzigingen die nu optreden. Het voorstel nu is om tweederde van de eerste geldstroommiddelen volledig in handen van de instituutsdirecteuren te leggen, hetgeen in feite neerkomt op het model van Schools and Institutes dat tot zoveel discussie heeft geleid. Dat het UR-advies nu focust op juist dit punt is dus niet zo vreemd.

Reactie van Flierman: Er is niets veranderd, de nota bevat een beschrijving/stroomlijning van een bestaande situatie. Ook een wijziging van het BBR is niet nodig. Het gaat hier dus niet om een besluit, zoals de UR meent, maar om nadere uitwerkingen c.q. richtlijnen/spelregels.

Wormeester meent dat het toch iets anders ligt. Vijf jaar geleden is in het kader van Schools and Institutes ook afgesproken dat de UR instemmingsrecht had t.a.v. het verdeelmodel – dat is in deze discussie heel belangrijk, omdat daarin staat dat onderzoeksgelden via een stramien worden verdeeld waarop de WD maar voor een klein deel zijn stempel kan drukken. Afgesproken is dat decaan en WD samen bepalen hoe (nieuwe) leerstoelen worden ingevuld; echter hoe middelen aan leerstoelen worden toegewezen lag vrijwel centraal vast. Met dit voorliggende plan ontstaat er een heel nieuwe situatie waarbij de langetermijnvisie van de WD een veel nadrukkelijker rol krijgt; dat is dus een wezenlijke wijziging. Een en ander heeft kans van slagen, mits er geen meningsverschillen zijn tussen WD’s en decanen. Dat het college uiteindelijk verantwoordelijk is en waar nodig zal ingrijpen, is duidelijk; maar dan is het eigenlijk al te ver gegaan. En het feit dat de WD zeer belangrijke zaken zal gaan bepalen heeft tot gevolg dat de positie van de faculteitsraad op het gebied van onderzoek een heel andere is. De inbedding van de medezeggenschap in het instituut moet dus beter; er moet gezorgd worden dat de WD de medezeggenschap serieus neemt. Om helderheid te scheppen heeft de UR een aantal randvoorwaarden geschetst.

Flierman wijst erop dat die langetermijnvisie van WD’s en decanen al jarenlang verwacht wordt; nu wordt dat door het college nog weer eens benadrukt. Het gaat erom dat er een debat ontstaat tussen WD’s en decanen, en dat debat moet niet alleen gaan over de begroting 2008 maar vooral over de vraag wat er in 2010/2011 wellicht tot ontwikkeling kan komen op nieuwe terreinen. Dat is de essentie van elke matrixorganisatie – het gaat daarin om een bestuurlijk proces waarin mensen met elkaar tot overeenstemming moeten komen. Dat de zwaardere rol van de WD tot uitdrukking moet komen in een sterkere rol voor de medezeggenschap: daarmee is het college het eens, en dat zou in het nieuwe BBR iets nadrukkelijker verwoord moeten worden. Het college belooft daar serieus naar te zullen kijken, vanuit het adagium “medezeggenschap volgt zeggenschap”. Overigens is er wel sprake van een volgtijdelijkheid in het proces: eerst doet de WD dingen, in goed overleg met de decaan – dat komt bij de instituutsraad; vervolgens komt dat in de faculteitsbegroting tot uiting en daarmee is een integratiemoment ontstaan waar de faculteitsraad wel degelijk een oordeel over kan hebben, zij het niet over de inhoud van het onderzoek. En uiteindelijk is het CvB er om te beoordelen of het geheel van afspraken tot adequate invulling is gekomen – en daar is de UR bij om daar vanuit zijn perspectief een oordeel over te geven.

Volgens Wormeester maakt de Onderzoeksnota wel degelijk een breuklijn in de positie van de WD: de WD krijgt nu leerstoelen onder zich en hij moet zorgen dat ze bloeien. Dat vraagt een andere kijk van de WD. Daarom vindt de UR dat de mechanismen waarop het instituut gaat draaien duidelijk gemaakt en goed vastgelegd moeten worden en dat ervoor gezorgd moet worden dat dit soort samenwerkingsprocessen op de juiste manier gaat verlopen. Flierman wijst erop dat een groot deel van het onderzoek al bij de instituten zát. Het klopt dat de WD zich moet verbreden door zich met het onderzoek in de volle breedte bezig te houden en niet alleen met toponderzoek. Hij zal dus ook meer aandacht moeten geven aan leerstoelen die wat minder presteren. Maar dat is geen wezenlijke wijziging. Inbedding van leerstoelen krijgt vorm door met een strategisch plan te komen, en daarin heeft ook de medezeggenschap een rol.

