agendapunten

8. Nota onderzoeksbeleid, versie april

Nota Onderzoeksbeleid

Universiteit Twente

2007-2010













Focus op

Excellentie,

Innovatie

en

Valorisatie

































24 april 2007



Inhoudsopgave




1.Inleiding


2.Research profiel


3.Wat is er bereikt


4.Ontwikkelingen in de externe omgeving


5.Uitgangspunten voor de toekomst


6.Wat gaan we doen


7.Financiering



BIJLAGE Multidisciplinaire onderzoeksprogramma’s Universiteit Twente
1. Inleiding



De UT is een relatief kleine universiteit met natuurwetenschappelijke- en technische disciplines enerzijds en gedrags- en maatschappijwetenschappen anderzijds waarin onderwijs en onderzoek onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn.

De UT is sterk in onderwijs zoals blijkt uit goede scores bij onderwijsvisitaties en voert kwalitatief hoogwaardig onderzoek uit. De meeste onderzoeksgroepen scoren ‘goed’ in externe visitaties, een zeer respectabel aantal scoort ‘excellent’. Daarnaast hebben veel groepen een reputatie ten aanzien van ondernemerschap en innovatie. Onderzoek van de UT ligt aan de basis van een groot aantal spin-offs. Daarnaast genereren de onderzoekers een aanzienlijke en nog steeds groeiende tweede en derde geldstroom.

De UT geniet een internationale reputatie vanwege haar expertise op gebieden als Nanotechnologie, Biomedische technologie en ICT, alsmede op een aantal deelterreinen uit andere disciplines. Het research profiel van de UT is echter breder en meer onderscheidend dan op basis van dit imago mag worden verondersteld. Eén van de meest wezenlijke en onderscheidende aspecten van het research profiel van de UT is dat er, naast de natuurwetenschappelijke en technische disciplines, ook gedrags- en maatschappijwetenschappen aanwezig zijn. Elk van deze gebieden kent uiteraard haar eigen intrinsieke waarde en motivatie. Daarnaast biedt juist integratie van de gebieden extra mogelijkheden om ook breder mogelijkheden voor toepassing en implementatie van nieuwe technologieën te onderzoeken.


In deze notitie schetst het College van Bestuur van de Universiteit Twente (UT) haar visie op het proces van onderzoeksontwikkeling dat in het kader van de opstelling van het Instellingsplan 2000-2005 werd ingezet en in het Instellingsplan 2005-2010 en in de Bestuurlijke Agenda 2006-2007 zijn vervolg kreeg. Deze notitie geeft de kaders voor een dynamisch onderzoekslandschap van de UT.


In deze notitie staan de volgende vragen centraal:

-Wat is het research profiel van de UT (hfdst 2)

-Wat is de afgelopen jaren bereikt en wat is daarvoor gedaan? (hfdst 3)

-Met welke externe ontwikkelingen hebben we te maken (hfdst 4)

-Uitgangspunten voor de toekomst (hfdst 5)

-Wat gaan we doen (hfdst 6)

-Hoe gaan we dat bekostigen (hfdst 7)



2. Research profiel



De missie, doelstelling en strategische keuzes geven richting aan de verdere uitwerking van het research profiel van de UT.



2.1 Missie


De UT is een ondernemende universiteit met een focus op technologische ontwikkelingen in de kennissamenleving. De term ‘ondernemende universiteit’ staat voor een moderne universiteit die academische expertise en vorming koppelt aan maatschappelijke betrokkenheid en toepassingsgerichtheid.


De UT is ondernemend en innovatief!


De UT streeft naar onderzoek van internationaal erkend topniveau dat een bijdrage kan leveren aan maatschappelijke en technologische vernieuwingen. Het onderzoek van de UT is multidisciplinair van karakter, geworteld in disciplinaire kennisdomeinen, waarbij de grenzen tussen de verschillende vakgebieden vervagen. Het onderzoek van de UT is georganiseerd in een beperkt aantal krachtige en internationaal geprofileerde onderzoeksinstituten en wordt uitgevoerd in intensieve interactie met publieke en private actoren in de samenleving, zowel internationaal, nationaal als regionaal.


Het onderzoek van de UT is van excellente kwaliteit,

innovatief en met aandacht voor valorisatie!


Dit verklaart de titel van deze notitie: Focus op Excellentie, Innovatie en Valorisatie.



2.2 Doel en strategische keuzes


De UT zal zich in de komende jaren definitief positioneren als een vooraanstaande Europese

research university (Instellingsplan 2005-2010).


De UT heeft daarbij de ambitie om (strategische keuzes):

1.een dynamisch onderzoekslandschap te creëren in natuurwetenschappelijke en technische disciplines enerzijds en gedrags- en maatschappijwetenschappen anderzijds, met nadrukkelijk aandacht voor onderzoek op de raakvlakken tussen beide gebieden;

2.haar hoge onderzoekskwaliteit te handhaven en mogelijk nog verder te versterken (focus op kwaliteit);

3.haar hoge innovatiefactor en valorisatiegraad te handhaven en mogelijk nog verder te versterken (focus op innovatie en valorisatie);

4.haar onderzoeksportefeuille selectief, geconditioneerd en daarom strategisch te doen groeien.


De UT streeft in haar onderzoeksbeleid, naast top-onderzoek op een geselecteerd aantal terreinen, naar een intensieve interactie tussen onderzoek en bedrijfsleven. Randvoorwaarde daarbij is een sterke interactie tussen wetenschappelijk onderwijs en onderzoek teneinde ook onze studenten in de verschillende fasen van hun studie vertrouwd te maken met het werken aan de grenzen van de wetenschap. In het UT onderzoek onderscheiden we verschillende aspecten:

1.Wetenschappelijk-strategisch aspect;

2.Valorisatie aspect;

3.Funderend aspect;

4.Onderwijs aspect.


Het wetenschappelijk-strategisch aspect van onderzoek (ad 1) komt tot uiting in zogenaamde Strategische Research Orientaties (SRO’s) en is bij uitstek gericht op wetenschappelijke grensverlegging. Onderzoek met een hoog valorisatie aspect (ad 2) heeft een maatschappelijke meerwaarde, die vaak in samenwerking met het bedrijfsleven of andere maatschappelijke actoren wordt gerealiseerd. Dit onderzoek wordt duidelijk meer vraaggericht aangestuurd. Het ‘afleveren’ van kwalitatief goede afgestudeerden beschouwen wij overigens ook als ‘maatschappelijke meerwaarde’. Het funderend aspect van onderzoek (ad 3) is onmisbaar als wetenschappelijk fundament voor kwaliteit van onderzoek, innovatie en valorisatie. Om het onderwijs op voldoende wetenschappelijk niveau te houden is het noodzakelijk om onderzoek te verrichten dat is gerelateerd aan de inhoud van het onderwijs (ad 4).


Bovenstaande aspecten sluiten elkaar uiteraard niet uit; zo kan strategisch onderzoek ook een direkte betekenis hebben voor het onderwijs, terwijl hetzelfde vaak geldt voor onderzoek met een aanwijsbare maatschappelijke relevantie. Funderend onderzoek is in de regel meer gericht op analyse, minder op concrete toepassingen. Van belang is wel dat de verschillende hierboven genoemde aspecten voldoende tot hun recht komen.



2.3 Research Profiel


De UT staat bekend om haar expertise op het gebied van nanotechnologie, biomedische technologie en ICT, alsmede op deelgebieden zoals bijv. aspecten van energietechnologie, stromingsleer, onderwijsinnovatie of techniekfilosofie. Het research profiel van de UT is echter breder en meer onderscheidend dan op basis van dit imago mag worden verondersteld.


Eén van de meest wezenlijke en onderscheidende aspecten van het research profiel van de UT is dat de UT, naast de natuurwetenschappelijke- en technische disciplines ook gedrags- en maatschappijwetenschappelijke disciplines kent. Integratie van deze disciplines biedt de mogelijkheid de maatschappelijke acceptatie en implementatie van nieuwe technologieën breed te onderzoeken.

Ook in haar toepassingsgebieden onderscheidt de UT zich van andere technische universiteiten in Nederland door de combinatie van de domeinen techniek, gezondheid en maatschappij. Juist op de snijvlakken van deze domeinen wil de UT mondiaal tot de top behoren.


Het onderscheid met de algemene universiteiten is de sterkere gerichtheid op niet slechts de analyse maar ook de synthese, tot uitdrukking gebracht in het ontwerpen van instrumenten, technieken en methoden (ook in de gedrags- en maatschappijwetenschappen) en op de valorisatie.


Zes multidisciplinaire programma’s


Op de snijvlakken van disciplines en domeinen heeft de UT zes – multidisciplinaire - programma’s voor onderzoek gedefinieerd op kennisgebieden waarin de UT sterk is of sterk kan worden. Elk programma is ondergebracht in een onderzoeksinstituut. Deze programma’s geven het onderzoek van de UT profiel en massa. De programma’s zijn vastgesteld voor de lange termijn, maar natuurlijk niet in beton gegoten. Accenten kunnen verschuiven. Dat kan de definiëring van nieuwe - of de afbouw van bestaande programma’s - tot gevolg hebben en daarmee tot een herschikking van de inbedding van onderzoeksgroepen in instituten leiden. Een herschikking van het instituutslandschap als zodanig is overigens op korte termijn niet aan de orde, al is een verdere clustering niet uitgesloten.


Eind 2006 was ruim 90 procent van het onderzoek aan de UT ondergebracht in een instituut. In december 2006 heeft het UMT besloten voor de zomer van 2007 al het onderzoek in instituten wordt ondergebracht. Dit is een principiële omslag in de benadering van de instituten. Wezenlijk in deze is de omslag van ‘speerpuntinstituten’ naar ‘instituten met enkele speerpunten’. In meer praktische zin biedt het onderbrengen van onderzoek in een instituut betere garanties voor focus en massa (en daarmee voor een aanscherping van het research profiel) en voor kwaliteitsbewaking. Bovendien wordt aldus voorkomen dat gescheiden budgetten voor de verschillende aspecten van het onderzoek onevenwichtigheden in de totale onderzoeksfinanciering met zich meebrengen.


Binnen de instituutsprogramma’s definiëren de wetenschappelijke directeuren en hun staf, al dan niet in samenwerking met elkaar en in samenhang met regionale, landelijke of internationale programma’s die worden uitgevoerd met partijen buiten de UT, de potentiële zwaartepunten die worden neergelegd in de eerdergenoemde SRO’s. Met het definiëren van SRO’s wordt de kiem gelegd voor wat op termijn moet uitgroeien tot excellent onderzoek. Het CvB streeft naar een situatie waarin elk instituut minimaal één, en zo mogelijk meerdere SRO’s kent met onderzoek dat mondiaal toonaangevend is. De noodzaak tot het benoemen van SRO’s vloeit voort uit de wens om gericht massa te kunnen maken en het research profiel te versterken. Keuzes voor SRO’s worden periodiek geëvalueerd en/of herzien.


