Agendapunten

3. Verslag overleg 2006-10-03

logo Universiteitsraad UT

universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 500


Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 06 328

Fax


Datum

11 oktober 2006

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad op dinsdag 3 oktober 2006

Aanwezig:

Leden UR:

van Andel, Andringa, Becht, Brinkman, Ferreira Pires, Fonville, Hoogveld, de Jong, Meijer (vz), van Nierop, Pol, Poorthuis, Possel, Stek, van der Velde, Visschedijk, Wormeester

College van Bestuur:

Van Ast, Flierman, Zijm

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)

Afwezig:

Visser (m.k.)



1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent om 15.10 uur met een welkom aan de aanwezigen de vergadering.

De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld.


2.Mededelingen

CvB:

Strategische bijeenkomst UMT 18+19.9.06: De bijeenkomst was heel zinvol. Een verslag verschijnt dezer dagen op het web.

Vacatures: De procedure m.b.t. de wetenschappelijk directeur Mesa+ is zo goed als rond.

Onlangs is een vrouwelijke hoogleraar benoemd aan de faculteit TNW in de persoon van mevrouw Jennifer Herek.

Samenwerking ITC: Op 28 september jl. is een intentieverklaring ondertekend m.b.t. samenwerking tussen UT en ITC. De inhoudelijke, organisatorische en bestuurlijke inrichting zal nu verder uitgewerkt worden. Ook zal nog met het ministerie gesproken moeten worden over de voorwaarden waaronder de UT de bekostiging van ITC kan overnemen.

Samenwerking Twente School of Education: Op 29 september is een samenwerkingsovereenkomst getekend m.b.t. lerarenopleidingen tussen UT, Saxion en Edith Stein. Desgewenst kan hier in de volgende overlegvergadering nader over gesproken worden.


3.Verslag van de overlegvergadering van 12 september 2006 (UR 06-291)

Pag. 4, besluit agendapunt 6: De voorzitter merkt op dat de formulering niet geheel juist is. Het was een inhoudelijk advies, waarop enige actie en reactie van het college verwacht wordt in het vervolgtraject – volgens de UR dient dan ook het woord “positief” geschrapt te worden, evenals de beide komma’s. Het college wil eerst de tekst van het concept-besluit nog eens nalezen, zodat besloten wordt hier in de volgende vergadering op terug te komen en het verslag nu nog niet vast te stellen.


Naar aanleiding van het verslag:

Pag. 2 r.52: Bedoeld is “een” volgende overlegvergadering.


4.Naamswijziging BBT – wijziging BBR (UR 06-285, UR 06-3)05

De faculteit is en blijft zich onverkort ervan bewust dat zij deel uitmaakt van een universiteit die technologie en techniek hoog in het vaandel heeft staan, aldus Flierman. Zie ook de brief van de faculteit van 12.6.2006 waarin staat: “Ons kennisdomein is in principe: het gedrag van groepen mensen en de beïnvloeding ervan, inclusief de organisatorische inrichting van primaire processen. De rol die techniek en technische ontwikkeling daarbij speelt, maakt vanzelfsprekend onderdeel uit van ons onderzoek en onderwijs, gegeven het moederbedrijf waar we onderdeel van zijn.”

Pol merkt op dat de naamswijziging wordt voorgesteld om de doelgroep beter te bereiken. Maar kunnen studenten die technische bedrijfskunde willen gaan studeren de opleiding nog wel vinden? Volgens Flierman staat het in de wervingsbrochure heel goed verwoord; verder gaat hij ervan uit dat het intikken van “technische bedrijfskunde” op internet de student naar de juiste plek zal leiden.


De voorzitter meldt dat zojuist een brief is ontvangen dat de faculteitsraad BBT heeft ingestemd met de naamswijziging.

Afgesproken wordt in het UR-besluit te vermelden dat de instemming een wijziging van het BBR betreft.


5.Concept Nota Onderwijsbeleid 2006-2010 (UR 06-283, UR 06-306)

De hoofdvragen in UR 06-306 liggen ter bespreking voor, de detailvragen zoals verwoord in de bijlage zullen schriftelijk door het college beantwoord worden.

De UR herkent veel van de doelstellingen in de nota en acht ze ook wenselijk. Toch zijn er nog wel vragen; hieronder wordt per onderdeel nader ingegaan op de in UR 06-306 geformuleerde vragen.


Algemeen

Kort samengevat meent de UR dat een stapeling van doelgroepen en onderwijsvormen de kwaliteit flink in de weg zou kunnen staan. Met andere woorden: is dit alles bij elkaar niet te veel gericht op groei? En is de gekozen tijdsperiode niet heel ambitieus?