Zijm benadrukt dat onderwijs en onderzoek geen gescheiden werelden zijn bij de UT. Onderzoek moet zijn vertaling krijgen in de onderwijsprogramma’s. Een WD zal zich ook moeten realiseren dat hij in een bestaande structuur werkt waarin slechts mondjesmaat tot verandering kan worden gekomen, omdat er immers bepaalde afspraken zijn gemaakt. Meer dan in het verleden moeten decanen en WD’s zich druk gaan maken in gezamenlijkheid.

Van Andel is bang dat er dingen ondergesneeuwd zullen raken, in de zin dat bijvoorbeeld bepaald onderwijs wegvalt omdat het niet past bij het onderzoeksgebied of dat bedrijven de UT op bepaalde terreinen niet meer zullen weten te vinden omdat niet duidelijk naar buiten wordt gebracht dat de universiteit ook op die vlakken actief is. Ook als het gaat om besluitvorming kunnen dingen verdwijnen omdat ze minder belangrijk geacht worden. Het is dus essentieel om af te stemmen waar de grenzen liggen, teneinde te voorkomen dat er een machtsspel gaat ontstaan. Zijm reageert door op te merken dat de UT zes instituten kent die op een bepaalde thematiek zijn gedefinieerd. Niet elke leerstoel kan geheel vrij bepalen wat hij gaat doen, want het onderzoek is georganiseerd op een wijze die vraagt om een zekere focus en massa. En wat het onderwijs betreft: er is een opleidingenpakket en dat dient ook gevoed te worden door onderzoek. Gezorgd moet worden dat hetgeen de UT doet goed voor het voetlicht wordt gebracht; maar er is ook niets mis mee als wordt aangegeven dat de universiteit bepaalde dingen niet doet.


De UR besluit zijn advies zoals verwoord in UR 07-158 ongewijzigd vast te stellen.


Het college zal hetgeen in de gevoerde discussie van zijn kant aan de orde is geweest nog eens samenvatten en op schrift stellen.


De voorzitter kondigt aan dat de UR voornemens is de instituuts- en faculteitsraden bij zijn besluitvorming te betrekken, zeker waar het gaat om de medezeggenschap in het kader van het onderzoeksbeleid.

Flierman wijst erop dat een gesprek over de inhoud van de nota thuishoort in de commissie OOS. Waar het gaat om de medezeggenschap e.d. kan de discussie het best met hem gevoerd worden. Afgesproken wordt hier in het agendaoverleg nader over te spreken.


6.Implementatienota Centrale Stimulering (UR 07-143, UR 07-156)

In het kader van de overwegingen nrs. 4 en 6 in het concept-UR-besluit UR 07-156 verwijst Wormeester ook naar de ingezonden brief van een aantal deskundigen in UT-Nieuws van vorige week. Verder benadrukt hij nog eens het belang van het op grote schaal inzetten van student-assistenten – studenten kunnen immers beter bij de UT “vakken vullen” dan bij een supermarkt.

Het college gaat als volgt op de in het concept-besluit geformuleerde toezeggingen in:

Nr. 1 – De inbedding van een project moet na afloop van de stimulering goed geregeld zijn.

Nr. 2 – De status van meerjarige stimuleringsprojecten zal binnen de begrotings- en verslagcyclus worden aangegeven. Het is de budgethouder van een project die verslag dient te doen.

Nr. 3 – De omvang van de centrale beleidsstaf dient in principe voldoende te zijn voor de doorgaande beleidsvoorbereiding (hetgeen ook wel eens kan betekenen dat bepaalde dingen niet gedaan worden). Op dit moment moet er echter wel van alles tegelijk gebeuren en de vraag is of dat wel verantwoord is. En het college wil ook een inhaalslag maken en stappen voorwaarts zetten. Daarom wordt vooralsnog voor de korte termijn – tijdelijk – gekozen voor extra inzet.