Instituutsprogramma’s:

1. Nanotechnologie MESA+

2. Medische en biomedische Technologie BMTI

3. Telematica en Informatie & Communicatie Technologie CTIT

4. Mechanics en Procestechnologie IMPACT

5. Innovatie en Governance IGS

6. Gedragswetenschappen IBR


1. Nanotechnologie – MESA+ Institute for Nanotechnology

Het onderzoeksprogramma van MESA+ is gericht op de vakgebieden nanotechnologie, microsystemen, materiaalkunde en micro-elektronica. Belangrijke ontwikkelingen binnen dit programma doen zich voor op gebieden als BioNanotechnology, NanoElectronics, NanoFabrication, Nano en MicroFluïdics en Moleculair Photonics. Toepassingsmogelijkheden liggen bijvoorbeeld op de terreinen van de chemie, electronica, nieuwe materialen, sensoren, diagnostica, voeding, gezondheid, medische technologie en veiligheid. MESA+ is trekker van het nationale nanotechnologieprogramma NanoNed. Een belangrijk aspect is de valorisatie getuige de meer dan 30 start-ups die rondom MESA+ zijn gerealiseerd. Vanuit dit instituutsprogramma wordt geparticipeerd in het 3TU-CoE BioNanotechnologie.


2. Biomedische Technologie – BMTI, Institute for Biomedical Technology

Het BMTI bundelt biomedisch onderzoek en valorisatie activiteiten in zes programmalijnen:

Materials & Membranes, Drug- & Gene Delivery, Tissue Engineering, Rehabilitation Technology & Neural Engineering, non-invasive Diagnostics, en Technical Life Sciences. De programma’s hebben een sterke technologische multi-disciplinaire basis en worden gekenmerkt door intensieve interacties met biologische en medische expertises. Op gebied van moleculaire (stam)celbiologie worden eigen onderzoekslijnen ontwikkeld, terwijl op veel andere klinische georiënteerde vakgebieden veel gebruik wordt gemaakt van deeltijdaanstellingen en samenwerking met hun homebase “donororganisaties”.

BMTI is coördinator van het landelijk DPTE consortium voor Tissue Engineering. Het gezamenlijk onderzoek met Het Roessingh RRD en het Medisch Spectrum Twente heeft ondermeer geleid tot de erkenning van RRD door het ministerie van VWS als Kenniscentrum voor Revalidatie Technologie en Pijnmanagement. In 3-TU verband wordt geparticipeerd in het 3TU-CoE BioNanotechnologie.


3. Informatie- en communicatietechnologie – CTIT, Centrum voor Telematica en Informatie Technologie

Het onderzoeksprogramma van het CTIT betreft het ontwerp van geavanceerde ICT-systemen en het gebruik daarvan op diverse toepassingsgebieden. Als onderzoekslijnen worden onderscheiden: Applied science of services for information society technologies, Dependable systems and networks, Wireless & sensor networks, Natural interaction in computer-mediated environments, Integrated security and privacy in a networked world, Industrial engineering and ICT. Met dit onderzoek beweegt het CTIT zich in gebieden als Embedded Systemen, Virtual Reality en multimedia en de toepassing van ICT in sectoren als de gezondheids- en welzijnssector, verkeer en vervoer, productie en logistiek, en Financial Engineering. Belangrijke applicatiegebieden zijn o.a. de gezondheids- en welzijnssector, verkeer en vervoer, logistiek en financial engineering.

Vanuit dit programma wordt geparticipeerd in het 3TU-CoE CeDAS, dat zich met name richt op het ontwerp van betrouwbare systemen, en het 3TU-CoC NIRICT. De wetenschappelijk directeur van het CTIT is tevens wetenschappelijk directeur van NIRICT.


4. Mechanica en Procestechnologie – IMPACT, Institute of Mechanics, Processes and Control-Twente

IMPACT kent twee profilerende onderzoekslijnen: Sustainable Energy en Smart Devices and Materials. Het programma kent daarnaast een meer fundamentele onderzoekslijn op het gebied van de vastestof- en vloeistofmechanica. Onderzoek naar duurzame energie (Sustainable Energy) is gericht op het gebruik en de conversie van biomassa naar brandstoffen (energiedragers) en ‘chemical building blocks’; daarnaast op het beperken van de milieueffecten ten gevolge van het gebruik van fossiele brandstoffen (“schoon fossiel”). Onderzoek naar intelligente mechatronische systemen (Smart Devices and Materials) betreft onder meer de ontwikkeling van slimme systemen en robotica.

Vanuit dit programma wordt geparticipeerd in het 3TU-CoE Technology for sustainable energy, het 3TU-CoE High Tech Systems en het 3TU-CoE Multiscale Phenomena in Fluids and Solids.


5. Innovatie en Governance– IGS, Institute for Governance Studies

Het onderzoek van het IGS richt zich op de veranderende rol en positie van “besturen in de moderne samenleving”. Een samenleving die bloot staat aan een globaliserende economie, aan de ontwikkeling van kennis en technologie, evenals aan bedreigingen van milieu en schaarse grondstoffen. Vanuit een Multi-actor en Multi-level perspectief worden antwoorden gezocht op actuele vraagstukken van maatschappelijke, technologische en economische aard. Interdisciplinariteit, toegepast onderzoek, en de natuurlijke verbinding tussen technische en maatschappijwetenschappen vormen de kracht van het Instituut. Het bouwen van nieuwe meer sociologisch gedefinieerde marktconcepten en business modellen behoort hiermee expliciet tot de doelstelling van het IGS. De huidige programmalijnen zijn: Innovatie van bestuur, het besturen van innovatie, Kennisvalorisatie, Duurzame Innovatie, Innovatie in Watermanagement en Innovatie in Bouwprocessen. Vanuit dit programma wordt geparticipeerd in het 3TU-CoE Ethics and Technology.


6. Gedragswetenschappen – IBR, Institute for Behavioral Research

In het onderzoeksprogramma van het IBR worden op basis van wetenschappelijke theorieën en modellen van menselijk gedrag, hulpmiddelen, procedures en systemen worden ontworpen voor communicatie, training, kennisoverdracht en gedragsbeïnvloeding in het onderwijs en arbeidsomgevingen, bedrijven en gezondheidszorg. Het onderzoek is toegepast en technologisch van karakter. Daarbij is er in het bijzonder aandacht voor de wisselwerking tussen gedragsbeïnvloeding en technologische innovatie.


Samenwerking over de grenzen van de instituutsprogramma’s heen wordt gestimuleerd en kan leiden tot instellingsbrede zwaartepunten. Als voorbeelden van deze instituutsgrensoverschrijdende samenwerking leidend tot instellingsbrede zwaartepunten kan men denken aan gezondheidstechnologie, ICT in de zorg, duurzame innovatie of watertechnologie.





3. Wat is er bereikt



De vorige onderzoeksbeleidsnota kende als hoofddoelstellingen:

- A – Kwaliteit van (multidisciplinaire) onderzoeksprogramma’s.

- B – Het stimuleren en verwerven van excellente (jonge) onderzoekers.

- C - Focus/massa.

- D - Participatie in kennisnetwerken met bedrijven en onderzoeksinstituten.

In dit hoofdstuk gaan we in op wat er is gedaan om de doelstellingen te bereiken en in welke mate effect is bereikt.



3.1 Kwaliteit van (multidisciplinaire) onderzoeksprogramma’s


Aan de hand van de cijfers uit diverse bronnen (jaarverslagen, landelijke onderzoeks- en onderwijsinformatiesystemen) wordt in onderstaande grafieken en tabellen een vergelijking gemaakt tussen de situatie in 2001, toen de vorige onderzoeksnota gepubliceerd is, en de situatie in 2005.


De totale begrotingsomvang is fors gestegen. Het aantal onderzoeks-fte’s, van met name tijdelijke onderzoekers, is dan ook sterk toegenomen.



Niet alleen de input, maar ook de output van de UT is in absolute zin sterk gestegen. De UT realiseert momenteel meer promoties, publicaties, spin off, octrooien dan ooit.



Omdat zowel input als output sterk gegroeid zijn, is de verhouding tussen beide niet zo veel veranderd. Desalniettemin zijn de staf/publicatieratio en het aantal promoties per hoogleraars-onderzoeks-fte verbeterd. Hetzelfde geldt voor het promotie-rendement. Al met al is de efficiency van het UT-onderzoek verbeterd. De prestaties die de UT levert per eenheid eerste geldstroom, zijn vergeleken met andere universiteiten hoog.



In het algemeen wordt de omvang van de tweede geldstroom gezien als een belangrijke indicator voor kwaliteit. Aan de UT bestaat 18.0% van het totaal aan onderzoeksgeld (eerste, tweede en derde geldstroom) uit tweede geldstroommiddelen. In 1999 was dit nog slechts 9.3%. Ten opzichte van vijf jaar geleden zijn de eerste en de derde geldstroom licht gestegen, en de tweede sterk.



Dat de onderzoekskwaliteit van de UT gemiddeld duidelijk is toegenomen, blijkt ook uit de verbeterde resultaten van visitaties, het hogere aantal toegekende prijzen en het toegenomen aandeel in de landelijke tweede geldstroom.

Het onderzoek is niet alleen beter geworden, maar ook van een meer constante kwaliteit. Mede door aan de hand van visitatieresultaten genomen maatregelen, kent de universiteit op het niveau van de leerstoel minder zwakke groepen. Desondanks blijven er nog altijd duidelijke verschillen in prestaties tussen personen, leerstoelen, faculteiten en instituten bestaan. En uiteraard zijn er ook verschillen in prestatieniveaus tussen de verschillende soorten prestaties die de UT levert.


PERFORMANCE-INDICATOREN VOOR DE INSTITUTEN

2005














 

 

 

MESA

CTIT

IMPACT

BMTI

IBR

IGS

UT-totaal

Onderzoeks-fte's

246

240

196

92

51

84

993

Tijdschriftpublicaties

314

195

247

155

90

94

1106

Promoties

38

35

40

16

10

10

166

Promoties per hgl-fte

3,5

2,8

4

2,5

2,1

1,5

2,9

*Staf-publicatie-ratio

1,3

0,8

1,3

1,7

1,8

1,1

1,2

*Staf-publicatie-ratio incl. ref. conf. Proc.

1,6

2,5

1,7

2,1

1,8

1,4

1,9

Verdiencapaciteit

 115%

 89%

 78%

 101%

 145%

 96%

 


Toelichting (*):

De staf-publicatie-ratio betreft het aantal publicaties in gerefereede tijdschriftartikelen per onderzoeks-fte. Omdat deze maatstaf nadelig is voor vakgebieden die veel publiceren in de vorm van refereed conferentie-bijdragen, is er ook een staf-publicatie-ratio inclusief refereed conference proceedings berekend.



3.2 Het stimuleren en verwerven van excellente (jonge) onderzoekers.


Het stimuleren van excellente (jonge) onderzoekers is van de vier hoofddoelstellingen van 5 jaar geleden nog het minst uit de verf gekomen. Het College van Bestuur wil hieraan de komende periode meer aandacht schenken, in samenspraak met de Wetenschappelijk Directeuren..Voorbeelden van goede ontwikkelingen op dit gebied zijn: excellente jonge onderzoekers aanwijzen als SRO-coordinator en de introductie van ‘’persoonlijk hoogleraren’’. Daarnaast heeft de landelijke NWO Vernieuwingsimpuls (Veni, Vidi, Vici) aan de UT een belangrijke impuls betekend.