Zijm:

Alle faculteiten/opleidingen worden geacht alle (gewenste) doelgroepen te adresseren, maar niet allemaal in dezelfde mate – er moet ook gekeken worden naar het karakter van de opleidingen. Alle doelgroepen in gebieden waarop de universiteit zich richt en die voldoen aan de basiseisen zouden in staat moeten zijn om de opleidingen van hun keuze aan de UT te kunnen volgen; maar in de verschillende gebieden zullen de verhoudingen wel wat verschillend liggen.

Er worden doelen gesteld in termen van kwaliteit en van internationalisering en dan zullen zeker per faculteit wel meer eisen gesteld moeten worden. Maar ook hier geldt dat het enigszins afhangt van het type opleiding en van de mogelijkheden die de universiteit krijgt. Het is wel de bedoeling dat opleidingen nadrukkelijk naar elkaar kijken en zien hoe dingen uitwerken. Zo zouden er pilots opgezet kunnen worden, waarna naar bevind van zaken gekomen zou kunnen worden tot bredere invoering. Er worden wel doelen gesteld in termen van rendement en faculteiten en opleidingen wordt een scala aan mogelijkheden geboden om die te bereiken.

Toename van het aantal studenten op zich is geen hoofddoel van de onderwijsnota sec. Het hoofddoel is goede kwaliteit, goede beoordeling van opleidingen, goed rendement. Dat betekent ook een aanbod dat appelleert aan de behoeften van grote groepen potentiële studenten.

Het aantal van 10.000 studenten is wel een essentiële randvoorwaarde voor een goede universiteit en de groei daarnaar toe is nodig om te komen tot stabielere financieringsvoorwaarden en daarmee meer ruimte voor het doorvoeren van innovaties. Kortom: Groei is geen hoofddoel, maar wel een randvoorwaarde.

In een van de detailvragen wordt in dit verband iets gezegd over CalTech. Zijm merkt op dat het Nederlandse universitaire klimaat totaal anders is dan het Amerikaanse – denk alleen maar aan de hoogte van de collegegelden en de mate waarin het bedrijfsleven financiert. Een vergelijking gaat dus aan alle kanten mank.


Bekostiging

Dit kost inderdaad het een en ander, aldus Zijm. Maar financiering hoeft niet alleen vanuit de universiteit zelf te komen, er zijn ook andere mogelijkheden. En er wordt geld vrijgemaakt vanuit het primaire proces (“Efficiënte, moderne bedrijfsvoering”). Natuurlijk vraagt het veel van de organisatie, maar Zijm is ervan overtuigd dat de organisatie bereid is daarin mee te gaan, mits men met elkaar van mening is dat de doelen die gesteld worden het waard zijn om nagestreefd te worden.


Kwaliteit van onderwijs

Sommige doelstellingen dwingen ertoe te zorgen dat de randvoorwaarden in orde zijn, aldus Zijm. Zo zal werk gemaakt worden van de taalvaardigheid van docenten, en zal er daarnaast ook aandacht zijn voor algemene didactische kwaliteiten. Essentieel zijn ook goede studentvolgsystemen.

Met ICT ligt het wat moeilijker: daar moet gaandeweg ontdekt worden wat er nodig is; vooral als het gaat om systemen die inhoudelijk gebruikt kunnen worden om het onderwijs te vernieuwen.

Wat onderwijsefficiency betreft: die is van groot belang, en er moet niet gewacht worden tot alles op orde is; maar het zal ook niet van vandaag op morgen geregeld kunnen zijn. Uiteraard zal ook overleg plaatsvinden met de faculteiten (bijvoorbeeld bij de najaarsoverleggen); het is de bedoeling te komen tot prestatieafspraken.

Wat de tijdsspanne betreft: Er dient gewerkt te worden binnen de kaders van het Instellingsplan, dat de periode 2006-2010 bestrijkt. Overigens dient er wel een implementatiepad en bijbehorend kostenplaatje te komen, voor zover mogelijk.

Kleinschaligheid is een groot goed. De invoering van ICT is juist bedoeld om de docenten in staat te stellen hun aandacht te richten op die zaken die ertoe doen en waarbij interactie met de studenten wezenlijk is. Een combinatievorm is dus heel goed mogelijk, namelijk grotere groepen studenten en toch intensief kleinschalig onderwijs.