Nr. 4 – De voorzitter merkt op dat in het verleden is afgesproken dat er binnen de centrale stimulering een maximum van 10% ruimte geldt voor verdere uitwerking van met name initiatieven in het kader van de onderwijsnota, met de afspraak dat – bij onvoldoende plannen – het overschot terug zou vloeien in de te verdelen middelen. Van Ast legt uit dat de gekozen oplossing voortvloeit uit het feit dat door het stellen van prioriteiten een aantal zaken vooral in 2008 tot uitwerking zal komen. Dit zal dus in feite eenmalig zijn – zeker niet structureel.

Zijm vult aan graag met de UR in gesprek te blijven over de verdere vormgeving en monitoring van initiatieven uit de Onderwijsnota.

Nr. 5 – In de regel worden geen reserves voor centrale stimulering aangehouden die geen bestemming hebben.

Nr. 6 – Uitbreiding van het aantal student-assistenten: Het college zal extra inspanningen plegen om de sterke betrokkenheid van studenten middels assistentschappen verder vorm te geven, en wil daar graag met de UR nader over spreken. Overigens gebeurt het ook al wel: een aantal decanen neemt daartoe initiatieven, ook binnen de eigen begroting.

Zijm verwijst naar de opmerkingen in de notitie over het streven naar flexibilisering en verbetering van de onderwijskwaliteit en de onderwijsefficiency. De discussie gaat over de wijze waarop dat bereikt kan worden – via ICT, via intensievere interactie tussen docent en student (hetgeen ook met student-assistenten kan)? De voorzitter informeert naar de mogelijkheden van een gezamenlijke aanpak in 3TU-verband, waarop Zijm antwoordt dat er in 3TU-verband twee werkgroepen zijn voor de thema’s aansluiting VWO en aansluiting HBO. Ook via SURF gebeuren er dingen, en in het kader van de Digitale Universiteit zijn er ook met andere instellingen dergelijke projecten gedaan.


De voorzitter concludeert dat alleen toezegging nr. 3 een enigszins aangepaste formulering behoeft.


Besluit:

De UR brengt conform het concept-advies UR 07-156 (d.w.z. met inachtneming van een tekstuele wijziging van toezegging nr. 3) positief advies uit ten aanzien van de Implementatienota Strategische Budgetten 2007/2008.


7.Nota Branding UT (UR 07-144, UR 07-163)

De UR brengt ongevraagd advies uit, zoals verwoord in UR 07-163. Het CvB zal dit meenemen in de verdere discussie over het project. De voorzitter wijst erop dat het college geacht wordt een reactie te geven, als het advies ter vergadering wordt aangenomen – die reactie wordt dan ook met belangstelling afgewacht.

Op de vraag of het college al dan niet van plan is het logo te veranderen antwoordt Flierman dat momenteel de opinies verzameld worden, waaronder die van de UR. Op basis van de conclusies van het onderzoek zal vervolgens een voorstel geformuleerd worden.


De UR adviseert – conform het concept-advies UR 07-163 – het logo van de universiteit niet te veranderen, de huisstijl te standaardiseren (www.utwente.nl/huisstijl) en hierop controle uit te oefenen.


8.Voortgang 3TU-proces

Er is een bestuurlijke jaaragenda vastgesteld. Desgewenst is het college bereid deze onderwerp van gesprek met de UR te maken.


9.Rondvraag

Possel: De HBO-raad heeft samen met de VSNU een conceptvoorstel voor een nieuwe bekostigingssystematiek voor het onderwijs geschreven. De landelijke studentenorganisaties hebben nog niet echt inzicht daarin gehad, maar hebben grote zorgen over de implicaties voor “dubbelstudenten” en hebben de verschillende raden in het land gevraagd daarover vragen te stellen aan het CvB en die in de VSNU aan de orde te stellen – wil het CvB deze vragen, die op schrift zullen worden gesteld, in ontvangst nemen en t.z.t. reageren?

Flierman antwoordt bevestigend. Er wordt inderdaad aan een dergelijk voorstel gewerkt, maar bij zijn weten is dat gebeurd in nauw overleg met de landelijke studentenorganisaties – immers, alleen een door drie partijen gedragen voorstel maakt kans gerealiseerd te worden.

Hoogveld vraagt of het CvB erop wil toezien dat de studentenadviescommissie van de VSNU het betreffende document in bezit krijgt, waarop Flierman bevestigend antwoordt, met daarbij de suggestie om zelf ook nog aan de bel te trekken.


10.Sluiting

Om 16.30 uur sluit de voorzitter de vergadering.


*****