3.3 Focus en massa


Met de oprichting van de eerdergenoemde zes onderzoeksinstituten loopt de UT landelijk voorop in de focussering van het onderzoek. De zes onderzoeksprogramma’s dekken momenteel, zoals eerdergenoemd, 90 procent van het onderzoek. In 2001 was dit nog 65 procent. Hiermee behoren instituten zoals MESA+, IMPACT en CTIT inmiddels tot de grootste onderzoeksinstituten van Nederland.

De SRO’s dekken 70-80% van het onderzoek van een instituut. De focussering binnen de Universiteit Twente is daarmee in grote mate geslaagd te noemen. Verdere focussering krijgt ook vorm in de 3TU-Centers of Competence (CoC)en -Centers of Excellence (CoE) (zie ook paragraaf 3.4).



3.4 Participatie in kennisnetwerken met bedrijven en onderzoeksinstituten.


De externe oriëntatie van de UT heeft de afgelopen jaren een enorme impuls gehad. Enerzijds door de participatie van onderzoeksgroepen van de UT in externe onderzoeksprogramma’s (TTI’s, NWO/ STW onderzoeksprogramma’s, Bsik, EU-kader programma’s) en anderzijds door toenemende samenwerking met andere universiteiten.

Een specifieke vorm van samenwerking betreft de onderzoeksscholen. Onderzoekscholen zijn landelijke samenwerkingsverbanden tussen universiteiten, gericht op de afstemming van onderzoek en het verzorgen van promotieopleidingen. Het beleid inzake onderzoekscholen wordt voornamelijk bepaald door de instituten, faculteiten, en Centers of Competence waarbinnen de aan de school deelnemende onderzoekers zich bevinden. Het College is van mening dat het in landelijk verband verzorgen van promotieopleidingen een belangrijke rol van de scholen is en blijft. Wel is het mogelijk dat 3TU-Graduate Schools in de toekomst de formele verantwoordelijkheid voor deze taken van de scholen over gaan nemen.

In het oogspringend is de federatievorming die op 7 februari 2007 formeel bekrachtigd is om de samenwerking met de beide technische universiteiten van Delft en Eindhoven verder gestalte te geven. De vorming van CoC’s en CoE’s kan gezien worden als de 3TU-pendant van het proces van instituuts- en SRO-vorming binnen de Universiteit Twente. De 3TU-samenwerking is gericht op het creëren van een macrodoelmatige onderzoeksportefeuille op met name de gemeenschappelijke domeinen, te bereiken via samenwerking en afstemming, focussering en (her)prioritering van onderzoek 3TU-breed met daarbinnen uniek onderzoek en specialisaties behorend bij het profiel van elke afzonderlijke instelling. Ook met verschillende TNO instituten, alsmede met alle GTI’s wordt samengewerkt, veelal via afstudeer- en promotieprojecten. Maar ook de samenwerking in de regio Noord-Oost-Nederland (met Wageningen, Nijmegen en Groningen) en in de Euregio (met Osnabrück en Münster) krijgt gestaag vorm en inhoud. Onder de noemer TRIANGLE, werkt de UT samen met de universiteiten van Wageningen en Nijmegen aan versterking van de kennisontwikkeling en toepassing van kennis in drie sterk gerelateerde gebieden (voedsel, gezondheidszorg en biomedische en nanotechnologie), waarbij het overkoepelende thema ‘De gezonde mens’ is. Deze samenwerking is gericht op het creëren van toegevoegde waarde juist op de complementaire domeinen. Met de Universiteit Groningen wordt eveneens samengewerkt op de gebieden Nanoscience en -technologie, Biomedische Technologie/Life Sciences en Technische Geneeskunde. Het ondernemende karakter van de UT komt verder tot uitdrukking in strategische netwerken met publieke en private partners. Zo is de samenwerking in de Regio Twente, onder meer via Kennispark, gericht op het vergroten van de valorisatiekracht. Met de samenwerking met het bedrijfsleven in het algemeen, de GTI’s en TNO beoogt de UT de campus te gebruiken als testbed voor nieuwe produkten en ‘facility-sharing’ van onderzoeksinfrastructuur.



3.5 Conclusie


Zowel de focussering als de massa als de multidisciplinariteit van het onderzoek zijn toegenomen. Het resultaat is dat de UT een duidelijker onderzoeksprofiel heeft gekregen. Dit heeft zeker een bijdrage geleverd aan de einddoelen. Het onderzoek aan de UT is allerwegen versterkt, in omvang, in kwaliteit en met betrekking tot de valorisatie.

De UT is duidelijk sterker geworden in 3 van de 4 hoofddoelen, namelijk;

1. de kwaliteit van (multidisciplinaire) onderzoeksprogramma’s,

2. focus en massa,

3. de participatie in kennisnetwerken met bedrijven en onderzoeksinstituten.



3.6. Keerzijde van het succes: de matchingsproblematiek


Het succes heeft ook een keerzijde. Intern heeft de UT de afgelopen jaren sterk de nadruk gelegd op prestatiebekostiging. Zowel output (met name promoties) als het verwerven van tweede en derde geldstroommiddelen werden beloond, het laatste via gedifferentieerde premiëringsregelingen met de eerste geldstroom als bron. Het UT-verdeelmodel was dus in hoge mate dynamisch. Dit heeft geleid tot een sterke druk om zoveel mogelijk externe geldstroomprojecten te verwerven, met name in de tweede geldstroom, met als onvermijdelijk gevolg een verwatering van de interne premies (immers de eerste geldstroom nam niet navenant toe).

De in hoge mate verworven tweede en derde geldstroommiddelen hebben, zoals op vele universiteiten, geleid tot een grote matchingsproblematiek. Immers, de verkregen subsidies dekten veelal niet de integrale kosten en de universiteit dient er dus zelf geld bij te leggen. Deze eigen bijdrage legde een groot beslag op de eerste geldstroommiddelen. Daardoor is de vrijheid in de besteding van de eerste geldstroommiddelen sterk afgenomen. Verlichting van de matchingslasten staat hoog op de agenda van de universiteiten in hun overleg met de overheid.



4. Ontwikkelingen in de externe omgeving


Uit de

Media

Uitgaven voor onderzoek raken achterop

De ontwikkeling van de uitgaven aan research en development in Nederland blijft achter bij de nominale groei van het bruto binnenlands product (bbp) en in toenemende mate ook bij de uitgaven in veel andere landen. (bron: ‘Kennis en economie 2006’, CPB)


Shell terug naar lange termijn onderzoek

In de jaren negentig schakelden multinationals massaal over op de korte termijn research: onderzoek moest een directe relevantie hebben voor de business units anders kwam er geen financiering. De slinger gaat nu weer terug! (bron: “Onderzoek in Nederland”, nr. 159, 13 januari 2006)


1 Miljard voor onderzoek

De Commissie Dynamisering – Cie Chang – pleit voor een structurele impuls voor het nederlandse onderzoeksbeleid van 1 miljard euro per jaar: 500 miljoen om een dynamischer universitair onderzoeksbeleid mogelijk te maken, en 500 miljoen voor dynamisering via NWO. (bron: ‘Investeren in Dynamiek’, eindrapport Cie Dynamisering, maart 2006)


Ook platform pleit voor 1 miljard extra

Ook het Innovatieplatform pleit in zijn ontwerp voor de Kennisinvesteringsagenda 2006-2016 voor extra investeringen in onderzoek en innovatie. (Bron: “Onderzoek in Nederland”, nr. 170, 16 juni 2006)


Brede steun voor extra investeringen in onderzoek en ontwikkeling ebt weg

In het verkiezingsgeweld dreigt het breed gedragen pleidooi van de Cie Chang voor een structurele extra investering van 1 miljard terzijde geschoven te worden. (bron: “Onderzoek in Nederland”, nr. 175, 6 oktober 2006)


Spinozaprijswinnaars pleiten voor 1 miljard extra

Met dat voorstel voor een structurele verhoging van het onderzoeksbudget scharen zij zich achter het advies van de Cie Chang (bron: NRC, 29 januari 2007)




Om de toenemende internationale concurrentie het hoofd te bieden wordt op nationaal niveau sterk ingezet op samenwerking en afstemming van onderzoek tussen kennisinstellingen en op bijdragen aan innovatie door samenwerking met derden, i.e. bedrijfsleven, overheid en dienstverlening (Landelijke en Regionale Innovatieplatforms, FES, Smart Mix). Ook op Europees niveau is die trend naar ‘focus en massa’ zichtbaar: focus op basis van kwaliteit en focus gericht op innovatie. De regio speelt een belangrijke rol, met name waar het gaat om valorisatie. Versterking van de instroom in bêta-techniek is daarnaast voorwaarde.



4.1 Internationalisering


De mondiale concurrentiepositie tussen kennisinstellingen verscherpt. De competitie om mensen, middelen en reputatie wordt heviger. Nederland is te klein voor vergaande nationale concurrentie op het gebied van wetenschap en technologie. De belangrijkste concurrenten bevinden zich in het buitenland, met name in de Verenigde Staten, in andere Europese landen en in toenemende mate in Zuidoost Azië.

Op Europees en nationaal niveau heeft de UT te maken met toenemende onderzoeks- en innovatieambities en daardoor met dwingende overheidsagenda’s op het gebied van onderzoek en een toenemend belang van kennisvalorisatie.

De nationale onderzoeksagenda sluit aan bij de Europese, met name wat betreft de versterking van focus en massa van onderzoeksgebieden, het onderscheiden van nationale onderzoeksprioriteiten en het stimuleren van programmatische R&D-samenwerking op zwaartepunten. De benutting van wetenschappelijke kennis is essentieel voor het versterken van het innovatieve vermogen van de Nederlandse economie.

De sterk toegenomen internationalisering, de trend naar ‘focus en massa’ en de recente omslag van de financiering van ‘’losse’’ en kleine projecten naar thematische financiering van grote programma’s uitgevoerd in consortiumverband (Bsik, FES) noopt de universiteiten tot profilering, tot het maken van duidelijke keuzes in onderzoeksthema’s en tot samenwerking op zowel nationaal, Europees als mondiaal niveau.



4.2 Onderzoeksbekostiging


Het volume van de nationale eerste geldstroom voor onderzoek is stabiel. Van een dynamisering van de verdeling hiervan over de Nederlandse universiteiten op basis van bijv. onderzoeksprestaties in de tweede en derde geldstroom waarbij de UT gebaat zou zijn, zal waarschijnlijk nauwelijks sprake zijn. Deze verwachting is gebaseerd op het advies van de Commissie Dynamisering aan de minister van OCW. De Commissie Dynamisering concludeert dat een majeure stelselwijziging ten aanzien van de eerste geldstroom-onderzoekbekostiging niet nodig is.

Wel is de mogelijkheid van meer prestatiebekostiging nog in discussie, en bestaat er een tendens naar koppeling van het onderzoeksdeel in de overheidsbekostiging aan performance-indicatoren (excellentie en toepassing).

De vrijheid in de besteding van de eerste geldstroom is de laatste jaren voortdurend afgenomen door verplichte matching van tweede- en derde geldstroominkomsten en toenemende administratieve lasten.