M.b.t. het Skills Certificate merkt Zijm op dat ondernemersvaardigheden niet binnen het curriculum geleerd kunnen worden. D.w.z.: er zijn minors in ondernemerschap, maar er zijn ook studenten die meer willen en daarvoor is het Skills Certificate in het leven geroepen. Hetzelfde geldt een beetje voor het honours-programma: ook dat is voor studenten die méér willen. (Vanuit het oogpunt van rendement geldt overigens wel dat er voor toegang tot het honours-programma intakegesprekken gevoerd zullen gaan worden en dat studentvolgsystemen kunnen helpen vast te stellen wat studenten willen, wat hun mogelijkheden zijn en waar hun grenzen liggen.


Veranderingsbereidheid

Zijm erkent dat de organisatie veel over zich heen krijgt. Maar het gaat niet steeds over dezelfde mensen. Er is wel een zeker risico, en dat zal tot een minimum beperkt moeten worden. Er zullen dan ook heel duidelijke doelstellingen afgesproken moeten worden – maar vooral ook gaat het erom dat een ieder zich realiseert dat onderwijsvernieuwingen noodzakelijk zijn en goed zijn voor de hele universitaire gemeenschap.


Cultuur

Zijm benadrukt dat gestreefd wordt naar gemotiveerde studenten en hoge rendementen. Studenten zijn niet uniform – wat het college vooral wil is studenten meer volgen en daar waar dat nodig lijkt, afhankelijk van het “type” student, aandringen op het vaker aanwezig zijn bij colleges e.d.


Bekostiging

Er komt een implementatienotitie, aldus Zijm, met daarbij een bekostigingsplaatje. Hij licht alvast een tipje van de sluier op: De bulk van de onderwijsmiddelen wordt toegewezen aan de faculteiten. Dat blijft ook zo. Daarnaast is het de bedoeling in ieder geval een stukje budget centraal te houden voor onderwijsvoorzieningen. Ook zijn er gelden van buiten beschikbaar, en wordt getracht geld vrij te maken in de ondersteunende processen ten dienste van de primaire processen (“Efficiënte, moderne bedrijfsvoering”) dat voor een deel ook ingezet kan worden voor onderwijsvernieuwing. Ook zal binnen de faculteiten geld vrijgemaakt kunnen worden door efficiencyverbetering, en zal moeten worden nagedacht hoe incentives kunnen worden ingebouwd opdat mensen daadwerkelijk streven naar resultaatverbetering.

Van Ast voegt hieraan toe dat gewerkt wordt aan de voorbereiding van het nieuwe verdeelmodel; daarin zullen ook keuzes gemaakt moeten worden t.a.v. de ruimte die voor dit type vernieuwingsontwikkelingen ingezet zal gaan worden.

Wormeester wijst erop dat het niet alleen gaat om een sommetje, maar vooral ook om achtergronden – naar zijn mening dient dit in de onderwijsnota duidelijk naar voren te komen. De nota dient het kader te zijn. Van Ast is dat met hem eens. Uiteraard hangt een en ander samen met hoe er wordt gestuurd en een verbinding wordt gelegd met de inhoudelijke keuzes.


Ten slotte geven de UR-fracties hun algemene mening over de Nota Onderwijsbeleid 2006-2010:

Campussy:

-Over het algemeen zeer positief over de nota. Veel zaken worden absoluut gedeeld.

-Wel zal nog goed moeten worden gekeken naar welke studenten de UT wil aantrekken en welke studenten ze wil afleveren. Deze universiteit is wat het aantrekken van studenten betreft natuurlijk enigszins beperkt; er zal een heel breed aanbod van studenten zijn, goede en minder goede. Differentiatie is dan ook heel belangrijk, waarbij wel heel duidelijk moet worden aangegeven dat dat de reden is om voor die differentiatie te kiezen.

-Een studie is het begin van een carrière in de maatschappij. Studenten moeten zich daarvan bewust zijn en zij moeten daarop worden voorbereid. Dus ook algemene academische vaardigheden zijn heel belangrijk. In de nota staat dat de universiteit onderzoek wil doen naar het aanbieden van meer studies die relevant zijn “voor de actualiteit”. Maar Campussy denkt daar anders over: waar het om gaat is professionals met een degree af te leveren.

Campus Coalitie:

-Heel blij met zo’n uitgebreide nota met zeer veel goede ideeën. Het is vooral een opiniërend stuk en er zullen nog veel keuzes gemaakt moeten worden. T.z.t. hoort de UR graag meer over de doelen, de maatstaven en het tijdpad.

UReka:

-Heel blij met de nota. Er blijkt heel goed naar UReka en daarmee naar een heel groot deel van de studenten geluisterd te zijn.

-Wat de verschoolsing betreft: UReka zou graag zien dat de uitleg die de rector in de vergadering gaf wat meer expliciet in de nota tot uitdrukking komt.