De nationale tweede en derde geldstroom nemen nog wel in omvang toe. De overheid gebruikt de tweede geldstroom, en met name de geldstroom die via NWO loopt, als middel om massa te maken, focus te brengen en kwaliteit te bevorderen. Dit gebeurt via projectfinanciering, programmafinanciering, persoonsgebonden steunvormen en door het in stand houden van landelijke of internationale instituten.

Daarnaast zijn de laatste jaren veel middelen (zoals FES) op incidentele basis verdeeld. De verwachting is dat deze middelen in de toekomst op een meer structurele wijze via NWO verdeeld gaan worden. Een dergelijke versterking van de tweede geldstroom komt de dynamiek ten goede en kan daarmee in het voordeel van de UT uitwerken. In Nederland en het buitenland wordt er naar gestreefd om matchingsverplichtingen terug te dringen. Zo dekt in het Verenigd Koninkrijk de externe onderzoekssubsidie via de research councils inmiddels 80 procent van de integrale kosten van het universitaire onderzoek.


Het onderzoeksbudget van de EU groeit en het EU-onderzoeksbeleidsinstrumentarium differentieert geleidelijk. Het kaderprogramma wordt aangevuld met verschillende nieuwe instrumenten. De belangrijkste nieuwe instrumenten worden de European Research Council (ERC), een Europese tweede geldstroom voor fundamenteel onderzoek, en het European Institute of Technology (EIT).


In zowel de binnen- als de buitenlandse tweede en derde geldstroom worden in toenemende mate middelen gereserveerd voor:

- Thematisch onderzoek met een grote massa.

- Onderzoek dat wordt verricht door consortia van private en publieke partijen.

- Individuele stimulansen. Een andere ontwikkeling in de onderzoeksbekostiging is een toename van financiering op basis van individuele excellentie (zoals Veni-Vidi-Vici).

- Infrastructuur. De bekostiging van zware infrastructuur staat momenteel onder druk (zie paragraaf financiën).


Tot slot het volgende: onder het vigerende overheidsbeleid waarin veel onderzoek marginaal wordt gefinancierd en de eerste geldstroom dus mede dient om de integrale kosten van onderzoek te dekken, zal het totale volume aan onderzoek begrensd zijn. Die grenzen kunnen worden opgerekt wanneer de overheid zou besluiten (delen van) het tweede geldstroom onderzoek op basis van integrale kosten te financieren (of althans de matchingspercentages te verlagen) danwel een substantiële verruiming van de eerste geldstroom onderzoeksfinanciering te realiseren. De derde mogelijkheid, een vergaande dynamisering van eerste geldstroom onderzoeksfinanciering op basis van prestaties in de tweede geldstroom, in onlangs door de commissie Chang maar ook door anderen afgewezen.



4.3 Strategische allianties


Door de toenemende internationalisering van de onderzoeksmarkt, de tendens binnen de politiek naar overheidssturing op macrodoelmatigheid, het beleid van ‘focus en massa’ en de omslag van project- naar programmafinanciering worden de universiteiten steeds meer genoodzaakt tot de vorming van massa en dus tot samenwerking en de vorming van strategische allianties en consortia. De onderzoeksinstituten zullen nationaal en internationaal partners moeten zoeken willen ze in hun vakgebied kunnen blijven uitblinken en kans willen maken op subsidies waarbij excellentie en netwerkvorming steeds meer de relevante criteria zijn. Een significante ontwikkeling is die van de clustering van R&D-activiteiten van zowel bedrijfsleven, onderzoeksinstituten als kennisinstellingen (Casimir, Holst, TTI’s, de verschillende regieorganen, etc.)


In Nederland is veel wetenschappelijke kennis aanwezig, die echter onvoldoende wordt benut, een fenomeen dat ook wel bekend staat als de 'kennisparadox'. De vraag van de markt en de maatschappij naar onderzoek zou de onderzoeksagenda in sterkere mate moeten beïnvloeden, met de aantekening dat het belang van langetermijn fundamenteel onderzoek daarbij niet uit het oog mag worden verloren. Daar komt bij dat de klassieke scheidslijnen tussen kennisinstellingen vervagen. In een kennisintensieve maatschappij is onderzoek al lang niet meer het exclusieve domein van universiteiten. Kennisproductie vindt binnen en buiten de academische gemeenschap plaats, waarbij de grenzen tussen de verschillende organisaties vervagen. Dit is wel beschreven in termen van ‘’open innovatie’’, een overgang van mode-1 naar mode-2 kennisproductie (Gibbons), en de ‘’Triple Helix’’ van universiteit-industrie-overheid relaties.

Daarom, en om de kennisparadox het hoofd te bieden, wordt vanuit de nationale overheid sterk ingezet op samenwerking tussen kennisinstellingen, non-profitinstellingen en bedrijfsleven. De regio (binnen Gelderland en Overijssel de samenwerking en afstemming in het kader van de food-, health- en technology-valley) speelt daarbij een belangrijke rol. Door samenwerking kunnen kennisinstellingen en derden, i.e. bedrijfsleven, overheid en dienstverlening, bijdragen aan innovatie en valorisatie.


Het aangaan van strategische allianties biedt niet alleen een antwoord op de noodzaak tot het creëren van massa en op de kennisparadox maar biedt de universiteit tevens een aantal belangwekkende mogelijkheden:

verdere specialisatie en daarmee de versterking van de onderzoeksperformance;

kruisbestuiving en daarmee de versterking van de innovatiepotentie;

nieuwe spin-offs en bedrijfscontacten en daarmee versterking van de valorisatiekracht.



4.4 Conclusie


Wat is nu de betekenis van de hiervoor geschetste ontwikkelingen in de externe omgeving voor de UT?

Een gevolg van de toenemende internationale competitie tussen universiteiten is dat de UT zich steeds meer genoodzaakt ziet haar interne organisatie te stroomlijnen. Op instellingsniveau worden de noodzakelijke ondersteunende processen zo ingericht dat zo veel mogelijk middelen inzetbaar blijven voor investeringen in onderzoek. Structureel investeren in onderzoek is een absolute vereiste om op hoog internationaal niveau te presteren en daardoor de continuïteit van de organisatie op de lange termijn te waarborgen.

De toenemende internationalisering van de onderzoeksmarkt heeft de afgelopen jaren tot een proces van focussering geleid. Dit was noodzakelijk en wenselijk en heeft tot goede resultaten geleid. De focusseringsopdracht aan de UT is evenwel zo goed als afgerond. In 3TU-verband is met de definiëring van de Centres of Excellence een forse stap in de richting van verdere samenwerking op focusgebieden gezet.

De toenemende internationalisering van de onderzoeksmarkt noodzaakt tot het aangaan van strategische allianties met zowel binnenlandse als buitenlandse universiteiten en R&D-centra. Op nationaal niveau krijgt dit snel verder vorm. Logischerwijs wordt vervolgens over de grens gekeken: de samenwerking met Duitse universiteiten in de regio behoeft een impuls.

De noodzaak om de kennisparadox op te lossen betekent dat de UT nog meer moet inzetten op samenwerking tussen kennisinstellingen, non-profitinstellingen en bedrijfsleven: in Twente, maar zeker ook in de regio Noord-Oost-Nederland, en in nationale clusters.


5. Uitgangspunten voor de toekomst



In hoofdstuk 2 is het research profiel van de UT beschreven. In hoofdstuk 3 is aangegeven waar we nu staan, wat we hebben bereikt. In hoofdstuk 4 zijn de ontwikkelingen in de externe omgeving weergegeven. Op basis van het voorgaande en aansluitend op het instellingsplan 2005-2010 en de bestuurlijke agenda 2006-2007 geven we in dit hoofdstuk een uitwerking van de strategische keuzes zoals geformuleerd in paragraaf 2.2. We noemen dit de uitgangspunten voor de toekomst.


1.Onderzoeksbeleid: criteria

Het inhoudelijk beleid van de afgelopen jaren, focus en massa door concentratie op een aantal speerpunten en samenwerking gericht op kwaliteit, innovatie en valorisatie zal doorgezet worden. Wel zullen accentverschillen zichtbaar worden. De evaluatie van onderzoek zal in hoge mate plaatsvinden op basis van wetenschappelijke kwaliteit, maatschappelijke relevantie en lange termijn perspectief, aansluitend bij de landelijk breed geaccepteerde criteria van het SEP protocol. De mate waarin groepen erin slagen met name tweede geldstroom subsidies te verwerven is een belangrijke indicator voor kwaliteit, terwijl derde geldstroom inkomsten uit samenwerking met niet-academische partners een belangrijke indicator vormen voor maatschappelijke relevantie. Naast criteria als wetenschappelijke kwaliteit en maatschappelijke relevantie zal ook een voldoende volume een indicatie vormen voor het lange termijn perspectief.


2. Onderzoeksbeleid: aansturing

In december 2006 heeft het UMT besloten dat al het onderzoek in instituten wordt ondergebracht en zijn er heldere afspraken gemaakt over de finale uitwerking van de matrixorganisatie (nevengeschikte faculteiten en instituten) en over de bijbehorende bestuurlijke verhoudingen. Binnen de instituten zal de WD een grotere bestuurlijke zeggenschap hebben in de besteding van onderzoeksgelden, zij het onder randvoorwaarden, bijvoorbeeld ten aanzien van de onderwijsgebonden onderzoekscomponent. Met betrekking tot de waardering van verschillende aspecten van onderzoek (strategisch, funderend, gericht op valorisatie en gericht op onderwijs) kan de WD eigen keuzes maken, welke dus per instituut kunnen verschillen.


3. Onderwijs en onderzoek onverbrekelijk verbonden

Voor zowel de kwaliteit van het onderwijs als het onderzoek is een sterke interactie tussen onderwijs en onderzoek van belang. De kwaliteit van zowel het wetenschappelijk onderwijs als het wetenschappelijk onderzoek is erbij gediend dat studenten worden opgeleid die in staat zijn de nieuwste wetenschappelijke inzichten in hun vakgebied te onderkennen en die toe te passen in een academische- of beroepspraktijk. Om die reden dient het onderwijs voortdurend te worden gevoed door nieuwe wetenschappelijke inzichten en dienen studenten in de verschillende fasen van hun opleiding met diverse aspecten van wetenschappelijk onderzoek te worden geconfronteerd, met het werken aan de grenzen van de wetenschap vertrouwd te zijn gemaakt en de benodigde vaardigheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek te hebben ontwikkeld.


4. Versterken multi-disciplinaire onderzoeksprogramma’s

Op de grensvlakken van disciplines liggen zeer uitdagende problemen. De UT kiest er bewust voor om deze snijvlakken op te zoeken. Dit aspect heeft reeds zijn vertaling gekregen in de opgerichte onderzoeksinstituten: elk instituut is zodanig ingericht dat het multidisciplinair onderzoek versterkt. Daarnaast zal onderzoek op de snijvlakken van de drie wetenschapsdomeinen, Natuur & Techniek, Gezondheid, Gedrag en Maatschappij nadrukkelijk worden gestimuleerd.


5. Krachtige strategische allianties

Strategische allianties zijn noodzakelijk om het research profiel te bewaken en te versterken en om de mondiale onderzoekstop te bereiken. Door afzonderlijke onderzoeksgroepen wordt met partners in de gehele wereld samengewerkt. De Universiteit Twente heeft samen met de universiteiten van Delft en Eindhoven de 3TU.Federatie van de drie Technische Universiteiten in Nederland gerealiseerd. Een Federatie die op zowel nationaal als internationaal niveau, bijvoorbeeld in EU verband, krachtig en slagvaardig kan opereren. Daarnaast werkt de UT samen met de Universiteit Wageningen, de Radboud Universiteit Nijmegen (TRIANGLE) en de Universiteit Groningen. Het bijzondere karakter van de UT, gebaseerd op de onderlinge samenhang van maatschappelijke en technologische vernieuwing, komt tot uitdrukking in strategische netwerken met publieke en private partners.


6. Inbedding in de regio

De UT is gebaat bij een sterke regio, met een groot potentieel aan studenten en sterke bedrijven en instellingen om strategische allianties mee aan te kunnen gaan. Voor de regio is de universiteit een economische factor van betekenis. De UT voelt zich primair verantwoordelijk voor een breed academisch onderwijsaanbod in de regio. Daarnaast wil de UT vanuit onderwijs en onderzoek en in samenwerking met partners in de regio, zowel overheid, bedrijfsleven als overige kennisinstellingen, een bijdrage leveren aan de verdere economische ontwikkeling van de regio.


7. Stimuleren excellente (jonge) onderzoekers

Steeds meer nationale en internationale onderszoeksmiddelen worden op basis van individuele beoordelingen van onderzoekers aan onderzoekers zelf beschikbaar gesteld. Voorbeelden hiervan zijn VENI, VIDI, VICI stimuleringen en de Spinoza-prijzen. Dit doet recht aan het feit dat onderzoek mensenwerk is en dat het de medewerkers zijn die het succes van het instituut dan wel de instelling maken. Tegelijkertijd is het de instelling of het instituut dat het onderzoek en de onderzoeker faciliteert. Goede bestaffing, infrastructuur, academische sfeer en financiële middelen creëren een omgeving waar toponderzoek mogelijk is. Daar ligt dan ook het aangrijpingspunt voor de UT om (jonge) excellente onderzoekers aan te trekken en perspectief te bieden. Het CvB streeft ernaar hiervoor een deel van de USoz-middelen aan te wenden (zie paragraaf 7.2).


8. Gericht onderzoeksinfrastructuurbeleid

Een gericht onderzoeksinfrastructuurbeleid is van belang zodat enerzijds de onderzoeksprogramma’s optimaal worden gefaciliteerd en anderzijds de kosten beheersbaar blijven. Het delen van infrastructuur met collega-instellingen zoals de 3TU-partners Delft en Eindhoven, maar ook met de universiteiten van Wageningen, Nijmegen, Osnabrück en Münster, alsmede met organsiaties als het MST, het Roessingh, verschillende bedrijven, TNO en de GTI’s, zal daarbij worden bezien. De mogelijkheden die de Europese Investeringsbank, het Europese Investeringsfonds en facility sharing bieden, zullen worden onderzocht.






6. Wat gaan we doen



Kernambities


20% meer gerefereede publicaties in 2010

Een stijging van 1.497 in 2006 naar 1.796 in 2010: een stijging van 5 procent per jaar


20% meer promoties in 2010.

Een stijging van 168 in 2006 naar 202 in 2010 een stijging van 5 procent per jaar.



Met het besluit om al het onderzoek in instituten onder te brengen heeft het UMT eind 2006 de discussie over de organisatorische inbedding van de instituten afgerond en zijn er heldere afspraken gemaakt over de bestuurlijke verhoudingen. Meer dan tevoren kunnen de WD’s nu invulling geven aan hun primaire verantwoordelijkheid voor de aansturing van het onderzoek. Als centrale leidraad gelden de uitgangspunten voor de toekomst zoals genoemd in het vorige hoofdstuk. In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke onderdelen het onderzoeksbeleid wordt aangescherpt en/of versneld. Relevante aanpalende ontwikkelingen op 3TU-niveau worden in kaders weergegeven.


1.Al het onderzoek in instituten

2.Dynamisering en focussering

3.Leerstoelenstrategie

4.Versterken regionale inbedding

5.Integratie gedrag- en maatschappijwetenschappen

6.Stimuleren en belonen excellente onderzoekers

7.Gericht onderzoeksinfrastructuurbeleid

8.Strategische allianties

9.Kwaliteitszorg



6.1 Al het onderzoek in instituten


Iedere leerstoel participeert in één of meer instituten. Decanen en WD’s maken lange termijn afspraken (5 jaar) over de gewenste inzet van leerstoelen in instituten en de hiervoor beschikbare financiële ruimte. De ruimte om jaarlijks deze afspraken te herzien zal beperkt zijn, mede gezien een zekere gewenste stabiliteit.


Voor de zomer van 2007 worden alle leerstoelen en leerstoelonderdelen die nog niet in instituten zijn ondergebracht alsnog in instituten ingebed. Deze leerstoelen worden vervolgens geacht om hun onderzoek geleidelijk te heroriënteren en te positioneren binnen de onderzoeksstrategie van het instituut. WD’s die een behoorlijke omvang aan ‘’nieuw’’ onderzoek binnen hun instituut krijgen, maken in de loop van 2007 een nieuw strategisch plan voor het instituut. De WD’s zijn bevoegd en krijgen de ruimte om financieel te sturen op strategisch gewenste ontwikkelingen. Zij dienen daarbij oog te hebben voor de verschillende aspecten van onderzoek zoals genoemd in hoofdstuk 2.


De onverbrekelijke band tussen onderwijs en onderzoek wordt bewaakt door de wd’s en decanen in goed overleg. Deze band wordt onder meer gevormd door:

de personele unie in onderwijs en onderzoek; onderzoekers geven onderwijs en doen onderzoek

de wederzijdse afhankelijkheid, master-programma’s bevatten naast de doorstroommaster ook een aantal profilerende programma’s op de zwaartepuntgebieden in het onderzoek en onderzoek is gebaat bij de inzet van studenten en promovendi

het feit dat opleidingen bij hun accreditatie mede beoordeeld worden op aansluiting van het programma bij ontwikkelingen in de relevante wetenschappelijke discipline(s) en op waarborging van de ontwikkeling van onderzoeksvaardigheden

de financiele relatie via de O&O-component.


3TU-KADER

Centers of Competence (CoC)

De CoC’s zijn in zekere zin een 3TU-equivalent van de UT-instituten. CoC’s omvatten alle onderzoekers binnen de drie TU’s op een bepaald vakgebied dan wel een thema en zijn hierdoor de spil van de zwaartepuntvorming in 3TU-verband. Zij moeten met name zorgen voor massa op de domeinen die de 3TU’s gemeenschappelijk hebben. Het feit dat een CoC alle onderzoekers op een bepaald vakgebied omvat, geeft aan dat selectiviteit niet het hoofddoel is van deze organisatievorm.

De CoC hebben verschillende rollen en doelen. De belangrijkste:

Leerstoelenafstemming.

Via de organisatie van congressen en workshops bevorderen zij de interne cohesie.

Zij hebben een lichte stimulerende c.q. sturende rol inzake de totstandkoming en herstructurering van grote programma’s binnen het CoC. Het betreft hier zowel de universitaire programma’s, zoals 3TU-onderzoekscholen, als de ‘’gestructureerde samenwerkingen tussen universiteiten en industrie’’, zoals TTI/PPS-initiatieven, of tussen universiteiten en TNO/GTI’s.

Zij kennen een externe rol in het beïnvloeden van de landelijke onderzoeksagenda’s door middel van het vinden van aansluiting bij ‘’technologieplatforms’’, waaronder nationale regieorganen.

CoC hebben een bestuur waarin de TU’s vertegenwoordigd zijn. De UT wordt vertegenwoordigd door instituutsdirecteuren of decanen. CoC’s hebben een WD.



6.2 Dynamisering en focussering


Wetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen staan niet stil. Het onderzoekslandschap aan de UT dient dus een zekere dynamiek te hebben, dat wil zeggen: permanent aansluiting te blijven houden bij nieuwe ontwikkelingen. In die zin kunnen de instituutsprogramma’s en de SRO’s niet voor eens en altijd worden vastgelegd, maar dienen ze onderhevig te zijn aan permanente bijsturing. Tegelijkertijd mag niet uit het oog worden verloren dat onderzoek een lange looptijd heeft en voldoende tijd nodig heeft om zich te bewijzen.

Het onderzoeksvernieuwingsproces komt bottom-up tot stand en krijgt zijn vertaling in de definiëring en uitbouw van nieuwe- en de afbouw of ombouw van bestaande SRO’s. Dit is de verantwoordelijkheid van de WD’s. Het College van Bestuur volgt, stimuleert en faciliteert deze ontwikkelingen vanuit het oogpunt van bijvoorbeeld de inbedding in de regio en de versterking van de drie domeinen. Op langere termijn kan het CvB besluiten tot het definiëren van nieuwe en/of het afbouwen van bestaande instituutsprogramma’s.


3TU- KADER

Centers of Excellence (CoE)

Binnen de CoC zorgen de CoE’s op 3TU-niveau voor een selectieve inhoudelijke versterking van nieuwe onderzoekslijnen. Er worden op selectieve wijze centra gekozen die in wetenschappelijke zin excellent zijn of kunnen worden. Een ander criterium bij de keuze van CoE’s is de meerwaarde van de samenwerking voor de Nederlandse kenniseconomie, een valorisatiecomponent en de mate waarin men maatschappelijke problemen op zal kunnen lossen. Bij het kiezen van CoE’s zal er aandacht zijn voor de relatie van het onderzoek aan de TU’s en de omgeving. Het bedrijfsleven adviseert inzake de keuze. Daarnaast sluiten de CoE’s aan bij recentelijk gekozen landelijke- (sleutelgebieden) en Europese (KP7) onderzoeksprioriteiten.

De CoE’s hebben verschillende rollen en doelen. De belangrijkste:

Eenmaal tot stand gekomen zorgen de CoE’s voor focus op 3TU-niveau.

De CoE’s vallen bestuurlijk onder het CoC-bestuur.



De focussering is ver gevorderd. Met name bij de technische faculteiten en onderzoeksinstituten moet zelfs gewaakt worden voor een teveel verder versmallen van het onderzoekslandschap. In de gedrags- en maatschappijwetenschappen daarentegen lijkt nog ruimte voor verdere focussering waarbij de betrokkenheid op technologische ontwikkelingen een belangrijke toetssteen vormt. Focussering is noodzakelijk gezien de per definitie beperkte financiële middelen en daarenboven de afname van de structurele middelen in de bekostiging van de universiteiten.


Sturing op onderzoeksvernieuwing en –focussering kent verschillende aangrijpingspunten, zoals:

Aflopende onderzoeksprogramma’s: wel of niet doorstarten is een bewuste keuze.

Vertrekkende hoogleraren en vestiging van nieuwe leerstoelen.

Evaluaties en visitaties kunnen tot bijstellingen in de invulling van het onderzoek leiden.

Het opstellen van leerstoelenplannen en strategische plannen.

Financiële mechanismen, zoals het belonen van tweede en derde geldstroomonderzoek en lumpsum budgetten voor excellente onderzoeksgroepen.