-Bindend studieadvies: UReka is daar tegen, omdat daarmee studenten die nog moeten wennen worden benadeeld. In Leiden heeft men dat onderkend en is het bsa afgeschaft.

-Harde knip: De fractie is erg tegen de harde knip, deze is - ook bij een eventuele invoering van leerrechten - noch voor de studenten, noch voor de UT voordelig.


6.Octrooireglement (UR 06-180, UR 06-206, UR 06-282, UR 06-296)

Ook het OPUT krijgt het reglement voorgelegd, aldus Van Ast. Maar het college blijft van mening dat op basis van artikel 12 van het UR-reglement niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is van advies- of instemmingsrecht voor de UR. Hij stelt voor dit mee te nemen naar de discussie die er volgens afspraak nog komt over de verdeling van bevoegdheden tussen UR en OPUT. Verder is het ook geen “overige regeling” in het kader van het studentenstatuut waarop adviesrecht van toepassing zou zijn, zo meent het college. Met het opnemen in het studentenstatuut gaat het CvB wel akkoord.

Overigens heeft de UR de mogelijkheid ongevraagd advies te geven, en als zodanig zal het college het in UR 06-296 geformuleerde advies beschouwen en overnemen.


De UR brengt een – ongevraagd – positief advies uit ten aanzien de het octrooireglement en de wijziging van het studentenstatuut, een en ander conform het conceptadvies in UR 06-296.


7.Begrotingsbod 2007 (+ herzien Begrotingsbod) (UR 06-253, UR 06-253a, UR 06-301,

UR 06-307)

Van Ast in reactie op UR 06-307:

Premaster-bekostiging: Hier staat inderdaad niets over in de onderwijsnota. Echter wel in het begrotingsbod, namelijk op pag. 9. Er is dan ook besloten om de bestaande verdeling voor het bod 2007 te handhaven.

Het college wil nog wel bezien of het voor het verdeelmodel 2008 e.v. wél tot een wijziging moet komen. Misschien ook nog wel in de onderwijsnota, maar dat vraagt heel goede overwegingen.

Kortom: het college legt dit advies van de UR dus zeker niet naast zich neer.

Tot het expliciet opnemen van een richtlijn voor het formuleren van een onderzoekbegroting is niet besloten. Wel is aan de wetenschappelijk directeuren gevraagd een dergelijke begroting op te stellen. Ook is aan de decanen verzocht aan te geven hoe de koppeling tussen de onderwijsdoelstellingen, het budget en de tijd er uitziet. Het streven is per 2008 te vragen om onderwijsbegrotingen – op dit moment wordt aan de basis daarvoor gewerkt.

De voorzitter merkt op dat wellicht ook de UR enige criteria kan opstellen waaraan volgens hem de begroting moet voldoen, eventueel in overleg met de faculteitsraden. In reactie daarop waarschuwt Flierman dat de UR niet op de stoel van de facultaire medezeggenschap moet gaan zitten, en ook enige ruimte voor de discussie binnen de faculteiten moet laten.

Prinsjesdag: In het bod is een zo goed mogelijke schatting gemaakt. Prinsjesdag zorgt voor een kleine wijziging; er komt namelijk k€ 400 minder bekostiging dan gedacht. Dit zal worden opgevangen in het project “centrale beheerseenheid”. De effecten zitten vooral in het overgaan op het bachelor/master-model – dit heeft de UT een aantal jaren enig financieel voordeel gebracht; uiteindelijk moet een en ander budgetneutraal doorgevoerd worden. Voor dit jaar betekent dat M€ 2,2 minder. Daartegenover staat het effect van de tweede M€ 50 smart mix waarbij de UT M€ 2,6 meer krijgt. Het relatieve aandeel macro gezien is gedaald van 5,41% naar 5,38%. Van Ast belooft deze informatie voor de UR ook nog op schrift te zullen zetten.

Kortom: Het bod wordt gehandhaafd, en er volgt uitleg op schrift.


8.Voortgang 3TU-proces

De voorzitter merkt op dat het onderwerp “Statuten 3TU-federatie” niet geagendeerd is, ervan uitgaande dat daarover eerst op 3TU-niveau gesproken zou worden. Maar nu is gebleken dat er elders al wel een eerste bespreking plaatsvindt. Hij stelt voor de vragen die de UR heeft schriftelijk aan het college te doen toekomen en bespreking ervan in commissieverband te laten plaatsvinden.


Flierman vertelt nog dat de advertentie waarmee de hoogleraren voor de Centers of Excellence geworven gaan worden op 14 oktober a.s. in de Volkskrant en de NRC verschijnt.