3TU- KADER

De realisatie van CoC’s en CoE’s en de daarmee te realiseren nieuwe leerstoelen leiden tot een indringend proces van onderzoeksvernieuwing. De UT werft negen nieuwe hoogleraren die moeten ‘’indalen’’ in de vaste formatie. Dit maakt een forse herpositionering mogelijk en leidt tot een proces van verdringing. Dat zal leiden tot het opheffen, danwel het herdefiniëren van bestaande leerstoelen. Op programmaniveau zal een soortgelijk mechanisme zijn werk doen. De zittende en nieuwe hoogleraren ontwikkelen nieuwe onderzoekslijnen en zetten hun groepen hier voor in. De realisatie van CoC’s en CoE’s zorgt bovendien voor focus op 3TU-niveau. Er worden op selectieve wijze centra gekozen die in wetenschappelijke zin excellent zijn of kunnen worden. Bovendien sluiten de CoE’s aan bij recentelijk gekozen landelijke- (sleutelgebieden) en Europese (KP7) onderzoeksprioriteiten.


6.3 Leerstoelenstrategie


Een leerstoelenstrategie is een instrument om externe ontwikkelingen zowel inhoudelijk als financieel te vertalen naar een aantrekkelijk en zinvol onderwijs- en onderzoekslandschap, waarbij tevens focus en specialisaties kunnen worden nagestreefd. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van decanen en WD’s.

Concreet betekent dit dat bij het starten, beëindigen en opnieuw invullen van leerstoelen, rekening gehouden dient te worden met:

- externe ontwikkelingen

- wetenschappelijke prestaties

- de betekenis van leerstoelen voor het onderwijs

- de betekenis van leerstoelen voor de valorisatie van onderzoek

- prestaties in de tweede en derde geldstroom

- het profiel van instituten, de UT en 3TU.


3TU-KADER

3TU-leerstoelenstrategie.


CoC’s en CoE’s hebben eveneens aandacht voor leerstoelen. Zicht hebben op het geheel van leerstoelen dat binnen de TU’s aanwezig is, is een voorwaarde om meer grip te hebben op mogelijkheden om strategisch te sturen. De CoC’s stellen een overzicht op van alle hoogleraren en vacatures. Zij houden ook de mutaties in het hooglerarenbestand bij.

De UT en de 3TU’s zullen een expliciet leerstoelenbeleid voeren om te komen tot het juiste aantal leerstoelen op de juiste terreinen.

Er kan in CoC- en CoE-verband worden gesproken over leerstoelen. Bij de definitieve besluitvorming blijven faculteiten en instituten binnen de betreffende instelling bepalend. Bij de benoeming van hoogleraren volgt iedere TU de eigen procedure. Wel wordt de BenoemingsAdviesCommissie (BAC) aangevuld vanuit de andere TU’s.



6.4 Versterken regionale inbedding


De Universiteit Twente is sterk verankerd in de regio Twente. De UT dankt haar bestaan aan de noodzaak tot economische structuurversterking in Twente in de jaren zestig.


De ambities van de universiteit op het terrein van onderzoek en valorisatie passen uitstekend bij de wensen van de regionale partners zoals die tot uitdrukking zijn gebracht door het Innovatieplatform Twente. Dit heeft geresulteerd in de volgende aandachtsgebieden, die volop kansen bieden voor participatie door de UT:

Cluster Mechatronica & Materials

Cluster Bouw

Cluster Technologie & Veiligheid

Cluster Voeding

Cluster Technologie & Gezondheid


Met name de samenwerking van de engineering wetenschappen met het regionale bedrijfsleven, en in het bijzonder met het MKB, dient versterkt te worden. Concreet zien wij daar twee routes. De eerste betreft het stimuleren van start-up / spin-off activiteiten met behulp van business accelerators: start-up’s en spin-off’s leiden tot nieuwe bedrijvigheid. De tweede betreft het stimuleren van de samenwerking met het gevestigde bedrijfsleven en andere HO-instellingen (Saxion). Daarbij denken we onder meer aan de inrichting van werkplaatsen gericht op implementatie van bestaande technieken of prototyping of aan het creëren van ontmoetingen tussen wetenschappers en bedrijfsleven (bedrijfsontmoetingen, bedrijfsbezoeken, campus als ontmoetingsplaats, etc). De werkplaats wordt de verbindende schakel tussen de verschillende instellingen die georiënteerd zijn op een specifiek maatschappelijk segment. De werkplaats vormt een brug tussen onderwijs en onderzoek en maatschappelijke omgeving (bedrijven, non-profit organisaties, overheid, enz.).


De UT bevordert de valorisatie voorts door daar in elk aspect van haar handelen aandacht aan te geven. Gedacht kan worden aan:

het onderbrengen van onderzoek in multidisciplinaire organisaties en programma’s, die makkelijker dan disciplinaire programma’s tot toepassingen leiden

het betrekken van bedrijven bij de onderzoeksprogrammering

het perspectief op utilisatie is mede een toetsingsmaatstaf bij het starten van nieuwe programma’s

bij het aantrekken van hoogleraren mee te wegen de mate waarin deze in staat zijn goede samenwerkingsrelaties met niet-academische partners te realiseren

het vormen van netwerken, zoals Triangle

het meenemen van de utilisatie binnen de kwaliteitszorg door prestaties in deze zichtbaar te maken d.m.v. indicatoren voor utilisatie

het meenemen van utilisatie in de beoordeling van de vaste staf

het creëren van ontmoetingsplaatsen voor experts uit de UT en bedrijven

het creëren van faciliteiten die fungeren als startpunt voor spin-offs

het financieel belonen van valorisatieresultaten

een integraal octrooibeleid



6.5 Integratie gedrags- en maatschappijwetenschappen en techniek


Het CvB zal onderzoeksprogramma’s op de snijvlakken van disciplines en applicatiedomeinen, en speciaal de programma’s die een interactie beogen tussen de gedrags- en maatschappijwetenschappen en de technische wetenschappen, financieel stimuleren.

Op de grensvlakken van disciplines liggen zeer uitdagende problemen. In haar research profiel kiest de UT er bewust voor om deze snijvlakken op te zoeken. Dat heeft ook zijn vertaling gekregen in de opgerichte onderzoeksinstituten: elk instituut is zodanig ingericht dat het multidisciplinair onderzoek versterkt. Maar ook over de grenzen van de instituten heen zien we toenemende interactie, op gebieden als embedded systems (CTIT, MESA+), Virtual Reality (CTIT, BMTI, IBR), Smart Microsystems (MESA+, IMPACT), Ethiek en Technologie (CTIT, BMTI), Innovatiemanagement (IGS, MESA+, IMPACT) en Gezondheid (BMTI, IBR, IGS).

Met de integratie van de gedrags- en maatschappijwetenschappen en de technische wetenschappen onderscheidt de UT zich van de andere universiteiten. Daarbij is evident dat het onderzoek van de G&M-wetenschappen een eigen intrinsieke waarde heeft en dus een eigen programma en een eigen instituut behoeft. Tegelijkertijd is van belang dat het onderzoek in de technische disciplines zich rekenschap geeft van maatschappelijke consequenties, en dat het onderzoek in de G&M-wetenschappen zich mede laat leiden door technologische ontwikkelingen.



6.6 Stimuleren en belonen excellente onderzoekers


Het CvB zal het aantrekken van (jonge) excellente onderzoekers stimuleren. Steeds meer nationale en internationale onderzoeksmiddelen worden op basis van individuele beoordelingen van onderzoekers aan onderzoekers zelf beschikbaar gesteld. Voorbeelden hiervan zijn de vernieuwingsimpulsprogramma’s van NWO (VENI, VIDI, VICI) en de Spinoza-prijs. Dit doet recht aan het feit dat onderzoek mensenwerk is en dat het de medewerkers zijn die het succes van het instituut dan wel de instelling maken. Daarom is het werven en behouden van goede onderzoekers van eminent belang. Na afloop van een vernieuwingsimpuls-project zal de betreffende onderzoeker veelal dan ook in vaste dienst worden genomen, indien dit nog niet het geval was. Naast het werven van nieuw wetenschappelijk talent, is ook het werven van toppers van belang om de gewenste excellentie te kunnen bereiken. Verder gaat het College van Bestuur verkennen welke mogelijkheden het invoeren van tenure tracks biedt. Invoering van het UFO-systeem heeft er inmiddels toe geleid dat niet meer alleen de beschikbare formatieplaatsen bepalend zijn voor de promotiemogelijkheden van onderzoekers, maar eveneens de aard van de door de onderzoeker uitgevoerde werkzaamheden. Dit biedt de mogelijkheid om meer te sturen op grond van prestaties, in plaats van op formatieplaatsen. Naast een carrièreperspectief is de aanwezigheid van voldoende faciliteiten cruciaal. De UT zet zich in om wetenschappelijk talent extra te faciliteren, bijvoorbeeld door ondersteuning te bieden bij het schrijven van subsidieaanvragen en onderling ervaringen met elkaar te delen.



6.7 Gericht onderzoeksinfrastructuurbeleid


Een gericht onderzoeksinfrastructuurbeleid is van belang zodat enerzijds de onderzoeksprogramma’s optimaal worden gefaciliteerd en anderzijds de kosten beheersbaar blijven. Wat dit laatste betreft is afgesproken dat de zware onderzoeksinfrastructuur deels centraal gefinancierd zal worden.

Onderzoeksfaciliteiten zijn de essentiële gereedschappen voor het verrichten van toponderzoek. Het gaat daarbij deels om kostbare en specialistische apparatuur en voorzieningen. Laboratoria en apparatuur vormen een basisvoorziening voor een groot deel van het UT-onderzoek. Researchfaciliteiten zijn daarnaast een magneet voor talent, dragen bij aan het behoud van mensen, en vormen een ontmoetingsplaats voor onderzoekers.

Het probleem is dat er gebrek is aan structurele investeringsmiddelen en dat de beschikbare exploitatiemiddelen ontoereikend zijn. Dit legt een zware last op de weerbaarheid van met name de ‘’zwaar technische’’ leerstoelen. Verlichting van deze problematiek is mogelijk door middel van het wijzigen van de bekostiging van infrastructuur en door het vergroten van de regie bij het verwerven en gebruiken van deze infrastructuur.

Het feit dat de middelen gezamenlijk kunnen worden aangevraagd en de apparatuur door meerdere partijen kan worden gebruikt, geeft aan dat dit bij uitstek een onderwerp is waarbij kan worden samengewerkt. Inzake infrastructuur kan meer regie worden gevoerd door investeringen in apparatuur, laboratoria en andere onderzoeksvoorzieningen meer dan nu te plannen. Het delen van infrastructuur met collega-instellingen zoals de 3TU-partners Delft en Eindhoven, maar ook met Wageningen, Nijmegen, Osnabrück, Münster en nog dichter bij huis het MST, het Roessingh of Thales zal nadrukkelijk worden beschouwd op mogelijkheden, consequenties, risico’s, randvoorwaarden etc. Ook zal gebruik gemaakt worden van de specifieke fondsen voor infrastructuur, die mogelijk extern beschikbaar worden gesteld.



6.8 Strategische allianties


Strategische allianties, zowel met kennisinstellingen, onderzoeksinstellingen en bedrijfsleven, zijn noodzakelijk om het research profiel te bewaken en te versterken en om de mondiale onderzoekstop te bereiken. Van belang is dat de UT open staat voor nieuwe mogelijkheden die zich aandienen of die uit eigener beweging aangeboord dienen te worden.

Aan de basis van strategische allianties staat dat de coördinatie, afstemming en samenwerking intern goed geregeld is. De WD’s zijn verantwoordelijk voor het vergroten van de samenwerking binnen en tussen de instituten, en voor het toegankelijker maken van de technische instituten voor maatschappijwetenschappers en vice versa.

Uitbreiding van de externe strategische allianties en samenwerkingsverbanden zal gestimuleerd worden. In dit verband wordt er bijvoorbeeld gestreefd naar samenwerking met TNO en de grote technologische instituten (GTI’s). Los van de inspanningen op instellingsniveau mag van elke onderzoeksgroep samenwerking met andere partijen worden verwacht. Maar de samenwerking hoeft niet overal dezelfde vorm aan te nemen. Onderzoek binnen engineering kenmerkt zich door andere vormen van samenwerking dan bijv. het meer science-driven onderzoek.


De ambities van de UT op het terrein van de valorisatie passen uitstekend bij de wensen van de regionale partners. Met deze partners wordt in het bijzonder samengewerkt op de gebieden materialen en high tech systems, bouw, voeding, technologie en gezondheid en technologie en veiligheid. De samenwerking wordt verder versterkt door het openstellen van de UT-faciliteiten voor externe partijen. Infrastructuren en faciliteiten zijn ideale omgevingen voor de netwerkeffecten die kenmerkend zijn voor innovatieve regio’s. Daarnaast wordt de regionale samenwerking versterkt door het aanstellen aan de UT van topmensen uit het bedrijfsleven, de zorgsector of de publieke sector. Bijzondere leerstoelen en praktijkhoogleraren dragen vaak bij aan de koppeling van de UT aan regionale of landelijke organisaties.

3TU-KADER

Klaverbladstrategie

In 3TU-verband is afgesproken dat de drie TU’s elk een portal vormen naar hun eigen achterland. Elk achterland heeft zijn eigen signatuur. Het achterland van de UT wordt gevormd door de regio Noord-oost Nederland en omvat de universiteiten van Nijmegen, Wageningen en Groningen. De signatuur van dit achterland luidt ‘Food, Health & Technology’. Op deze wijze brengen de drie TU’s elk een signatuur binnen de technologische kern-federatie.



6.9 Kwaliteitszorg

In de periode 2006-2010 zal de UT een expliciet kwaliteitszorgbeleid implementeren.


Er is een veelheid aan instrumenten voor kwaliteitszorg ontstaan: disciplinaire visitaties, beoordelingen van UT-instituten, beoordelingen van CoE’s, UT-performance-indicatoren, 3TU performance-indicatoren in de kwaliteitsmonitor, en hererkenning van onderzoekscholen. Bovendien vragen alle programmavormen ook nog om een verantwoording achteraf. De verantwoordingslast is hierdoor hoog geworden.

Het toekomstige kwaliteitszorgbeleid moet transparant zijn en een aanvaardbare verantwoordingslast kennen. De mogelijkheden tot het terugdringen van de verantwoordingslast kunnen gezocht worden in het herbruikbaar maken van kwaliteitsmetingen (met name disciplinaire visitaties), het uitvoeren van beoordelingen in een lichtere vorm (de beoordeling van instituten), en het afschaffen van beoordelingen waarvoor geen duidelijke noodzaak (meer) bestaat.

Uitgangspunt voor kwaliteitszorg is dat op elk niveau aandacht besteed moet worden aan zowel de wetenschappelijke kwaliteit als de toepassing van kennis. Beide kwaliteiten zijn noodzakelijk met het oog op het bestaansrecht van een onderzoeksgroep. Kwaliteitsnormen kunnen per discipline en per aspect van onderzoek verschillen. De meting van het kwaliteitsaspect zal mede gebaseerd zijn op impactanalyses. Daarbij wil de UT bevorderen dat ook de landelijke jaarlijkse kengetallen onderzoek meer indicatoren voor utilisatie zullen gaan bevatten. Kwaliteit wordt (financieel) beloond.


Door Institutional Research is een aantal criteria met betrekking tot onderzoeksperformance uitgewerkt. Deze hebben in het bijzonder betrekking op het aantal wetenschappelijke publicaties, de staf/publicatie ratio, het aantal promoties, citatie-analyses, de mate van utilisatie, de hoeveelheid tweede en derde geldstroom-inkomsten in relatie tot de eerste geldstroom, etc.


De belangrijkste vormen van het nieuwe kwaliteitszorgbeleid zijn:

Jaarlijkse verantwoording van faculteiten en instituten op basis van onderzoeksperformance-indicatoren.

6-jaarlijkse disciplinaire visitaties (zo mogelijk in 3TU-verband). De resultaten van de 3TU-citatieanalyses zijn hiervoor mede bruikbaar.

Een ‘’lichte’’ en met name toekomstgerichte 6-jaarlijkse beoordeling van instituten. De resultaten van disciplinaire visitaties zijn hiervoor mede bruikbaar.

Kwaliteitszorg onderzoek binnen faculteiten en instituten zelf. Zij worden hierin ondersteund door het in ontwikkeling zijnde ‘’ManagementInformatieStramien onderzoek’’.

Beoordeling van de kwaliteit van promotieopleidingen door de ECOS of door dit aspect mee te nemen bij disciplinaire visitaties.



3TU-KADER

Kwaliteitszorg op 3TU-niveau:

- Om een beeld te krijgen van de onderzoeksthema’s aan de 3TU’s en de vraag te beantwoorden of er sprake is van macrodoelmatigheid, is er een ‘’3TU-landkaart’’ opgesteld.

- Eens in de 3 jaar een 3TU-brede citatieanalyse (‘’kwaliteitsmonitor’’).

- Onderzoeksvisitaties worden zoveel mogelijk in samenwerking verricht.

- Beoordeling van CoE’s.




7. Financiering



7.1 Herijking UT-verdeelmodel


Mede op basis van deze onderzoeksnota zal – begin 2007 - een herijking van het UT-verdeelmodel zijn beslag krijgen. Kern van het nieuwe verdeelmodel is dat de bekostiging van het onderwijs op het niveau van de faculteit ingevuld wordt en de bekostiging van het onderzoek op het niveau van het instituut. Het nieuwe verdeelmodel zal ingaan met ingang van 1 januari 2008. Omdat het UT-verdeelmodel de doelstellingen van het onderzoeksbeleid dient te ondersteunen zullen voor de inrichting van het UT-verdeelmodel de volgende richtlijnen maatgevend zijn:

model van onderzoeksbekostiging moet faculteiten en instituten zekerheid bieden op de middellange termijn om daarmee investeringen op korte en middellange termijn te stimuleren;

meer bevoegdheden en middelen voor de wetenschappelijk directeuren;

bekostiging van instituten en faculteiten en niet van individuele leerstoelgroepen;

verlichten van de matchingsdruk via volumebeleid;

het versterken van de centrale coördinatie van 2e en 3e geldstroom;

het stimuleren van excellente onderzoekers;

meer nadruk op de kwaliteit van de wetenschappelijke output,

aandacht voor de maatschappelijke betekenis van onderzoek (bv aan de hand van patenten en octrooien)

het reserveren van financiële middelen voor het installeren van nieuwe leerstoelen en het opheffen van oude;

een transparant model van onderzoeksbekostiging.



7.2 Eerste geldstroom


Hoofdlijnen onderzoeksbekostiging

Kern van de toekomstige onderzoeksbekostiging is dat de wetenschappelijk directeuren verantwoordelijk zijn voor het onderzoeksbeleid. Dat is een logisch vervolg op het uitgangspunt dat al het onderzoek op de UT ondergebracht dient te zijn bij een onderzoeksinstituut. Daar hoort dan ook bij dat de bekostiging van onderzoek zal plaatsvinden met een lumpsumbudget op het niveau van het instituut (daarmee wordt op instellingsniveau het model van de leerstoel als primaire bekostigingseenheid verlaten). Dit budget kunnen de wetenschappelijk directeuren besteden - binnen de randvoorwaarden van het verdeelmodel en binnen de randvoorwaarden zoals overeengekomen met de betreffende faculteitsdecanen – om de activiteiten van het instituut, alsook de programmatische doorontwikkeling, te financieren. De wetenschappelijk directeuren worden geacht een meerjarige instituutsbegroting op te stellen waarin wordt aangegeven hoe dit budget wordt aangewend en welke externe financieringsbronnen in welke mate zullen worden aangesproken.


Pas nadat de instituutsbegrotingen zijn opgesteld, kunnen de decanen hun faculteitsbegroting opstellen. De relatie wetenschappelijk directeur – decaan is, zo mag duidelijk zijn, een relatie van wederzijdse afhankelijkheid. Noch de wetenschappelijk directeur noch de decaan kan eenzijdig besluiten nemen met vergaande personele consequenties; dat soort besluiten zal altijd in overleg genomen moeten worden. Praktisch vereist dit dat de instituutsbegrotingen mede ondertekend dienen te worden door de betrokken decanen en dat de faculteitsbegrotingen mede ondertekend dienen te worden door de betrokken wetenschappelijk directeuren.


Wat betreft de verdeling van het onderzoeksbudget het volgende. Van het totale onderzoeksbudget wordt 90% door het College van Bestuur verdeeld over de onderzoeksinstituten in (de eerder genoemde) lumpsumbudgetten (zie hierna). De instituten hebben, in overleg met de faculteiten, enige vrijheid in de wijze waarop deze budgetten toegekend worden aan onderzoeksgroepen. Het resterende deel zal in een centraal budget worden ondergebracht. Onder verantwoordelijkheid van het College van Bestuur zal dit budget strategisch worden ingezet ter ondersteuning van het onderzoeksbeleid op instellingsniveau. Voorafgaand aan de verdeling van het onderzoeksbudget zal een deel van het budget worden gereserveerd voor gedeeltelijke compensatie van lasten van leerstoelgroepen voor zwaar-technische infrastructuur.


Lumpsumbudgetten instituten

De toekenning van reguliere lumpsumbudgetten aan de instituten zal zowel plaatsvinden op basis van prestaties, als op basis van bestuurlijk-strategische overwegingen. Meer concreet zullen de lumpsumbudgetten per instituut worden opgebouwd uit:


A- Promotiepremies.


B- Component onderwijsgebonden onderzoek (O&O).

Bepaald naar rato van het aantal gerealiseerde ECTS in de bachelor- en masterfases. De wetenschappelijk directeuren zullen deze component ten goede moeten laten komen aan de groepen die participeren in de opleiding die de middelen genereert.


C- Onderzoeksplaatsen.

Op basis van het aantal onderzoeksplaatsen (fte’s) per instituut in het kader van de tweede geldstroom, alsmede de als tweede geldstroom te beschouwen derde geldstroom en de EU-kaderplaatsen.


D- Convenantsbijdragen.