9.Schriftelijke rondvraagpunten (UR 06-308)

Taaleis voor internationale studenten

Zijm benadrukt dat het gaat om een IELTS-score van minimaal 6,0. Opleidingen kunnen daarvan naar boven toe afwijken, met daarbij het verzoek om met het oog op uniformiteit daarover contact op te nemen met de zusteropleidingen. Wat betreft opleidingen die buiten het 3TU-blikveld vallen: daar is geen afstemming nodig en kan er wat de UT betreft bijgesteld worden tot 7,0.

Voor een goede communicatie zal worden zorggedragen.


Procedures benoeming hoogleraren

Flierman legt uit dat een persoonsgebonden leerstoel in wezen een bevordering is naar een hogere rang, en daarvoor gelden de procedures die in het kader van het HRM-beleid in acht genomen dienen te worden. Dan kan het dus niet zo zijn dat daaraan voorafgaand een structuurrapport in de faculteitsraad besproken wordt. Hij zou zich wel kunnen voorstellen dat achteraf zo’n persoonsgebonden leerstoel wel in het leerstoelenplan van de faculteit terecht komt, maar dat is geen automatisme. Als een faculteit vindt dat zo’n leerstoel moet worden omgezet in een gewone leerstoel, zou dat iets kunnen zijn wat een decaan in een vertrouwelijk overleg met de voorzitter van de faculteitsraad kortsluit zodat men weet wat er te gebeuren staat. Flierman wijst er nog op dat een persoonsgebonden leerstoel zich per definitie ontwikkelt op een bestaand vakgebied. Voor een profilerende leerstoel geldt eigenlijk hetzelfde: het is een profilering op een vakgebied dat de universiteit al in huis heeft, en dus is beschrijving van de leerstoel op dat moment wat minder actueel.

Er zullen situaties denkbaar zijn waarin wellicht alsnog een structuurrapport gemaakt wordt, maar dat zal van geval tot geval bekeken moeten worden – het is lastig wat dat betreft eenduidige uitspraken te doen.

Wormeester wijst erop dat er ook voor een persoonsgebonden leerstoel een structuurrapport wordt gemaakt. Dus zodra er sprake is van overgang naar een gewone leerstoel, dient er voor die gewone leerstoel een structuurrapport te zijn. Flierman is dat wel met hem eens, maar dan zal de faculteitsraad zich moeten beperken tot wat hij inhoudelijk vindt van het structuurrapport en zich niet mogen richten op de persoon. Reactie van Wormeester: de FR zou bijvoorbeeld wel aan de decaan de vraag kunnen stellen waarom er iemand benoemd is die niet op het vastgestelde structuurrapport past.

Waar het om gaat, aldus Zijm, is dat er niet sluipenderwijs een verandering van het leerstoelenplan wordt doorgevoerd omdat een persoonlijke leerstoelhouder plotseling op een gewone leerstoel komt. Het is evident dat er zorgvuldig dient te worden gehandeld t.a.v. het opnieuw definiëren van een structuurplan. Het college vraagt van de UR het vertrouwen dat op die zorgvuldigheid wordt toegezien, ook als het gaat om de faculteitsraad.

Als het college aangeeft expliciet na te streven dat een faculteitsraad de juiste rol kan spelen en de regels worden gevolgd, dan dient de UR daarop te vertrouwen, totdat het tegendeel blijkt, aldus Wormeester.


10.Rondvraag

Van Nierop heeft begrepen dat de werkgroep uiterlijk medio oktober goedkeuring moet hebben om dit jaar met het honours-programma te kunnen starten. Klopt dat, en lukt dat?

Zijm hoopt die termijn – behoudens accordering door de medezeggenschapsgremia – te kunnen halen. Het college kan zich in de voorgestelde inhoud vinden, en zou graag zien dat het honours-programma in het tweede semester van start kan gaan.


Van Nierop: Een aantal studieverenigingen heeft problemen met de huisvesting. Geldt er een universiteitsbreed collegebeleid op dat gebied?

Op voorstel van Van Ast wordt afgesproken hier bilateraal naar te kijken.


Visschedijk Er zijn tegenstrijdige berichten over het al dan niet invoeren van de leerrechten. Hoe zit het nu precies, en moet de werkgroep al aan de slag?

Volgens het college kan het beste nog even afgewacht worden. Zodra er meer duidelijkheid is zal daarover gecommuniceerd worden.


Van Ast dankt voor het nagezonden advies inzake taakafbakening catering. Wat het studenten-cateringpakket betreft: daarover is het overleg inmiddels opgestart.


11.Sluiting

Om 17.25 uur sluit de voorzitter de vergadering.


*****