Het nieuwe UT-verdeelmodel wordt in 2008 budget-neutraal ingevoerd. De convenantsbijdragen zullen in 2008 worden herijkt, en hierbij worden vastgesteld voor de periode vanaf 2009 tot en met 2013. Bij de herijking zal rekening worden gehouden met een adequate overgangstermijn.

De herijking zal geschieden op basis van de aanwezige excellentie en valorisatie per instituut, en op grond van nieuwe ontwikkelingen die kunnen worden bevorderd. Deze criteria zullen in een bestuurlijk oordeel tegenover elkaar worden afgewogen. In samenspraak met de wetenschappelijke directeuren zal de nadere operationalisering van deze criteria worden ontwikkeld.


De financiële sturingsmogelijkheden voor de WD zitten in de aanwending van het reguliere lumpsumbudget van het instituut. In de aanwending van dat budget heeft de WD de vrijheid om, los van de grondslagen voor toekenning van het budget, eigen strategische keuzes te maken waarbij niet noodzakelijkerwijs de prestaties van de leerstoelen als uitgangspunten dienen te worden genomen. Dit vereist uiteraard goed overleg met de betrokken decanen. Bovendien geldt er een aantal randvoorwaarden. Ten eerste zal de vrije ruimte in het begin beperkt zijn vanwege lopende verplichtingen; die zullen in de loop der tijd echter wegvallen. Ten tweede moet de O&O-component ten goede komen aan de groepen die participeren in de opleiding die de middelen genereert. Ten derde dient de WD zijn keuzes beleidsmatig te onderbouwen. De vier in de onderzoeksnota genoemde aspecten van onderzoek kunnen daarbij financieel verschillend gewaardeerd worden. Uiterlijk eind mei voorafgaande aan het begrotingsjaar worden de onderzoeksbudgetten van de verschillende instituten vastgesteld en krijgen de wetenschappelijk directeuren de opdracht een meerjarige onderzoeksbegroting op te stellen. Evident is dat de financiële sturingsmogelijkheden voor de WD’n uiteindelijk groter zullen zijn dan in het huidige verdeelmodel.



Centraal budget

De aanwending van het centrale onderzoeksbudget zal plaatsvinden op basis van strategische overwegingen en op basis van specifieke prestaties. Waar het gaat om een strategische aanwending zullen de wetenschappelijk directeuren doorgaans adviserend optreden; voor het belonen van specifieke prestaties zal een claimrecht gelden. In alle gevallen betreft het hier tijdelijke financiering, hetzij voor strategisch beleid (‘’nieuw voor oud’’ -reserveringsbudget), hetzij voor persoonsgerichte ondersteuning.

Strategische overwegingen: Daarbij gaat het om middelen voor de op- en afbouw van leerstoelen en programma’s ter vernieuwing van het onderzoeksprofiel van de UT en het benutten van kansen tot samenwerking en kansen die zich voordoen in de externe omgeving. Hierbij kan gedacht worden aan de opbouw van programma’s op de grensvlakken van instituten en domeinen, en in dat kader de start van een specifieke leerstoel. Deze stimulering is per definitie tijdelijk. Om desondanks een blijvend effect te bereiken, zal de financiering van de nieuwe leerstoelen of programma’s na afloop van de centrale stimulering moeten worden overgenomen door de betreffende instituten. Op dezelfde wijze als in het 3TU proces zal hier dus verdringing optreden, d.w.z. dat ‘’oude’’ programma’s en leerstoelen zullen worden afgebouwd ten behoeve van nieuwe (‘’nieuw voor oud’’). Bij deze programmavernieuwing kunnen meerdere instituten betrokken zijn.

Specifieke prestaties: Middelen voor persoonsgerichte ondersteuning ter stimulering van vernieuwend onderzoek, uitgevoerd door jonge en/of excellente (op basis van past performance) onderzoekers. Hierbij wordt gedacht aan de volgende vormen:

- Centrale en volledige matching van VIDI en VICI-programma’s, persoonsgerichte ERC-programma’s en Spinoza-prijzen. Eventueel aangevuld met UT-financiering van (delen van) programma’s die binnen de ERC en Vernieuwingsimpuls als zeer goed en subsidiabel beoordeeld werden, maar die desondanks (net) niet gesubsidieerd werden.

- Beloning van bijzondere individuele- of leerstoelprestaties met bijvoorbeeld een promovendus uit de eerste geldstroom.

- Het aantrekken van vrouwelijke excellente onderzoekers.


De toekenning van de centrale stimulering zal plaatsvinden in overleg met de WD’n. Bij de aanwending van de centrale stimulering zijn de WD’n gebonden aan de afspraken omtrent de besteding die daarover met het CvB zijn gemaakt.



7.3 Tweede en derde geldstroom


Integrale financiering geldt als uitgangspunt voor de bekostiging van onderzoeksprojecten. Mede ook in 3TU-verband maakt de UT zich daar sterk voor. Integrale financiering maakt het mogelijk om invulling te geven aan de groeidoelstellingen van de UT zonder afhankelijk te zijn van de beperkte omvang van de eerste geldstroom. Het uitblijven van integrale bekostiging heeft geleid tot een grote matchingsproblematiek bij de Nederlandse universiteiten. Binnen de UT speelt deze problematiek sterk.


De informatiepositie van de UT, waar het betreft het zicht op de (mogelijke) toekomstige beschikbaarstelling van middelen, dient versterkt te worden omdat er door landelijke subsidiënten nog vele middelen (b.v. FES-middelen) op min of meer incidentele basis worden verdeeld. Daarnaast dient op zowel instellings- als instituutsniveau de interne en externe afstemming en regie versterkt te worden. Intern om de matchingsproblematiek te kunnen beheersen. Extern omdat subsidiënten meer omvangrijke subsidies zijn gaan geven, veelal aan consortia van meerdere organisaties, en omdat deelname in consortia een verhoogde mate van afstemming en regie vereist. Waar betrokkenheid bij de vormgeving van de landelijke programma’s mogelijk is, zal dit worden nagestreefd. 3TU-CoC’s zijn hier door hun massa een geschikt middel voor.


Met het oog op een heldere profilering van het onderzoeksprogramma van de UT en op een beheersing van de matchingsverplichtingen beraadt het College van Bestuur zich over de wijze waarop de bedoelde informatiepositie, afstemming en regie op zowel instituuts- als instellingsniveau kan worden versterkt. Het college zal daarover in overleg treden met de wetenschappelijk directeuren. Voorop staat dat de wetenschappelijk directeuren een centrale rol spelen met betrekking tot de profilering en de beheersing van de matchingsverplichtingen. Bij de wetenschappelijk directeuren berust de verplichting om hierin keuzes te maken op basis van de budgettaire (on)mogelijkheden. Om het selectieve karakter van de groei vorm te geven, is het van belang dat de wetenschappelijk directeuren zich bij het indienen van programmavoorstellen zoveel mogelijk beperken tot het indienen van voorstellen die binnen de profilering passen en waarvoor de noodzakelijke matchingscapaciteit aanwezig is. Het College van Bestuur wenst in een vroeg stadium betrokken te worden bij onderzoeksvoorstellen die zullen leiden tot een aanvullend matchingsverzoek. Het college zal deze voorstellen toetsen alvorens haar steun aan de indiening te verlenen en de gevraagde matching toe te zeggen. In het geval van gelijktijdige indiening voor één omvangrijk landelijk programma (landelijke deadline) zal het college op instellingsniveau expliciete keuzes maken inzake de vraag welke voorstellen wel en niet in te dienen.


7.4 Financiering infrastructuur


Eerste geldstroom

Momenteel dragen leerstoelen een flink deel van de infrastructurele lasten zelf doordat zij als labgebruikers de kosten van laboratoria en andere infrastructuur krijgen doorberekend. Zo wordt onder andere de Cleanroom gefinancierd uit bijdragen van alle gebruikers. Hoewel hier voor deze leerstoelen een verhoogde (‘zwaar-technische’) premie op de tweede- en derde geldstroom tegenover staat, drukt deze wijze van financieren zwaar op de begrotingen van deze leerstoelen. Zoals hiervoor al is aangegeven zal een deel van het onderzoeksbudget worden gereserveerd voor gedeeltelijke compensatie van lasten van leerstoelgroepen voor zwaar-technische infrastructuur. Specifiek met betrekking tot het toekomstige Nanolab (waar de Cleanroom in opgaat) wordt overwogen het zwaartechnische deel centraal te financieren.


Tweede- en derde geldstroom

Om optimaal gebruik te kunnen maken van toekomstige mogelijkheden voor externe financiering van infrastructuur, zal de UT, waar nuttig in samenwerking met externe relaties, inventariseren welke infrastructuur aanwezig is en welke infrastructuur in aanvulling hierop gewenst is. Anderzijds zullen de ontwikkelingen op het gebied van mogelijke nieuwe externe financieringsbronnen worden gevolgd, zodat er goed en gezamenlijk op deze ontwikkelingen kan worden ingespeeld op het moment dat deze gelden daadwerkelijk ter beschikking komen. Soms zal dit er toe leiden dat verschillende UT partijen gezamenlijke aanvragen doen. Bij andere soorten infrastructuur kan samenwerking met niet-UT-partijen aangewezen zijn, zoals in het verleden bijvoorbeeld in NanoNed-verband gelden voor NanoLab zijn verworven. Deze afstemming zal met name plaatsvinden met de andere TU’s, maar ook met de universiteiten van Nijmegen, Wageningen, Groningen, Munster en Osnabruck.

Uiteraard zal bij reguliere onderzoeksaanvragen gebruik van het lab deel uit blijven maken van de aangevraagde begrotingen.


Beheer middelen

Aanwezige infrastructuur zal zoveel als mogelijk beschikbaar worden gesteld voor gebruik door externe partijen (facility-sharing). Uiteraard worden de faciliteiten in de eerste plaats gedeeld met die partijen waarmee de faciliteit gezamenlijk is verworven, veelal de TU’s of andere universitaire partners. Het Nirict werkt aan de opzet van een gezamenlijke researchlab in 3TU-verband.

Van belang is ook het gebruik van de UT-faciliteiten door bedrijven in de regio. Bedrijven worden in de gelegenheid gesteld om op zakelijke basis gebruik te maken van de onderzoeksfaciliteiten die op de UT aanwezig zijn.







BIJLAGE Multidisciplinaire onderzoeksprogramma’s Universiteit Twente




Programma Instituut Faculteiten CoE/CoE TTI’s

1. Nanotechnologie

MESA+ Institute for Nanotechnology

TNW, EWI, BBT

Sustainable Energy / BioNano


2. Medische en biomedische technologie

BMTI, Institute for Biomedical Technology

TNW, EWI, CTW, GW

BioNano

DPI

3. Telematica en informatie & communicatietechnologie

CTIT, Centrum voor Telematica en Informatie Technologie

EWI, CTW, GW, BBT

NIRICT

Ethics & Technologyfd

TI

4. Mechanics en Procestechnologie

IMPACT, Institute of Mechanics, Processes and Control-Twente

TNW, EWI, CTW

High Tech Systems / Sustainable Energy / Fluids & Solids

DPI, NIMR

5. Innovatie en Governance

IGS, Institute for Governance Studies

CTW, BBT



6. Gedragswetenschappen in relatie tot technologische ontwikkelingen

IBR, Institute for Behavioural Research

GW